2. Methode
2.1 Data
De geboortecijfers in 2014 en 2024 zijn gebaseerd op aantallen levendgeborenen in de CBS-microdata afkomstig uit de Basisregistratie Personen (BRP), inclusief gegevens over de leeftijd van de moeder bij de geboorte van het kind, en het rangnummer van het kind. De geboortecijfers zijn uitgerekend per provincie en gemeente. In 2014 telde Nederland 403 gemeenten, in 2024 waren dit er 342 door gemeentelijke herindelingen. Met een hercodeerschema zijn de gemeenten van 2014 omgezet naar de indeling van 2024, waardoor de cijfers tussen de jaren goed vergelijkbaar zijn. Met deze data worden onderzoeksvragen 1 en 2 beantwoord.
Voor onderzoeksvraag 3 zijn de gemeentelijke geboortecijfers gecombineerd met relevante kenmerken van gemeenten, afkomstig uit diverse StatLine-tabellen van de collectie Nederland regionaal (https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/navigatieScherm/thema?themaNr=4440). Dat zijn achtereenvolgens:
- aandeel vrouwen van 20 tot 40 jaar in een eenpersoonshuishouden
- aandeel vrouwen van 20 tot 40 jaar geboren in het buitenland
- aandeel vrouwen van 20 tot 40 jaar met herkomst in Afrika
- mediaan inkomen (bij drie kleine gemeenten was het inkomen van 2024 niet bekend en is het inkomen van 2023 gebruikt)
- aandeel woningen in de woningvoorraad dat in de afgelopen vijf jaar is gebouwd
Daarnaast zijn gegevens gebruikt over het aandeel stemmers op de CU en de SGP bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2023 per gemeente, als indicator van het aandeel inwoners dat conservatief-protestants is (Kiesraad, 2026). Voor 113 kleine gemeenten (minder dan 25 duizend inwoners) is het gemiddeld kindertal per vrouw (total fertility rate (TFR), zie definities) gemiddeld over 2022, 2023 en 2024 genomen, om toevallige jaarfluctuaties door kleine aantallen geboorten te beperken. In tabel B1 in de bijlage staan beschrijvende statistieken van de variabelen.
2.2 Methode
De beschrijvende analyses tonen drie soorten geboortecijfers per gemeente: het gemiddeld kindertal per vrouw (TFR, zie definities), de gemiddelde leeftijd van de moeder bij de geboorte van het eerste kind en het aandeel derde en volgende kinderen van alle levendgeborenen. Deze cijfers worden getoond in geografische kaarten. De precieze waarde voor iedere gemeente staat in de dropdown-tabel onder iedere kaart, en is ook te zien door met de muis over de betreffende gemeente te bewegen op de kaart.
Het verband tussen het gemiddeld kindertal per vrouw en gemeentelijke kenmerken is geanalyseerd in een regressiemodel. Het gemiddeld kindertal per vrouw van gemeenten is daarmee geschat, met verschillende gemeentekenmerken als voorspellers. Diverse demografische, economische, culturele en woningmarktgerelateerde kenmerken, waarvan uit de literatuur bekend is dat ze samenhangen met het geboortecijfer, zijn geanalyseerd. Eerst de clusters afzonderlijk, en daarna in combinatie. Uiteindelijk was er één model dat de beste fit, de sterkste effecten en de hoogste verklaarde variantie had. Daarin verklaren de zes voorspellers 77 procent van de variatie in gemiddeld kindertal per vrouw tussen gemeenten. In tabel B2 in de bijlage staan de regressie-coëfficiënten en de modelparameters van het regressiemodel.
Om de effecten van de voorspellers in het model op het gemiddeld kindertal per vrouw inzichtelijker te maken, is de regressievergelijking ingevuld met de minimum-, gemiddelde- en maximumwaarde van afzonderlijke voorspellers, terwijl de waarde van de overige voorspellers op hun gemiddelde werd gehouden. Dit leverde een reeks geschatte TFR’s op, waaraan te zien is wat het effectbereik is van iedere voorspeller op het gemiddeld kindertal per vrouw.
2.3 Definities
Het meest gebruikte geboortecijfer, dat ook in dit artikel wordt gehanteerd, is het gemiddeld kindertal per vrouw (total fertility rate; TFR). Dit geeft aan hoeveel kinderen vrouwen gemiddeld zouden krijgen als ze gedurende hun hele vruchtbare levensfase (15 tot 50 jaar) de leeftijdsspecifieke vruchtbaarheid van één bepaald jaar zouden volgen. (Het CBS erkent dat transgender en non-binaire personen ook kinderen kunnen baren. In dit artikel wordt de term ‘vrouw’ gebruikt om aan te sluiten bij het gangbare termgebruik in de demografie.)
De TFR wordt berekend in twee stappen. Eerst wordt per leeftijdsjaar tussen 15 en 50 het aandeel vrouwen dat een kind krijgt berekend. Stel bijvoorbeeld dat er op 31 december van een jaar 100 duizend 25-jarige vrouwen in Nederland zouden zijn, en dat er dat jaar 5 duizend kinderen waren geboren bij die vrouwen. Dan zou het aandeel 25-jarige vrouwen dat een kind kreeg 0,05 bedragen (namelijk: 5 duizend gedeeld door 100 duizend). Dit wordt berekend voor alle leeftijden van 15 tot en met 49 jaar. In de tweede stap worden de aandelen van alle leeftijdsjaren opgeteld. De som van de aandelen is het gemiddeld kindertal per vrouw ofwel de TFR van dat jaar. Bij de officiële berekening wordt er ook rekening mee gehouden dat het aantal vrouwen van een bepaalde leeftijd niet het hele jaar hetzelfde is (doordat vrouwen naar Nederland immigreren of uit Nederland emigreren), maar dat is voor dit voorbeeld buiten beschouwing gelaten.
Het voordeel van deze methode is dat het cijfer niet wordt beïnvloed door de leeftijdssamenstelling van de bevolking. Het maakt dus niet uit als er bijvoorbeeld in het ene jaar meer 25-jarige vrouwen in de bevolking zijn dan in het andere jaar. Daardoor is dit cijfer makkelijk te vergelijken in de tijd, en ook met andere landen. Een ander voordeel is dat het cijfer berekend kan worden op basis van de kennis die op dat moment beschikbaar is; je hoeft niet te wachten tot vrouwen aan het einde van hun vruchtbare periode zijn om het cijfer te berekenen.
Een nadeel van de TFR is dat het een momentopname is, gebaseerd op geboorten van vrouwen uit verschillende geboortejaren (cohorten). De timing van geboorten verschilt tussen cohorten vrouwen, zoals blijkt uit analyses van opeenvolgende cohorten die inmiddels het einde van de vruchtbare levensfase hebben bereikt (zie bijvoorbeeld Van Duin & Feijten, 2023). Door timingsverschillen tussen cohorten kan de TFR van jaar op jaar verschillen, terwijl de vrouwen uiteindelijk ongeveer even grote gezinnen krijgen. Als vuistregel geldt: als vrouwen kinderen krijgen uitstellen, ten opzichte van de vrouwen voor hen, dan gaat de TFR omlaag. Als vrouwen het kinderen krijgen inhalen, gaat de TFR omhoog. De TFR van 1,43 in 2024 kan dus nog gaan stijgen als vrouwen alsnog kinderen krijgen die ze tot dan toe hadden uitgesteld. Als vrouwen kinderen krijgen afstellen zal de TFR laag blijven. In landen waar de TFR al langere tijd laag is, zoals Zuid-Korea en Italië, blijkt dat vrouwen uiteindelijk vaker kinderloos blijven of kleinere gezinnen krijgen dan eerdere cohorten.