Auteur(s): Moniek Coumans, Daniëlle Groffen
Eenzaamheid in sociaaleconomische en maatschappelijke context

2. Data en methode

2.1 Data

Voor de beantwoording van de eerste en de derde onderzoeksvraag zijn gegevens gebruikt uit het onderzoek Sociale samenhang en welzijn (SSW) 2025. De tweede onderzoeksvraag is, vanwege de beschikbaarheid van gegevens over buitengesloten voelen, beantwoord met gegevens uit SSW, editie 2024. 

Het onderzoek Sociale samenhang en welzijn (SSW) van het CBS richt zich op deelname aan de samenleving, vertrouwen in de samenleving en het welzijn van mensen. Bij deelname aan de samenleving gaat het over hoe vaak mensen contact onderhouden met familie, vrienden en buren, actief zijn in het verenigingsleven, betaald werk doen, vrijwilligerswerk verrichten of andere mensen helpen buiten organisaties om. Sinds 2012 nemen jaarlijks ongeveer 7 500 personen van 15 jaar of ouder deel aan het SSW-onderzoek. In de periode 2012-2025 gaat het in totaal om bijna 100 duizend personen.

2.2 Begrippen en variabelen

Meting van eenzaamheid

Sinds 2019 wordt eenzaamheid in de enquête SSW gemeten met de verkorte versie van de Eenzaamheidsschaal van De Jong-Gierveld (De Jong-Gierveld & Van Tilburg, 2006). Deze schaal benadert eenzaamheid als een meerdimensionaal begrip en maakt daarbij onderscheid tussen sociale en emotionele eenzaamheid. 

Respondenten krijgen zes stellingen voorgelegd, drie stellingen hebben betrekking op sociale eenzaamheid, en drie op emotionele eenzaamheid. De stellingen luiden als volgt:

  1. Ik ervaar een leegte om me heen.
  2. Er zijn genoeg mensen op wie ik in geval van narigheid kan terugvallen.
  3. Ik heb veel mensen op wie ik volledig kan vertrouwen.
  4. Ik mis mensen om me heen.
  5. Er zijn voldoende mensen met wie ik me nauw verbonden voel.
  6. Vaak voel ik me in de steek gelaten.

Respondenten kunnen telkens antwoorden met ‘ja’, ‘min of meer’ of ‘nee’. Bij het vaststellen van de schaalscores en de mate van eenzaamheid zijn de richtlijnen van de ontwikkelaars van de schaal gevolgd (De Jong Gierveld & Van Tilburg, 1999). Daarbij worden de volgende stappen gezet.

Eerst worden de antwoorden op de items in twee categorieën verdeeld. Als mensen ‘min of meer’ of ‘ja’ antwoorden op de stellingen, waarbij stelling 2, 3 en 5 zijn omgecodeerd, krijgen ze een score ‘1’ voor het desbetreffende item. Vervolgens wordt een somscore berekend door de scores van de items op te tellen. Ten slotte wordt een driedeling gemaakt in niet eenzaam (een score van 0 of 1), enigszins eenzaam (een score van 2 tot en met 4) en sterk eenzaam (een score van 5 of 6).

Emotionele en sociale eenzaamheid

In dit artikel wordt gerapporteerd over zowel de samenvattende maat van eenzaamheid als over beide deeldimensies (sociaal en emotioneel). Dit wordt gedaan omdat elk deelaspect een ander gebied van eenzaamheid belicht en daardoor ook andere resultaten kan opleveren. Iemand kan bijvoorbeeld wel emotioneel eenzaam zijn maar niet sociaal. Dat is in de algemene maat dan niet te zien.  De stellingen 1, 4 en 6 horen bij emotionele eenzaamheid en de stellingen 2, 3 en 5 gaan over sociale eenzaamheid. Voor beide eenzaamheidsvormen kan men een score van 0 tot en met 3 krijgen op de bijbehorende drie stellingen, waarbij 0 ‘niet eenzaam’ is en 3 ‘sterk eenzaam’ is. De tussenliggende categorieën 1 en 2 geven in dit geval ‘enigszins eenzaam’ weer. 

In 2020 vond de meting van eenzaamheid niet plaats. Sinds 2021 wordt dit doorlopend gemeten en wordt er jaarlijks over gepubliceerd op StatLine en/of met een nieuwsbericht (zie bijvoorbeeld CBS, 2025).

Demografische en sociaaleconomische kenmerken 

Voor dit artikel zijn de volgende demografische kenmerken gebruikt: 

  • Geslacht (‘mannen’, ‘vrouwen’).
  • Leeftijd (’15 tot 25 jaar’, ’25 tot 35 jaar’, ’35 tot 45 jaar’, ’45 tot 55 jaar’, ’55 tot 65 jaar’, ’65 tot 75 jaar’, ’75 jaar of ouder’).
  • Herkomst (‘geboren in Nederland en beide ouders ook’, ‘zelf geboren in Nederland, minstens 1 ouder geboren in het buitenland (herkomst Europa’), ‘zelf geboren in Nederland, minstens 1 ouder geboren in het buitenland (herkomst buiten Europa)’, ‘geboren in een land binnen Europa (exclusief Nederland)’, ‘geboren in een land buiten Europa’). Omwille van de leesbaarheid wordt in dit artikel gesproken over een Nederlandse herkomst bij mensen die zelf en waarvan ook beide ouders in Nederland geboren zijn. Mensen van wie minstens een van de ouders in het buitenland geboren is, worden mensen van de tweede generatie, uit Europa of daarbuiten, genoemd. En mensen die buiten Nederland zijn geboren, worden hier migranten genoemd.
  • Positie in het huishouden (‘alleenwonend’, ‘lid paar zonder kinderen’, ‘lid paar met kinderen’, ‘ouder in eenoudergezin’ en ‘kind’). De analyses van eenzaamheidsgevoelens bij alleenwonenden en ouders in een eenoudergezin zijn afzonderlijk uitgevoerd voor mensen met en zonder een partner (‘ja’, ‘nee’). Vanwege de lagere aantallen in deze categorieën, zijn deze analyses uitgevoerd op een gecombineerd gegevensbestand van 2024 en 2025.

Daarnaast zijn voor dit artikel de volgende sociaaleconomische kenmerken gebruikt:

  • Onderwijsniveau (‘basisonderwijs, vmbo, mbo1’, ‘havo, vwo, mbo2-4’ en ‘hbo, wo’),
  • Gestandaardiseerd besteedbaar huishoudensinkomen (in 25%-groepen).
  • Sociaaleconomische categorie (‘zelfstandigen, waaronder directeuren-grootaandeelhouders, zzp’ers en meewerkende gezinsleden in een familiebedrijf, werknemers, studenten en mensen met een pensioenuitkering’, ‘mensen met een sociale uitkering, waaronder uitkeringen voor werkloosheid, bijstand, ziekte en arbeidsongeschiktheid’ en ‘mensen zonder (eigen) inkomen’). 
  • Minstens één uur per week betaald werk (‘ja’, ‘nee’).

De gegevens over geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en positie in het huishouden zijn uitgevraagd in de enquête. De data over herkomst, afkomstig uit het Stelsel van Sociaal-Statistische Bestanden (SSB), inkomen (gestandaardiseerd besteedbaar huishoudensinkomen) en de sociaaleconomische categorie, beide afkomstig uit de Integrale inkomens- en vermogensstatistiek, zijn achteraf aan de enquêtegegevens toegevoegd.

Buitengesloten voelen

Jaarlijks wordt ook een aantal ad-hocvragen opgenomen in de enquête. In 2024 werd in de enquête SSW een vraag opgenomen over buitengesloten voelen: In welke mate voelt u zich buitengesloten in uw sociale leven, uw werk of uw plek in de maatschappij?

Mensen konden op een schaal van 0 tot en met 10 aangeven in welke mate zij zich buitengesloten voelden. 0 is helemaal niet buitengesloten en 10 is helemaal buitengesloten. Net als in het eerder verschenen artikel over buitengesloten voelen (Coumans & Schmeets, 2026) wordt een score van 6 of hoger beschouwd als buitengesloten voelen. Een score van 5 of lager betekent niet buitengesloten voelen.

Maatschappelijke deelname 

Sociaal contact

In dit onderzoek is sociaal contact vastgesteld door na te gaan of mensen minstens wekelijks sociaal contact hebben met familie, vrienden of buren. Dit kan door elkaar te ontmoeten, te bellen, te schrijven of berichtjes te sturen. Het hulp bieden aan anderen buiten het eigen huishouden en buiten organisaties om, de zogenoemde informele hulp, is gemeten door te vragen of iemand deze hulp in de afgelopen vier weken heeft geboden.

Vrijwilligerswerk en deelname verenigingsleven

Vrijwilligerswerk is gemeten met de vraag of mensen zich minstens één keer in het afgelopen jaar als vrijwilliger voor een organisatie hebben ingezet (Groffen, 2026). Voor deelname aan het verenigingsleven is nagegaan of iemand in de afgelopen vier weken minstens één keer per maand deel heeft genomen aan activiteiten van een of meerdere verenigingen of organisaties (Groffen & Coumans, 2025).

2.4 Analyses

Om de verbanden tussen enerzijds demografische en sociaaleconomische achtergrondkenmerken, gevoelens van buitengesloten worden en deelname aan de maatschappij en anderzijds gevoelens van eenzaamheid te onderzoeken, zijn allereerst per kenmerk bivariate kruistabelanalyses uitgevoerd met chi-kwadraat toetsen. Om na te gaan welke groepen in geval van meerdere categorieën binnen een kenmerk van elkaar verschillen zijn enkelvoudige logistische regressieanalyses toegepast. Daarbij is gevarieerd in de gekozen referentiegroep, om de verschillen tussen categorieën te kunnen zien als er drie of meer categorieën waren. Om na te gaan of een bivariate samenhang tussen een kenmerk en eenzaamheid (deels of volledig) verband houdt met verschillen in een ander kenmerk, zijn meervoudige logistische regressieanalyses uitgevoerd. In de tekst in hoofdstuk 3 wordt vermeld in hoeverre dat het geval is.