Auteur(s): Luca Janssen, Niels van Montfort
Vertrouwen in de politiek, 2016-2025

2. Data en methode

2.1 Bron

De data gebruikt voor dit onderzoek zijn afkomstig uit de CBS-enquête Sociale samenhang en welzijn (SSW). Deze wordt sinds 2012 elk jaar onder een steekproef van inwoners van Nederland van 15 jaar of ouder afgenomen. Het doel van de enquête is de sociale samenhang en het welzijn in Nederland in kaart te brengen. Het onderzoek kent een mixed mode design waarbij mensen eerst met een brief benaderd worden om online deel te nemen (CAWI). Bij geen reactie na twee reminders wordt een deel van de mensen herbenaderd: degenen waarvan een telefoonnummer bekend is via telefoon (CATI) en de rest via een persoonlijk interview (CAPI).

Voor dit onderzoek is gebruikgemaakt van de data uit de edities 2016 tot en met 2025 van de SSW. Voor sommige analyses zijn ook data vanaf 2012 beschikbaar. Aan de edities van 2012 tot en met 2025 hebben in totaal 106 776 personen meegedaan. Dat komt neer op gemiddeld ruim 7 600 respondenten per jaar.

2.2 Analyses

Politiek vertrouwen is gemeten aan de hand van een aantal vragen die ingebed zijn in een blok met vragen over vertrouwen in verschillende instituties. Dit vragenblok wordt geïntroduceerd met de tekst: ‘Dan nu enkele vragen over uw vertrouwen in diverse organisaties en hun functioneren. Hoeveel vertrouwen heeft u in: …?’. Dan volgt een lijst met instituties te weten kerken, het leger, rechters, de pers, de politie, de Tweede Kamer, ambtenaren, politici, banken, grote bedrijven en de Europese Unie. In een aantal recentere jaargangen zijn ook de gezondheidszorg, de gemeenteraad en de wetenschap toegevoegd.

Voor de analyse zijn de scores van de afzonderlijke indicatoren voor vertrouwen in de politiek (ambtenaren, politici, de Tweede Kamer, de Europese Unie en de gemeenteraad) eerst in dezelfde richting toegekend. Een lage score staat voor weinig vertrouwen, een hoge score voor veel vertrouwen.

De antwoordmogelijkheden zijn: ‘heel veel vertrouwen’, ‘tamelijk veel vertrouwen’, ‘niet zo veel vertrouwen‘ en ‘helemaal geen vertrouwen’. De categorieën ‘heel veel vertrouwen’ en ‘tamelijk veel vertrouwen’ worden samengenomen en geven aan dat iemand vertrouwen heeft. De categorieën ‘niet zo veel vertrouwen‘ en ‘helemaal geen vertrouwen’ geven aan dat iemand geen vertrouwen heeft.

Daarna is de somscore ‘politiek vertrouwen’ berekend op basis van vier indicatoren (vertrouwen in ambtenaren, politici, de Tweede Kamer en de Europese Unie). Deze instituties zijn geschikt voor het meten van politiek vertrouwen, omdat burgers erop moeten kunnen vertrouwen dat deze instituties hun politieke functies (het vertegenwoordigen van burgers en maken en uitvoeren van beleid) goed uitvoeren (Schmeets, 2026). Vertrouwen in de gemeenteraad is niet meegenomen, omdat dit pas sinds 2020 (met uitzondering van 2021) is uitgevraagd. Omdat het vertrouwen in politici in 2016 voor het eerst werd uitgevraagd, richt dit artikel zich op de periode van 2016 tot en met 2025. Alleen voor het vertrouwen in de losse indicatoren zijn cijfers vanaf 2012 gebruikt.

De somscore is bepaald door de antwoordopties ‘heel veel vertrouwen’, ‘tamelijk veel vertrouwen’, ‘niet zo veel vertrouwen‘ en ‘helemaal geen vertrouwen’ op alle vier de losse indicatoren een score te geven van respectievelijk 4, 3, 2 en 1, en de scores op te tellen. De missende waarden, zoals wanneer iemand geen antwoord heeft gegeven, zijn niet meegenomen in de berekening. Dit leverde een score op van 4 tot en met 16 punten, waarbij de minimale score van 4 punten staat voor geen politiek vertrouwen. De maximale score van 16 punten betekent volledig vertrouwen in alle vier instituties.

In de laatste stap is het aggregaat verdeeld in twee groepen: ‘geen vertrouwen’ (score 4-9) en ‘wel vertrouwen’ (score 10-16). Het afkappunt is gebaseerd op het gemiddelde van de percentages mensen met heel veel of tamelijk veel vertrouwen in de afzonderlijke indicatoren.

2.3 Achtergrondkenmerken

Om het aandeel mensen dat vertrouwen heeft in de politiek te vergelijken tussen diverse bevolkingsgroepen, zowel in de vijf afzonderlijke indicatoren als in het aggregaat, zijn bivariate analyses gedaan, aan de hand van kruistabellen. Dit is aangevuld met enkelvoudige logistische regressieanalyses om te toetsen in hoeverre afzonderlijke achtergrondkenmerken een rol spelen bij de verschillen tussen groepen. De bevolking is vergeleken op basis van de volgende achtergrondkenmerken:

  • geslacht (man/ vrouw);
  • leeftijd (in zeven groepen: 15 tot 25 jaar/ 25 tot 35 jaar/ 35 tot 45 jaar/ 45 tot 55 jaar/ 55 tot 65 jaar/ 65 tot 75 jaar/ 75 of ouder);
  • herkomst, in vijf groepen:
    • geboren in Nederland en de ouders ook
    • geboren in Nederland, minimaal 1 ouder in Europa (excl. NL)
    • geboren in Nederland, minimaal 1 ouder buiten Europa
    • geboren in Europa (excl. NL)
    • geboren buiten Europa
  • onderwijsniveau (in vijf groepen: basisonderwijs/ vmbo, avo onderbouw, mbo1/ mbo2-4, havo, vwo/ hbo-, wo-bachelor/ hbo-, wo-master, doctor);
  • regio (in COROP-gebieden)
  • politieke interesse (in vier groepen: zeer geïnteresseerd/ tamelijk geïnteresseerd/ weinig geïnteresseerd/ niet geïnteresseerd).

Inkomen is niet meegenomen in de analyse omdat verschillen naar inkomen vrijwel volledig samenvallen met verschillen naar onderwijsniveau. Daarom is alleen onderwijsniveau gebruikt in dit onderzoek.

De achtergrondkenmerken zijn niet onafhankelijk van elkaar. Zo verschilt bijvoorbeeld het onderwijsniveau van leeftijdsgroepen: ouderen hebben als onderwijsniveau relatief vaak basisonderwijs of een vmbo-diploma. Om bij de bepaling van het verband tussen achtergrondkenmerken en het politiek vertrouwen rekening te houden met de onderlinge samenhang tussen de achtergrondkenmerken, is gebruikgemaakt van een multivariate logistische regressieanalyse. De resultaten daarvan laten de verschillen in politiek vertrouwen zien tussen de categorieën van een achtergrondkenmerk (bijvoorbeeld tussen leeftijdsgroepen) als ermee rekening is gehouden dat verschillen tussen deze categorieën verband houden met de andere achtergrondkenmerken (bijvoorbeeld met het onderwijsniveau).

2.4 Weging

Verschillen tussen de respons op de SSW-enquête en de totale Nederlandse bevolking zijn gecorrigeerd door middel van een weegfactor. Iedere respondent in de dataset krijgt een individueel gewicht toegekend waarin rekening is gehouden met bepaalde achtergrondkenmerken, waaronder geslacht, leeftijd, burgerlijke staat, landsdeel, huishoudsamenstelling en inkomen.

In 2020 en 2021 werd de waarneming gehinderd door de coronacrisis. Door de coronamaatregelen was het in een deel van deze periode niet mogelijk om aan huis interviews af te nemen en kwam er dus alleen via internet en telefoon respons binnen. Het weegmodel is daarom in die jaren aangepast. Daarbij zijn tijdreeksmodellen gebruikt om te kunnen corrigeren voor het wegvallen van een deel van de waarneming. Hierdoor zijn de cijfers beter vergelijkbaar met die van eerdere jaren.