4. Conclusie
De resultaten van dit onderzoek laten zien dat eenzaamheid weliswaar een individuele, psychologische ervaring is, maar dat die tegelijkertijd plaatsvindt in een sociaaleconomische en maatschappelijke context.
Met sociale uitkering het vaakst sterk eenzaam
Van de sociaaleconomische categorieën zijn het vooral de mensen met een sociale uitkering die zich het vaakst sterk eenzaam voelen. Dit bevestigt het onderzoek van Heylen et al. (2025), waarin ook het belang van economische factoren en met name de samenhang met een lager huishoudensinkomen getoond wordt. Zij noemen daarvoor verschillende verklaringen, maar de deelname aan het sociale leven zou vooral beperkt worden door een lager inkomen vanwege de kosten van maatschappelijke participatie. Uit ander CBS-onderzoek blijkt ook dat mensen die (bijna) in armoede leven minder vaak vrijwilligerswerk doen of actief zijn in verenigingen dan de groep met meer inkomen of een voldoende vermogensbuffer (Coumans et al., 2025).
De onderhavige resultaten laten echter zien dat het verschil tussen mensen met een sociale uitkering en de andere sociaaleconomische groepen nagenoeg intact blijft, ook als in de analyses rekening wordt gehouden met verschillen in de hoogte van het inkomen tussen deze groepen. Er lijkt bij deze groep iets anders te spelen wat ervoor zorgt dat zij zich vaker sterk eenzaam voelen. Ook het gebrek aan hebben van werk hangt niet samen met het hogere aandeel met een sociale uitkering dat zich sterk eenzaam voelt. Nader onderzoek, waarbij ook andere factoren in een uitgebreider model meegenomen worden, zou meer inzicht kunnen bieden in wat samenhangt met het hogere aandeel sterk eenzamen bij mensen met een sociale uitkering.
Met minder sociale contacten vaker eenzaam, maar niet altijd
Zoals te verwachten hangt het hebben van regelmatig sociaal contact met familie, vrienden en buren relatief sterk samen met sterke eenzaamheid. Mensen zonder regelmatige contacten ervaren het vaakst van alle onderzochte groepen en categorieën in dit onderzoek, sterke eenzaamheid. Daarbij gaat het vooral om sociale eenzaamheid. Van de groep die niet regelmatig contact heeft met naasten, ervaart 43 procent in sterke mate sociale eenzaamheid.
Dit ligt enerzijds in de lijn van de verwachting, omdat sociale eenzaamheid gaat over het hebben van genoeg mensen om zich heen waar men zich verbonden mee voelt, op vertrouwt of kan terugvallen. Anderzijds is het lang niet altijd zo dat een gebrek aan regelmatig contact ook gevoelens van eenzaamheid met zich meebrengt. Dit geldt vooral voor emotionele eenzaamheid; 43 procent van de mensen met minder dan wekelijks contact is niet emotioneel eenzaam.
Buitengesloten voelen en sterke eenzaamheid: niet hetzelfde, maar sterke samenhang
Van de mensen die zich buitengesloten voelen ervaart een derde sterke gevoelens van algemene of emotionele eenzaamheid. Iets meer, zo’n 35 procent, ervaart sterke sociale eenzaamheid. Dit komt overeen met de resultaten uit onderzoek naar de invloed op eenzaamheid van het gevoel er niet bij te horen en gediscrimineerd te worden (Barreto et al., 2021; 2024). Van de mensen die zich buitengesloten voelen, voelt een relatief groot deel zich dus sterk eenzaam, maar tegelijk voelt een aandeel van 27 procent bij emotionele en algemene eenzaamheid en 29 procent bij sociale eenzaamheid zich niet eenzaam. Dit wijst erop dat buitengesloten voelen en eenzaamheid weliswaar een grote samenhang vertonen, maar niet bij iedereen tegelijk voorkomt.
Hierbij moet opgemerkt worden dat de relatie tussen gevoelens van buitensluiting en eenzaamheid beide richtingen op kan gaan. Mensen die zich buitengesloten voelen, kunnen zich vervolgens (sterk) eenzaam gaan voelen, maar andersom kan het ook zo zijn dat mensen die sterke eenzaamheid ervaren, zich in nog grotere mate terugtrekken uit het sociale leven waarna zij zich ook meer buitengesloten gaan voelen. Dergelijke verbanden en achterliggende mechanismen zijn met het huidige dwarsdoorsnede-onderzoek, waarbij de gegevens op een specifiek moment worden verzameld, niet goed vast te stellen. Dit vereist longitudinaal onderzoek, waarbij het mensen over de tijd worden gevolgd.
Minder sterke samenhang met maatschappelijke activiteiten
Opvallend is dat de daadwerkelijke deelname aan maatschappelijke activiteiten, zoals de deelname aan het verenigingsleven, het doen van vrijwilligerswerk en het bieden van hulp aan anderen buiten organisaties om (informele hulp), in dit onderzoek minder sterk samenhangt met eenzaamheid dan het gevoel buitengesloten te zijn op gebied van werk, de maatschappij en het sociale leven. Van de mensen die geen vrijwilligerswerk doen of niet regelmatig deelnamen aan het verenigingsleven, voelt 12 procent zich sterk eenzaam, en van de mensen die geen informele hulp bieden is dat 10,5 procent.
Dit kan komen doordat er bij buitengesloten voelen, naast werk en de maatschappij, ook gevraagd wordt naar het sociale leven, en sociale contacten juist wél sterk samenhangen met eenzaamheid. Een andere mogelijke verklaring is dat het bij buitengesloten voelen, net als bij eenzaamheid, gaat om een subjectieve beleving en er daardoor een sterkere samenhang mee vertoont dan met wat iemand daadwerkelijk doet. Gevoelens van buitengesloten worden, maar ook discriminatie of je er niet bij voelen horen, kunnen ook bij een (objectief gezien) actieve deelname aan de maatschappij een rol spelen bij het ontstaan van en het hebben van eenzaamheidsgevoelens. Voor een goed inzicht in eenzaamheid is het daarom van belang om dergelijke gevoelens mee te (blijven) nemen in toekomstig onderzoek naar eenzaamheid.