3. Resultaten
3.1 Fysieke en psychische gezondheid in 2024
In 2024 had 36 procent van de 12-plussers een minder goede fysieke gezondheid en 18 procent had een minder goede psychische gezondheid. Een minder goede fysieke en psychische gezondheid komt bij vrouwen, met 42 en 20 procent, meer voor dan bij mannen (30 en 15 procent).
Een minder goede fysieke gezondheid neemt toe met de leeftijd. Onder de jongste leeftijdsgroep had 15 procent een minder goede fysieke gezondheid tegenover 64 procent in de oudste leeftijdsgroep. Een minder goede psychische kwaliteit van leven kwam juist het vaakst voor onder de leeftijdsgroepen van 18 tot 25 jaar en de leeftijdsgroep van 25 tot 45 jaar. In deze leeftijdsgroepen had ongeveer één op de vier mensen een minder goede psychische gezondheid. Bij de leeftijdsgroepen boven de 45 jaar is dat 16, 11 en 10 procent.
Ook welvaart hangt samen met de fysieke en psychische gezondheid. Onder de laagste welvaartsgroep was het percentage 12-plussers met een minder goede fysieke en psychische gezondheid hoger dan onder de hogere welvaartsgroepen. In de laagste welvaartsgroep had 47 procent een minder goede fysieke gezondheid, tegenover 26 procent in de hoogste welvaartsgroep. Twee keer zoveel 12-plussers hadden een minder goede psychische kwaliteit van leven in de laagste welvaartsgroep in vergelijking met de hoogste welvaartsgroep.
Onder mensen die basisonderwijs, vmbo of mbo1 voltooiden had ruim de helft van de 25-plussers een minder goede fysieke gezondheid, tegenover bijna één op de drie onder de 25-plussers die HBO of WO afrondden. Voor psychische gezondheid was er geen verschil naar onderwijsniveau.
| Minder goede fysieke gezondheid | Minder goede psychische gezondheid | ||
|---|---|---|---|
| Totaal | Totaal 12 jaar of ouder | 36,2 | 17,9 |
| Geslacht | Mannen | 30,4 | 15,2 |
| Geslacht | Vrouwen | 41,9 | 20,5 |
| Leeftijd | 12 tot 18 jaar | 15,3 | 12,9 |
| Leeftijd | 18 tot 25 jaar | 16,3 | 26,2 |
| Leeftijd | 25 tot 45 jaar | 27,4 | 23,2 |
| Leeftijd | 45 tot 65 jaar | 42,6 | 16,2 |
| Leeftijd | 65 tot 75 jaar | 50,6 | 11,4 |
| Leeftijd | 75 jaar of ouder | 63,9 | 9,9 |
| Welvaart | 1ste welvaartskwintiel (lage welvaart) | 47,5 | 24,9 |
| Welvaart | 2de welvaartskwintiel | 45,0 | 20,5 |
| Welvaart | 3de welvaartskwintiel | 36,3 | 18,1 |
| Welvaart | 4de welvaartskwintiel | 33,0 | 17,0 |
| Welvaart | 5de welvaartskwintiel (hoge welvaart) | 26,4 | 11,8 |
| Onderwijsniveau1) | Basisonderwijs, vmbo, mbo 1 | 55,9 | 17,6 |
| Onderwijsniveau1) | Havo, vwo, mbo 2-4 | 42,0 | 17,1 |
| Onderwijsniveau1) | Hbo, wo | 30,2 | 17,0 |
| 1) De cijfers over onderwijsniveau gaan over personen van 25 jaar of ouder. | |||
3.2 Ontwikkelingen in fysieke en psychische gezondheid, 2001 tot en met 2024
Toename percentage mensen met een minder goede fysieke en psychische gezondheid
Zowel het percentage mensen van 12 jaar of ouder met een minder goede fysieke gezondheid als een minder goede psychische gezondheid is toegenomen tussen 2001 en 2024.
In 2001 had 29 procent een minder goede fysieke gezondheid. In 2024 was dit 36 procent. Vooral in de periode 2022 tot en met 2024 lag het percentage fysiek minder gezonde mensen hoger. Tot en met 2013 lag dit aandeel vrij constant rond 30 procent (variërend van 28 tot 31 procent). Alleen in 2002 was het percentage fysiek minder gezonde mensen met 27 procent iets lager dan in 2003 en 2004.
In 2001 had 11 procent een minder goede psychische gezondheid tegenover 18 procent in 2024. In de hele periode 2020 tot en met 2024 is het percentage mensen dat psychisch minder gezond is hoger dan in de periode 2001 tot en met 2013. Tot 2013 was dit percentage vrij constant met een iets lager percentage in 2008.
Ook wanneer er rekening wordt gehouden met de leeftijdsopbouw van 2001, is er een toename in het percentage mensen met een minder goede fysieke en psychische gezondheid tussen 2001 en 2024. Het percentage mensen met een minder goede fysieke gezondheid is iets lager in de laatste jaren, als de leeftijdsopbouw hetzelfde zou zijn dan die in 2001.
| Minder goede fysieke gezondheid (% van personen van 12 jaar of ouder) | Minder goede fysieke gezondheid, bij leeftijdsopbouw 2001 (% van personen van 12 jaar of ouder) | Minder goede psychische gezondheid (% van personen van 12 jaar of ouder) | Minder goede psychische gezondheid, bij leeftijdsopbouw van 2001 (% van personen van 12 jaar of ouder) | |
|---|---|---|---|---|
| 2001 | 29,1 | 29,1 | 11,4 | 11,4 |
| 2002 | 27,7 | 27,6 | 11,3 | 11,3 |
| 2003 | 30,7 | 30,6 | 11,3 | 11,3 |
| 2004 | 30,9 | 30,6 | 11,5 | 11,6 |
| 2005 | 30,2 | 29,8 | 11,6 | 11,6 |
| 2006 | 30,2 | 29,6 | 11,5 | 11,5 |
| 2007 | 30,0 | 29,4 | 10,9 | 11,0 |
| 2008 | 30,1 | 29,4 | 9,4 | 9,4 |
| 2009 | 30,2 | 29,3 | 10,8 | 10,8 |
| 2010 | 30,1 | 29,1 | 10,9 | 10,9 |
| 2011 | 30,4 | 29,3 | 11,4 | 11,6 |
| 2012 | 31,2 | 29,9 | 11,3 | 11,4 |
| 2013 | 30,4 | 28,9 | 11,8 | 12,0 |
| 2020 | 30,6 | 28,3 | 15,7 | 16,6 |
| 2021 | 32,1 | 29,9 | 18,6 | 19,6 |
| 2022 | 34,9 | 32,7 | 18,0 | 18,9 |
| 2023 | 35,1 | 32,7 | 16,8 | 17,6 |
| 2024 | 36,2 | 33,8 | 17,9 | 18,8 |
Zowel bij mannen als vrouwen een afname in fysieke en psychische gezondheid
De afname in fysieke en psychische gezondheid doet zich bij zowel mannen als vrouwen voor. Onder mannen had 23 procent in 2001 een minder goede fysieke gezondheid tegen 30 procent in 2024. Voor vrouwen was dat 35 procent in 2001 tegenover 42 procent in 2024. Deze afname blijft significant als er rekening wordt gehouden met de steeds ouder wordende bevolking
| Mannen: fysieke gezondheid (% personen van 12 jaar of ouder) | Mannen: psychische gezondheid (% personen van 12 jaar of ouder) | Vrouwen: fysieke gezondheid (% personen van 12 jaar of ouder) | Vrouwen: psychische gezondheid (% personen van 12 jaar of ouder) | |
|---|---|---|---|---|
| 2001 | 23,1 | 8,7 | 35,1 | 14,0 |
| 2002 | 22,7 | 7,8 | 32,6 | 14,7 |
| 2003 | 25,9 | 9,7 | 35,4 | 12,8 |
| 2004 | 26,1 | 9,6 | 35,4 | 13,4 |
| 2005 | 25,4 | 9,2 | 34,9 | 13,9 |
| 2006 | 25,8 | 8,4 | 34,4 | 14,5 |
| 2007 | 26,5 | 9,3 | 33,5 | 12,6 |
| 2008 | 25,1 | 7,9 | 35,0 | 10,8 |
| 2009 | 26,3 | 8,7 | 33,9 | 12,8 |
| 2010 | 26,3 | 9,3 | 33,9 | 12,5 |
| 2011 | 25,4 | 10,2 | 35,4 | 12,5 |
| 2012 | 26,3 | 9,0 | 36,2 | 13,5 |
| 2013 | 26,6 | 10,0 | 34,1 | 13,5 |
| 2020 | 26,1 | 12,5 | 35,1 | 18,9 |
| 2021 | 27,6 | 15,5 | 36,6 | 21,8 |
| 2022 | 30,8 | 14,9 | 39,0 | 20,9 |
| 2023 | 29,9 | 14,2 | 40,1 | 19,5 |
| 2024 | 30,4 | 15,2 | 41,9 | 20,5 |
Meer 25- tot 65-jarigen met minder goede fysieke gezondheid tussen 2001 en 2024
In de jaren 2022 tot en met 2024 hadden meer 25- tot 45-jarigen een slechtere fysieke gezondheid dan in de jaren ervoor (met uitzondering van 2003). Onder de 45- tot 65-jarigen was het percentage mensen met een minder goede fysieke gezondheid hoger in 2023 en 2024 dan de jaren ervoor. Onder de 75-plussers daarentegen zien we een positieve trend in de fysieke gezondheid; het percentage mensen met een minder goede fysieke gezondheid is afgenomen.
In de andere leeftijdsgroepen is er geen sprake van een duidelijke of significante trend. In de leeftijdsgroep van 12 tot 18 jaar had 15 procent een minder goede gezondheid. Onder de 18- tot 25-jarigen was dat 16 procent in 2024. Eén op de twee mensen van 65 tot 75 jaar had in 2024 een minder goede gezondheid.
| 12 tot 18 jaar (% van personen van 12 jaar of ouder) | 18 tot 25 jaar (% van personen van 12 jaar of ouder) | 25 tot 45 jaar (% van personen van 12 jaar of ouder) | 45 tot 65 jaar (% van personen van 12 jaar of ouder) | 65 tot 75 jaar (% van personen van 12 jaar of ouder) | 75 jaar of ouder (% van personen van 12 jaar of ouder) | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 2001 | 15,8 | 19,9 | 21,7 | 34,3 | 48,2 | 71,0 |
| 2002 | 13,0 | 14,6 | 22,6 | 32,7 | 44,5 | 60,7 |
| 2003 | 16,4 | 19,9 | 24,8 | 34,4 | 46,7 | 70,1 |
| 2004 | 12,7 | 20,3 | 24,3 | 35,3 | 50,4 | 68,5 |
| 2005 | 17,2 | 17,1 | 21,8 | 36,0 | 45,6 | 66,9 |
| 2006 | 13,3 | 19,4 | 22,0 | 34,3 | 48,0 | 70,4 |
| 2007 | 14,8 | 17,0 | 22,2 | 34,1 | 46,1 | 68,5 |
| 2008 | 14,9 | 14,8 | 23,2 | 33,2 | 44,1 | 69,8 |
| 2009 | 13,9 | 17,4 | 21,5 | 34,5 | 43,3 | 68,3 |
| 2010 | 13,1 | 17,2 | 22,2 | 36,1 | 41,2 | 67,3 |
| 2011 | 12,7 | 16,9 | 22,6 | 34,8 | 45,6 | 67,5 |
| 2012 | 11,7 | 20,1 | 23,2 | 35,3 | 46,3 | 65,5 |
| 2013 | 16,1 | 17,7 | 21,8 | 33,7 | 45,0 | 66,5 |
| � | ||||||
| 2020 | 9,9 | 15,1 | 21,5 | 35,1 | 44,9 | 59,2 |
| 2021 | 11,0 | 16,1 | 23,9 | 36,8 | 45,9 | 58,1 |
| 2022 | 12,5 | 19,0 | 27,4 | 39,2 | 47,0 | 62,6 |
| 2023 | 12,8 | 19,3 | 26,4 | 40,6 | 47,4 | 61,2 |
| 2024 | 15,3 | 16,3 | 27,4 | 42,6 | 50,6 | 63,9 |
Psychische gezondheid vooral bij jongste leeftijdsgroepen minder goed
Het percentage met een minder goede psychische gezondheid is vooral bij jongere leeftijdsgroepen tot 45 jaar toegenomen. In 2024 hadden met 13 procent twee keer zoveel 12- tot 18- jarigen een minder goede psychische gezondheid dan in 2001 (6 procent). Ook 18 tot 25-jarigen hadden in 2024 ruim twee keer zo vaak een minder goede psychische gezondheid dan in 2001 (26 procent tegen 11 procent). Van de 25- tot 45-jarigen had 12 procent in 2001 een minder goede psychische kwaliteit van leven, tegen 23 procent in 2024.
Bij de hogere leeftijdsgroepen was de trend van het toenemende percentage met een minder goede psychische gezondheid minder opvallend (voor 45- tot 65-jarigen) of niet duidelijk aanwezig (voor 65- tot 75-jarigen en 75-plussers). Onder de 65-plussers had ongeveer één op de tien mensen een minder goede fysieke gezondheid.
| 12 tot 18 jaar (% van personen van 12 jaar of ouder) | 18 tot 25 jaar (% van personen van 12 jaar of ouder) | 25 tot 45 jaar (% van personen van 12 jaar of ouder) | 45 tot 65 jaar (% van personen van 12 jaar of ouder) | 65 tot 75 jaar (% van personen van 12 jaar of ouder) | 75 jaar of ouder (% van personen van 12 jaar of ouder) | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 2001 | 5,8 | 11,4 | 11,8 | 11,5 | 12,9 | 15,7 |
| 2002 | 5,4 | 13,3 | 12,1 | 11,7 | 9,9 | 10,9 |
| 2003 | 7,2 | 9,4 | 12,8 | 11,6 | 10,0 | 11,3 |
| 2004 | 6,5 | 11,0 | 12,5 | 12,0 | 11,6 | 11,0 |
| 2005 | 7,0 | 11,5 | 12,2 | 12,9 | 8,2 | 12,1 |
| 2006 | 5,7 | 10,7 | 12,4 | 12,1 | 11,3 | 11,4 |
| 2007 | 5,3 | 9,0 | 12,2 | 11,8 | 9,1 | 11,9 |
| 2008 | 5,8 | 8,7 | 9,0 | 10,5 | 9,3 | 11,1 |
| 2009 | 3,5 | 11,5 | 12,0 | 11,5 | 7,9 | 13,8 |
| 2010 | 7,8 | 11,1 | 11,7 | 11,8 | 6,2 | 12,7 |
| 2011 | 7,3 | 13,3 | 13,2 | 11,2 | 6,9 | 12,1 |
| 2012 | 6,6 | 13,8 | 12,5 | 11,9 | 7,5 | 10,0 |
| 2013 | 5,8 | 13,6 | 13,5 | 12,6 | 7,2 | 12,0 |
| 2020 | 10,9 | 23,1 | 20,6 | 14,4 | 9,8 | 9,6 |
| 2021 | 18,3 | 30,1 | 23,4 | 16,5 | 10,2 | 11,5 |
| 2022 | 14,9 | 29,1 | 22,3 | 17,5 | 8,6 | 9,6 |
| 2023 | 12,8 | 25,8 | 20,9 | 16,2 | 9,4 | 10,9 |
| 2024 | 12,9 | 26,2 | 23,2 | 16,2 | 11,4 | 9,9 |
3.3 Ontwikkelingen in afzonderlijke aspecten van fysieke en psychische gezondheid
Afname percentage goede gezondheid en toename belemmeringen in sociale activiteiten
Het percentage mensen dat aangeeft een goede gezondheid te hebben is afgenomen van 90 procent in 2001 naar 85 procent in 2024. De daling vond vooral plaats tussen 2021 en 2022.
Het percentage mensen dat aangaf door lichamelijke gezondheid of emotionele problemen belemmerd te zijn in sociale activiteiten (zoals bezoek aan vrienden of naaste familieleden) nam toe van 19 procent in 2001 tot 26 procent in 2024. Deze toename vond vooral plaats vanaf 2021.
Toename percentage dat vanwege gezondheid minder bereikt heeft en beperkt is in soort bezigheden
Het aandeel dat aangaf door de lichamelijke gezondheid minder bereikt te hebben dan bedoeld in werk of andere dagelijkse bezigheden is toegenomen. In 2001 was dat 17 procent en in 2024 lag dat op 23 procent. Ook als er rekening wordt gehouden met leeftijd blijft deze toename zichtbaar.
Het percentage mensen dat door lichamelijke gezondheid beperkt werd in het soort bezigheden, zoals werk of andere dagelijkse activiteiten, is tussen 2001 en 2024 eveneens gestegen van 18 procent tot 23 procent. Rekening houdend met de leeftijdsopbouw van de bevolking is de toename iets minder, van 19 procent in 2001 tot 22 procent in 2024.
Het percentage mensen dat aangaf door hun gezondheid matig of ernstig beperkt te zijn in dagelijkse bezigheden die een matige inspanning vereisen, zoals bijvoorbeeld het verplaatsen van een tafel, stofzuigen of fietsen, was in 2024 hoger dan in de jaren 2001 tot en met 2021 (met uitzondering van de uitschieters in 2003, 2011 en 2012. Als rekening wordt gehouden met leeftijd is het percentage in 2024 alleen hoger dan 2001 en 2002.
| Goede ervaren gezondheid (% van personen van 12 jaar of ouder) | Belemmerd in sociale activiteiten (% van personen van 12 jaar of ouder) | Beperkt in dagelijkse bezigheden (% van personen van 12 jaar of ouder) | Minder bereikt in werk/school/opleiding of anders (% van personen van 12 jaar of ouder) | Beperkt in soort bezigheden (werk/opleiding/school of anders) (% van personen van 12 jaar of ouder) | |
|---|---|---|---|---|---|
| 2001 | 90,2 | 18,7 | 20,7 | 16,8 | 18,2 |
| 2002 | 89,4 | 16,4 | 20,2 | 16,2 | 17,5 |
| 2003 | 89,2 | 16,7 | 24,5 | 18,2 | 18,7 |
| 2004 | 89,2 | 17,7 | 23,9 | 18,0 | 18,9 |
| 2005 | 89,1 | 18,4 | 23,8 | 17,7 | 18,9 |
| 2006 | 89,1 | 18,4 | 23,5 | 17,5 | 18,0 |
| 2007 | 89,6 | 16,9 | 23,1 | 17,2 | 18,5 |
| 2008 | 89,7 | 16,4 | 23,9 | 17,4 | 17,5 |
| 2009 | 89,0 | 16,9 | 23,8 | 18,3 | 18,3 |
| 2010 | 89,2 | 19,0 | 23,4 | 18,2 | 18,5 |
| 2011 | 88,9 | 18,6 | 24,2 | 17,6 | 18,0 |
| 2012 | 89,1 | 17,6 | 24,3 | 17,5 | 18,2 |
| 2013 | 89,2 | 18,4 | 23,3 | 17,7 | 17,7 |
| 2020 | 88,1 | 22,5 | 23,6 | 18,0 | 17,2 |
| 2021 | 88,3 | 25,0 | 23,7 | 19,8 | 19,3 |
| 2022 | 85,7 | 26,8 | 25,0 | 21,4 | 20,8 |
| 2023 | 85,3 | 25,8 | 24,2 | 21,6 | 21,1 |
| 2024 | 85,4 | 26,2 | 25,6 | 22,7 | 22,5 |
Minder zorgvuldig en minder bereikt door emotionele problemen en minder vaak kalm en rustig dan in 2001
Het percentage mensen dat aangaf door van een emotioneel probleem, bijvoorbeeld doordat de persoon zich depressief voelde, minder bereikt te hebben is in de periode tussen 2001 en 2024 licht toegenomen van 12 naar 15 procent. Ook was er een beperkte toename in het percentage dat aangaf minder zorgvuldig te zijn geweest door een emotioneel probleem. Dit was 12 procent in 2001 tegenover 14 procent in 2024.
Het percentage dat zich vaak, meestal of voortdurend kalm en rustig voelde is in de jaren 2021 tot en met 2024 eveneens lager dan in de jaren ervoor. In de periode 2001 tot en met 2020 fluctueerde dit tussen de 82 en 85 procent, tegenover ongeveer 80 procent in de periode 2021 tot en met 2024.
Ten slotte was in de periode 2021 tot en met 2024 (8 tot 9 procent) het percentage mensen dat aangaf zich neerslachtig of somber te voelen iets hoger dan in de periode 2001 tot en met 2020 (5 tot bijna 7 procent).
| Minder bereikt door emotioneel probleem (% van personen van 12 jaar of ouder) | Minder zorgvuldig door emotioneel probleem (% van personen van 12 jaar of ouder) | Somber en neerslachtig (% van personen van 12 jaar of ouder) | Kalm en rustig (% van personen van 12 jaar of ouder) | |
|---|---|---|---|---|
| 2001 | 11,8 | 11,6 | 5,6 | 81,8 |
| 2002 | 11,4 | 11,3 | 4,8 | 82,6 |
| 2003 | 12,0 | 11,2 | 5,0 | 83,7 |
| 2004 | 11,9 | 11,4 | 5,7 | 82,6 |
| 2005 | 11,8 | 11,6 | 5,6 | 82,9 |
| 2006 | 11,1 | 10,8 | 5,5 | 84,3 |
| 2007 | 11,1 | 10,9 | 5,2 | 83,7 |
| 2008 | 10,5 | 9,9 | 4,9 | 84,7 |
| 2009 | 10,9 | 10,4 | 5,0 | 84,4 |
| 2010 | 11,4 | 11,1 | 5,3 | 83,6 |
| 2011 | 12,0 | 11,4 | 5,0 | 82,8 |
| 2012 | 11,8 | 10,9 | 5,4 | 83,1 |
| 2013 | 11,9 | 10,9 | 5,9 | 82,9 |
| 2014 | 5,8 | 82,5 | ||
| 2015 | 5,9 | 82,2 | ||
| 2016 | 6,7 | 81,6 | ||
| 2017 | 6,4 | 82,5 | ||
| 2018 | 6,6 | 82,2 | ||
| 2019 | 6,7 | 82,3 | ||
| 2020 | 14,2 | 12,9 | 7,6 | 82,0 |
| 2021 | 16,4 | 14,9 | 9,3 | 79,9 |
| 2022 | 15,8 | 15,0 | 8,8 | 79,5 |
| 2023 | 15,2 | 14,0 | 8,0 | 80,3 |
| 2024 | 15,4 | 13,8 | 8,2 | 79,8 |
Nauwelijks ontwikkelingen in belemmeringen door pijn, beperkingen in traplopen en niet energiek voelen
De ontwikkelingen in de andere aspecten van de SF-12 zijn eerder beperkt of minder eenduidig. In 2024 gaf 41 procent van de 12-plussers aan belemmerd te zijn door pijn bij normale werkzaamheden (zowel werk buitenshuis als huishoudelijk werk) tegen 38 procent in 2001. Wanneer men rekening houdt met leeftijd, varieert het percentage mensen dat belemmerd is door pijn tussen de 34 en 39 procent, maar is er geen significante toe- of afname over de jaren heen.
Het percentage mensen dat aangaf een beetje of ernstig beperkt te zijn in traplopen was in 2024 (23 procent) hoger dan in de periode 2001 tot en met 2009 (20 tot 22 procent). Echter, rekening houdend met de veranderende leeftijdsopbouw over de jaren is er geen toename meer en is het percentage mensen dat beperkt is in traplopen juist hoger in 2001 (23 procent) tegen (22 procent).
In 2024 voelde één op de drie 12-plussers zich in de afgelopen vier weken niet energiek. Dat was evenveel als in de jaren ervoor (2021 tot en met 2023) en dan in 2001, maar in de tussenliggende periode was dat iets lager.
3.4 Trends in leefstijlfactoren
Op basis van de geconstateerde trend van een toename van ongezondheid, zoals vastgesteld met de SF-12, is de verwachting dat dit samengaat met een toename van minder gezond gedrag. Is er in 2024 meer overgewicht dan in 2001, zijn mensen tussen 2001 en 2024 inderdaad meer gaan roken, en wordt er minder voldaan aan de alcoholrichtlijn en de Beweegrichtlijnen?
De ontwikkeling van het percentage mensen met overgewicht en obesitas sluit aan bij de trend in de fysieke en psychische gezondheid. In 2024 had 48 procent van de mensen van 12 jaar of ouder overgewicht tegen 41 procent in 2001. Het percentage mensen van 12 jaar of ouder met obesitas steeg van 9 procent in 2001 tot 15 procent in 2024.
Roken en het voldoen aan de alcoholrichtlijn laten juist een tegengestelde ontwikkeling zien. In 2001 gaf 33 procent van de 12-plussers aan wel eens te roken. In 2024 was dat bijna gehalveerd (17 procent). Het percentage mensen van 12 jaar of ouder dat aan de alcoholrichtlijn voldoet, is in de periode 2014 tot en met 2024 toegenomen. In 2014 voldeed 40 procent aan deze richtlijn tegen 47 procent in 2024 (Statline, 2009, 2013, 2024c) .
Het percentage mensen van 12 jaar of ouder dat aan de Beweegrichtlijnen voldoet, ten slotte, is in 2024 (45 procent) vrijwel gelijk aan dat van 2014 (Statline, 2024c).
| Rokers (% van personen van 12 jaar of ouder) | Overgewicht (% van personen van 12 jaar of ouder) | Ernstig overgewicht (% van personen van 12 jaar of ouder) | Voldoen aan alcoholrichtlijn (% van personen van 12 jaar of ouder) | Voldoen aan Beweegrichtlijnen (% van personen van 12 jaar of ouder) | |
|---|---|---|---|---|---|
| 2001 | 33,3 | 41,0 | 8,7 | ||
| 2002 | 32,3 | 41,1 | 9,0 | ||
| 2003 | 30,8 | 42,0 | 9,9 | ||
| 2004 | 29,6 | 42,7 | 10,3 | ||
| 2005 | 29,5 | 41,3 | 10,0 | ||
| 2006 | 29,6 | 42,6 | 10,5 | ||
| 2007 | 27,9 | 41,9 | 10,5 | ||
| 2008 | 27,6 | 43,3 | 10,5 | ||
| 2009 | 27,1 | 43,4 | 10,9 | ||
| 2010 | 25,6 | 44,5 | 10,5 | ||
| 2011 | 25,6 | 44,4 | 10,4 | ||
| 2012 | 23,3 | 44,2 | 10,9 | ||
| 2013 | 23,2 | 44,3 | 10,7 | ||
| 2014 | 24,2 | 46,3 | 12,5 | 39,8 | 43,65 |
| 2015 | 24,6 | 46,1 | 12,4 | 40,3 | 43,38 |
| 2016 | 22,7 | 46,3 | 13,2 | 41,6 | 43,02 |
| 2017 | 21,7 | 45,9 | 12,9 | 42,5 | 45,62 |
| 2018 | 21,0 | 47,0 | 13,9 | 42,3 | 45,97 |
| 2019 | 20,4 | 47,1 | 13,7 | 43,4 | 48,36 |
| 2020 | 18,9 | 47,4 | 13,0 | 46,6 | 51,94 |
| 2021 | 19,4 | 47,3 | 13,5 | 46,2 | 45,75 |
| 2022 | 17,9 | 47,5 | 14,2 | 45,4 | 43,15 |
| 2023 | 18,1 | 47,2 | 14,5 | 46,0 | 43,64 |
| 2024 | 17,4 | 47,5 | 14,7 | 47,4 | 44,77 |