Regionale geboortecijfers in Nederland

4. Conclusie en discussie

De daling van het gemiddeld kindertal per vrouw in Nederland sinds 2010 is ook gemeentelijk terug te zien (onderzoeksvraag 1). In verreweg de meeste gemeenten daalde het gemiddeld kindertal per vrouw tussen 2014 en 2024, op sommige plekken met meer dan 25 procent. Tegelijk blijven de verschillen tussen gemeenten aanzienlijk (onderzoeksvraag 2). In 2024 waren er enkele gemeenten waar vrouwen gemiddeld meer dan 2 kinderen kregen, maar ook gemeenten met ruim minder dan 1 kind per vrouw.

Er is een ruimtelijk patroon in TFR’s te zien: relatief hoge TFR’s in de Biblebelt en relatief lage TFR’s in grote steden en in Limburg (waar juist erg weinig protestanten wonen. Dat Limburg daarnaast relatief vergrijsd is speelt geen rol; de TFR is een maat die onafhankelijk is van de leeftijdsopbouw van een gebied (zie Definities)). Eenzelfde patroon is zichtbaar in de leeftijd waarop vrouwen moeder worden en in gezinsgrootte: jong moederschap en grotere gezinnen in de Biblebelt, en juist later moederschap in de grote steden. Deze patronen bestaan al enkele decennia en zijn ook in eerdere publicaties aangetoond.

De verschillen tussen gemeenten hangen samen met kenmerken van de bevolking en de leefomgeving (onderzoeksvraag 3). Op basis van eerdere studies werd verwacht dat demografische, economische, culturele en woningmarktgerelateerde kenmerken van gemeenten samenhangen met het gemiddeld kindertal per vrouw. Sommige van deze verbanden worden in dit onderzoek bevestigd. Zo ligt de TFR lager in gemeenten met relatief veel alleenwonende vrouwen.

Ook werd opnieuw een samenhang gevonden met het aandeel vrouwen dat in het buitenland is geboren. Maar waar deze samenhang aan het begin van de eeuw nog positief was - hoe meer in het buitenland geboren vrouwen, hoe hoger de TFR - is die nu negatief. Dit komt deels door veranderingen in migratie naar Nederland. Een toenemend deel van de immigranten komt voor werk of studie (vooral in gemeenten als Amstelveen of Eindhoven), en een kleiner deel voor asiel of gezinsmigratie. Daarnaast is de TFR in veel delen van de wereld deze eeuw flink gedaald, waardoor minder vrouwen met een herkomst buiten Nederland de ‘gewoonte’ meebrengen om veel kinderen te krijgen. Alleen in gemeenten met een relatief hoog aandeel vrouwen met een herkomst in Afrika wordt nog een licht verhogend effect op de TFR gevonden. Het is daarom van belang om bij de relatie tussen TFR en herkomst onderscheid te maken tussen of iemand wel of niet in Nederland geboren is, en in welke wereldregio iemands herkomst ligt.

Op cultureel vlak blijkt het aandeel protestanten van belang: hoe meer protestanten, hoe hoger de TFR. Het aandeel protestanten heeft van alle gemeentekenmerken de sterkste samenhang met de TFR. Hoewel de invloed van religie op veel terreinen is afgenomen in de afgelopen decennia (SCP, 2022), bestaat er bij gezinsvorming nog steeds een duidelijk verschil. En omdat conservatieve protestanten geconcentreerd in bepaalde gemeenten wonen, en er in samenhang daarmee waarschijnlijk traditionelere normen en waarden heersen, draagt dit bij aan duidelijke verschillen in het gemiddeld kindertal per vrouw tussen de Biblebelt en daarbuiten.

Op economisch vlak blijkt ook dat het mediane inkomen samenhangt met de TFR. Uit diverse onderzoeken in de laatste jaren is gebleken dat niet alleen de hoogte van het inkomen van belang is, maar ook andere aspecten van werk en inkomen. De arbeidsmarkt is sinds het begin van deze eeuw veranderd, met meer flexbanen, meer automatisering en meer zzp-ers. Vooral jongeren ervaren daardoor meer onzekerheid over werk en inkomen, wat ook invloed heeft op (de wens voor) het krijgen van kinderen (Van Wijk, 2023; Chkalova & Van Gaalen, 2017). Het zou interessant zijn om, in aanvulling op deze studie, te onderzoeken of deze aspecten van werk en inkomen regionaal verschillen en wat daarvan de impact is op regionale geboortecijfers.

De bevinding dat meer nieuwbouw in een gemeente samenhangt met een hogere TFR is heel stabiel in de tijd: dit verband wordt niet alleen in deze studie gevonden, maar ook in eerdere studies naar regionale geboortecijfers uit 2005 (De Beer & Deerenberg) en 2017 (Huisman & De Jong). In de tussentijd is de krapte op de woningmarkt toegenomen en zijn de woningprijzen sterk gestegen, maar de relatie tussen woningaanbod en gemiddeld kindertal per vrouw blijft onverminderd bestaan (zie ook Van Wijk & Feijten, 2026).

De bevindingen uit dit onderzoek bieden gemeentelijke beleidsmakers inzicht in de ontwikkelingen in hun gemeente die samenhangen met hoeveel kinderen er worden geboren. Vestiging en vertrek van buitenlandse arbeidskrachten of statushouders, nieuwbouw in de gemeente en aanbod van aantrekkelijk werk zijn allemaal elementen waarop gemeenten kunnen sturen wanneer zij meer grip willen krijgen op geboortecijfers.