3. Resultaten
3.1 Politiek vertrouwen
In 2025 had 40 procent van de 15-plussers vertrouwen in de politiek. Dit is minder dan een jaar eerder (42 procent). Het vertrouwen kwam daarmee op hetzelfde niveau als in 2022. In de periode 2016-2025 was het vertrouwen alleen in 2016 en 2023 iets lager, maar dit verschil is niet statistisch significant.
| Jaar | Politiek vertrouwen (% van 15-plussers) |
|---|---|
| 2016 | 39,2 |
| 2017 | 44,1 |
| 2018 | 45,6 |
| 2019 | 44,5 |
| 2020 | 53,4 |
| 2021 | 48,1 |
| 2022 | 39,8 |
| 2023 | 39,0 |
| 2024 | 42,4 |
| 2025 | 39,5 |
Vertrouwen nu lager dan voor de coronapandemie
Het vertrouwen in de politiek nam in aanloop naar de coronapandemie toe: van 39 procent in 2016 tot 44 procent in 2019. In 2020 piekte het vertrouwen, met 53 procent. Daarna daalde het weer, tot 40 procent in 2022. Sindsdien is het vertrouwen laag gebleven en schommelde tussen de 39 en 42 procent. In 2024 steeg het vertrouwen licht ten opzichte van een jaar eerder, maar was nog steeds lager dan in de meeste jaren vóór en tijdens de coronapandemie. In 2025 was er weer een daling en lag het percentage weer rond hetzelfde niveau als in 2023.
Vertrouwen in gemeenteraad en EU hoger, in politici en Tweede Kamer laagst
Het vertrouwen in de afzonderlijke instituties laat een uiteenlopend beeld zien ten opzichte van het algemene vertrouwen in de politiek. Het vertrouwen in politici (21 procent) en de Tweede Kamer (25 procent) is in 2025 gedaald ten opzichte van een jaar eerder en is sinds het begin van de metingen niet eerder zo laag geweest. Daarentegen is het vertrouwen in de gemeenteraad (54 procent), de Europese Unie (51 procent) en ambtenaren (47 procent) stabiel gebleven en relatief hoog in vergelijking met voorgaande jaren.
In de jaren voor de coronapandemie nam het vertrouwen in ambtenaren, de Tweede Kamer, politici (gemeten vanaf 2016) en de Europese Unie geleidelijk toe. In 2020 steeg het vertrouwen in alle instituties, vooral in de Tweede Kamer en politici. Sinds 2022 ligt het vertrouwen daarin structureel lager dan in de jaren voor de pandemie.
Daarentegen daalde het vertrouwen in ambtenaren in 2021 minder sterk, en het vertrouwen in de Europese Unie steeg zelfs tot het hoogste niveau ten opzichte van voorgaande jaren. Ook het vertrouwen in de gemeenteraad is sinds de eerste meting in 2022 licht toegenomen.
| Jaartal | Gemeenteraad (% van 15-plussers) | Europese Unie (% van 15-plussers) | Ambtenaren (% van 15-plussers) | Tweede Kamer (% van 15-plussers) | Politici (% van 15-plussers) |
|---|---|---|---|---|---|
| 2012 | 39,2 | 44,3 | 36,3 | ||
| 2013 | 34,3 | 40,8 | 31,5 | ||
| 2014 | 36,4 | 41,9 | 34,6 | ||
| 2015 | 35,8 | 42,3 | 34,4 | ||
| 2016 | 36,0 | 42,6 | 36,9 | 27,5 | |
| 2017 | 43,1 | 45,5 | 40,8 | 31,6 | |
| 2018 | 45,2 | 46,6 | 42,1 | 32,1 | |
| 2019 | 45,7 | 46,3 | 40,0 | 30,0 | |
| 2020 | 55,1 | 48,1 | 49,7 | 53,2 | 39,7 |
| 2021 | 53,4 | 46,2 | 42,4 | 33,3 | |
| 2022 | 50,7 | 48,7 | 42,5 | 30,4 | 23,8 |
| 2023 | 51,5 | 47,1 | 44,0 | 29,0 | 23,8 |
| 2024 | 53,4 | 49,7 | 47,4 | 31,3 | 25,1 |
| 2025 | 54,5 | 51,5 | 47,1 | 24,6 | 21,2 |
Politiek vertrouwen op laagste niveau in derde kwartaal van 2025
Ook per kwartaal schommelt het politiek vertrouwen. In de eerste twee kwartalen van 2025 had respectievelijk 39 en 40 procent van de mensen vertrouwen. In het derde kwartaal, rond de Tweede Kamerverkiezingen, daalde dit naar 35 procent. Dat is, samen met het vierde kwartaal van 2022, het laagste percentage van alle kwartalen in de periode 2016-2025. In het laatste kwartaal van 2025 volgde een herstel: het vertrouwen steeg naar bijna 44 procent. Deze toename zat vooral bij het vertrouwen in de Tweede Kamer; van 20 procent in het derde kwartaal naar 27 procent in het vierde kwartaal.
| Jaar | Kwartaal | Politiek vertrouwen (% van 15-plussers) |
|---|---|---|
| 2016 | 1e kwartaal | 39,0 |
| 2016 | 2e kwartaal | 39,3 |
| 2016 | 3e kwartaal | 38,3 |
| 2016 | 4e kwartaal | 40,8 |
| 2017 | 1e kwartaal | 43,1 |
| 2017 | 2e kwartaal | 46,0 |
| 2017 | 3e kwartaal | 45,3 |
| 2017 | 4e kwartaal | 41,4 |
| 2018 | 1e kwartaal | 46,5 |
| 2018 | 2e kwartaal | 45,6 |
| 2018 | 3e kwartaal | 47,9 |
| 2018 | 4e kwartaal | 41,4 |
| 2019 | 1e kwartaal | 45,5 |
| 2019 | 2e kwartaal | 44,8 |
| 2019 | 3e kwartaal | 45,1 |
| 2019 | 4e kwartaal | 42,5 |
| 2020 | 1e kwartaal | 45,0 |
| 2020 | 2e kwartaal | 58,9 |
| 2020 | 3e kwartaal | 52,6 |
| 2020 | 4e kwartaal | 57,1 |
| 2021 | 1e kwartaal | 55,4 |
| 2021 | 2e kwartaal | 46,1 |
| 2021 | 3e kwartaal | 45,5 |
| 2021 | 4e kwartaal | 45,4 |
| 2022 | 1e kwartaal | 44,9 |
| 2022 | 2e kwartaal | 40,2 |
| 2022 | 3e kwartaal | 38,0 |
| 2022 | 4e kwartaal | 35,3 |
| 2023 | 1e kwartaal | 39,1 |
| 2023 | 2e kwartaal | 38,7 |
| 2023 | 3e kwartaal | 39,6 |
| 2023 | 4e kwartaal | 38,4 |
| 2024 | 1e kwartaal | 40,7 |
| 2024 | 2e kwartaal | 43,0 |
| 2024 | 3e kwartaal | 44,6 |
| 2024 | 4e kwartaal | 41,1 |
| 2025 | 1e kwartaal | 39,2 |
| 2025 | 2e kwartaal | 40,0 |
| 2025 | 3e kwartaal | 34,8 |
| 2025 | 4e kwartaal | 43,5 |
3.2 Geslacht
Geen significant verschil tussen mannen en vrouwen
Het verschil in het politiek vertrouwen tussen mannen (39 procent) en vrouwen (40 procent) is niet significant in 2025. In eerdere jaren was het verschil alleen in 2017 significant. Toen was het percentage vrouwen met politiek vertrouwen hoger dan het percentage mannen. Vrouwen hadden in 2025 wel significant meer vertrouwen in de Europese Unie (54 procent tegenover 49 procent) en de gemeenteraad (56 procent tegenover 53 procent) dan mannen. In de jaren 2022-2024 hadden mannen iets meer politiek vertrouwen dan vrouwen, maar dit verschil is niet significant. Mannen hadden in die jaren significant meer vertrouwen in ambtenaren, politici en de Tweede Kamer.
| Jaar | Mannen (% van 15-plussers) | Vrouwen (% van 15-plussers) |
|---|---|---|
| 2016 | 38,8 | 39,7 |
| 2017 | 42,4 | 46,0 |
| 2018 | 44,0 | 47,2 |
| 2019 | 44,1 | 44,9 |
| 2020 | 52,6 | 54,2 |
| 2021 | 47,2 | 49,0 |
| 2022 | 40,7 | 38,9 |
| 2023 | 39,5 | 38,4 |
| 2024 | 43,3 | 41,4 |
| 2025 | 38,9 | 40,2 |
3.3 Leeftijd
In elk jaar van de periode 2016-2025 was het vertrouwen in de politiek lager naarmate de leeftijd toeneemt. Omdat dit patroon elk jaar zichtbaar is, wijst het niet op generatieverschillen, maar op een leeftijdseffect.
Alleen onder jongeren steeg het politiek vertrouwen in 2025
In 2025 had 57 procent van de 15- tot 25-jarigen vertrouwen in de politiek, tegenover 31 procent van de 65- tot 75-jarigen, de groep met het minste vertrouwen. Onder jongeren (15 tot 25 jaar) steeg het vertrouwen in 2025 licht ten opzichte van een jaar eerder, terwijl het bij alle andere leeftijdsgroepen juist daalde of gelijk bleef. Deze daling is het sterkst bij de 25- tot 55-jarigen. Over de gehele periode 2016-2025 hebben 55-plussers het minst vaak vertrouwen in de politiek, met name de groep van 65 tot 75 jaar.
| Jaar | 15 tot 25 jaar (% van 15-plussers) | 25 tot 35 jaar (% van 15-plussers) | 35 tot 45 jaar (% van 15-plussers) | 45 tot 55 jaar (% van 15-plussers) | 55 tot 65 jaar (% van 15-plussers) | 65 tot 75 jaar (% van 15-plussers) | 75 jaar of ouder (% van 15-plussers) |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2016 | 54,5 | 43,7 | 40,3 | 35,1 | 32,2 | 32,2 | 35,9 |
| 2017 | 62,5 | 49,1 | 45,6 | 40,1 | 36,7 | 33,2 | 40,3 |
| 2018 | 64,3 | 52,2 | 45,8 | 43,3 | 35,5 | 34,8 | 40,9 |
| 2019 | 63,1 | 51,6 | 46,8 | 40,4 | 35,3 | 34,5 | 37,9 |
| 2020 | 73,1 | 60,2 | 55,8 | 51,1 | 45,2 | 39,5 | 45,5 |
| 2021 | 65,8 | 56,0 | 50,0 | 48,5 | 38,5 | 35,9 | 38,4 |
| 2022 | 58,1 | 41,1 | 42,9 | 37,9 | 31,5 | 31,6 | 35,6 |
| 2023 | 52,7 | 43,6 | 42,7 | 38,2 | 32,4 | 31,3 | 29,4 |
| 2024 | 53,4 | 50,6 | 42,9 | 42,7 | 36,5 | 32,9 | 35,6 |
| 2025 | 56,9 | 42,4 | 38,5 | 37,4 | 35,1 | 31,4 | 34,3 |
Jongeren meeste vertrouwen in EU, de rest in gemeenteraad
Hetzelfde patroon is zichtbaar bij de afzonderlijke politieke instituties: 15- tot 25-jarigen hebben in alle instituties het meeste vertrouwen en 65- tot 75-jarigen het minste, samen met 55- tot 65-jarigen. Jongeren hebben het meeste vertrouwen in de Europese Unie, terwijl alle andere leeftijdsgroepen het meeste vertrouwen hebben in de gemeenteraad, maar het verschil tussen vertrouwen in de gemeenteraad en de EU is niet statistisch significant. In alle leeftijdsgroepen is het vertrouwen in politici het laagst, gevolgd door het vertrouwen in de Tweede Kamer, maar dit verschil is alleen significant bij 65- tot 75-jarigen. Het verschil tussen jong en oud is het grootst bij het vertrouwen in de EU. In 2025 had 70 procent van de 15- tot 25-jarigen vertrouwen in de EU, tegenover 43 procent van de 65- tot 75-jarigen.
Ook wanneer wordt gecorrigeerd voor geslacht en onderwijsniveau blijft de samenhang tussen politiek vertrouwen en leeftijd sterk.
| Leeftijd | Gemeenteraad (% van 15-plussers) | Europese Unie (% van 15-plussers) | Ambtenaren (% van 15-plussers) | Tweede Kamer (% van 15-plussers) | Politici (% van 15-plussers) |
|---|---|---|---|---|---|
| 15 tot 25 jaar | 66,8 | 70,0 | 55,8 | 34,1 | 32,6 |
| 25 tot 35 jaar | 61,7 | 58,3 | 53,0 | 25,3 | 23,7 |
| 35 tot 45 jaar | 57,0 | 51,7 | 49,5 | 23,6 | 18,8 |
| 45 tot 55 jaar | 52,6 | 46,7 | 47,5 | 22,2 | 19,6 |
| 55 tot 65 jaar | 45,6 | 42,9 | 42,2 | 22,7 | 18,1 |
| 65 tot 75 jaar | 44,9 | 42,9 | 39,2 | 20,7 | 15,3 |
| 75 of ouder | 52,9 | 46,4 | 40,5 | 23,0 | 19,6 |
3.4 Herkomst
Migranten van buiten Europa hebben het meeste politiek vertrouwen
In 2025 hadden mensen die buiten Europa zijn geboren het meeste vertrouwen in de politiek (49 procent). Mensen die in Nederland zijn geboren met minimaal één ouder die buiten Europa is geboren (de tweede generatie), hebben met 34 procent het minst vaak vertrouwen. Het vertrouwen van mensen die in Nederland zijn geboren met ouders die ook in Nederland zijn geboren, komt overeen met het gemiddelde (40 procent). Alleen bij mensen met een Nederlandse herkomst was het vertrouwen in 2025 significant lager dan in 2024.
Mensen die buiten Europa zijn geboren hebben het meeste vertrouwen in ambtenaren, politici en de Tweede kamer. Het vertrouwen in de gemeenteraad en de Europese Unie is het grootst onder mensen die in Europa maar buiten Nederland zijn geboren.
Herkomstgroepen verschillen in samenstelling naar geslacht, leeftijd en onderwijsniveau. Toch blijken de verschillen in politiek vertrouwen tussen herkomstgroepen daar niet aan te kunnen worden toegeschreven. Deze verschillen blijven vrijwel gelijk als rekening wordt gehouden met deze drie achtergrondkenmerken.
| Jaar | Geboren in Nederland, 2 ouders geboren in Nederland (% van 15-plussers) | Geboren in Nederland, 1 of 2 ouders geboren in Europa (% van 15-plussers) | Geboren in Nederland, 1 of 2 ouders geboren buiten Europa (% van 15-plussers) | Geboren in Europa (excl. Nederland) (% van 15-plussers) | Geboren buiten Europa (% van 15-plussers) |
|---|---|---|---|---|---|
| 2016 | 38,0 | 33,6 | 44,4 | 44,2 | 48,6 |
| 2017 | 43,6 | 39,5 | 48,5 | 45,6 | 46,5 |
| 2018 | 44,7 | 38,8 | 49,5 | 51,4 | 50,4 |
| 2019 | 43,5 | 38,4 | 52,0 | 48,6 | 47,5 |
| 2020 | 52,2 | 48,9 | 56,1 | 52,1 | 64,0 |
| 2021 | 47,6 | 38,2 | 50,7 | 49,7 | 53,2 |
| 2022 | 38,7 | 41,2 | 38,5 | 51,4 | 45,9 |
| 2023 | 38,1 | 36,3 | 41,3 | 41,9 | 44,4 |
| 2024 | 41,3 | 44,4 | 42,2 | 43,0 | 50,7 |
| 2025 | 38,7 | 40,5 | 33,5 | 42,8 | 48,5 |
3.5 Onderwijsniveau
Politiek vertrouwen het hoogst onder hbo- en universitair geschoolden, laagst onder mensen met vmbo- of mbo-niveau
Het vertrouwen in de politiek verschilt ook per onderwijsniveau. Hbo’ers en universitair geschoolden hadden in 2025 het meeste vertrouwen (44 procent van de mensen met een bachelor-diploma en 58 procent van de mensen met een masterdiploma). Mensen met een vmbo- of mbo-opleiding of daarmee vergelijkbaar zitten onder het gemiddelde; ongeveer een derde van deze groep had in 2025 vertrouwen in de politiek (32 en 33 procent). Mensen met afgerond basisonderwijs hadden het minst vaak vertrouwen (26 procent).
Het vertrouwen ontwikkelde zich in de periode 2016-2025 niet bij elke onderwijsgroep hetzelfde. Bij alle groepen was het vertrouwen in de politiek in 2025 op het laagste niveau, al verschilt dit voor sommige groepen niet significant van 2023. Het vertrouwen onder hbo- en wo-geschoolden is in 2025 minder sterk gedaald dan bij de andere onderwijsgroepen, met ongeveer 1 á 2 procentpunt. Bij mensen met basisonderwijs of een vmbo-opleiding varieert dit van 3 tot 6 procentpunt.
Verschillen tussen onderwijsniveaus steeds groter
De verschillen naar onderwijsniveau zijn groter geworden. In 2016 zat er nog een verschil van 25 procentpunt tussen de groep met het meeste en minste vertrouwen, in 2025 was dat 32 procentpunt. Over de gehele periode bezien kwam het hoogste vertrouwen onder mensen met basisonderwijs (in 2020) niet uit boven het laagste vertrouwen van hbo- en universitair geschoolden met een bachelor (in 2025).
| Jaar | Basisonderwijs (% van 15-plussers) | Vmbo, mbo1 (% van 15-plussers) | Havo, vwo, mbo2-4 (% van 15-plussers) | Hbo-, wo-bachelor (% van 15-plussers) | Hbo-, wo-master, doctor (% van 15-plussers) |
|---|---|---|---|---|---|
| 2016 | 32,1 | 32,8 | 35,8 | 46,8 | 57,1 |
| 2017 | 33,0 | 36,5 | 40,9 | 52,3 | 61,6 |
| 2018 | 38,8 | 36,9 | 40,6 | 55,7 | 63,6 |
| 2019 | 36,2 | 34,6 | 40,4 | 52,6 | 65,4 |
| 2020 | 44,7 | 46,7 | 49,5 | 60,7 | 69,5 |
| 2021 | 37,3 | 41,7 | 43,0 | 53,8 | 64,8 |
| 2022 | 28,5 | 33,0 | 32,7 | 47,4 | 58,3 |
| 2023 | 30,4 | 30,5 | 31,7 | 46,9 | 57,0 |
| 2024 | 29,8 | 35,4 | 37,0 | 46,9 | 59,4 |
| 2025 | 25,7 | 32,5 | 32,6 | 44,5 | 58,0 |
Vertrouwen in alle instituties het hoogst bij mensen met een hbo- of wo-diploma
Ook voor alle politieke instituties afzonderlijk geldt dat mensen met een hbo- of wo-diploma (zowel bachelor als master) vaker dan gemiddeld vertrouwen hebben. Wel zijn er verschillen in hoe dit vertrouwen over instituties is verdeeld.
Mensen met een hbo- of wo-masterdiploma hebben het meeste vertrouwen in de Europese Unie. Bij de hbo- of wo-bachelors is het vertrouwen in de Europese Unie en de gemeenteraad ongeveer even hoog. Voor de overige onderwijsgroepen geldt dat het vertrouwen in de gemeenteraad groter is dan het vertrouwen in de Europese Unie.
Ook bij het vertrouwen in de Tweede Kamer en politici zijn er verschillen. Bij mensen met een hbo- of wo-masterdiploma is het vertrouwen in de Tweede Kamer hoger dan het vertrouwen in politici, bij de overige onderwijsgroepen zijn er geen significante verschillen.
| Onderwijsniveau | Gemeenteraad (% van 15-plussers) | Europese Unie (% van 15-plussers) | Ambtenaren (% van 15-plussers) | Tweede Kamer (% van 15-plussers) | Politici (% van 15-plussers) |
|---|---|---|---|---|---|
| Basisonderwijs | 44,2 | 36,2 | 33,0 | 20,3 | 22,0 |
| Vmbo, mbo1 | 49,4 | 42,5 | 38,3 | 23,0 | 20,1 |
| Havo, vwo, mbo2-4 | 49,0 | 42,9 | 41,5 | 20,9 | 19,4 |
| Hbo-, wo-bachelor | 61,1 | 61,1 | 52,3 | 24,8 | 21,2 |
| hbo-, wo-master, doctor | 65,7 | 71,2 | 65,3 | 33,3 | 24,0 |
3.6 Regio
Vertrouwen het laagst in noordoosten van het land
Door de jaren 2016 tot en met 2025 samen te voegen, kan naar regio (COROP) worden uitgesplitst. In het noordoosten van het land hebben mensen het minst vertrouwen in de politiek. Vooral in Oost-Groningen, Zuidoost-Drenthe en Zuidwest-Drenthe is het vertrouwen relatief laag (respectievelijk 31, 32 en 34 procent). Het vertrouwen in de politiek is het hoogst in Zuidwest-Overijssel, Agglomeratie ’s-Gravenhage, Het Gooi en Vechtstreek, en Agglomeratie Leiden en bollenstreek. In al deze gebieden heeft 45 procent van de inwoners vertrouwen.
| Corop | Code |
|---|---|
| Oost-Groningen | 31 |
| Delfzijl en omgeving | 35 |
| Overig Groningen | 42 |
| Noord-Friesland | 38 |
| Zuidwest-Friesland | 36 |
| Zuidoost-Friesland | 39 |
| Noord-Drenthe | 37 |
| Zuidoost-Drenthe | 32 |
| Zuidwest-Drenthe | 34 |
| Noord-Overijssel | 39 |
| Zuidwest-Overijssel | 45 |
| Twente | 39 |
| Veluwe | 39 |
| Achterhoek | 38 |
| Arnhem/Nijmegen | 41 |
| Zuidwest-Gelderland | 35 |
| Utrecht | 43 |
| Kop van Noord-Holland | 35 |
| Alkmaar en omgeving | 37 |
| IJmond | 38 |
| Agglomeratie Haarlem | 42 |
| Zaanstreek | 37 |
| Groot-Amsterdam | 44 |
| Het Gooi en Vechtstreek | 45 |
| Agglomeratie Leiden en Bollenstreek | 45 |
| Agglomeratie s-Gravenhage | 45 |
| Delft en Westland | 41 |
| Oost-Zuid-Holland | 39 |
| Groot-Rijnmond | 40 |
| Zuidoost-Zuid-Holland | 38 |
| Zeeuwsch-Vlaanderen | 40 |
| Overig Zeeland | 35 |
| West-Noord-Brabant | 36 |
| Midden-Noord-Brabant | 39 |
| Noordoost-Noord-Brabant | 40 |
| Zuidoost-Noord-Brabant | 39 |
| Noord-Limburg | 37 |
| Midden-Limburg | 35 |
| Zuid-Limburg | 36 |
| Flevoland | 38 |
3.7 Politieke interesse
Het aandeel mensen met interesse in de politiek is de afgelopen jaren toegenomen. In 2025 zei 14 procent zeer veel interesse in de politiek te hebben en 42 procent tamelijk veel. In 2016 was dit respectievelijk 11 en 39 procent. Logischerwijs is het aandeel mensen met weinig of geen interesse in de politiek kleiner geworden.
Hoe groter de politieke interesse, hoe groter het vertrouwen in de politiek
Mensen met interesse in de politiek hebben ook meer vertrouwen in de politiek. Andersom geldt ook: mensen met weinig of geen interesse in de politiek hebben minder vertrouwen. In 2025 varieerde het aandeel met vertrouwen tussen 54 procent onder zeer geïnteresseerden en 27 procent onder niet-geïnteresseerden. Dit verschil van 27 procentpunt is het grootste sinds 2016.
In 2025 daalde het vertrouwen in alle groepen ten opzichte van het jaar daarvoor. Onder mensen met weinig of geen interesse in de politiek bereikte het aandeel met vertrouwen opnieuw het laagste niveau (net als in 2016, 2022 en 2023).
| Jaar | Zeer geïnteresseerd (% vertrouwen) | Tamelijk geïnteresseerd (% vertrouwen) | Weinig geïnteresseerd (% vertrouwen) | Niet geïnteresseerd (% vertrouwen) |
|---|---|---|---|---|
| 2016 | 51,3 | 44,3 | 34 | 28,1 |
| 2017 | 55,7 | 49,8 | 39,8 | 29,8 |
| 2018 | 53,5 | 52,3 | 42,9 | 29,8 |
| 2019 | 54,8 | 50,6 | 41,2 | 30,1 |
| 2020 | 61,3 | 58,1 | 52,6 | 38,5 |
| 2021 | 52,6 | 52,6 | 45,6 | 35,3 |
| 2022 | 51,3 | 42,7 | 37 | 27,6 |
| 2023 | 50,7 | 42,6 | 34,5 | 27,4 |
| 2024 | 56,6 | 44,8 | 36,7 | 31,5 |
| 2025 | 53,6 | 43,1 | 33 | 26,6 |
Zowel geïnteresseerden als niet-geïnteresseerden hebben meeste vertrouwen in gemeenteraad
Voor de meeste groepen geldt dat het vertrouwen in de gemeenteraad het grootst is, gevolgd door de EU, ambtenaren, de Tweede Kamer en tot slot politici. De zeer en tamelijk geïnteresseerden hebben daarnaast relatief veel vertrouwen in de EU. De zeer geïnteresseerden hebben ook relatief veel vertrouwen in ambtenaren.
| Politieke interesse | Gemeenteraad (% vertrouwen) | EU (% vertrouwen) | Ambtenaren (% vertrouwen) | Tweede Kamer (% vertrouwen) | Politici (% vertrouwen) |
|---|---|---|---|---|---|
| Zeer geïnteresseerd | 64,2 | 64,2 | 60,6 | 31,7 | 27,7 |
| Tamelijk geïnteresseerd | 57,5 | 55,1 | 49,6 | 26,3 | 22,1 |
| Weinig geïnteresseerd | 51,4 | 46,1 | 42,3 | 20,3 | 18,1 |
| Niet geïnteresseerd | 42,9 | 39,2 | 36,6 | 21,1 | 18,2 |
3.8 Politiek vertrouwen en achtergrondkenmerken in samenhang
Met multivariate logistische regressieanalyses is nagegaan welke van de achtergrondkenmerken samenhangen met het vertrouwen in de politiek als rekening wordt gehouden met de onderlinge samenhang tussen de achtergrondkenmerken. Hierbij is gebruikgemaakt van alle jaargangen samen (2016 tot en met 2025). Uit de analyse blijken leeftijd, geslacht, onderwijsniveau, herkomstland, geboorteland en politieke interesse significant samen te hangen met het wel of niet hebben van vertrouwen in de politiek (zie Bijlage 1).
Vooral leeftijd houdt verband met vertrouwen in de politiek
Leeftijd heeft de sterkste samenhang: naarmate mensen ouder zijn, hebben zij minder vaak vertrouwen in de politiek. Daarna volgt politieke interesse: hoe groter de interesse, hoe vaker mensen vertrouwen hebben. Vervolgens is er een verband met het onderwijsniveau. Het hebben van een hbo- of wo-diploma hangt sterk samen met meer vertrouwen in de politiek. Het hebben van een vmbo-diploma of daarmee vergelijkbaar speelt ook een rol, maar in minder sterke mate. Ook geslacht is een significante factor: vrouwen hebben vaker dan mannen politiek vertrouwen. Tot slot speelt herkomst ook een rol in het vertrouwen: mensen die geboren zijn buiten Europa hebben vaker politiek vertrouwen dan mensen die zijn geboren in Nederland. Mensen die in Nederland zijn geboren met ouder(s) geboren buiten Nederland, zowel Europa als buiten Europa, hebben minder vaak politiek vertrouwen dan mensen geboren in Nederland met ouders geboren in Nederland.
Wanneer een profiel zou worden geschetst van mensen met vertrouwen in de politiek, gaat het dus vooral om jongeren met sterke politieke interesse. Dit kan worden aangevuld met kenmerken als het hebben van een hbo- of wo-diploma, vrouw zijn en geboren zijn buiten Nederland of met ouder(s) geboren zijn buiten Nederland.