3. Resultaten
3.1 Eenzaamheid naar demografische en sociaaleconomische achtergrondkenmerken
In 2025 was 10 procent van de mensen van 15 jaar of ouder in Nederland sterk eenzaam, 30 procent enigszins eenzaam en 60 procent niet eenzaam. Het gevoel dat er onvoldoende mensen zijn op wie je bij narigheid kan terugvallen, op wie je kan vertrouwen en waar je je nauw verbonden mee voelt – sociale eenzaamheid – werd daarbij in sterke mate ervaren door 15 procent en enigszins door 28 procent. Het missen van mensen om zich heen, gevoelens van leegte of zich in de steek gelaten voelen – emotionele eenzaamheid – ervoer bijna 10 procent in sterke mate, en 29 procent enigszins.
| Categorie | Niet eenzaam (% mensen van 15 jaar of ouder) | Enigszins eenzaam (% mensen van 15 jaar of ouder) | Sterk eenzaam (% mensen van 15 jaar of ouder) |
|---|---|---|---|
| Eenzaamheid | 60,2 | 29,7 | 10,1 |
| Emotionele eenzaamheid | 60,8 | 29,2 | 9,9 |
| Sociale eenzaamheid | 56,7 | 28,2 | 15,1 |
Alleenwonenden en ouders in eenoudergezin (zonder partner) vaakst sterk eenzaam
Mensen die alleen wonen en ouders in een eenoudergezin zijn het vaakst sterk eenzaam. Bij mensen die alleen wonen gaat het om 16 procent en bij ouders uit een eenoudergezin is dat 19 procent. Mensen die samen met een partner wonen, al dan niet met kinderen, zijn juist het minst vaak sterk eenzaam. Thuiswonende kinderen (15+) zijn relatief vaak enigszins eenzaam.
Nadere analyses wijzen uit dat niet de woonsituatie op zichzelf van alleenwonenden en ouders in een eenoudergezin samenhangt met de sterke eenzaamheidsgevoelens, maar dat het vooral gaat om het al dan niet hebben van een partner. Als mensen uit deze twee groepen een relatie hebben, dan wijkt het percentage dat zich sterk eenzaam voelt niet of nauwelijks meer af van dat van mensen die deel uitmaken van een paar of kinderen die bij hun ouders wonen.
Kleine verschillen naar geslacht, leeftijd en onderwijsniveau
Naar geslacht, leeftijd en onderwijsniveau zijn de verschillen in sterke eenzaamheid beperkter. Tussen mannen en vrouwen is er geen verschil in het ervaren van sterke algemene eenzaamheid. Mannen zijn wel wat vaker sociaal eenzaam en vrouwen juist wat vaker emotioneel eenzaam.
De leeftijdsgroepen tussen 35 en 55 jaar zijn het vaakst sterk eenzaam. Naar emotionele eenzaamheid zijn er geen verschillen tussen de leeftijdsgroepen. Bij sociale eenzaamheid zijn de jongste en de 75-plussers het minst vaak sterk sociaal eenzaam.
Mensen met een hbo- of wo-diploma ervaren iets minder vaak sterke eenzaamheidgevoelens dan mensen met een ander onderwijsniveau. Dit geldt zowel voor sociale als voor emotionele eenzaamheid.
| Kenmerk | Niet eenzaam (% mensen van 15 jaar of ouder) | Enigszins eenzaam (% mensen van 15 jaar of ouder) | Sterk eenzaam (% mensen van 15 jaar of ouder) |
|---|---|---|---|
| Geslacht | |||
| Mannen | 58,2 | 31,7 | 10,0 |
| Vrouwen | 62,2 | 27,6 | 10,2 |
| Leeftijd | |||
| 15 tot 25 jaar | 58,2 | 33,4 | 8,5 |
| 25 tot 35 jaar | 62,3 | 26,9 | 10,8 |
| 35 tot 45 jaar | 58,9 | 28,4 | 12,6 |
| 45 tot 55 jaar | 60,7 | 27,2 | 12,1 |
| 55 tot 65 jaar | 60,5 | 30,3 | 9,1 |
| 65 tot 75 jaar | 62,2 | 28,5 | 9,3 |
| 75 jaarof ouder | 58,5 | 33,9 | 7,6 |
| Onderwijsniveau | |||
| Basisonderwijs of vmbo-diploma | 54,2 | 35,0 | 10,8 |
| Havo, vwo of mbo2-4 | 61,9 | 27,4 | 10,7 |
| Hbo, wo | 64,4 | 27,2 | 8,3 |
| Positie in huishouden | |||
| Alleenstaand | 48,0 | 36,3 | 15,8 |
| Lid paar zonder kinderen | 64,8 | 27,8 | 7,5 |
| Lid paar met kinderen | 67,3 | 25,1 | 7,6 |
| Alleenstaande ouder | 50,9 | 30,1 | 19,0 |
| Thuiswonend kind | 58,6 | 32,2 | 9,2 |
Vooral migranten vaak sterk eenzaam
Mensen die in het buitenland geboren zijn (migranten) zijn vaker sterk eenzaam dan de tweede generatie en dan mensen met een Nederlandse herkomst. Dit verschil is er voor beide vormen van eenzaamheid, maar vooral voor sociale eenzaamheid. Migranten uit Europa en daarbuiten zijn met respectievelijk 27 en 24 procent ongeveer twee keer zo vaak sterk sociaal eenzaam dan mensen van een Nederlandse herkomst (13 procent) of mensen van de tweede generatie met een Europese herkomst (12 procent).
| Herkomst | Niet sociaal eenzaam (% mensen van 15 jaar of ouder) | Enigszins sociaal eenzaam (% mensen van 15 jaar of ouder) | Sterk sociaal eenzaam (% mensen van 15 jaar of ouder) |
|---|---|---|---|
| Geboren in NL, ouders in NL | 59,6 | 27,5 | 13,0 |
| Geboren in NL, ouder(s) in Europa | 61,1 | 26,5 | 12,4 |
| Geboren in NL, ouder(s) buiten Europa | 56,1 | 29,5 | 14,4 |
| Geboren in Europa (excl. NL) | 45,3 | 28,0 | 26,7 |
| Geboren buiten Europa | 43,5 | 32,5 | 24,1 |
Mensen met een sociale uitkering vaakst sterk eenzaam
Vooral mensen met een sociale uitkering geven met 23 procent aanmerkelijk vaker aan zich sterk eenzaam te voelen, vergeleken met de groep mensen die inkomen uit werk, studiefinanciering of pensioen krijgt en de mensen zonder (eigen) inkomen (beide 9 procent). Het niet hebben van werk gaat wat vaker gepaard met eenzaamheid (11 procent) dan het wel hebben van werk (9 procent).
Ook is er een, zij het beperkter, verschil naar de hoogte van het inkomen. Zo gaat het bij de laagste 25%-inkomensgroepen om 14 en 13 procent sterk eenzame mensen, tegenover 8 en 7 procent bij de twee hoogste inkomensgroepen. Dat mensen met een sociale uitkering het vaakst sterk eenzaam zijn hangt nauwelijks samen met deze inkomensverschillen. En ook het niet hebben van werk houdt maar voor een beperkt deel verband met het vaker voorkomen van sterke eenzaamheid bij mensen met een sociale uitkering. Kennelijk zijn er nog andere factoren die een rol spelen bij de sterke eenzaamheidsgevoelens van mensen met een sociale uitkering.
Bovenstaande verschillen tussen de sociaaleconomische en inkomensgroepen gelden ook voor de twee vormen van eenzaamheid, sociaal en emotioneel, apart. Daarop is één uitzondering, en die is dat mensen zonder eigen inkomen niet (significant) verschillen in het hebben van sterke sociale eenzaamheidsgevoelens vergeleken met degenen met een sociale uitkering.
| Categorie | Niet eenzaam (% mensen van 15 jaar of ouder) | Enigszins eenzaam (% mensen van 15 jaar of ouder) | Sterk eenzaam (% mensen van 15 jaar of ouder) |
|---|---|---|---|
| Eenzaamheid | |||
| Werkend, student, pensioen | 62,2 | 28,6 | 9,2 |
| Uitkeringsontvanger | 40,8 | 36,7 | 22,5 |
| Zonder inkomen | 53,9 | 37,4 | 8,8 |
| Emotionele eenzaamheid | |||
| Werkend, student, pensioen | 62,8 | 28,2 | 9,0 |
| Uitkeringsontvanger | 40,7 | 37,2 | 22,1 |
| Zonder inkomen | 59,1 | 31,2 | 9,6 |
| Sociale eenzaamheid | |||
| Werkend, student, pensioen | 58,6 | 27,4 | 14,0 |
| Uitkeringsontvanger | 40,6 | 33,7 | 25,7 |
| Zonder inkomen | 47,4 | 32,0 | 20,6 |
3.2 Eenzaamheid naar buitengesloten voelen
Het aandeel sterk eenzame mensen varieert sterk naar of mensen zich al dan niet buitengesloten voelen in hun sociale leven, hun werk of de maatschappij als geheel. Van de mensen die zich buitengesloten voelen is 33 procent sterk eenzaam, terwijl dat bij degenen die zich niet buitengesloten voelen bijna 6 procent is.
Voor emotionele eenzaamheid geldt hetzelfde verschil tussen mensen die zich al dan niet buitengesloten voelen. Voor sociale eenzaamheid is het verschil een fractie beperkter. Van degenen die zich buitengesloten voelen ervaart 35 procent sterke gevoelens van sociale eenzaamheid, terwijl dit bij degenen die zich niet buitengesloten voelen 10 procent is.
| Categorie | Niet eenzaam (% mensen van 15 jaar of ouder) | Enigszins eenzaam (% mensen van 15 jaar of ouder) | Sterk eenzaam (% mensen van 15 jaar of ouder) |
|---|---|---|---|
| Eenzaamheid | |||
| Voelt zich niet buitengesloten | 66,7 | 27,6 | 5,7 |
| Voelt zich buitengesloten | 26,8 | 39,7 | 33,5 |
| Emotionele eenzaamheid | |||
| Voelt zich niet buitengesloten | 66,8 | 27,6 | 5,6 |
| Voelt zich buitengesloten | 27,5 | 39,2 | 33,3 |
| Sociale eenzaamheid | |||
| Voelt zich niet buitengesloten | 61,6 | 28,0 | 10,4 |
| Voelt zich buitengesloten | 29,4 | 35,5 | 35,1 |
Samenhang buitengesloten voelen en eenzaamheid onafhankelijk van achtergrondkenmerken
Uit een eerdere CBS-publicatie (Coumans & Schmeets, 2026) blijkt dat vrouwen, mensen met een (v)mbo-diploma of daarmee vergelijkbaar, migranten, mensen met een lager inkomen en een sociale uitkering zich vaker buitengesloten voelen. Voorliggend onderzoek laat zien dat, met uitzondering van vrouwen, dezelfde groepen zich ook vaker sterk eenzaam voelen (zie paragraaf 3.1). Daarom is hier nagegaan of de verschillen in eenzaamheid tussen degenen die zich al dan niet buitengesloten voelen vooral te maken hebben met deze verschillen en zo ja welke (vooral). Uit deze analyses blijkt dat de samenhang tussen buitengesloten voelen en sterke eenzaamheid grotendeels in stand blijft, ook als rekening wordt gehouden met de verschillen tussen de genoemde groepen. Dit betekent dat buitengesloten voelen en de afzonderlijke achtergrondkenmerken onafhankelijk van elkaar samenhangen met eenzaamheid. Dit geldt voor algemene eenzaamheid, maar ook voor de onderliggende vormen van, dus sociale en emotionele, eenzaamheid.
3.3 Eenzaamheid naar deelname aan de maatschappij
Met minder sociaal contact, ruim drie keer zo vaak sterk eenzaam
Het al dan niet hebben van regelmatig sociaal contact heeft de sterkste relatie met eenzaamheid van alle onderzochte indicatoren van deelname aan de maatschappij.
Mensen die niet wekelijks contact met zowel familie, vrienden als buren hebben voelen zich met 29 procent vaker sterk eenzaam dan mensen die wel elke week minstens met minstens een van deze drie contact hebben (9 procent).
Voor emotionele eenzaamheid geldt dit wat minder sterk dan voor sociale eenzaamheid. Van de mensen die niet regelmatig contact hebben met hun naasten is 24 procent sterk emotioneel eenzaam en 43 procent is sterk sociaal eenzaam. Dit ligt voor de hand, omdat sociale eenzaamheid gaat over het hebben van genoeg mensen om zich heen waar men zich verbonden mee voelt, op vertrouwt of kan terugvallen.
Toch betekent het niet hebben van regelmatig (minstens wekelijks) contact niet altijd ook sterke eenzaamheid. Zo is van de mensen die geen wekelijks contact met anderen hebben 29 procent niet eenzaam in het algemeen, 43 procent niet emotioneel eenzaam en 22 procent niet sociaal eenzaam.
Relatie eenzaamheid met informele hulp, vrijwilligerswerk en verenigingsdeelname
Hoewel wat beperkter dan bij het niet hebben van regelmatig sociaal contact, laten ook mensen die geen informele hulp bieden, vrijwilligerswerk doen of deelnemen aan verenigingen verschillen zien in eenzaamheid ten opzichte van mensen die wel op deze manier sociaal actief zijn. Zij zijn wat vaker sterk eenzaam dan mensen die deze sociale activiteiten wel ondernemen. Dit geldt ook voor sociale en emotionele eenzaamheid apart. En ook als rekening wordt gehouden met verschillen in geslacht, leeftijd, onderwijsniveau, inkomen en sociaaleconomische categorie blijven deze verschillen even groot.
| Participatie | Niet sociaal eenzaam (% mensen van 15 jaar of ouder) | Enigszins sociaal eenzaam (% mensen van 15 jaar of ouder) | Sterk sociaal eenzaam (% mensen van 15 jaar of ouder) |
|---|---|---|---|
| Familie niet elke week | 36,7 | 36,2 | 27,0 |
| Familie elke week | 60,8 | 26,5 | 12,7 |
| Vrienden niet elke week | 37,9 | 33,7 | 28,4 |
| Vrienden elke week | 62,7 | 26,4 | 10,8 |
| Buren niet elke week | 49,5 | 31,3 | 19,2 |
| Buren elke week | 62,8 | 25,4 | 11,7 |
| Contact niet elke week | 21,7 | 35,8 | 42,5 |
| Contact minstens elke week | 58,4 | 27,8 | 13,8 |
| Informele hulp | 58,4 | 28,5 | 13,1 |
| Geen informele hulp | 55,8 | 28,0 | 16,2 |
| Niet 1x per mnd actief vereniging | 52,9 | 30,1 | 17,0 |
| Minstens 1 x per mnd actief vereniging | 63,0 | 25,0 | 11,9 |
| Vrijwilliger | 60,5 | 27,2 | 12,3 |
| Geen Vrijwilliger | 53,2 | 29,0 | 17,7 |