Eenzaamheid in sociaaleconomische en maatschappelijke context
Over deze publicatie
Het ervaren van eenzaamheid hangt samen met minder geluk en tevredenheid van mensen. Eenzaamheid vindt ook plaats tegen een sociaaleconomische en maatschappelijke achtergrond. Hoe verschilt de ervaren eenzaamheid naar achtergrondkenmerken van mensen, en met de deelname aan de maatschappij? En hoe hangt eenzaamheid samen met het gevoel van buitengesloten zijn in het sociale leven, werk en de plek in de maatschappij?
Belangrijkste bevindingen:
─ In 2025 voelde 10 procent van de 15-plussers zich sterk eenzaam en 30 procent enigszins eenzaam.
─ Alleenwonenden en ouders in een eenoudergezin (zonder partner), voelen zich vaker sterk eenzaam dan mensen die met een partner (al dan niet met kinderen) wonen en kinderen (15+) die bij hun ouders wonen. Ook migranten voelen zich vaker sterk eenzaam.
─ Mensen met een sociale uitkering voelen zich van de onderzochte sociaaleconomische categorieën het vaakst sterk eenzaam.
─ Mensen die zich buitengesloten voelen uit het sociale leven, werk, en de maatschappij voelen zich vaker sterk eenzaam.
─ Minder deelname aan het sociale en maatschappelijke leven gaat samen met meer eenzaamheid. Dit geldt het sterkst voor sociaal contact.
1. Inleiding
Het ervaren van eenzaamheid hangt nauw samen met het ervaren van geluk en tevredenheid met het leven. Mensen die zich sterk eenzaam voelen, zijn minder vaak tevreden met hun (sociale) leven dan mensen die zich enigszins of niet eenzaam voelen (CBS, 2023).
Hoewel eenzaamheid een subjectieve ervaring is, speelt het zich tegelijkertijd af in een sociaaleconomische context. Mensen kunnen zich eenzaam voelen doordat ze weinig contact onderhouden of zich terugtrekken uit bepaalde sociaal-maatschappelijke situaties, zoals het verenigingsleven of georganiseerde activiteiten. Gevoelens van eenzaamheid kunnen echter ook gemakkelijker ontstaan als er geen geld is om sociale activiteiten te ondernemen of als mensen zich er, bijvoorbeeld op basis van hun achtergrond of herkomst, niet bij voelen horen in sociale situaties (Heylen et al., 2025). Eenzaamheid is daarmee ‘bij uitstek een maatschappelijk fenomeen’, zoals Heylen et al. (2025) reeds constateerden in onderzoek naar de verbanden tussen eenzaamheid en maatschappelijke verschillen. Zij tonen aan dat een lager huishoudensinkomen samenhangt met een hogere mate van eenzaamheid.
Ook recente cijfers uit de enquête Sociale samenhang en welzijn (SSW) van het CBS laten een dergelijke samenhang zien. Zo was in 2025 van de laagste inkomensgroep 17 procent sterk eenzaam en van de hoogste inkomensgroep 7 procent (CBS StatLine, 2026). Ook blijkt uit ander CBS-onderzoek (Coumans et al., 2025) dat (sterke) eenzaamheid twee keer meer voorkomt bij armen en bijna-armen dan bij mensen die niet (bijna) in armoede leven (respectievelijk 18 en 19 procent tegenover 9 procent). Dit verschil geldt zowel voor emotionele eenzaamheid – waarbij mensen gevoelens van leegte ervaren, mensen om zich heen missen en zich in de steek gelaten voelen – als voor sociale eenzaamheid. Daarbij gaat het om het ontbreken van gevoelens van verbondenheid en vertrouwen in mensen om zich heen (CBS, 2026).
Naast het inkomen en de sociaaleconomische positie van mensen, houdt eenzaamheid volgens onderzoek ook verband met ervaren discriminatie (Heylen et al., 2025) en het gevoel er niet bij te horen in de maatschappij (Barreto et al., 2021). Verschillende mechanismen zorgen ervoor dat mensen die zich gediscrimineerd voelen of zich buitengesloten voelen, een hoger risico hebben op eenzaamheid (Heylen et al., 2025).
Dit artikel gaat in op het verband tussen eenzaamheid en zowel individuele als sociaaleconomische en maatschappelijke factoren. Ook wordt de rol belicht van gevoelens van buitengesloten voelen in sociale contacten, op het werk en in de samenleving. Hierbij kan de vraag opkomen of er een verschil is tussen gevoelens van eenzaamheid en buitengesloten voelen. Uit onderzoek naar de samenhang tussen je erbij voelen horen – wat conceptueel vergelijkbaar is met buitengesloten voelen – en eenzaamheid, blijkt dat deze concepten inderdaad een sterke (negatieve) samenhang laten zien. Dus hoe minder iemand zich erbij voelt horen, hoe vaker iemand zich eenzaam voelt (Mellinger et al., 2023). Zij tonen echter ook aan dat beide concepten in relatie tot welzijn een eigen bijdrage hebben en daarmee opgevat kunnen worden als samenhangend, maar niet hetzelfde metend.
Naast gevoelens van buitensluiting is in dit onderzoek ook gekeken naar de daadwerkelijke deelname aan de samenleving. Uit eerder CBS-onderzoek (Coumans & Schmeets, 2026) bleek dat het gevoel van buitengesloten zijn vooral vaker voorkomt bij mensen die minder deelnamen aan verenigingen, bij het ontbreken van betaald werk en bij mensen die minder vaak sociale contact hebben met naasten. Er bleek geen relatie met het al dan niet geven van onbetaalde hulp of vrijwilligerswerk. In dit onderzoek naar eenzaamheid zijn al deze aspecten meegenomen. In hoeverre ervaren mensen die op deze gebieden minder deelnemen aan de maatschappij een hogere mate van eenzaamheid? Betreft dit dezelfde groepen als bij het buitengesloten voelen? Het hebben van betaald werk wordt in dit artikel opgevat als een sociaaleconomisch kenmerk, maar zegt uiteraard ook iets over de mate van participatie.
Onderzoeksvragen
In dit onderzoek wordt onderzocht hoe aspecten van de sociaaleconomische en maatschappelijke context van mensen en de mate waarin zij gevoelens van buitensluiting ervaren, samenhangen met gevoelens van eenzaamheid.
De volgende onderzoeksvragen waren daarbij leidend:
- Hoe verschillen bevolkingsgroepen, inkomensgroepen en verschillende sociaaleconomische categorieën van elkaar in eenzaamheid (algemeen, sociaal en emotioneel)?
- In welke mate hangt het gevoel van buitengesloten zijn in het sociale leven, werk en de plek in de maatschappij, samen met gevoelens van eenzaamheid?
- Hoe hangt de daadwerkelijk deelname aan de maatschappij, zoals sociaal contact, deelnemen aan het verenigingsleven, vrijwilligerswerk en het bieden van informele hulp, samen met eenzaamheid?
2. Data en methode
2.1 Data
Voor de beantwoording van de eerste en de derde onderzoeksvraag zijn gegevens gebruikt uit het onderzoek Sociale samenhang en welzijn (SSW) 2025. De tweede onderzoeksvraag is, vanwege de beschikbaarheid van gegevens over buitengesloten voelen, beantwoord met gegevens uit SSW, editie 2024.
Het onderzoek Sociale samenhang en welzijn (SSW) van het CBS richt zich op deelname aan de samenleving, vertrouwen in de samenleving en het welzijn van mensen. Bij deelname aan de samenleving gaat het over hoe vaak mensen contact onderhouden met familie, vrienden en buren, actief zijn in het verenigingsleven, betaald werk doen, vrijwilligerswerk verrichten of andere mensen helpen buiten organisaties om. Sinds 2012 nemen jaarlijks ongeveer 7 500 personen van 15 jaar of ouder deel aan het SSW-onderzoek. In de periode 2012-2025 gaat het in totaal om bijna 100 duizend personen.
2.2 Begrippen en variabelen
Meting van eenzaamheid
Sinds 2019 wordt eenzaamheid in de enquête SSW gemeten met de verkorte versie van de Eenzaamheidsschaal van De Jong-Gierveld (De Jong-Gierveld & Van Tilburg, 2006). Deze schaal benadert eenzaamheid als een meerdimensionaal begrip en maakt daarbij onderscheid tussen sociale en emotionele eenzaamheid.
Respondenten krijgen zes stellingen voorgelegd, drie stellingen hebben betrekking op sociale eenzaamheid, en drie op emotionele eenzaamheid. De stellingen luiden als volgt:
- Ik ervaar een leegte om me heen.
- Er zijn genoeg mensen op wie ik in geval van narigheid kan terugvallen.
- Ik heb veel mensen op wie ik volledig kan vertrouwen.
- Ik mis mensen om me heen.
- Er zijn voldoende mensen met wie ik me nauw verbonden voel.
- Vaak voel ik me in de steek gelaten.
Respondenten kunnen telkens antwoorden met ‘ja’, ‘min of meer’ of ‘nee’. Bij het vaststellen van de schaalscores en de mate van eenzaamheid zijn de richtlijnen van de ontwikkelaars van de schaal gevolgd (De Jong Gierveld & Van Tilburg, 1999). Daarbij worden de volgende stappen gezet.
Eerst worden de antwoorden op de items in twee categorieën verdeeld. Als mensen ‘min of meer’ of ‘ja’ antwoorden op de stellingen, waarbij stelling 2, 3 en 5 zijn omgecodeerd, krijgen ze een score ‘1’ voor het desbetreffende item. Vervolgens wordt een somscore berekend door de scores van de items op te tellen. Ten slotte wordt een driedeling gemaakt in niet eenzaam (een score van 0 of 1), enigszins eenzaam (een score van 2 tot en met 4) en sterk eenzaam (een score van 5 of 6).
Emotionele en sociale eenzaamheid
In dit artikel wordt gerapporteerd over zowel de samenvattende maat van eenzaamheid als over beide deeldimensies (sociaal en emotioneel). Dit wordt gedaan omdat elk deelaspect een ander gebied van eenzaamheid belicht en daardoor ook andere resultaten kan opleveren. Iemand kan bijvoorbeeld wel emotioneel eenzaam zijn maar niet sociaal. Dat is in de algemene maat dan niet te zien. De stellingen 1, 4 en 6 horen bij emotionele eenzaamheid en de stellingen 2, 3 en 5 gaan over sociale eenzaamheid. Voor beide eenzaamheidsvormen kan men een score van 0 tot en met 3 krijgen op de bijbehorende drie stellingen, waarbij 0 ‘niet eenzaam’ is en 3 ‘sterk eenzaam’ is. De tussenliggende categorieën 1 en 2 geven in dit geval ‘enigszins eenzaam’ weer.
In 2020 vond de meting van eenzaamheid niet plaats. Sinds 2021 wordt dit doorlopend gemeten en wordt er jaarlijks over gepubliceerd op StatLine en/of met een nieuwsbericht (zie bijvoorbeeld CBS, 2025).
Demografische en sociaaleconomische kenmerken
Voor dit artikel zijn de volgende demografische kenmerken gebruikt:
- Geslacht (‘mannen’, ‘vrouwen’).
- Leeftijd (’15 tot 25 jaar’, ’25 tot 35 jaar’, ’35 tot 45 jaar’, ’45 tot 55 jaar’, ’55 tot 65 jaar’, ’65 tot 75 jaar’, ’75 jaar of ouder’).
- Herkomst (‘geboren in Nederland en beide ouders ook’, ‘zelf geboren in Nederland, minstens 1 ouder geboren in het buitenland (herkomst Europa’), ‘zelf geboren in Nederland, minstens 1 ouder geboren in het buitenland (herkomst buiten Europa)’, ‘geboren in een land binnen Europa (exclusief Nederland)’, ‘geboren in een land buiten Europa’). Omwille van de leesbaarheid wordt in dit artikel gesproken over een Nederlandse herkomst bij mensen die zelf en waarvan ook beide ouders in Nederland geboren zijn. Mensen van wie minstens een van de ouders in het buitenland geboren is, worden mensen van de tweede generatie, uit Europa of daarbuiten, genoemd. En mensen die buiten Nederland zijn geboren, worden hier migranten genoemd.
- Positie in het huishouden (‘alleenwonend’, ‘lid paar zonder kinderen’, ‘lid paar met kinderen’, ‘ouder in eenoudergezin’ en ‘kind’). De analyses van eenzaamheidsgevoelens bij alleenwonenden en ouders in een eenoudergezin zijn afzonderlijk uitgevoerd voor mensen met en zonder een partner (‘ja’, ‘nee’). Vanwege de lagere aantallen in deze categorieën, zijn deze analyses uitgevoerd op een gecombineerd gegevensbestand van 2024 en 2025.
Daarnaast zijn voor dit artikel de volgende sociaaleconomische kenmerken gebruikt:
- Onderwijsniveau (‘basisonderwijs, vmbo, mbo1’, ‘havo, vwo, mbo2-4’ en ‘hbo, wo’),
- Gestandaardiseerd besteedbaar huishoudensinkomen (in 25%-groepen).
- Sociaaleconomische categorie (‘zelfstandigen, waaronder directeuren-grootaandeelhouders, zzp’ers en meewerkende gezinsleden in een familiebedrijf, werknemers, studenten en mensen met een pensioenuitkering’, ‘mensen met een sociale uitkering, waaronder uitkeringen voor werkloosheid, bijstand, ziekte en arbeidsongeschiktheid’ en ‘mensen zonder (eigen) inkomen’).
- Minstens één uur per week betaald werk (‘ja’, ‘nee’).
De gegevens over geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en positie in het huishouden zijn uitgevraagd in de enquête. De data over herkomst, afkomstig uit het Stelsel van Sociaal-Statistische Bestanden (SSB), inkomen (gestandaardiseerd besteedbaar huishoudensinkomen) en de sociaaleconomische categorie, beide afkomstig uit de Integrale inkomens- en vermogensstatistiek, zijn achteraf aan de enquêtegegevens toegevoegd.
Buitengesloten voelen
Jaarlijks wordt ook een aantal ad-hocvragen opgenomen in de enquête. In 2024 werd in de enquête SSW een vraag opgenomen over buitengesloten voelen: In welke mate voelt u zich buitengesloten in uw sociale leven, uw werk of uw plek in de maatschappij?
Mensen konden op een schaal van 0 tot en met 10 aangeven in welke mate zij zich buitengesloten voelden. 0 is helemaal niet buitengesloten en 10 is helemaal buitengesloten. Net als in het eerder verschenen artikel over buitengesloten voelen (Coumans & Schmeets, 2026) wordt een score van 6 of hoger beschouwd als buitengesloten voelen. Een score van 5 of lager betekent niet buitengesloten voelen.
Maatschappelijke deelname
Sociaal contact
In dit onderzoek is sociaal contact vastgesteld door na te gaan of mensen minstens wekelijks sociaal contact hebben met familie, vrienden of buren. Dit kan door elkaar te ontmoeten, te bellen, te schrijven of berichtjes te sturen. Het hulp bieden aan anderen buiten het eigen huishouden en buiten organisaties om, de zogenoemde informele hulp, is gemeten door te vragen of iemand deze hulp in de afgelopen vier weken heeft geboden.
Vrijwilligerswerk en deelname verenigingsleven
Vrijwilligerswerk is gemeten met de vraag of mensen zich minstens één keer in het afgelopen jaar als vrijwilliger voor een organisatie hebben ingezet (Groffen, 2026). Voor deelname aan het verenigingsleven is nagegaan of iemand in de afgelopen vier weken minstens één keer per maand deel heeft genomen aan activiteiten van een of meerdere verenigingen of organisaties (Groffen & Coumans, 2025).
2.4 Analyses
Om de verbanden tussen enerzijds demografische en sociaaleconomische achtergrondkenmerken, gevoelens van buitengesloten worden en deelname aan de maatschappij en anderzijds gevoelens van eenzaamheid te onderzoeken, zijn allereerst per kenmerk bivariate kruistabelanalyses uitgevoerd met chi-kwadraat toetsen. Om na te gaan welke groepen in geval van meerdere categorieën binnen een kenmerk van elkaar verschillen zijn enkelvoudige logistische regressieanalyses toegepast. Daarbij is gevarieerd in de gekozen referentiegroep, om de verschillen tussen categorieën te kunnen zien als er drie of meer categorieën waren. Om na te gaan of een bivariate samenhang tussen een kenmerk en eenzaamheid (deels of volledig) verband houdt met verschillen in een ander kenmerk, zijn meervoudige logistische regressieanalyses uitgevoerd. In de tekst in hoofdstuk 3 wordt vermeld in hoeverre dat het geval is.
3. Resultaten
3.1 Eenzaamheid naar demografische en sociaaleconomische achtergrondkenmerken
In 2025 was 10 procent van de mensen van 15 jaar of ouder in Nederland sterk eenzaam, 30 procent enigszins eenzaam en 60 procent niet eenzaam. Het gevoel dat er onvoldoende mensen zijn op wie je bij narigheid kan terugvallen, op wie je kan vertrouwen en waar je je nauw verbonden mee voelt – sociale eenzaamheid – werd daarbij in sterke mate ervaren door 15 procent en enigszins door 28 procent. Het missen van mensen om zich heen, gevoelens van leegte of zich in de steek gelaten voelen – emotionele eenzaamheid – ervoer bijna 10 procent in sterke mate, en 29 procent enigszins.
| Categorie | Niet eenzaam (% mensen van 15 jaar of ouder) | Enigszins eenzaam (% mensen van 15 jaar of ouder) | Sterk eenzaam (% mensen van 15 jaar of ouder) |
|---|---|---|---|
| Eenzaamheid | 60,2 | 29,7 | 10,1 |
| Emotionele eenzaamheid | 60,8 | 29,2 | 9,9 |
| Sociale eenzaamheid | 56,7 | 28,2 | 15,1 |
Alleenwonenden en ouders in eenoudergezin (zonder partner) vaakst sterk eenzaam
Mensen die alleen wonen en ouders in een eenoudergezin zijn het vaakst sterk eenzaam. Bij mensen die alleen wonen gaat het om 16 procent en bij ouders uit een eenoudergezin is dat 19 procent. Mensen die samen met een partner wonen, al dan niet met kinderen, zijn juist het minst vaak sterk eenzaam. Thuiswonende kinderen (15+) zijn relatief vaak enigszins eenzaam.
Nadere analyses wijzen uit dat niet de woonsituatie op zichzelf van alleenwonenden en ouders in een eenoudergezin samenhangt met de sterke eenzaamheidsgevoelens, maar dat het vooral gaat om het al dan niet hebben van een partner. Als mensen uit deze twee groepen een relatie hebben, dan wijkt het percentage dat zich sterk eenzaam voelt niet of nauwelijks meer af van dat van mensen die deel uitmaken van een paar of kinderen die bij hun ouders wonen.
Kleine verschillen naar geslacht, leeftijd en onderwijsniveau
Naar geslacht, leeftijd en onderwijsniveau zijn de verschillen in sterke eenzaamheid beperkter. Tussen mannen en vrouwen is er geen verschil in het ervaren van sterke algemene eenzaamheid. Mannen zijn wel wat vaker sociaal eenzaam en vrouwen juist wat vaker emotioneel eenzaam.
De leeftijdsgroepen tussen 35 en 55 jaar zijn het vaakst sterk eenzaam. Naar emotionele eenzaamheid zijn er geen verschillen tussen de leeftijdsgroepen. Bij sociale eenzaamheid zijn de jongste en de 75-plussers het minst vaak sterk sociaal eenzaam.
Mensen met een hbo- of wo-diploma ervaren iets minder vaak sterke eenzaamheidgevoelens dan mensen met een ander onderwijsniveau. Dit geldt zowel voor sociale als voor emotionele eenzaamheid.
| Kenmerk | Niet eenzaam (% mensen van 15 jaar of ouder) | Enigszins eenzaam (% mensen van 15 jaar of ouder) | Sterk eenzaam (% mensen van 15 jaar of ouder) |
|---|---|---|---|
| Geslacht | |||
| Mannen | 58,2 | 31,7 | 10,0 |
| Vrouwen | 62,2 | 27,6 | 10,2 |
| Leeftijd | |||
| 15 tot 25 jaar | 58,2 | 33,4 | 8,5 |
| 25 tot 35 jaar | 62,3 | 26,9 | 10,8 |
| 35 tot 45 jaar | 58,9 | 28,4 | 12,6 |
| 45 tot 55 jaar | 60,7 | 27,2 | 12,1 |
| 55 tot 65 jaar | 60,5 | 30,3 | 9,1 |
| 65 tot 75 jaar | 62,2 | 28,5 | 9,3 |
| 75 jaarof ouder | 58,5 | 33,9 | 7,6 |
| Onderwijsniveau | |||
| Basisonderwijs of vmbo-diploma | 54,2 | 35,0 | 10,8 |
| Havo, vwo of mbo2-4 | 61,9 | 27,4 | 10,7 |
| Hbo, wo | 64,4 | 27,2 | 8,3 |
| Positie in huishouden | |||
| Alleenstaand | 48,0 | 36,3 | 15,8 |
| Lid paar zonder kinderen | 64,8 | 27,8 | 7,5 |
| Lid paar met kinderen | 67,3 | 25,1 | 7,6 |
| Alleenstaande ouder | 50,9 | 30,1 | 19,0 |
| Thuiswonend kind | 58,6 | 32,2 | 9,2 |
Vooral migranten vaak sterk eenzaam
Mensen die in het buitenland geboren zijn (migranten) zijn vaker sterk eenzaam dan de tweede generatie en dan mensen met een Nederlandse herkomst. Dit verschil is er voor beide vormen van eenzaamheid, maar vooral voor sociale eenzaamheid. Migranten uit Europa en daarbuiten zijn met respectievelijk 27 en 24 procent ongeveer twee keer zo vaak sterk sociaal eenzaam dan mensen van een Nederlandse herkomst (13 procent) of mensen van de tweede generatie met een Europese herkomst (12 procent).
| Herkomst | Niet sociaal eenzaam (% mensen van 15 jaar of ouder) | Enigszins sociaal eenzaam (% mensen van 15 jaar of ouder) | Sterk sociaal eenzaam (% mensen van 15 jaar of ouder) |
|---|---|---|---|
| Geboren in NL, ouders in NL | 59,6 | 27,5 | 13,0 |
| Geboren in NL, ouder(s) in Europa | 61,1 | 26,5 | 12,4 |
| Geboren in NL, ouder(s) buiten Europa | 56,1 | 29,5 | 14,4 |
| Geboren in Europa (excl. NL) | 45,3 | 28,0 | 26,7 |
| Geboren buiten Europa | 43,5 | 32,5 | 24,1 |
Mensen met een sociale uitkering vaakst sterk eenzaam
Vooral mensen met een sociale uitkering geven met 23 procent aanmerkelijk vaker aan zich sterk eenzaam te voelen, vergeleken met de groep mensen die inkomen uit werk, studiefinanciering of pensioen krijgt en de mensen zonder (eigen) inkomen (beide 9 procent). Het niet hebben van werk gaat wat vaker gepaard met eenzaamheid (11 procent) dan het wel hebben van werk (9 procent).
Ook is er een, zij het beperkter, verschil naar de hoogte van het inkomen. Zo gaat het bij de laagste 25%-inkomensgroepen om 14 en 13 procent sterk eenzame mensen, tegenover 8 en 7 procent bij de twee hoogste inkomensgroepen. Dat mensen met een sociale uitkering het vaakst sterk eenzaam zijn hangt nauwelijks samen met deze inkomensverschillen. En ook het niet hebben van werk houdt maar voor een beperkt deel verband met het vaker voorkomen van sterke eenzaamheid bij mensen met een sociale uitkering. Kennelijk zijn er nog andere factoren die een rol spelen bij de sterke eenzaamheidsgevoelens van mensen met een sociale uitkering.
Bovenstaande verschillen tussen de sociaaleconomische en inkomensgroepen gelden ook voor de twee vormen van eenzaamheid, sociaal en emotioneel, apart. Daarop is één uitzondering, en die is dat mensen zonder eigen inkomen niet (significant) verschillen in het hebben van sterke sociale eenzaamheidsgevoelens vergeleken met degenen met een sociale uitkering.
| Categorie | Niet eenzaam (% mensen van 15 jaar of ouder) | Enigszins eenzaam (% mensen van 15 jaar of ouder) | Sterk eenzaam (% mensen van 15 jaar of ouder) |
|---|---|---|---|
| Eenzaamheid | |||
| Werkend, student, pensioen | 62,2 | 28,6 | 9,2 |
| Uitkeringsontvanger | 40,8 | 36,7 | 22,5 |
| Zonder inkomen | 53,9 | 37,4 | 8,8 |
| Emotionele eenzaamheid | |||
| Werkend, student, pensioen | 62,8 | 28,2 | 9,0 |
| Uitkeringsontvanger | 40,7 | 37,2 | 22,1 |
| Zonder inkomen | 59,1 | 31,2 | 9,6 |
| Sociale eenzaamheid | |||
| Werkend, student, pensioen | 58,6 | 27,4 | 14,0 |
| Uitkeringsontvanger | 40,6 | 33,7 | 25,7 |
| Zonder inkomen | 47,4 | 32,0 | 20,6 |
3.2 Eenzaamheid naar buitengesloten voelen
Het aandeel sterk eenzame mensen varieert sterk naar of mensen zich al dan niet buitengesloten voelen in hun sociale leven, hun werk of de maatschappij als geheel. Van de mensen die zich buitengesloten voelen is 33 procent sterk eenzaam, terwijl dat bij degenen die zich niet buitengesloten voelen bijna 6 procent is.
Voor emotionele eenzaamheid geldt hetzelfde verschil tussen mensen die zich al dan niet buitengesloten voelen. Voor sociale eenzaamheid is het verschil een fractie beperkter. Van degenen die zich buitengesloten voelen ervaart 35 procent sterke gevoelens van sociale eenzaamheid, terwijl dit bij degenen die zich niet buitengesloten voelen 10 procent is.
| Categorie | Niet eenzaam (% mensen van 15 jaar of ouder) | Enigszins eenzaam (% mensen van 15 jaar of ouder) | Sterk eenzaam (% mensen van 15 jaar of ouder) |
|---|---|---|---|
| Eenzaamheid | |||
| Voelt zich niet buitengesloten | 66,7 | 27,6 | 5,7 |
| Voelt zich buitengesloten | 26,8 | 39,7 | 33,5 |
| Emotionele eenzaamheid | |||
| Voelt zich niet buitengesloten | 66,8 | 27,6 | 5,6 |
| Voelt zich buitengesloten | 27,5 | 39,2 | 33,3 |
| Sociale eenzaamheid | |||
| Voelt zich niet buitengesloten | 61,6 | 28,0 | 10,4 |
| Voelt zich buitengesloten | 29,4 | 35,5 | 35,1 |
Samenhang buitengesloten voelen en eenzaamheid onafhankelijk van achtergrondkenmerken
Uit een eerdere CBS-publicatie (Coumans & Schmeets, 2026) blijkt dat vrouwen, mensen met een (v)mbo-diploma of daarmee vergelijkbaar, migranten, mensen met een lager inkomen en een sociale uitkering zich vaker buitengesloten voelen. Voorliggend onderzoek laat zien dat, met uitzondering van vrouwen, dezelfde groepen zich ook vaker sterk eenzaam voelen (zie paragraaf 3.1). Daarom is hier nagegaan of de verschillen in eenzaamheid tussen degenen die zich al dan niet buitengesloten voelen vooral te maken hebben met deze verschillen en zo ja welke (vooral). Uit deze analyses blijkt dat de samenhang tussen buitengesloten voelen en sterke eenzaamheid grotendeels in stand blijft, ook als rekening wordt gehouden met de verschillen tussen de genoemde groepen. Dit betekent dat buitengesloten voelen en de afzonderlijke achtergrondkenmerken onafhankelijk van elkaar samenhangen met eenzaamheid. Dit geldt voor algemene eenzaamheid, maar ook voor de onderliggende vormen van, dus sociale en emotionele, eenzaamheid.
3.3 Eenzaamheid naar deelname aan de maatschappij
Met minder sociaal contact, ruim drie keer zo vaak sterk eenzaam
Het al dan niet hebben van regelmatig sociaal contact heeft de sterkste relatie met eenzaamheid van alle onderzochte indicatoren van deelname aan de maatschappij.
Mensen die niet wekelijks contact met zowel familie, vrienden als buren hebben voelen zich met 29 procent vaker sterk eenzaam dan mensen die wel elke week minstens met minstens een van deze drie contact hebben (9 procent).
Voor emotionele eenzaamheid geldt dit wat minder sterk dan voor sociale eenzaamheid. Van de mensen die niet regelmatig contact hebben met hun naasten is 24 procent sterk emotioneel eenzaam en 43 procent is sterk sociaal eenzaam. Dit ligt voor de hand, omdat sociale eenzaamheid gaat over het hebben van genoeg mensen om zich heen waar men zich verbonden mee voelt, op vertrouwt of kan terugvallen.
Toch betekent het niet hebben van regelmatig (minstens wekelijks) contact niet altijd ook sterke eenzaamheid. Zo is van de mensen die geen wekelijks contact met anderen hebben 29 procent niet eenzaam in het algemeen, 43 procent niet emotioneel eenzaam en 22 procent niet sociaal eenzaam.
Relatie eenzaamheid met informele hulp, vrijwilligerswerk en verenigingsdeelname
Hoewel wat beperkter dan bij het niet hebben van regelmatig sociaal contact, laten ook mensen die geen informele hulp bieden, vrijwilligerswerk doen of deelnemen aan verenigingen verschillen zien in eenzaamheid ten opzichte van mensen die wel op deze manier sociaal actief zijn. Zij zijn wat vaker sterk eenzaam dan mensen die deze sociale activiteiten wel ondernemen. Dit geldt ook voor sociale en emotionele eenzaamheid apart. En ook als rekening wordt gehouden met verschillen in geslacht, leeftijd, onderwijsniveau, inkomen en sociaaleconomische categorie blijven deze verschillen even groot.
| Participatie | Niet sociaal eenzaam (% mensen van 15 jaar of ouder) | Enigszins sociaal eenzaam (% mensen van 15 jaar of ouder) | Sterk sociaal eenzaam (% mensen van 15 jaar of ouder) |
|---|---|---|---|
| Familie niet elke week | 36,7 | 36,2 | 27,0 |
| Familie elke week | 60,8 | 26,5 | 12,7 |
| Vrienden niet elke week | 37,9 | 33,7 | 28,4 |
| Vrienden elke week | 62,7 | 26,4 | 10,8 |
| Buren niet elke week | 49,5 | 31,3 | 19,2 |
| Buren elke week | 62,8 | 25,4 | 11,7 |
| Contact niet elke week | 21,7 | 35,8 | 42,5 |
| Contact minstens elke week | 58,4 | 27,8 | 13,8 |
| Informele hulp | 58,4 | 28,5 | 13,1 |
| Geen informele hulp | 55,8 | 28,0 | 16,2 |
| Niet 1x per mnd actief vereniging | 52,9 | 30,1 | 17,0 |
| Minstens 1 x per mnd actief vereniging | 63,0 | 25,0 | 11,9 |
| Vrijwilliger | 60,5 | 27,2 | 12,3 |
| Geen Vrijwilliger | 53,2 | 29,0 | 17,7 |
4. Conclusie
De resultaten van dit onderzoek laten zien dat eenzaamheid weliswaar een individuele, psychologische ervaring is, maar dat die tegelijkertijd plaatsvindt in een sociaaleconomische en maatschappelijke context.
Met sociale uitkering het vaakst sterk eenzaam
Van de sociaaleconomische categorieën zijn het vooral de mensen met een sociale uitkering die zich het vaakst sterk eenzaam voelen. Dit bevestigt het onderzoek van Heylen et al. (2025), waarin ook het belang van economische factoren en met name de samenhang met een lager huishoudensinkomen getoond wordt. Zij noemen daarvoor verschillende verklaringen, maar de deelname aan het sociale leven zou vooral beperkt worden door een lager inkomen vanwege de kosten van maatschappelijke participatie. Uit ander CBS-onderzoek blijkt ook dat mensen die (bijna) in armoede leven minder vaak vrijwilligerswerk doen of actief zijn in verenigingen dan de groep met meer inkomen of een voldoende vermogensbuffer (Coumans et al., 2025).
De onderhavige resultaten laten echter zien dat het verschil tussen mensen met een sociale uitkering en de andere sociaaleconomische groepen nagenoeg intact blijft, ook als in de analyses rekening wordt gehouden met verschillen in de hoogte van het inkomen tussen deze groepen. Er lijkt bij deze groep iets anders te spelen wat ervoor zorgt dat zij zich vaker sterk eenzaam voelen. Ook het gebrek aan hebben van werk hangt niet samen met het hogere aandeel met een sociale uitkering dat zich sterk eenzaam voelt. Nader onderzoek, waarbij ook andere factoren in een uitgebreider model meegenomen worden, zou meer inzicht kunnen bieden in wat samenhangt met het hogere aandeel sterk eenzamen bij mensen met een sociale uitkering.
Met minder sociale contacten vaker eenzaam, maar niet altijd
Zoals te verwachten hangt het hebben van regelmatig sociaal contact met familie, vrienden en buren relatief sterk samen met sterke eenzaamheid. Mensen zonder regelmatige contacten ervaren het vaakst van alle onderzochte groepen en categorieën in dit onderzoek, sterke eenzaamheid. Daarbij gaat het vooral om sociale eenzaamheid. Van de groep die niet regelmatig contact heeft met naasten, ervaart 43 procent in sterke mate sociale eenzaamheid.
Dit ligt enerzijds in de lijn van de verwachting, omdat sociale eenzaamheid gaat over het hebben van genoeg mensen om zich heen waar men zich verbonden mee voelt, op vertrouwt of kan terugvallen. Anderzijds is het lang niet altijd zo dat een gebrek aan regelmatig contact ook gevoelens van eenzaamheid met zich meebrengt. Dit geldt vooral voor emotionele eenzaamheid; 43 procent van de mensen met minder dan wekelijks contact is niet emotioneel eenzaam.
Buitengesloten voelen en sterke eenzaamheid: niet hetzelfde, maar sterke samenhang
Van de mensen die zich buitengesloten voelen ervaart een derde sterke gevoelens van algemene of emotionele eenzaamheid. Iets meer, zo’n 35 procent, ervaart sterke sociale eenzaamheid. Dit komt overeen met de resultaten uit onderzoek naar de invloed op eenzaamheid van het gevoel er niet bij te horen en gediscrimineerd te worden (Barreto et al., 2021; 2024). Van de mensen die zich buitengesloten voelen, voelt een relatief groot deel zich dus sterk eenzaam, maar tegelijk voelt een aandeel van 27 procent bij emotionele en algemene eenzaamheid en 29 procent bij sociale eenzaamheid zich niet eenzaam. Dit wijst erop dat buitengesloten voelen en eenzaamheid weliswaar een grote samenhang vertonen, maar niet bij iedereen tegelijk voorkomt.
Hierbij moet opgemerkt worden dat de relatie tussen gevoelens van buitensluiting en eenzaamheid beide richtingen op kan gaan. Mensen die zich buitengesloten voelen, kunnen zich vervolgens (sterk) eenzaam gaan voelen, maar andersom kan het ook zo zijn dat mensen die sterke eenzaamheid ervaren, zich in nog grotere mate terugtrekken uit het sociale leven waarna zij zich ook meer buitengesloten gaan voelen. Dergelijke verbanden en achterliggende mechanismen zijn met het huidige dwarsdoorsnede-onderzoek, waarbij de gegevens op een specifiek moment worden verzameld, niet goed vast te stellen. Dit vereist longitudinaal onderzoek, waarbij het mensen over de tijd worden gevolgd.
Minder sterke samenhang met maatschappelijke activiteiten
Opvallend is dat de daadwerkelijke deelname aan maatschappelijke activiteiten, zoals de deelname aan het verenigingsleven, het doen van vrijwilligerswerk en het bieden van hulp aan anderen buiten organisaties om (informele hulp), in dit onderzoek minder sterk samenhangt met eenzaamheid dan het gevoel buitengesloten te zijn op gebied van werk, de maatschappij en het sociale leven. Van de mensen die geen vrijwilligerswerk doen of niet regelmatig deelnamen aan het verenigingsleven, voelt 12 procent zich sterk eenzaam, en van de mensen die geen informele hulp bieden is dat 10,5 procent.
Dit kan komen doordat er bij buitengesloten voelen, naast werk en de maatschappij, ook gevraagd wordt naar het sociale leven, en sociale contacten juist wél sterk samenhangen met eenzaamheid. Een andere mogelijke verklaring is dat het bij buitengesloten voelen, net als bij eenzaamheid, gaat om een subjectieve beleving en er daardoor een sterkere samenhang mee vertoont dan met wat iemand daadwerkelijk doet. Gevoelens van buitengesloten worden, maar ook discriminatie of je er niet bij voelen horen, kunnen ook bij een (objectief gezien) actieve deelname aan de maatschappij een rol spelen bij het ontstaan van en het hebben van eenzaamheidsgevoelens. Voor een goed inzicht in eenzaamheid is het daarom van belang om dergelijke gevoelens mee te (blijven) nemen in toekomstig onderzoek naar eenzaamheid.
Referenties
Barreto, M, Victor, C., Hammond, C., Eccles, A., M.T. Richins, M.T. & Qualter, P. (2021).
Volume 169. Loneliness around the world: Age, gender, and cultural differences in loneliness,
Barreto, M., Doyle, D. M., & Qualter, P. (2024). Changing the narrative: Loneliness as a social justice issue. Political Psychology, 45(S1), 157–181.
CBS (2023). Gevoelens van eenzaamheid in 2023.
CBS StatLine (2026). Eenzaamheid; persoonskenmerken.
Coumans, M., Kloosterman, R., Knoops, K., & Vandewal, E. (2025). Wat betekent armoede voor de leefsituatie? In M. van den Brakel & H. Dirven (Reds.), Leven in armoede. (paragraaf 7.1). CBS.
Coumans, M & Schmeets, H. (2026). Buitengesloten voelen in de samenleving. Statistische trends.
De Jong-Gierveld, J. & van Tilburg, T. G. (1999). Manual of the Loneliness Scale. Methoden en technieken.
De Jong-Gierveld, J., & van Tilburg, T. G. (2006). A 6-item scale for overall, emotional, and social loneliness: Confirmatory tests on survey data. Research on Aging, 28(5), 582-598.
Groffen, D. & Coumans, M. (2025). Ontwikkelingen in het verenigingsleven. Statistische trends.
Groffen, D. (2026). Vrijwilligerswerk 2025.
Heylen, L., De Witte, J., Schepers, W., Häussermann, F. , Gryp, D., de Donder L. & van Regenmortel, T. (2025). Policy Brief nr. 2: Eenzaamheid: een verhaal van armoede en sociale uitsluiting.
Mellinger, C., Fritzson, A., Park, B.& Dimidjian, S. (2023). Developing the Sense of Belonging Scale and Understanding Its Relationship to Loneliness, Need to Belong, and General Well-Being Outcomes. Journal of Personality Assessment.