5. Conclusie en discussie
De jaarlijkse deelname aan sport en culturele hobby’s in Nederland is tussen 2014 en 2024 grotendeels stabiel gebleven. Er zijn echter wel duidelijke veranderingen zichtbaar in welke specifieke sporten en culturele hobby’s worden gedaan en in de mate waarin verschillende groepen deelnemen. Ook sociaaleconomische kenmerken hangen samen met verschillen in participatie. Dit laat zien dat deelname aan sport en culturele hobby’s niet alleen wordt bepaald door persoonlijke voorkeuren, maar ook door de omstandigheden en mogelijkheden van mensen.
Sportdeelname individueler
Het aandeel mensen dat minimaal één keer per jaar een sport heeft beoefend, is nauwelijks veranderd tussen 2014 en 2024. Ander onderzoek toont aan dat het aandeel wekelijkse sporters in diezelfde periode wel licht is gestegen (RIVM, 2026). De sportkeuze is door de jaren heen wel veranderd. Zo is fitness de afgelopen tien jaar populairder geworden, terwijl sporten zoals zwemmen of voetbal minder vaak worden beoefend. Dit past binnen een bredere trend van individualisering van sportdeelname. Uit onderzoek blijkt dat mensen steeds vaker kiezen voor sporten waarbij zij minder afhankelijk zijn van een vereniging, vaste groepen of georganiseerde sportmomenten (Van den Dool, 2022; Van der Poel, 2024). Er is steeds meer behoefte aan flexibiliteit in sportdeelname.
Individuele sporten, zoals fitness, kunnen op een zelfgekozen moment worden uitgevoerd en bieden daarmee die flexibiliteit. Tegelijkertijd blijven sommige verenigingssporten, zoals voetbal, nog altijd populair en zijn er individuele sporten, zoals hardlopen, die in deelname zijn afgenomen.
De coronaperiode liet zien dat sportdeelname kan samenhangen met maatschappelijke omstandigheden. Vooral sporten in groepsverband en in binnenlocaties namen in 2020 af. Dit is waarschijnlijk het gevolg van de coronamaatregelen, waardoor veel sportactiviteiten tijdelijk niet meer mogelijk waren (Duijvestijn et al., 2021). Wandelen nam juist toe, omdat deze activiteit buiten kan plaatsvinden en niet afhankelijk is van georganiseerde voorzieningen. Na 2020 nam de sportdeelname weer toe, maar niet alle sporten bereikten weer het niveau van vóór de pandemie.
Verschil in sportdeelname inkomensgroepen gestegen
Het verschil in sportdeelname tussen inkomensgroepen is toegenomen. Mensen met de hoogste inkomens gaven tussen 2014 en 2024 vaker aan dat zij in de afgelopen 12 maanden een sport hebben beoefend, terwijl mensen met de laagste inkomens juist minder vaak zeiden dat zij hadden gesport. Mensen met lagere inkomens geven vaker dan mensen met hogere inkomens aan sporten te duur te vinden en het niet te kunnen betalen. Uit ander onderzoek blijkt dat naast financiële barrières ook een gebrek aan sociale steun, praktische drempels en tijdsgebrek een belangrijke rol spelen bij mensen met een lage sociaaleconomische status (gebaseerd op inkomen en opleiding) (Van den Dool, 2022).
De plaats in het huishouden hangt ook samen met de beoefening van sport, al verschilt dit sterk per sport. Zwemmen en voetbal worden meer gedaan door thuiswonende kinderen dan door andere groepen. Hierbij speelt leeftijd een rol, omdat thuiswonende kinderen gemiddeld jonger zijn en zwemmen en voetbal juist onder jongeren veel worden beoefend. Voor de verschillen naar huishoudpositie bij fitness, wandelen en hardlopen is op basis van de beschikbare resultaten geen duidelijke verklaring te geven. Verder onderzoek is nodig om te bepalen of factoren zoals beschikbare tijd of zorgtaken een rol spelen.
Ook gezondheid blijkt samen te hangen met sportdeelname. Mensen met een slechte gezondheid geven aanzienlijk minder vaak dan mensen met een goede gezondheid aan dat zij de afgelopen 12 maanden een sport hebben beoefend. Mensen met een beperking of chronische aandoening sporten eveneens minder vaak, maar het verschil is kleiner. De huidige resultaten laten niet zien of een slechtere gezondheid leidt tot minder sporten, of dat minder sporten juist samenhangt met een slechtere gezondheid. Eerder onderzoek laat zien dat deze relatie beide kanten op kan werken (World Health Organization, 2020). Deze wisselwerking is niet alleen van toepassing op fysieke gezondheid, maar ook op mentale gezondheid (Stam et al., 2024).
Het hebben van een beperking hangt eveneens samen met sportdeelname: mensen met een beperking sporten minder dan mensen zonder beperking. Dit onderzoek laat zien dat de verschillen tussen deze groepen kleiner zijn geworden. Dit komt met name doordat mensen met een beperking in de periode 2014-2024 vaker minstens een keer in het afgelopen jaar zijn gaan sporten. Ander onderzoek laat echter zien dat er in de periode 2001-2019 geen toename is in het aandeel wekelijkse sporters onder de groep mensen met een beperking (Van den Dool et al., 2022).
Culturele hobby’s: wisselend beeld, digitaal stijgt maar vervangt niet
Games spelen op een telefoon, tablet, computer of spelcomputer is in 2024 veruit de populairste culturele hobby. Sommige culturele hobby’s zijn toegenomen tussen 2014 en 2024, terwijl andere juist in deelname zijn afgenomen. Daarnaast bleef het aandeel boekenlezers stabiel, maar is het gebruik van e-readers en luisterboeken gestegen. Ook bij muziek luisteren en films kijken is een stijging zichtbaar in digitale vormen, zoals streamingdiensten. Tegelijkertijd verdwijnen traditionele vormen niet volledig. Het gedrukte boek blijft de meest gebruikte leesvorm en andere manieren van mediagebruik blijven bestaan.
Deze ontwikkelingen laten zien dat digitalisering een belangrijke rol speelt in de vrijetijdsbesteding. Zo is gamen de populairste culturele hobby en digitale vormen van mediagebruik nemen toe. Toch is het aandeel filmkunst, fotografie of grafisch ontwerp met computer, een voornamelijk digitale hobby, afgenomen. Het aandeel zingen en tekenen, schilderen of grafisch ontwerp zonder computer is toegenomen. Digitale vormen van vrijetijdsbesteding lijken dus niet een volledige vervanging van niet-digitale vormen, maar eerder een aanvulling (Van den Broek, 2021).
Leeftijd hangt samen met de beoefening van culturele hobby’s; minder ouderen doen culturele hobby’s dan jongeren. Tegelijkertijd lijkt leeftijd nauwelijks samen te hangen met de voorkeur voor culturele hobby’s. Ouderen kiezen dus niet duidelijk voor andere hobby’s dan jongeren, maar het aandeel ouderen dat dezelfde hobby’s beoefent, is lager dan het aandeel jongeren. Eerder onderzoek toont echter aan dat er verschillen in culturele voorkeuren bestaan tussen leeftijdsgroepen (Van den Broek, 2021). Op basis hiervan zou te verwachten zijn dat dit ook het geval bij culturele hobby’s is, maar dit lijkt nauwelijks het geval. Deze voorkeuren hebben dan ook voornamelijk te maken met bezoeken aan cultuur, zoals musea of voorstellingen en niet met het zelf beoefenen van cultuur.
Ook plaats in het huishouden hangt samen met de beoefening van culturele hobby’s. Alle onderzochte hobby’s worden veruit het meest beoefend door thuiswonende kinderen, gevolgd door alleenstaanden en alleenstaande ouders.