Vertrouwen in de politiek, 2016-2025
Over deze publicatie
Hoeveel vertrouwen hebben mensen in de politiek, zoals in ambtenaren, politici of de Tweede Kamer? Welke rol spelen factoren zoals leeftijd en onderwijsniveau daarbij? Dit artikel brengt de ontwikkeling van vertrouwen in de politiek in de periode 2016-2025 in kaart.
In het kort:
• In 2025 had 40 procent van de mensen van 15 jaar of ouder vertrouwen in de politiek. Dit was een daling ten opzichte van een jaar eerder.
• Het vertrouwen in politici (21 procent) en de Tweede Kamer (25 procent) is verder gedaald, tot het laagste niveau sinds 2016.
• De verschillen in vertrouwen tussen onderwijsniveaus zijn in de periode 2016-2025 groter geworden.
• Alleen onder jongeren steeg het vertrouwen in de politiek licht in 2025.
• Oudere mensen, mensen met basisonderwijs en mensen met weinig interesse in de politiek hebben minder vertrouwen dan jongere mensen, mensen met een hbo- of wo-opleiding en mensen met veel politieke interesse.
1. Inleiding
Vertrouwen, zowel in elkaar als in instituties, is van belang bij het welzijn van een samenleving en draagt bij aan de groei daarvan (OECD, 2017). Instituties die zich bevinden in het politieke domein maken en voeren beleid uit om het welzijn van de samenleving te bevorderen. Deze politieke besluiten zijn echter afhankelijk van maatschappelijke steun, wat ontstaat uit vertrouwen van burgers in de politieke instituties. Politiek vertrouwen is daarmee belangrijk voor het welzijn van een samenleving. Bovendien is uit eerder onderzoek gebleken dat een gebrek aan vertrouwen samenhangt met pessimisme en onbehagen (Schmeets & Exel, 2020).
Politiek vertrouwen heeft betrekking op meerdere onderdelen van het politieke systeem. Daarom wordt in onderzoek vaak gekeken naar verschillende politieke instituties. CBS-cijfers laten zien dat het vertrouwen in politieke instituties in Nederland structureel lager ligt dan het vertrouwen in andere maatschappelijke instituties, zoals de politie, de rechterlijke macht en de gezondheidszorg (CBS, 2023; CBS Statline, 2026; Schmeets & Exel, 2022).
In vergelijking met andere Europese landen is het vertrouwen in politici en het parlement in Nederland echter relatief hoog, al scoren landen als Finland en Noorwegen net iets hoger. In veel Oost-Europese landen ligt het vertrouwen in politici en parlement juist een stuk lager. Net als in Nederland is ook in andere landen het vertrouwen in politie en rechtspraak hoger dan het vertrouwen in de politiek (CBS Statline, 2025).
Politiek vertrouwen reageert op maatschappelijke en politieke gebeurtenissen. In tijden van crises kan het vertrouwen tijdelijk toenemen, het zogenoemde ‘rally around the flag’-effect (Mueller, 1970). Burgers steunen de overheid en politieke leiders in moeilijke situaties, zoals natuurrampen of internationale spanningen. Na verloop van tijd, bijvoorbeeld wanneer een crisis voorbij is, neemt het effect af en herstelt het vertrouwen zich naar het niveau van vóór de crisis. Recent onderzoek laat zien dat dit effect ook optreedt bij moderne crises, zoals tijdens de coronapandemie (Baekgaard et al., 2020; Baker et al., 2020). Het vertrouwen in de Tweede Kamer en politici was in 2020 hoger dan in eerdere jaren (Schmeets & Exel, 2022). Daarna nam het af en bereikte het vertrouwen in de Tweede Kamer eind 2022 het laagste niveau in tien jaar (CBS, 2023).
Naast crises kunnen ook politieke gebeurtenissen zoals kabinetswisselingen of politieke schandalen het vertrouwen beïnvloeden. Dit vertrouwen hangt samen met hoe burgers de prestaties van de politiek en het functioneren van politieke processen beoordelen (Van der Meer & Hakhverdian, 2017). Zulke gebeurtenissen hebben meestal een beperkt en tijdelijk effect op het vertrouwen. De beoordeling van democratische procedures, zoals transparantie, eerlijkheid en representatie, weegt zwaarder en is stabieler over tijd (Van der Meer & Hakhverdian, 2017).
Ook verkiezingen spelen een rol. Rond verkiezingen kan het vertrouwen in de politiek tijdelijk toenemen, doordat burgers direct kunnen participeren en invloed ervaren (Hooghe & Stiers, 2016). Dit fenomeen wordt ook wel het ‘election boost’-effect genoemd. Dit effect verschilt echter tussen groepen: kiezers van winnende partijen zijn gemiddeld tevredener over het functioneren van de democratie dan kiezers van verliezende partijen (Blais & Gélineau, 2007; Anderson et al., 2005).
Daarnaast is er een duidelijke samenhang tussen politiek vertrouwen en politieke participatie. Mensen met weinig vertrouwen stemmen minder vaak en kiezen vaker voor partijen die zich profileren als anti-establishment (Devine, 2024; Van Enk & Schmeets, 2019). Tegelijkertijd nemen zij relatief vaker deel aan informele vormen van participatie, zoals protestacties, al is dit verband minder sterk.
Uit het Continu Onderzoek Burgerperspectieven (COB) van het SCP uit 2025 blijkt dat de meeste Nederlanders ontevreden zijn over ‘de Haagse politiek’: 34 procent geeft deze een voldoende, tegenover 64 procent voor de lokale politiek. Een meerderheid (59 procent) vindt dat het met Nederland de verkeerde kant op gaat (SCP, 2026).
Tegen deze achtergrond is het relevant om inzicht te krijgen in recente ontwikkelingen in politiek vertrouwen. Bestaand onderzoek richt zich vaak op specifieke momenten, instituties of verschillen tussen bevolkingsgroepen, maar minder vaak op de samenhang daartussen. Dit artikel sluit daarop aan door politiek vertrouwen in Nederland te analyseren over de periode 2016–2025. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar afzonderlijke instituties, maar ook naar een samengesteld cijfer dat een breder beeld geeft van politiek vertrouwen als geheel. Daarnaast zijn ook kwartaalcijfers gebruikt om mogelijke veranderingen door gebeurtenissen beter te kunnen duiden. Zo ontstaat inzicht in het algemene niveau van vertrouwen en de verschillen tussen instituties.
Daarnaast wordt onderzocht in hoeverre politiek vertrouwen samenhangt met persoonskenmerken. Dit geeft inzicht in welke groepen relatief veel of juist weinig vertrouwen hebben, en welke factoren daarmee samenhangen.
De volgende onderzoeksvragen staan centraal:
- Hoe heeft het politiek vertrouwen in Nederland zich ontwikkeld in de periode 2016–2025?
- In hoeverre verschilt het vertrouwen tussen politieke instituties in deze periode?
- Hoe verschilt politiek vertrouwen tussen bevolkingsgroepen?
2. Data en methode
2.1 Bron
De data gebruikt voor dit onderzoek zijn afkomstig uit de CBS-enquête Sociale samenhang en welzijn (SSW). Deze wordt sinds 2012 elk jaar onder een steekproef van inwoners van Nederland van 15 jaar of ouder afgenomen. Het doel van de enquête is de sociale samenhang en het welzijn in Nederland in kaart te brengen. Het onderzoek kent een mixed mode design waarbij mensen eerst met een brief benaderd worden om online deel te nemen (CAWI). Bij geen reactie na twee reminders wordt een deel van de mensen herbenaderd: degenen waarvan een telefoonnummer bekend is via telefoon (CATI) en de rest via een persoonlijk interview (CAPI).
Voor dit onderzoek is gebruikgemaakt van de data uit de edities 2016 tot en met 2025 van de SSW. Voor sommige analyses zijn ook data vanaf 2012 beschikbaar. Aan de edities van 2012 tot en met 2025 hebben in totaal 106 776 personen meegedaan. Dat komt neer op gemiddeld ruim 7 600 respondenten per jaar.
2.2 Analyses
Politiek vertrouwen is gemeten aan de hand van een aantal vragen die ingebed zijn in een blok met vragen over vertrouwen in verschillende instituties. Dit vragenblok wordt geïntroduceerd met de tekst: ‘Dan nu enkele vragen over uw vertrouwen in diverse organisaties en hun functioneren. Hoeveel vertrouwen heeft u in: …?’. Dan volgt een lijst met instituties te weten kerken, het leger, rechters, de pers, de politie, de Tweede Kamer, ambtenaren, politici, banken, grote bedrijven en de Europese Unie. In een aantal recentere jaargangen zijn ook de gezondheidszorg, de gemeenteraad en de wetenschap toegevoegd.
Voor de analyse zijn de scores van de afzonderlijke indicatoren voor vertrouwen in de politiek (ambtenaren, politici, de Tweede Kamer, de Europese Unie en de gemeenteraad) eerst in dezelfde richting toegekend. Een lage score staat voor weinig vertrouwen, een hoge score voor veel vertrouwen.
De antwoordmogelijkheden zijn: ‘heel veel vertrouwen’, ‘tamelijk veel vertrouwen’, ‘niet zo veel vertrouwen‘ en ‘helemaal geen vertrouwen’. De categorieën ‘heel veel vertrouwen’ en ‘tamelijk veel vertrouwen’ worden samengenomen en geven aan dat iemand vertrouwen heeft. De categorieën ‘niet zo veel vertrouwen‘ en ‘helemaal geen vertrouwen’ geven aan dat iemand geen vertrouwen heeft.
Daarna is de somscore ‘politiek vertrouwen’ berekend op basis van vier indicatoren (vertrouwen in ambtenaren, politici, de Tweede Kamer en de Europese Unie). Deze instituties zijn geschikt voor het meten van politiek vertrouwen, omdat burgers erop moeten kunnen vertrouwen dat deze instituties hun politieke functies (het vertegenwoordigen van burgers en maken en uitvoeren van beleid) goed uitvoeren (Schmeets, 2026). Vertrouwen in de gemeenteraad is niet meegenomen, omdat dit pas sinds 2020 (met uitzondering van 2021) is uitgevraagd. Omdat het vertrouwen in politici in 2016 voor het eerst werd uitgevraagd, richt dit artikel zich op de periode van 2016 tot en met 2025. Alleen voor het vertrouwen in de losse indicatoren zijn cijfers vanaf 2012 gebruikt.
De somscore is bepaald door de antwoordopties ‘heel veel vertrouwen’, ‘tamelijk veel vertrouwen’, ‘niet zo veel vertrouwen‘ en ‘helemaal geen vertrouwen’ op alle vier de losse indicatoren een score te geven van respectievelijk 4, 3, 2 en 1, en de scores op te tellen. De missende waarden, zoals wanneer iemand geen antwoord heeft gegeven, zijn niet meegenomen in de berekening. Dit leverde een score op van 4 tot en met 16 punten, waarbij de minimale score van 4 punten staat voor geen politiek vertrouwen. De maximale score van 16 punten betekent volledig vertrouwen in alle vier instituties.
In de laatste stap is het aggregaat verdeeld in twee groepen: ‘geen vertrouwen’ (score 4-9) en ‘wel vertrouwen’ (score 10-16). Het afkappunt is gebaseerd op het gemiddelde van de percentages mensen met heel veel of tamelijk veel vertrouwen in de afzonderlijke indicatoren.
2.3 Achtergrondkenmerken
Om het aandeel mensen dat vertrouwen heeft in de politiek te vergelijken tussen diverse bevolkingsgroepen, zowel in de vijf afzonderlijke indicatoren als in het aggregaat, zijn bivariate analyses gedaan, aan de hand van kruistabellen. Dit is aangevuld met enkelvoudige logistische regressieanalyses om te toetsen in hoeverre afzonderlijke achtergrondkenmerken een rol spelen bij de verschillen tussen groepen. De bevolking is vergeleken op basis van de volgende achtergrondkenmerken:
- geslacht (man/ vrouw);
- leeftijd (in zeven groepen: 15 tot 25 jaar/ 25 tot 35 jaar/ 35 tot 45 jaar/ 45 tot 55 jaar/ 55 tot 65 jaar/ 65 tot 75 jaar/ 75 of ouder);
- herkomst, in vijf groepen:
- geboren in Nederland en de ouders ook
- geboren in Nederland, minimaal 1 ouder in Europa (excl. NL)
- geboren in Nederland, minimaal 1 ouder buiten Europa
- geboren in Europa (excl. NL)
- geboren buiten Europa
- onderwijsniveau (in vijf groepen: basisonderwijs/ vmbo, avo onderbouw, mbo1/ mbo2-4, havo, vwo/ hbo-, wo-bachelor/ hbo-, wo-master, doctor);
- regio (in COROP-gebieden)
- politieke interesse (in vier groepen: zeer geïnteresseerd/ tamelijk geïnteresseerd/ weinig geïnteresseerd/ niet geïnteresseerd).
Inkomen is niet meegenomen in de analyse omdat verschillen naar inkomen vrijwel volledig samenvallen met verschillen naar onderwijsniveau. Daarom is alleen onderwijsniveau gebruikt in dit onderzoek.
De achtergrondkenmerken zijn niet onafhankelijk van elkaar. Zo verschilt bijvoorbeeld het onderwijsniveau van leeftijdsgroepen: ouderen hebben als onderwijsniveau relatief vaak basisonderwijs of een vmbo-diploma. Om bij de bepaling van het verband tussen achtergrondkenmerken en het politiek vertrouwen rekening te houden met de onderlinge samenhang tussen de achtergrondkenmerken, is gebruikgemaakt van een multivariate logistische regressieanalyse. De resultaten daarvan laten de verschillen in politiek vertrouwen zien tussen de categorieën van een achtergrondkenmerk (bijvoorbeeld tussen leeftijdsgroepen) als ermee rekening is gehouden dat verschillen tussen deze categorieën verband houden met de andere achtergrondkenmerken (bijvoorbeeld met het onderwijsniveau).
2.4 Weging
Verschillen tussen de respons op de SSW-enquête en de totale Nederlandse bevolking zijn gecorrigeerd door middel van een weegfactor. Iedere respondent in de dataset krijgt een individueel gewicht toegekend waarin rekening is gehouden met bepaalde achtergrondkenmerken, waaronder geslacht, leeftijd, burgerlijke staat, landsdeel, huishoudsamenstelling en inkomen.
In 2020 en 2021 werd de waarneming gehinderd door de coronacrisis. Door de coronamaatregelen was het in een deel van deze periode niet mogelijk om aan huis interviews af te nemen en kwam er dus alleen via internet en telefoon respons binnen. Het weegmodel is daarom in die jaren aangepast. Daarbij zijn tijdreeksmodellen gebruikt om te kunnen corrigeren voor het wegvallen van een deel van de waarneming. Hierdoor zijn de cijfers beter vergelijkbaar met die van eerdere jaren.
3. Resultaten
3.1 Politiek vertrouwen
In 2025 had 40 procent van de 15-plussers vertrouwen in de politiek. Dit is minder dan een jaar eerder (42 procent). Het vertrouwen kwam daarmee op hetzelfde niveau als in 2022. In de periode 2016-2025 was het vertrouwen alleen in 2016 en 2023 iets lager, maar dit verschil is niet statistisch significant.
| Jaar | Politiek vertrouwen (% van 15-plussers) |
|---|---|
| 2016 | 39,2 |
| 2017 | 44,1 |
| 2018 | 45,6 |
| 2019 | 44,5 |
| 2020 | 53,4 |
| 2021 | 48,1 |
| 2022 | 39,8 |
| 2023 | 39,0 |
| 2024 | 42,4 |
| 2025 | 39,5 |
Vertrouwen nu lager dan voor de coronapandemie
Het vertrouwen in de politiek nam in aanloop naar de coronapandemie toe: van 39 procent in 2016 tot 44 procent in 2019. In 2020 piekte het vertrouwen, met 53 procent. Daarna daalde het weer, tot 40 procent in 2022. Sindsdien is het vertrouwen laag gebleven en schommelde tussen de 39 en 42 procent. In 2024 steeg het vertrouwen licht ten opzichte van een jaar eerder, maar was nog steeds lager dan in de meeste jaren vóór en tijdens de coronapandemie. In 2025 was er weer een daling en lag het percentage weer rond hetzelfde niveau als in 2023.
Vertrouwen in gemeenteraad en EU hoger, in politici en Tweede Kamer laagst
Het vertrouwen in de afzonderlijke instituties laat een uiteenlopend beeld zien ten opzichte van het algemene vertrouwen in de politiek. Het vertrouwen in politici (21 procent) en de Tweede Kamer (25 procent) is in 2025 gedaald ten opzichte van een jaar eerder en is sinds het begin van de metingen niet eerder zo laag geweest. Daarentegen is het vertrouwen in de gemeenteraad (54 procent), de Europese Unie (51 procent) en ambtenaren (47 procent) stabiel gebleven en relatief hoog in vergelijking met voorgaande jaren.
In de jaren voor de coronapandemie nam het vertrouwen in ambtenaren, de Tweede Kamer, politici (gemeten vanaf 2016) en de Europese Unie geleidelijk toe. In 2020 steeg het vertrouwen in alle instituties, vooral in de Tweede Kamer en politici. Sinds 2022 ligt het vertrouwen daarin structureel lager dan in de jaren voor de pandemie.
Daarentegen daalde het vertrouwen in ambtenaren in 2021 minder sterk, en het vertrouwen in de Europese Unie steeg zelfs tot het hoogste niveau ten opzichte van voorgaande jaren. Ook het vertrouwen in de gemeenteraad is sinds de eerste meting in 2022 licht toegenomen.
| Jaartal | Gemeenteraad (% van 15-plussers) | Europese Unie (% van 15-plussers) | Ambtenaren (% van 15-plussers) | Tweede Kamer (% van 15-plussers) | Politici (% van 15-plussers) |
|---|---|---|---|---|---|
| 2012 | 39,2 | 44,3 | 36,3 | ||
| 2013 | 34,3 | 40,8 | 31,5 | ||
| 2014 | 36,4 | 41,9 | 34,6 | ||
| 2015 | 35,8 | 42,3 | 34,4 | ||
| 2016 | 36,0 | 42,6 | 36,9 | 27,5 | |
| 2017 | 43,1 | 45,5 | 40,8 | 31,6 | |
| 2018 | 45,2 | 46,6 | 42,1 | 32,1 | |
| 2019 | 45,7 | 46,3 | 40,0 | 30,0 | |
| 2020 | 55,1 | 48,1 | 49,7 | 53,2 | 39,7 |
| 2021 | 53,4 | 46,2 | 42,4 | 33,3 | |
| 2022 | 50,7 | 48,7 | 42,5 | 30,4 | 23,8 |
| 2023 | 51,5 | 47,1 | 44,0 | 29,0 | 23,8 |
| 2024 | 53,4 | 49,7 | 47,4 | 31,3 | 25,1 |
| 2025 | 54,5 | 51,5 | 47,1 | 24,6 | 21,2 |
Politiek vertrouwen op laagste niveau in derde kwartaal van 2025
Ook per kwartaal schommelt het politiek vertrouwen. In de eerste twee kwartalen van 2025 had respectievelijk 39 en 40 procent van de mensen vertrouwen. In het derde kwartaal, rond de Tweede Kamerverkiezingen, daalde dit naar 35 procent. Dat is, samen met het vierde kwartaal van 2022, het laagste percentage van alle kwartalen in de periode 2016-2025. In het laatste kwartaal van 2025 volgde een herstel: het vertrouwen steeg naar bijna 44 procent. Deze toename zat vooral bij het vertrouwen in de Tweede Kamer; van 20 procent in het derde kwartaal naar 27 procent in het vierde kwartaal.
| Jaar | Kwartaal | Politiek vertrouwen (% van 15-plussers) |
|---|---|---|
| 2016 | 1e kwartaal | 39,0 |
| 2016 | 2e kwartaal | 39,3 |
| 2016 | 3e kwartaal | 38,3 |
| 2016 | 4e kwartaal | 40,8 |
| 2017 | 1e kwartaal | 43,1 |
| 2017 | 2e kwartaal | 46,0 |
| 2017 | 3e kwartaal | 45,3 |
| 2017 | 4e kwartaal | 41,4 |
| 2018 | 1e kwartaal | 46,5 |
| 2018 | 2e kwartaal | 45,6 |
| 2018 | 3e kwartaal | 47,9 |
| 2018 | 4e kwartaal | 41,4 |
| 2019 | 1e kwartaal | 45,5 |
| 2019 | 2e kwartaal | 44,8 |
| 2019 | 3e kwartaal | 45,1 |
| 2019 | 4e kwartaal | 42,5 |
| 2020 | 1e kwartaal | 45,0 |
| 2020 | 2e kwartaal | 58,9 |
| 2020 | 3e kwartaal | 52,6 |
| 2020 | 4e kwartaal | 57,1 |
| 2021 | 1e kwartaal | 55,4 |
| 2021 | 2e kwartaal | 46,1 |
| 2021 | 3e kwartaal | 45,5 |
| 2021 | 4e kwartaal | 45,4 |
| 2022 | 1e kwartaal | 44,9 |
| 2022 | 2e kwartaal | 40,2 |
| 2022 | 3e kwartaal | 38,0 |
| 2022 | 4e kwartaal | 35,3 |
| 2023 | 1e kwartaal | 39,1 |
| 2023 | 2e kwartaal | 38,7 |
| 2023 | 3e kwartaal | 39,6 |
| 2023 | 4e kwartaal | 38,4 |
| 2024 | 1e kwartaal | 40,7 |
| 2024 | 2e kwartaal | 43,0 |
| 2024 | 3e kwartaal | 44,6 |
| 2024 | 4e kwartaal | 41,1 |
| 2025 | 1e kwartaal | 39,2 |
| 2025 | 2e kwartaal | 40,0 |
| 2025 | 3e kwartaal | 34,8 |
| 2025 | 4e kwartaal | 43,5 |
3.2 Geslacht
Geen significant verschil tussen mannen en vrouwen
Het verschil in het politiek vertrouwen tussen mannen (39 procent) en vrouwen (40 procent) is niet significant in 2025. In eerdere jaren was het verschil alleen in 2017 significant. Toen was het percentage vrouwen met politiek vertrouwen hoger dan het percentage mannen. Vrouwen hadden in 2025 wel significant meer vertrouwen in de Europese Unie (54 procent tegenover 49 procent) en de gemeenteraad (56 procent tegenover 53 procent) dan mannen. In de jaren 2022-2024 hadden mannen iets meer politiek vertrouwen dan vrouwen, maar dit verschil is niet significant. Mannen hadden in die jaren significant meer vertrouwen in ambtenaren, politici en de Tweede Kamer.
| Jaar | Mannen (% van 15-plussers) | Vrouwen (% van 15-plussers) |
|---|---|---|
| 2016 | 38,8 | 39,7 |
| 2017 | 42,4 | 46,0 |
| 2018 | 44,0 | 47,2 |
| 2019 | 44,1 | 44,9 |
| 2020 | 52,6 | 54,2 |
| 2021 | 47,2 | 49,0 |
| 2022 | 40,7 | 38,9 |
| 2023 | 39,5 | 38,4 |
| 2024 | 43,3 | 41,4 |
| 2025 | 38,9 | 40,2 |
3.3 Leeftijd
In elk jaar van de periode 2016-2025 was het vertrouwen in de politiek lager naarmate de leeftijd toeneemt. Omdat dit patroon elk jaar zichtbaar is, wijst het niet op generatieverschillen, maar op een leeftijdseffect.
Alleen onder jongeren steeg het politiek vertrouwen in 2025
In 2025 had 57 procent van de 15- tot 25-jarigen vertrouwen in de politiek, tegenover 31 procent van de 65- tot 75-jarigen, de groep met het minste vertrouwen. Onder jongeren (15 tot 25 jaar) steeg het vertrouwen in 2025 licht ten opzichte van een jaar eerder, terwijl het bij alle andere leeftijdsgroepen juist daalde of gelijk bleef. Deze daling is het sterkst bij de 25- tot 55-jarigen. Over de gehele periode 2016-2025 hebben 55-plussers het minst vaak vertrouwen in de politiek, met name de groep van 65 tot 75 jaar.
| Jaar | 15 tot 25 jaar (% van 15-plussers) | 25 tot 35 jaar (% van 15-plussers) | 35 tot 45 jaar (% van 15-plussers) | 45 tot 55 jaar (% van 15-plussers) | 55 tot 65 jaar (% van 15-plussers) | 65 tot 75 jaar (% van 15-plussers) | 75 jaar of ouder (% van 15-plussers) |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2016 | 54,5 | 43,7 | 40,3 | 35,1 | 32,2 | 32,2 | 35,9 |
| 2017 | 62,5 | 49,1 | 45,6 | 40,1 | 36,7 | 33,2 | 40,3 |
| 2018 | 64,3 | 52,2 | 45,8 | 43,3 | 35,5 | 34,8 | 40,9 |
| 2019 | 63,1 | 51,6 | 46,8 | 40,4 | 35,3 | 34,5 | 37,9 |
| 2020 | 73,1 | 60,2 | 55,8 | 51,1 | 45,2 | 39,5 | 45,5 |
| 2021 | 65,8 | 56,0 | 50,0 | 48,5 | 38,5 | 35,9 | 38,4 |
| 2022 | 58,1 | 41,1 | 42,9 | 37,9 | 31,5 | 31,6 | 35,6 |
| 2023 | 52,7 | 43,6 | 42,7 | 38,2 | 32,4 | 31,3 | 29,4 |
| 2024 | 53,4 | 50,6 | 42,9 | 42,7 | 36,5 | 32,9 | 35,6 |
| 2025 | 56,9 | 42,4 | 38,5 | 37,4 | 35,1 | 31,4 | 34,3 |
Jongeren meeste vertrouwen in EU, de rest in gemeenteraad
Hetzelfde patroon is zichtbaar bij de afzonderlijke politieke instituties: 15- tot 25-jarigen hebben in alle instituties het meeste vertrouwen en 65- tot 75-jarigen het minste, samen met 55- tot 65-jarigen. Jongeren hebben het meeste vertrouwen in de Europese Unie, terwijl alle andere leeftijdsgroepen het meeste vertrouwen hebben in de gemeenteraad, maar het verschil tussen vertrouwen in de gemeenteraad en de EU is niet statistisch significant. In alle leeftijdsgroepen is het vertrouwen in politici het laagst, gevolgd door het vertrouwen in de Tweede Kamer, maar dit verschil is alleen significant bij 65- tot 75-jarigen. Het verschil tussen jong en oud is het grootst bij het vertrouwen in de EU. In 2025 had 70 procent van de 15- tot 25-jarigen vertrouwen in de EU, tegenover 43 procent van de 65- tot 75-jarigen.
Ook wanneer wordt gecorrigeerd voor geslacht en onderwijsniveau blijft de samenhang tussen politiek vertrouwen en leeftijd sterk.
| Leeftijd | Gemeenteraad (% van 15-plussers) | Europese Unie (% van 15-plussers) | Ambtenaren (% van 15-plussers) | Tweede Kamer (% van 15-plussers) | Politici (% van 15-plussers) |
|---|---|---|---|---|---|
| 15 tot 25 jaar | 66,8 | 70,0 | 55,8 | 34,1 | 32,6 |
| 25 tot 35 jaar | 61,7 | 58,3 | 53,0 | 25,3 | 23,7 |
| 35 tot 45 jaar | 57,0 | 51,7 | 49,5 | 23,6 | 18,8 |
| 45 tot 55 jaar | 52,6 | 46,7 | 47,5 | 22,2 | 19,6 |
| 55 tot 65 jaar | 45,6 | 42,9 | 42,2 | 22,7 | 18,1 |
| 65 tot 75 jaar | 44,9 | 42,9 | 39,2 | 20,7 | 15,3 |
| 75 of ouder | 52,9 | 46,4 | 40,5 | 23,0 | 19,6 |
3.4 Herkomst
Migranten van buiten Europa hebben het meeste politiek vertrouwen
In 2025 hadden mensen die buiten Europa zijn geboren het meeste vertrouwen in de politiek (49 procent). Mensen die in Nederland zijn geboren met minimaal één ouder die buiten Europa is geboren (de tweede generatie), hebben met 34 procent het minst vaak vertrouwen. Het vertrouwen van mensen die in Nederland zijn geboren met ouders die ook in Nederland zijn geboren, komt overeen met het gemiddelde (40 procent). Alleen bij mensen met een Nederlandse herkomst was het vertrouwen in 2025 significant lager dan in 2024.
Mensen die buiten Europa zijn geboren hebben het meeste vertrouwen in ambtenaren, politici en de Tweede kamer. Het vertrouwen in de gemeenteraad en de Europese Unie is het grootst onder mensen die in Europa maar buiten Nederland zijn geboren.
Herkomstgroepen verschillen in samenstelling naar geslacht, leeftijd en onderwijsniveau. Toch blijken de verschillen in politiek vertrouwen tussen herkomstgroepen daar niet aan te kunnen worden toegeschreven. Deze verschillen blijven vrijwel gelijk als rekening wordt gehouden met deze drie achtergrondkenmerken.
| Jaar | Geboren in Nederland, 2 ouders geboren in Nederland (% van 15-plussers) | Geboren in Nederland, 1 of 2 ouders geboren in Europa (% van 15-plussers) | Geboren in Nederland, 1 of 2 ouders geboren buiten Europa (% van 15-plussers) | Geboren in Europa (excl. Nederland) (% van 15-plussers) | Geboren buiten Europa (% van 15-plussers) |
|---|---|---|---|---|---|
| 2016 | 38,0 | 33,6 | 44,4 | 44,2 | 48,6 |
| 2017 | 43,6 | 39,5 | 48,5 | 45,6 | 46,5 |
| 2018 | 44,7 | 38,8 | 49,5 | 51,4 | 50,4 |
| 2019 | 43,5 | 38,4 | 52,0 | 48,6 | 47,5 |
| 2020 | 52,2 | 48,9 | 56,1 | 52,1 | 64,0 |
| 2021 | 47,6 | 38,2 | 50,7 | 49,7 | 53,2 |
| 2022 | 38,7 | 41,2 | 38,5 | 51,4 | 45,9 |
| 2023 | 38,1 | 36,3 | 41,3 | 41,9 | 44,4 |
| 2024 | 41,3 | 44,4 | 42,2 | 43,0 | 50,7 |
| 2025 | 38,7 | 40,5 | 33,5 | 42,8 | 48,5 |
3.5 Onderwijsniveau
Politiek vertrouwen het hoogst onder hbo- en universitair geschoolden, laagst onder mensen met vmbo- of mbo-niveau
Het vertrouwen in de politiek verschilt ook per onderwijsniveau. Hbo’ers en universitair geschoolden hadden in 2025 het meeste vertrouwen (44 procent van de mensen met een bachelor-diploma en 58 procent van de mensen met een masterdiploma). Mensen met een vmbo- of mbo-opleiding of daarmee vergelijkbaar zitten onder het gemiddelde; ongeveer een derde van deze groep had in 2025 vertrouwen in de politiek (32 en 33 procent). Mensen met afgerond basisonderwijs hadden het minst vaak vertrouwen (26 procent).
Het vertrouwen ontwikkelde zich in de periode 2016-2025 niet bij elke onderwijsgroep hetzelfde. Bij alle groepen was het vertrouwen in de politiek in 2025 op het laagste niveau, al verschilt dit voor sommige groepen niet significant van 2023. Het vertrouwen onder hbo- en wo-geschoolden is in 2025 minder sterk gedaald dan bij de andere onderwijsgroepen, met ongeveer 1 á 2 procentpunt. Bij mensen met basisonderwijs of een vmbo-opleiding varieert dit van 3 tot 6 procentpunt.
Verschillen tussen onderwijsniveaus steeds groter
De verschillen naar onderwijsniveau zijn groter geworden. In 2016 zat er nog een verschil van 25 procentpunt tussen de groep met het meeste en minste vertrouwen, in 2025 was dat 32 procentpunt. Over de gehele periode bezien kwam het hoogste vertrouwen onder mensen met basisonderwijs (in 2020) niet uit boven het laagste vertrouwen van hbo- en universitair geschoolden met een bachelor (in 2025).
| Jaar | Basisonderwijs (% van 15-plussers) | Vmbo, mbo1 (% van 15-plussers) | Havo, vwo, mbo2-4 (% van 15-plussers) | Hbo-, wo-bachelor (% van 15-plussers) | Hbo-, wo-master, doctor (% van 15-plussers) |
|---|---|---|---|---|---|
| 2016 | 32,1 | 32,8 | 35,8 | 46,8 | 57,1 |
| 2017 | 33,0 | 36,5 | 40,9 | 52,3 | 61,6 |
| 2018 | 38,8 | 36,9 | 40,6 | 55,7 | 63,6 |
| 2019 | 36,2 | 34,6 | 40,4 | 52,6 | 65,4 |
| 2020 | 44,7 | 46,7 | 49,5 | 60,7 | 69,5 |
| 2021 | 37,3 | 41,7 | 43,0 | 53,8 | 64,8 |
| 2022 | 28,5 | 33,0 | 32,7 | 47,4 | 58,3 |
| 2023 | 30,4 | 30,5 | 31,7 | 46,9 | 57,0 |
| 2024 | 29,8 | 35,4 | 37,0 | 46,9 | 59,4 |
| 2025 | 25,7 | 32,5 | 32,6 | 44,5 | 58,0 |
Vertrouwen in alle instituties het hoogst bij mensen met een hbo- of wo-diploma
Ook voor alle politieke instituties afzonderlijk geldt dat mensen met een hbo- of wo-diploma (zowel bachelor als master) vaker dan gemiddeld vertrouwen hebben. Wel zijn er verschillen in hoe dit vertrouwen over instituties is verdeeld.
Mensen met een hbo- of wo-masterdiploma hebben het meeste vertrouwen in de Europese Unie. Bij de hbo- of wo-bachelors is het vertrouwen in de Europese Unie en de gemeenteraad ongeveer even hoog. Voor de overige onderwijsgroepen geldt dat het vertrouwen in de gemeenteraad groter is dan het vertrouwen in de Europese Unie.
Ook bij het vertrouwen in de Tweede Kamer en politici zijn er verschillen. Bij mensen met een hbo- of wo-masterdiploma is het vertrouwen in de Tweede Kamer hoger dan het vertrouwen in politici, bij de overige onderwijsgroepen zijn er geen significante verschillen.
| Onderwijsniveau | Gemeenteraad (% van 15-plussers) | Europese Unie (% van 15-plussers) | Ambtenaren (% van 15-plussers) | Tweede Kamer (% van 15-plussers) | Politici (% van 15-plussers) |
|---|---|---|---|---|---|
| Basisonderwijs | 44,2 | 36,2 | 33,0 | 20,3 | 22,0 |
| Vmbo, mbo1 | 49,4 | 42,5 | 38,3 | 23,0 | 20,1 |
| Havo, vwo, mbo2-4 | 49,0 | 42,9 | 41,5 | 20,9 | 19,4 |
| Hbo-, wo-bachelor | 61,1 | 61,1 | 52,3 | 24,8 | 21,2 |
| hbo-, wo-master, doctor | 65,7 | 71,2 | 65,3 | 33,3 | 24,0 |
3.6 Regio
Vertrouwen het laagst in noordoosten van het land
Door de jaren 2016 tot en met 2025 samen te voegen, kan naar regio (COROP) worden uitgesplitst. In het noordoosten van het land hebben mensen het minst vertrouwen in de politiek. Vooral in Oost-Groningen, Zuidoost-Drenthe en Zuidwest-Drenthe is het vertrouwen relatief laag (respectievelijk 31, 32 en 34 procent). Het vertrouwen in de politiek is het hoogst in Zuidwest-Overijssel, Agglomeratie ’s-Gravenhage, Het Gooi en Vechtstreek, en Agglomeratie Leiden en bollenstreek. In al deze gebieden heeft 45 procent van de inwoners vertrouwen.
| Corop | Code |
|---|---|
| Oost-Groningen | 31 |
| Delfzijl en omgeving | 35 |
| Overig Groningen | 42 |
| Noord-Friesland | 38 |
| Zuidwest-Friesland | 36 |
| Zuidoost-Friesland | 39 |
| Noord-Drenthe | 37 |
| Zuidoost-Drenthe | 32 |
| Zuidwest-Drenthe | 34 |
| Noord-Overijssel | 39 |
| Zuidwest-Overijssel | 45 |
| Twente | 39 |
| Veluwe | 39 |
| Achterhoek | 38 |
| Arnhem/Nijmegen | 41 |
| Zuidwest-Gelderland | 35 |
| Utrecht | 43 |
| Kop van Noord-Holland | 35 |
| Alkmaar en omgeving | 37 |
| IJmond | 38 |
| Agglomeratie Haarlem | 42 |
| Zaanstreek | 37 |
| Groot-Amsterdam | 44 |
| Het Gooi en Vechtstreek | 45 |
| Agglomeratie Leiden en Bollenstreek | 45 |
| Agglomeratie s-Gravenhage | 45 |
| Delft en Westland | 41 |
| Oost-Zuid-Holland | 39 |
| Groot-Rijnmond | 40 |
| Zuidoost-Zuid-Holland | 38 |
| Zeeuwsch-Vlaanderen | 40 |
| Overig Zeeland | 35 |
| West-Noord-Brabant | 36 |
| Midden-Noord-Brabant | 39 |
| Noordoost-Noord-Brabant | 40 |
| Zuidoost-Noord-Brabant | 39 |
| Noord-Limburg | 37 |
| Midden-Limburg | 35 |
| Zuid-Limburg | 36 |
| Flevoland | 38 |
3.7 Politieke interesse
Het aandeel mensen met interesse in de politiek is de afgelopen jaren toegenomen. In 2025 zei 14 procent zeer veel interesse in de politiek te hebben en 42 procent tamelijk veel. In 2016 was dit respectievelijk 11 en 39 procent. Logischerwijs is het aandeel mensen met weinig of geen interesse in de politiek kleiner geworden.
Hoe groter de politieke interesse, hoe groter het vertrouwen in de politiek
Mensen met interesse in de politiek hebben ook meer vertrouwen in de politiek. Andersom geldt ook: mensen met weinig of geen interesse in de politiek hebben minder vertrouwen. In 2025 varieerde het aandeel met vertrouwen tussen 54 procent onder zeer geïnteresseerden en 27 procent onder niet-geïnteresseerden. Dit verschil van 27 procentpunt is het grootste sinds 2016.
In 2025 daalde het vertrouwen in alle groepen ten opzichte van het jaar daarvoor. Onder mensen met weinig of geen interesse in de politiek bereikte het aandeel met vertrouwen opnieuw het laagste niveau (net als in 2016, 2022 en 2023).
| Jaar | Zeer geïnteresseerd (% vertrouwen) | Tamelijk geïnteresseerd (% vertrouwen) | Weinig geïnteresseerd (% vertrouwen) | Niet geïnteresseerd (% vertrouwen) |
|---|---|---|---|---|
| 2016 | 51,3 | 44,3 | 34 | 28,1 |
| 2017 | 55,7 | 49,8 | 39,8 | 29,8 |
| 2018 | 53,5 | 52,3 | 42,9 | 29,8 |
| 2019 | 54,8 | 50,6 | 41,2 | 30,1 |
| 2020 | 61,3 | 58,1 | 52,6 | 38,5 |
| 2021 | 52,6 | 52,6 | 45,6 | 35,3 |
| 2022 | 51,3 | 42,7 | 37 | 27,6 |
| 2023 | 50,7 | 42,6 | 34,5 | 27,4 |
| 2024 | 56,6 | 44,8 | 36,7 | 31,5 |
| 2025 | 53,6 | 43,1 | 33 | 26,6 |
Zowel geïnteresseerden als niet-geïnteresseerden hebben meeste vertrouwen in gemeenteraad
Voor de meeste groepen geldt dat het vertrouwen in de gemeenteraad het grootst is, gevolgd door de EU, ambtenaren, de Tweede Kamer en tot slot politici. De zeer en tamelijk geïnteresseerden hebben daarnaast relatief veel vertrouwen in de EU. De zeer geïnteresseerden hebben ook relatief veel vertrouwen in ambtenaren.
| Politieke interesse | Gemeenteraad (% vertrouwen) | EU (% vertrouwen) | Ambtenaren (% vertrouwen) | Tweede Kamer (% vertrouwen) | Politici (% vertrouwen) |
|---|---|---|---|---|---|
| Zeer geïnteresseerd | 64,2 | 64,2 | 60,6 | 31,7 | 27,7 |
| Tamelijk geïnteresseerd | 57,5 | 55,1 | 49,6 | 26,3 | 22,1 |
| Weinig geïnteresseerd | 51,4 | 46,1 | 42,3 | 20,3 | 18,1 |
| Niet geïnteresseerd | 42,9 | 39,2 | 36,6 | 21,1 | 18,2 |
3.8 Politiek vertrouwen en achtergrondkenmerken in samenhang
Met multivariate logistische regressieanalyses is nagegaan welke van de achtergrondkenmerken samenhangen met het vertrouwen in de politiek als rekening wordt gehouden met de onderlinge samenhang tussen de achtergrondkenmerken. Hierbij is gebruikgemaakt van alle jaargangen samen (2016 tot en met 2025). Uit de analyse blijken leeftijd, geslacht, onderwijsniveau, herkomstland, geboorteland en politieke interesse significant samen te hangen met het wel of niet hebben van vertrouwen in de politiek (zie Bijlage 1).
Vooral leeftijd houdt verband met vertrouwen in de politiek
Leeftijd heeft de sterkste samenhang: naarmate mensen ouder zijn, hebben zij minder vaak vertrouwen in de politiek. Daarna volgt politieke interesse: hoe groter de interesse, hoe vaker mensen vertrouwen hebben. Vervolgens is er een verband met het onderwijsniveau. Het hebben van een hbo- of wo-diploma hangt sterk samen met meer vertrouwen in de politiek. Het hebben van een vmbo-diploma of daarmee vergelijkbaar speelt ook een rol, maar in minder sterke mate. Ook geslacht is een significante factor: vrouwen hebben vaker dan mannen politiek vertrouwen. Tot slot speelt herkomst ook een rol in het vertrouwen: mensen die geboren zijn buiten Europa hebben vaker politiek vertrouwen dan mensen die zijn geboren in Nederland. Mensen die in Nederland zijn geboren met ouder(s) geboren buiten Nederland, zowel Europa als buiten Europa, hebben minder vaak politiek vertrouwen dan mensen geboren in Nederland met ouders geboren in Nederland.
Wanneer een profiel zou worden geschetst van mensen met vertrouwen in de politiek, gaat het dus vooral om jongeren met sterke politieke interesse. Dit kan worden aangevuld met kenmerken als het hebben van een hbo- of wo-diploma, vrouw zijn en geboren zijn buiten Nederland of met ouder(s) geboren zijn buiten Nederland.
4. Conclusie en discussie
Dit artikel beschrijft het politiek vertrouwen in de periode 2016-2025. Het vertrouwen in de politiek fluctueert sterk, zowel over de jaren als tussen groepen. In de periode 2016 tot en met 2020 is doorgaans een stijging te zien ten opzichte van het jaar daarvoor – deze stijgende lijn is al vanaf 2012 zichtbaar. Vanaf 2021 draait dit om en is het vertrouwen meestal lager dan een jaar eerder. Hoewel vanwege het zogenoemde ‘rally around the flag’-effect (Mueller, 1970) tijdens de coronapandemie een daling kon worden verwacht, bleek deze daling niet van tijdelijke aard. In de jaren na de pandemie is het vertrouwen in ambtenaren, de Europese Unie en de gemeenteraad wel hersteld, maar het vertrouwen in politici en de Tweede Kamer niet.
De algemene ontwikkeling in deze periode is deels zichtbaar in de vertrouwenscijfers van de afzonderlijke indicatoren. Het vertrouwen is het hoogst in de gemeenteraad, gevolgd door de Europese Unie en ambtenaren. Deze vertrouwenscijfers zijn vanaf 2022 gestegen. Het vertrouwen in politici en de Tweede Kamer is lager dan het vertrouwen in de andere politieke instituties, en dit vertrouwen is in diezelfde periode juist gedaald. Het verschil in vertrouwen tussen de instituties is dus groter geworden.
Door cijfers per kwartaal te analyseren kunnen deze worden gekoppeld aan politieke gebeurtenissen, zoals Tweede Kamer- of gemeenteraadsverkiezingen. Te zien is dat het vertrouwen in de Tweede Kamer het laagste punt bereikt in het derde kwartaal van 2025. In het vierde kwartaal van 2025, rond de Tweede Kamerverkiezingen, is het vertrouwen weer gestegen.
De mate van vertrouwen in de verschillende instituties verschilt tussen groepen. Jongeren, mensen met een hbo- of wo-diploma, en mensen met een sterke interesse in de politiek hebben vaker vertrouwen in de politiek dan andere groepen. Ook geslacht en herkomst spelen een rol: vrouwen en mensen geboren buiten Europa hebben vaker vertrouwen in de politiek.
Leeftijd houdt het sterkst verband met iemands vertrouwen in de politiek. Het CBS concludeerde in 2010 ook al dat jongeren (en mensen met een hbo- of wo- diploma) meer dan andere groepen vertrouwen hebben in de EU (CBS, 2010). Dat suggereert dat het niet gaat om generatieverschillen, maar om een leeftijdseffect: het vertrouwen neemt af naarmate mensen ouder worden.
Ook zijn er relatief grote verschillen in politiek vertrouwen tussen de verschillende onderwijsniveaus. Deze verschillen zijn de afgelopen jaren ook nog groter geworden: in 2016 zat er nog een verschil van 25 procentpunt tussen de niveaus met het meeste en minste vertrouwen, in 2025 was dat 32 procentpunt.
Het profiel van mensen met veel vertrouwen in de politiek komt niet volledig overeen met de samenstelling van de politieke vertegenwoordiging: jongeren, mensen geboren buiten Europa, en vrouwen hebben vaker vertrouwen in de politiek, maar zijn in de politieke instituties zelf ondervertegenwoordigd.
Referenties
Anderson, C. J., Blais, A., Bowler, S., Donovan, T., & Listhaug, O. (2005). Losers’ consent: Elections and Democratic Legitimacy. Oxford University Press.
Baekgaard, M., Christensen, J., Madsen, J. K., & Mikkelsen, K. S. (2020). Rallying around the flag in times of COVID-19: Societal lockdown and trust in democratic institutions. Journal of Behavioral Public Administration, 3(2). https://doi.org/10.30636/jbpa.32.172
Baker, S. R., Bloom, N., Davis, S. J., & Terry, S. J. (2020). Covid-induced economic uncertainty. National Bureau of Economic Research Working Paper.
Blais, A., & Gélineau, F. (2007). Winning, losing, and satisfaction with democracy. Political Studies, 55(2), 425–441. https://doi.org/10.1111/j.1467-9248.2007.00659.x
CBS. (2010). Hoogopgeleiden meer vertrouwen in politiek en instituties.
CBS. (2023). Minste vertrouwen in Tweede Kamer in 10 jaar tijd.
CBS StatLine. (2025). Vertrouwen in mensen, recht en politiek; Europese vergelijking (2012–2024).
CBS StatLine. (2026). Vertrouwen in mensen en in organisaties; persoonskenmerken (2012–2025).
Devine, D. (2024). Does political trust matter? A meta-analysis on the consequences of trust. Political Behavior, 46, 2241-2262. https://doi.org/10.1007/s11109-024-09916-y
Hooghe, M., & Stiers, D. (2016). Elections as a democratic linkage mechanism: How elections boost political trust in a proportional system. Electoral Studies, 44, 46–55. https://doi.org/10.1016/j.electstud.2016.08.002
Mueller, J. E. (1970). Presidential Popularity from Truman to Johnson. American Political Science Review, 64(1), 18–34. doi:10.2307/1955610
Organisation for Economic Co-operation and Development (OECD). (2017). OECD guidelines on measuring trust. https://doi.org/10.1787/9789264278219-en
Schmeets, H., & Exel, J. (2020). Vertrouwen, maatschappelijk onbehagen en pessimisme. Statistische Trends.
Schmeets, H., & Exel, J. (2022). Vertrouwen in medemens en instituties voor en tijdens de pandemie. Statistische Trends.
Schmeets, H. (2026). Sociale cohesie en veerkracht in Nederland - Mythen, beeldvorming en feiten. Maastricht University Press.
Sociaal en Cultureel Planbureau. (2025). Burgerperspectieven 2025 Bericht 1 (COB).
Sociaal en Cultureel Planbureau. (2026). Sociale en Culturele Ontwikkelingen 2026.
Van Enk, B., & Schmeets, H. (2019). Vertrouwen en stemgedrag. Statistische Trends.
Van der Meer, T., & Hakhverdian, A. (2016). Political trust as the evaluation of process and performance: A cross-national study of 42 European countries. Political Studies, 65(1), 81–102. https://doi.org/10.1177/0032321715607514
Bijlage
| Odds Ratio | |||
|---|---|---|---|
| Geslacht | Vrouw (ref=man) | 1,171 | *** |
| Leeftijd | 25 tot 35 jaar (ref=15 tot 25 jaar) | 0,392 | *** |
| Leeftijd | 35 tot 45 jaar | 0,346 | *** |
| Leeftijd | 45 tot 55 jaar | 0,311 | *** |
| Leeftijd | 55 tot 65 jaar | 0,251 | *** |
| Leeftijd | 65 tot 75 jaar | 0,242 | *** |
| Leeftijd | 75 jaar of ouder | 0,301 | *** |
| Herkomst | Geboren in Nederland, min. 1 ouder geboren in Europa (ref = geboren in Nederland, ouders geboren in Nederland) | 0,874 | ** |
| Herkomst | Geboren in Nederland, min. 1 ouder geboren buiten Europa (ref = geboren in Nederland, ouders geboren in Nederland) | 0,885 | ** |
| Herkomst | Geboren in Europa | 1,065 | |
| Herkomst | Geboren buiten Europa | 1,393 | *** |
| Onderwijs | Vmbo, mbo1 (ref=basisonderwijs) | 1,03 | |
| Onderwijs | Havo,vwo,mbo2-4 | 1,138 | *** |
| Onderwijs | Hbo-,wo-bachelor | 1,849 | *** |
| Onderwijs | Hbo-,wo-master,doctor | 2,872 | *** |
| Politieke interesse | Tamelijk geïnteresseerd (ref=zeer geïnteresseerd) | 0,816 | *** |
| Politieke interesse | Weinig geïnteresseerd | 0,570 | *** |
| Politieke interesse | Niet geïnteresseerd | 0,376 | *** |
| *p<0,05 **p<0,01 ***p<0,001 | |||