4. Conclusie en discussie
Dit artikel beschrijft het politiek vertrouwen in de periode 2016-2025. Het vertrouwen in de politiek fluctueert sterk, zowel over de jaren als tussen groepen. In de periode 2016 tot en met 2020 is doorgaans een stijging te zien ten opzichte van het jaar daarvoor – deze stijgende lijn is al vanaf 2012 zichtbaar. Vanaf 2021 draait dit om en is het vertrouwen meestal lager dan een jaar eerder. Hoewel vanwege het zogenoemde ‘rally around the flag’-effect (Mueller, 1970) tijdens de coronapandemie een daling kon worden verwacht, bleek deze daling niet van tijdelijke aard. In de jaren na de pandemie is het vertrouwen in ambtenaren, de Europese Unie en de gemeenteraad wel hersteld, maar het vertrouwen in politici en de Tweede Kamer niet.
De algemene ontwikkeling in deze periode is deels zichtbaar in de vertrouwenscijfers van de afzonderlijke indicatoren. Het vertrouwen is het hoogst in de gemeenteraad, gevolgd door de Europese Unie en ambtenaren. Deze vertrouwenscijfers zijn vanaf 2022 gestegen. Het vertrouwen in politici en de Tweede Kamer is lager dan het vertrouwen in de andere politieke instituties, en dit vertrouwen is in diezelfde periode juist gedaald. Het verschil in vertrouwen tussen de instituties is dus groter geworden.
Door cijfers per kwartaal te analyseren kunnen deze worden gekoppeld aan politieke gebeurtenissen, zoals Tweede Kamer- of gemeenteraadsverkiezingen. Te zien is dat het vertrouwen in de Tweede Kamer het laagste punt bereikt in het derde kwartaal van 2025. In het vierde kwartaal van 2025, rond de Tweede Kamerverkiezingen, is het vertrouwen weer gestegen.
De mate van vertrouwen in de verschillende instituties verschilt tussen groepen. Jongeren, mensen met een hbo- of wo-diploma, en mensen met een sterke interesse in de politiek hebben vaker vertrouwen in de politiek dan andere groepen. Ook geslacht en herkomst spelen een rol: vrouwen en mensen geboren buiten Europa hebben vaker vertrouwen in de politiek.
Leeftijd houdt het sterkst verband met iemands vertrouwen in de politiek. Het CBS concludeerde in 2010 ook al dat jongeren (en mensen met een hbo- of wo- diploma) meer dan andere groepen vertrouwen hebben in de EU (CBS, 2010). Dat suggereert dat het niet gaat om generatieverschillen, maar om een leeftijdseffect: het vertrouwen neemt af naarmate mensen ouder worden.
Ook zijn er relatief grote verschillen in politiek vertrouwen tussen de verschillende onderwijsniveaus. Deze verschillen zijn de afgelopen jaren ook nog groter geworden: in 2016 zat er nog een verschil van 25 procentpunt tussen de niveaus met het meeste en minste vertrouwen, in 2025 was dat 32 procentpunt.
Het profiel van mensen met veel vertrouwen in de politiek komt niet volledig overeen met de samenstelling van de politieke vertegenwoordiging: jongeren, mensen geboren buiten Europa, en vrouwen hebben vaker vertrouwen in de politiek, maar zijn in de politieke instituties zelf ondervertegenwoordigd.