Deelname aan sport en beoefening van culturele hobby’s, 2014-2024
Over deze publicatie
Hoeveel mensen doen aan sport, en aan welke vooral? Welke culturele hobby’s hebben mensen? Hoe is dit veranderd tussen 2014 en 2024, en in welke mate is dat veranderd tijdens de coronapandemie? Verschilt sport- en culturele hobbydeelname tussen verschillende groepen? Dit artikel brengt de sportdeelname en beoefening van culturele hobby’s tussen 2014 en 2024 in kaart.
In het kort
- Sportdeelname bleef tussen 2014 en 2024 stabiel. Fitness werd populairder en het aandeel mensen dat deed aan zwemmen, hardlopen en voetbal nam af.
- Leeftijd, inkomen en gezondheid hangen samen met sportdeelname. Jonge mensen, mensen met een hoger inkomen en mensen met een goede gezondheid sporten het meest.
- Gamen is de populairste culturele hobby. Zingen en tekenen werden populairder, terwijl digitale creatieve hobby’s juist afnamen.
- Boeken lezen, muziek luisteren en films kijken bleven populair, maar de manier waarop veranderde door de toegenomen populariteit van e-readers, luisterboeken en streamingdiensten.
- Ook bij culturele hobby’s verschillen deelname en voorkeur tussen groepen, zoals geslacht, leeftijd en inkomen.
1. Inleiding
Sport en culturele hobby’s vormen een belangrijk onderdeel van het dagelijks leven in Nederland. Ze kunnen op verschillende manieren bijdragen aan gezondheid en welzijn. Sport stimuleert bijvoorbeeld beweging en draagt daarmee bij aan de fysieke gezondheid. Culturele hobby’s kunnen ontspanning bieden en het mentaal welzijn ondersteunen. Daarnaast bieden zowel sport als culturele activiteiten mogelijkheden voor ontmoeting en het opbouwen en onderhouden van sociale contacten. Daarmee kunnen zij ook bijdragen aan sociale cohesie en maatschappelijke participatie (Duijvestijn et al., 2021). Van een stressvol leven met weinig beweging en weinig ontspanning is bekend dat ze risico’s met zich meebrengen voor gezondheid en welzijn (Schurink-van ’t Klooster et al., 2023; Van Campen & Olsthoorn, 2022).
De Rijksoverheid stimuleert sportdeelname en cultuurbeoefening (Rijksoverheid, z.d.-a; Rijksoverheid, z.d.-b). Dit gebeurt onder meer door financiële ondersteuning, het verlagen van drempels voor deelname en het stimuleren van een toegankelijk en inclusief aanbod. Daarnaast is er aandacht voor educatie over sport en cultuur op vroege leeftijd onderdeel te maken van de ontwikkeling van het kind. Hiermee wordt geprobeerd de verschillen in mogelijkheid tot deelname tussen bevolkingsgroepen te verkleinen. Het merendeel van de stimuleringsprogramma’s wordt georganiseerd door gemeenten (Van Eldert, 2026). De vormgeving hiervan verschilt per gemeente.
Ongeveer de helft van de mensen van 4 jaar of ouder doet wekelijks aan sport (CBS StatLine, 2025). Maar sportdeelname is ongelijk verdeeld naar achtergrondkenmerken zoals opleiding, inkomen, gezondheid en leeftijd (Grubben & Hoekman, 2021). Mensen met een hogere sociaaleconomische positie sporten vaker dan mensen in lagere sociaaleconomische posities, en mensen met gezondheidsbeperkingen nemen minder vaak deel aan sport. Sportdeelname is lager naarmate mensen ouder zijn (CBS StatLine, 2025). Het beoefenen van culturele hobby’s hangt ook sterk samen met de eerdergenoemde sociaaleconomische en demografische kenmerken, waarbij bijvoorbeeld jongeren en mensen met een hbo- of wo-opleiding vaker participeren (Boekmanstichting, 2026a).
Deelname aan sport en culturele hobby’s is niet voor iedereen even toegankelijk. Praktische en financiële drempels, zoals kosten, beschikbaarheid of afstand, spelen een rol (Bijlsma et al., 2026; Grubben & Hoekman, 2021). Zo kan sport en cultuur voor bijvoorbeeld mensen met een lager inkomen of in gebieden met minder aanbod, minder toegankelijk zijn dan voor anderen. Verdiepend onderzoek laat echter zien dat persoonlijke factoren een grotere rol spelen in het niet deelnemen aan sport en cultuur dan praktische en financiële factoren (Boekmanstichting, 2026c ; Van den Dool, 2025). Gebrek aan interesse of motivatie zijn voorbeelden van factoren die mensen kunnen weerhouden van deelname, ongeacht hun praktische of financiële situatie.
De coronapandemie had een grote impact op zowel de sport- als de cultuursector. Door lockdowns en beperkingen nam de sportdeelname af en gaf 30 tot 50 procent van de Nederlanders aan minder te zijn gaan bewegen, al bleef het aantal mensen dat wekelijks sport in 2020 gelijk aan 2019 (Duijvestijn et al., 2021). Culturele instellingen moesten tijdelijk sluiten en evenementen konden niet meer doorgaan (Brom & Schrijen, 2020).
Bestaande onderzoeken naar sport- en cultuurparticipatie richten zich meestal op afzonderlijke meetmomenten, beperkte perioden of specifieke domeinen. Dit artikel voegt een langjarig perspectief toe aan de literatuur door zowel sportdeelname als hobbybeoefening te analyseren over een periode van elf jaar (2014 tot en met 2024). Daarnaast ligt de focus van dit artikel op het in aanraking komen met bepaalde sporten en culturele hobby’s. Dit artikel richt zich niet op de wekelijkse beoefening omdat bestaande publicaties daar al over uitweiden (zie o.a. CBS StatLine, 2025; Boekmanstichting, 2026b; RIVM, 2026).
In deze publicatie wordt gekeken naar trends in participatie en specifiek naar verschillen tussen groepen. Daarnaast wordt aandacht besteed aan de verschuivingen in participatie tijdens en na de coronapandemie in 2020 en 2021. Heeft deze verstoring geleid tot tijdelijke afwijkingen of tot structurele veranderingen in patronen van deelname?
Onderzoeksvragen
De volgende onderzoeksvragen staan centraal:
- Hoe is de deelname aan sport en hobby’s in Nederland veranderd tussen 2014 en 2024?
- Welke veranderingen zijn zichtbaar tijdens en na de coronapandemie?
- Hoe verschilt de deelname tussen bevolkingsgroepen?
2. Data en methode
2.1 Bron
De data zijn afkomstig uit het CBS-onderzoek Vrijetijdsomnibus (VTO). Deze wordt elke twee jaar onder inwoners van Nederland van 6 jaar of ouder afgenomen. Voor respondenten van 12 jaar of jonger wordt de vragenlijst samen of door een ouder of verzorger ingevuld. De VTO is een onderzoek naar de kernthema’s cultuurparticipatie en sportbeoefening, waarbij de interesse in, bezoek aan en beoefening van sport en cultuur centraal staat. Daarnaast wordt elke twee jaar een bepaald thema verder uitgediept. De VTO is opgezet om ontwikkelingen in kernindicatoren voor sport- en cultuurbeleid mee vast te stellen.
De vragenlijst kan op twee manieren worden ingevuld: online (CAWI) of samen met een interviewer (CAPI). In dit zogenoemde mixed-modedesign worden mensen eerst met een brief benaderd om online deel te nemen. Bij geen gehoor worden verschillende herbenaderingsstrategieën toegepast: mensen kunnen nog een brief thuis ontvangen of persoonlijk benaderd worden.
Het CBS voert dit onderzoek uit sinds 2012. Sinds 2018 wordt dit gedaan op verzoek van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). De data over sport worden geanalyseerd door het Mulier Instituut (op verzoek van VWS), en wordt onder andere gebruikt voor de publicatie van de kernindicatoren over sport en bewegen (RIVM, 2026). De Boekmanstichting analyseert (op verzoek van OCW) de data over cultuur. Deze data worden onder andere gebruikt voor de publicatie van de cultuurmonitor (Boekmanstichting, 2026b) en de rapportage Cultuurparticipatie in cijfers (Boekmanstichting, 2026c).
Meer informatie over de VTO is te lezen in de gepubliceerde onderzoeksdocumentatie (CBS, z.d. a).
Dit artikel beperkt zich tot een gedeelte van de vragenlijst en maakt gebruik van de data uit 6 edities, te weten 2014 tot en met 2024. Aan deze edities hebben in totaal 19 duizend mensen meegedaan. Dat komt neer op een gemiddelde van 3,2 duizend respondenten per editie.
De gegevens uit de vragenlijst zijn aangevuld met gegevens over achtergrondkenmerken uit het Stelsel van Sociaal-statistische Bestanden (CBS, z.d. b). Alleen de achtergrondkenmerken over ervaren gezondheid en het hebben van een beperking komen uit de VTO.
2.2 Analyses
Het artikel beschrijft twee hoofdaspecten uit de VTO over vrijetijdsbesteding: sporten en culturele hobby’s. De focus hierbij ligt op het in aanraking komen met deze twee vormen van vrijetijdsbesteding. Als eerste sportdeelname. Hierbij is gekeken naar het aandeel mensen dat in de afgelopen twaalf maanden aan ten minste één sport heeft gedaan. Daarnaast is onderzocht welke sporten dat waren en hoe de populariteit van die sporten in de gemeten periode veranderde. Ook is bekeken hoe deelname aan sport verschilt naar geslacht, leeftijd, inkomen, stedelijkheid, gezondheid en de plaats in het huishouden.
Als tweede zijn culturele hobby’s onderzocht. In dit artikel omvat dit de volgende beoefeningen:
- Instrument bespelen
- Zingen
- Toneel spelen
- Klassiek ballet of moderne dans
- Volksdans, werelddans, stijldans, street- of breakdance
- Cabaret of stand-up comedy
- Tekenen, schilderen of grafisch werk zonder computer
- Beeldhouwen, boetseren, potten bakken, sieraden maken of textiele werkvormen
- Film, videokunst, grafisch ontwerp met de computer of fotografie
- Verhalen, gedichten of weblogs schrijven
- Gamen op telefoon, tablet, (spel)computer
Hierbij is per culturele hobby gekeken naar het aandeel mensen dat in de afgelopen twaalf maanden deze hobby heeft beoefend. Daarnaast is ook gekeken naar veranderingen door de tijd per culturele hobby en naar verschillen tussen groepen op basis van geslacht, leeftijd, inkomen, stedelijkheid, gezondheid en de plaats in het huishouden.
In dit artikel is de indeling van culturele hobby’s gelijk aan de vragenlijst van de VTO. De culturele hobby’s worden afzonderlijk geanalyseerd en beschreven. Hiermee wijkt deze indeling af van die in de rapportage Cultuurparticipatie in cijfers (Boekmanstichting, 2026c) en andere publicaties van de Boekmanstichting. Daarnaast hoort ‘gamen’ in dit artikel bij de culturele hobby’s, terwijl dit in publicaties van de Boekmanstichting onder consumptie van cultuur, en niet onder beoefening van cultuur, wordt geschaard. De uitkomsten en interpretaties zijn vergelijkbaar.
Naast culturele hobby’s is ook mediagebruik geanalyseerd. Hieronder wordt verstaan: het lezen van boeken (gedrukt, e-boek of luisterboek), het luisteren van muziek (via radio of online radio, streamingsdienst of uit eigen collectie) en het kijken van films en documentaires (op televisie, via een streamingsdienst of via een platform waar zonder abonnement films besteld kunnen worden).
Deelname aan sport en hobby’s is onderzocht met behulp van zowel beschrijvende als multivariate analyse. Bivariate analyses zijn uitgevoerd om eventuele verschillen tussen bevolkingsgroepen te onderzoeken. Indien dergelijke verschillen zijn aangetroffen, zijn logistische multivariate regressieanalyses toegepast om na te gaan of andere achtergrondkenmerken samenhangen met deze verschillen. Een gevonden verschil wordt beschouwd als statistisch significant wanneer het onwaarschijnlijk is dat het verschil op toeval berust. In dit onderzoek wordt een verschil bij een betrouwbaarheid van 95% als statistisch significant beschouwd.
2.3 Achtergrondkenmerken
In dit onderzoek zijn de volgende achtergrondkenmerken gebruikt:
- Geslacht (man/vrouw);
- Leeftijd (in elf groepen: 6 tot 12 jaar/ 12 tot 20 jaar/ 20 tot 30 jaar/ 30 tot 40 jaar/ 40 tot 50 jaar/ 50 tot 60 jaar/ 60 tot 70 jaar/ 70 jaar of ouder);
- Gestandaardiseerd inkomen op huishoudensniveau (in 5 kwintiel-groepen: 1e 20%-groep (laagste inkomens)/ 2e 20%-groep/ 3e 20%-groep/ 4e 20%-groep/ 5e 20%-groep (hoogste inkomens));
- Gezondheid (heel goed/ goed/ niet goed, niet slecht/ slecht/ heel slecht);- Beperking of chronische aandoening (wel beperking of chronische aandoening/ geen beperking of chronische aandoening);
- Huishoudenspositie (in vijf groepen: alleenstaande/ lid van paar zonder kinderen/ lid van paar met kinderen/ alleenstaande ouder/ thuiswonend kind).
3. Resultaten: sportdeelname
3.0 Resultaten algemeen
Sportdeelname stabiel tussen 2014 en 2024
In 2024 gaf 78 procent van de Nederlanders van 6 jaar of ouder aan minstens een keer in het afgelopen jaar te hebben gesport. Dit percentage is nagenoeg stabiel sinds 2014: het schommelt in deze periode tussen de 76 en 79 procent.
Meer fitness en wandelen, minder hardlopen
De sport die het vaakst werd beoefend in 2024, was fitness: ruim 30 procent van de bevolking van 6 jaar of ouder heeft dat minstens een keer in de 12 maanden voorafgaand aan het onderzoek gedaan. Op de tweede plaats staat wandelsport, gevolgd door zwemmen, hardlopen en voetbal.
Fitness heeft de afgelopen jaren aan populariteit gewonnen: in 2014 deed 26 procent aan fitness. Er zijn ook meer mensen wandelsport gaan beoefenen: het aandeel wandelaars steeg van 17 procent in 2014 naar 22 procent in 2024. Bij zwemmen, hardlopen en voetbal is het tegenovergestelde gebeurd: het percentage zwemmers, hardlopers en voetballers is afgenomen met respectievelijk 10, 5 en 3 procentpunten. Bij de meeste sporten ligt de stijging of daling tussen 2014 en 2024 onder de 2 procentpunten. Alleen bij danssport is de deelname sinds 2014 gedaald met bijna 6 procentpunten (van 11 procent naar net geen 5 procent in 2024).
| Fitness (% van personen van 6 jaar of ouder) | Wandelsport of nordic walking (% van personen van 6 jaar of ouder) | Zwemmen of waterpolo (% van personen van 6 jaar of ouder) | Hardlopen, joggen of trimmen (% van personen van 6 jaar of ouder) | Veldvoetbal of zaalvoetbal (% van personen van 6 jaar of ouder) | |
|---|---|---|---|---|---|
| 2014 | 25,7 | 16,5 | 29,9 | 20,2 | 16,2 |
| 2016 | 25 | 14,7 | 25,4 | 17,7 | 13,1 |
| 2018 | 27,1 | 19,7 | 27,9 | 18,1 | 14,2 |
| 2020 | 26,2 | 23,6 | 20,5 | 18 | 11,1 |
| 2022 | 27,1 | 20,8 | 21,2 | 16,2 | 12,5 |
| 2024 | 30,2 | 21,5 | 20,2 | 15,7 | 13,1 |
In coronajaar meer wandelsport
Tijdens de uitvoering van de editie van 2020 begon de coronapandemie. In het coronajaar 2020 zijn er verschuivingen in sportdeelname te zien ten opzichte van het onderzoek twee jaar eerder. Enkele team- of groepssporten kenden een afname: (pool)biljart of snooker, bowling, dansen, midgetgolf, kickboksen en veldvoetbal. Ook de deelname aan enkele sporten die veelal binnen of op een vaste locatie worden beoefend, daalde: duiksport, schaatsen, skiën, langlaufen of snowboarden en zwemmen.
In 2020 deden juist meer mensen dan in 2018 aan wandelsport of nordic walking. De meeste sporten die in 2020 daalden, namen in 2022 en 2024 weer toe, maar bleven onder het niveau van 2018. Zwemmen is niet toegenomen in 2022 en 2024, en hardlopen verloor zelfs nog verder aan populariteit. Wandelsport daalde in deelname in 2022 ten opzichte van 2020, maar bleef wel nog boven het niveau van 2018.
3.1 Sportdeelname mannen en vrouwen
In 2024 sportte 80 procent van de mannen en 76 procent van de vrouwen. Het verschil is echter niet statistisch significant. Ook voor de eerdere jaren verschilden mannen en vrouwen niet wat betreft hun jaarlijkse sportdeelname.
Mannen doen vooral meer aan voetbal, vrouwen aan yoga
Sommige sporten worden meer door mannen dan door vrouwen beoefend. Het grootste verschil is bij voetbal: 21 procent van de mannen deed in 2024 aan voetbal tegenover 5 procent van de vrouwen. Ook doen mannen vaker dan vrouwen aan fitness, maar dit is alsnog de meest beoefende sport van beide geslachten. Hardlopen is ook populair bij vrouwen, maar wordt meer gedaan door mannen. Andersom doen vrouwen vaker aan wandelsport, zwemmen en yoga of pilates. Het verschil is het grootste bij yoga of pilates met een aandeel van 12 procent van de vrouwen tegenover 2 procent van de mannen.
| Sport | Vrouwen (% van personen van 6 jaar of ouder) | Mannen (% van personen van 6 jaar of ouder) |
|---|---|---|
| Fitness | 28,4 | 32,0 |
| Wandelsport of nordic walking | 23,8 | 19,2 |
| Zwemmen of waterpolo | 22,2 | 18,3 |
| Hardlopen, joggen of trimmen | 13,3 | 18,1 |
| (Power)yoga of pilates | 12,0 | 2,2 |
| Veldvoetbal of zaalvoetbal | 5,1 | 21,3 |
3.2 Sportdeelname naar leeftijd
Ouderen sporten minder dan jongeren
Jaarlijkse sportdeelname is het hoogst onder 6- tot 12-jarigen (95 procent in 2024) en is gelijk gebleven ten opzichte van 2014 (95 procent). Deelname aan sport is hoger onder jongeren dan onder ouderen. Sportdeelname is het laagst onder mensen van 70 jaar of ouder: in 2024 gaf in deze groep 58 procent aan minstens een keer per jaar te hebben gesport. Dat is hoger dan de 50 procent in 2014. In de overige leeftijdscategorieën is de jaarlijkse sportdeelname in die periode niet of nauwelijks gestegen.
| 2024 (% van personen van 6 jaar of ouder) | 2014 (% van personen van 6 jaar of ouder) | |
|---|---|---|
| 6 tot 12 jaar | 94,7 | 94,7 |
| 12 tot 20 jaar | 90,9 | 92,4 |
| 20 tot 30 jaar | 89 | 89,1 |
| 30 tot 40 jaar | 83 | 81,2 |
| 40 tot 50 jaar | 80,2 | 79,0 |
| 50 tot 60 jaar | 75,2 | 80,3 |
| 60 tot 70 jaar | 70 | 69,0 |
| 70 jaar of ouder | 57,5 | 50,4 |
Fitness op alle leeftijden, vooral 15- tot 30-jarigen
Fitness was in 2024 de sport met de meeste deelnemers. Bij jongeren onder de 12 jaar is de deelname het laagst: 7 procent. Tussen de 20 en 30 jaar is de deelname het hoogst: meer dan de helft heeft in 2024 gefitnest. Dit aandeel is vervolgens weer gestaag groter naarmate de leeftijd hoger is.
Onder 6- tot 12-jarigen is zwemmen de meestgenoemde sport, gevolgd door voetbal en dansen. Voor 12- tot 20-jarigen is voetbal de meestgenoemde sport, gevolgd door zwemmen, en op de gedeelde derde plaats staan hardlopen en bowlen. Bij mensen van 70 jaar of ouder is wandelsport het meestgenoemd, gevolgd door fitness. Denksport komt op de derde plaats.
3.3 Sportdeelname naar inkomen
Hogere inkomens sporten vaker dan lagere, verschil toegenomen
Hoe hoger het inkomen van een huishouden, des te vaker mensen minimaal één keer per jaar aan sport doen. Van de mensen in de laagste inkomensgroep deed bijna 66 procent in 2024 aan een sport. Onder de hoogste inkomens was dit 89 procent. In 2014 was dit 72 procent voor de laagste inkomensgroep en 88 procent voor de hoogste inkomens. Bij de laagste inkomensgroep is de deelname dus gedaald. Het verschil tussen de laagste en hoogste inkomens is daarmee groter geworden.
| 2024 (% van personen van 6 jaar of ouder) | 2014 (% van personen van 6 jaar of ouder) | |
|---|---|---|
| Laagste 20%-inkomensgroep | 65,5 | 71,7 |
| 2e 20%-inkomensgroep | 65,7 | 67,2 |
| 3e 20%-inkomensgroep | 80,3 | 79 |
| 4e 20%-inkomensgroep | 83,7 | 82,1 |
| Hoogste 20%-inkomensgroep | 89,1 | 88,1 |
Verschillende sporten per inkomensgroep
Een aantal sporten worden vaker gedaan door de hoogste inkomensgroep dan door de twee laagste inkomensgroepen: biljart, fitness, golf, hardlopen, hockey, padel, schaatsen, wintersport, tennis, wandelsport, wielrennen, mountainbiken, yoga/pilates en zeilen/surfen. Geen enkele sport wordt meer gedaan door laagste inkomensgroepen dan de hoogste.
Laagste inkomensgroep: 6 op de 10 vinden kosten sport te hoog
In de laagste inkomensgroep zegt 69 procent van de mensen van 18 jaar of ouder dat ze de kosten om te sporten in het algemeen te hoog vinden. Bij mensen met de hoogste inkomens is dit 43 procent. Daarnaast geeft 32 procent van de laagste inkomens aan niet genoeg geld over te houden voor sportieve activiteiten na het betalen van de vaste lasten. Bij mensen in de hoogste inkomensgroep is dit 6 procent.
Ook zegt 27 procent in de laagste inkomensgroep dat de sport die ze het liefste zouden willen doen niet kunnen betalen. Voor mensen met de hoogste inkomensgroep is dat 7 procent. Eenzelfde beeld is te zien bij de vraag of men vaker zou sporten als het gratis zou zijn. Hierbij geeft 54 procent van de laagste inkomensgroep aan vaker te sporten als het gratis zou zijn, en 30 procent van de hoogste inkomensgroep.
| Helemaal eens (% van personen van 18 jaar of ouder) | Eens (% van personen van 18 jaar of ouder) | Niet eens, niet oneens (% van personen van 18 jaar of ouder) | Oneens (% van personen van 18 jaar of ouder) | Helemaal oneens (% van personen van 18 jaar of ouder) | |
|---|---|---|---|---|---|
| Laagste 25%-inkomensgroep | 23,3 | 45,6 | 19,7 | 9,8 | 1,6 |
| 2e 25%-inkomensgroep | 18,3 | 44,8 | 25,6 | 10,2 | 1,1 |
| 3e 25%-inkomensgroep | 16,9 | 43,3 | 26,3 | 12,3 | 1,1 |
| 4e 25%-inkomensgroep | 11,0 | 37,7 | 35,2 | 14,8 | 1,3 |
| Hoogste 25%-inkomensgroep | 9,2 | 34,0 | 36,4 | 17,2 | 3,2 |
| Helemaal eens (% van personen van 18 jaar of ouder) | Eens (% van personen van 18 jaar of ouder) | Niet eens, niet oneens (% van personen van 18 jaar of ouder) | Oneens (% van personen van 18 jaar of ouder) | Helemaal oneens (% van personen van 18 jaar of ouder) | |
|---|---|---|---|---|---|
| Laagste 25%-inkomensgroep | 11,9 | 23,5 | 19,5 | 29,6 | 15,6 |
| 2e 25%-inkomensgroep | 9,6 | 11,5 | 19,9 | 41,5 | 17,5 |
| 3e 25%-inkomensgroep | 6,0 | 9,4 | 16,2 | 46,9 | 21,6 |
| 4e 25%-inkomensgroep | 3,0 | 6,5 | 15,2 | 48,0 | 27,3 |
| Hoogste 25%-inkomensgroep | 3,2 | 4,5 | 10,1 | 45,2 | 37,0 |
3.4 Sportdeelname naar plaats in het huishouden
Sportdeelname verschilt ook naar iemands plaats in het huishouden, zoals alleenwonenden of samenwonenden zonder of met kinderen. Deze groepen verschillen in welke sport zij het meest beoefenen. Fitness wordt het meest gedaan door alleenstaande ouders, terwijl wandelsport het meest wordt gedaan door leden van een paar zonder kinderen. Zwemmen en voetbal worden het meest gedaan door thuiswonende kinderen, wat voornamelijk met leeftijd te maken heeft: thuiswonende kinderen zijn meestal jong en zwemmen en voetbal worden het meest gedaan door jonge mensen. Hardlopen is het populairst onder leden van een paar met kinderen.
| Sport | Totaal (% van personen van 6 jaar of ouder) | Alleenstaande (% van personen van 6 jaar of ouder) | Lid paar zonder kinderen (% van personen van 6 jaar of ouder) | Lid paar met kinderen (% van personen van 6 jaar of ouder) | Alleenstaande ouder (% van personen van 6 jaar of ouder) | Thuiswonend kind (% van personen van 6 jaar of ouder) |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Fitness | 30,2 | 30,6 | 30,1 | 27,4 | 33,8 | 32,1 |
| Wandelsport of nordic walking | 21,5 | 21,6 | 27,6 | 23,4 | 22,8 | 11,8 |
| Zwemmen of waterpolo | 20,2 | 18,8 | 15,9 | 21,1 | 14,1 | 27,6 |
| Hardlopen, joggen of trimmen | 15,7 | 12,4 | 13,1 | 20,9 | 11,3 | 17,2 |
| Veldvoetbal of zaalvoetbal | 13,1 | 6,5 | 4,0 | 10,9 | 4,0 | 35,2 |
3.5 Sportdeelname en gezondheid of beperking
Mensen die aangeven een goede gezondheid te hebben, geven vaker dan mensen met een slechte gezondheid aan de afgelopen 12 maanden een sport te hebben beoefend. In 2024 sportte 84 procent van de mensen met een goede of zeer goede gezondheid.
Dit aandeel was 42 procent voor mensen met een slechte of zeer slechte gezondheid. Van de mensen die aangaven geen goede en geen slechte gezondheid te hebben, had 63 procent in het afgelopen jaar gesport. Dit is voor alle drie de groepen ongeveer gelijk gebleven ten opzichte van 2014.
Soort sport hangt samen met gezondheid
Bij mensen die aangeven een hele goede gezondheid te hebben, zijn zwemmen en hardlopen populairder dan fitness, wat over het algemeen de populairste sport is. Mensen met naar eigen zeggen een slechte gezondheid doen het vaakst aan wandelsport, gevolgd door fitness, zwemmen en hardlopen. Ook doen mensen met een slechte gezondheid vaker dan gemiddeld aan een overige, niet gevraagde, sport.
Mensen met beperking sporten minder
Mensen die een beperking of chronische aandoening hebben, sporten over het algemeen minder vaak dan mensen die dat niet hebben. De verschillen tussen deze groepen zijn in de afgelopen jaren kleiner geworden. Van de mensen die aangaven een beperking of chronische aandoening te hebben, sportte 70 procent jaarlijks in 2024. Dit is 8 procentpunt lager dan het gemiddelde.
In 2014 was het verschil tussen mensen met en zonder een beperking nog 13 procentpunt (respectievelijk 64 procent en 79 procent). Mensen met een beperking deden in 2024 dus vaker jaarlijks aan sport dan in 2014
4. Resultaten: beoefening culturele hobby’s
4.0 Resultaten algemeen
Gamen meest beoefende culturele hobby
In 2024 was gamen op de telefoon, tablet, of (spel)computer de meestgenoemde culturele hobby: meer dan de helft (57 procent) van de mensen van 6 jaar of ouder gaf aan in de afgelopen twaalf maanden te hebben gegamed. Dit was ook zo in 2022, toen gamen voor het eerst als antwoordoptie werd toegevoegd. Het aandeel mensen dat games speelt, ligt veel hoger dan de andere culturele hobby’s: zingen (29 procent) en tekenen (28 procent) komen respectievelijk op de tweede en derde plaats. Cabaretbeoefening (1 procent) werd in 2024 het minst vaak genoemd, net als in eerdere jaren.
| Perioden | Instrument bespelen (% van personen van 6 jaar of ouder) | Zingen (% van personen van 6 jaar of ouder) | Tekenen, schilderen of grafisch werk zonder computer (% van personen van 6 jaar of ouder) | Film, videokunst, grafisch ontwerp met computer, fotografie (% van personen van 6 jaar of ouder) | Gamen1) (% van personen van 6 jaar of ouder) |
|---|---|---|---|---|---|
| 2012 | 19,8 | 27,9 | 22,3 | 23,5 | |
| 2014 | 21,2 | 26,9 | 21,0 | 21,5 | |
| 2016 | 21,6 | 30,0 | 24,7 | 22,9 | |
| 2018 | 20,2 | 27,1 | 22,8 | 22,8 | |
| 2020 | 19,8 | 25,2 | 22,9 | 19,9 | |
| 2022 | 20,5 | 28,8 | 25,6 | 20,5 | 52,3 |
| 2024 | 20,3 | 28,9 | 28,2 | 19,4 | 56,9 |
| 1) In de vragenlijst vanaf 2022 | |||||
Het verschilt per hobby hoe het aandeel beoefenaars van culturele hobby’s is veranderd in de periode 2014-2024. Het percentage mensen dat zingt, is gestegen van 27 procent in 2014 naar 29 procent in 2024. Tekenen, schilderen of grafisch werk zonder computer is ook in aandeel deelnemers gestegen: van 21 procent in 2014 naar 28 procent in 2024. Ook het aandeel beoefenaars van beeldhouwen en vergelijkbare hobby’s is licht gestegen van 13 naar 15 procent. De overige hobby’s zijn verder stabiel in het aandeel beoefenaars.
Mediagebruik bleef stabiel
Het percentage personen dat aangeeft het afgelopen jaar boeken te hebben gelezen, is al sinds 2014 stabiel rond de 79 procent. De manier waarop men leest, is wel veranderd: meer mensen hebben via een e-reader een boek gelezen (28 procent in 2024, ten opzichte van 24 procent in 2014). Toch blijft een gedrukt boek het meest gebruikt (72 procent in 2024, ten opzichte van 78 procent in 2014). In 2022 en 2024 is ook de optie luisterboek toegevoegd: in 2024 geeft 17 procent aan van deze manier gebruik te hebben gemaakt.
In 2024 luisterde 94 procent van de mensen van 12 jaar of ouder wel eens naar muziek. Dit percentage is hetzelfde als in 2022 en 2020, toen het voor het eerst werd uitgevraagd. De meeste mensen luisteren muziek via radio of online radio (85 procent in 2024), op de tweede plek via een streamingdienst (71 procent in 2024), en het minst via een eigen collectie, zoals een cd of elpee/vinyl (39 procent in 2024). Het aandeel mensen dat gebruikmaakt van een streamingdienst om muziek te luisteren, is toegenomen. Het aandeel mensen dat via een eigen collectie muziek luistert, is gedaald.
Sinds 2020 wordt ook gevraagd naar het kijken van films, series en documentaires. In 2024 gaf 95 procent van de mensen van 12 jaar of ouder aan een film, serie of documentaire te hebben gekeken in de afgelopen 12 maanden. In 2022 was dit percentage 96 procent. Het merendeel kijkt films via televisie (89 procent) of via een streamingdienst (77 procent). Een kleiner percentage (39 procent) kijkt films digitaal via een platform waar zonder abonnement films besteld kunnen worden.
4.1 Hobbybeoefening naar geslacht
Vrouwen doen meer aan culturele hobby’s dan mannen
De meeste culturele hobby’s worden vaker door vrouwen dan door mannen beoefend. De enige uitzondering is gamen, dat vaker door mannen dan door vrouwen wordt gedaan. Bij sommige culturele hobby’s is er geen significant verschil tussen de geslachten. Het absolute verschil is het grootst bij de twee hobby’s tekenen en beeldhouwen (19 procentpunten meer door vrouwen) en zingen (11 procentpunten meer).
De verschillen tussen de vrouwen en mannen zijn voor de meeste hobby’s gelijk gebleven. Alleen bij tekenen en beeldhouwen zijn de verschillen groter geworden. In 2014 tekende 15 procent van de mannen, en 27 procent van de vrouwen. In 2024 was dit percentage onder mannen gestegen naar 19 procent, en onder vrouwen naar 38 procent. Bij beeldhouwen is eenzelfde trend te zien: het aandeel mannen dat deze hobby beoefende, lag in zowel 2014 als in 2024 op 5 procent. Bij vrouwen was het aandeel 19 procent in 2014, en 24 procent in 2024.
| Vrouwen (% van personen van 6 jaar of ouder) | Mannen (% van personen van 6 jaar of ouder) | |
|---|---|---|
| Gamen | 51,1 | 55,3 |
| Tekenen, schilderen of grafisch werk | 37,7 | 18,5 |
| Zingen | 34,5 | 23,1 |
| Beeldhouwen en vergelijkbaar | 24,1 | 5,4 |
| Instrument bespelen | 18,9 | 21,6 |
| Filmkunst en vergelijkbaar | 16,4 | 13,2 |
| Verhalen, gedichten of weblogs schrijven | 15,8 | 10,7 |
| Werelddans en vergelijkbaar | 9,1 | 2,6 |
| Toneel spelen | 7,1 | 4,4 |
| Klassiek ballet of moderne dans | 4,9 | 1,1 |
| Cabaret of stand-up comedy | 0,9 | 1,3 |
Boeken lezen populairder onder vrouwen dan mannen
Het aandeel boekenlezers is ook groter onder vrouwen dan onder mannen. Dit geldt voor alle soorten boeken: gedrukte boeken, e-boeken en luisterboeken. In 2024 gaf 78 procent van de vrouwen aan een gedrukt boek te hebben gelezen, tegenover 67 procent van de mannen. Bij e-boeken was dat 34 procent en 23 procent, bij luisterboeken 20 procent en 15 procent. De verschillen tussen de groepen in 2024 wijken niet af van de verschillen in 2014, en zijn dus niet groter of kleiner geworden.
4.2 Hobbybeoefening naar leeftijd
Jongeren beoefenen vaker culturele hobby’s dan ouderen
Voor vrijwel alle culturele hobby’s geldt dat hobbybeoefening lager is, naarmate de leeftijd hoger is. Alleen bij cabaret of stand-up comedy is het aandeel bij jongere en oudere leeftijdsgroepen gelijk.Het aandeel dat culturele hobby’s beoefent, daalt vanaf 20 jaar en is het laagst onder mensen van 70 jaar of ouder.
De drie meest beoefende hobby’s (gamen, zingen en tekenen) zijn bij alle leeftijdsgroepen het populairst. Ook bij mensen van 70 jaar of ouder is gamen de meest beoefende culturele hobby.
| Persoonskenmerken | Gamen (% van personen van 6 jaar of ouder) | Tekenen, schilderen of grafisch werk zonder computer (% van personen van 6 jaar of ouder) | Zingen (% van personen van 6 jaar of ouder) |
|---|---|---|---|
| 6 tot 12 jaar | 93,9 | 79,3 | 59,4 |
| 12 tot 20 jaar | 90,9 | 49,6 | 49 |
| 20 tot 30 jaar | 79,6 | 33,3 | 33,5 |
| 30 tot 40 jaar | 66,3 | 28,1 | 28,6 |
| 40 tot 50 jaar | 58,6 | 23,7 | 25,4 |
| 50 tot 60 jaar | 39,2 | 16,6 | 20,3 |
| 60 tot 70 jaar | 36,1 | 14,9 | 21,3 |
| 70 jaar of ouder | 24,8 | 15,2 | 17,2 |
Kinderen lezen het meest
In 2024 gaf 98 procent van de 6- tot 12-jarigen aan dat ze een boek hadden gelezen, het hoogste aandeel van alle leeftijdsgroepen. 70-plussers lazen met 74 procent het minst vaak een boek.
| Persoonskenmerken | Boeken gelezen (% van personen van 6 jaar of ouder) | Gedrukte boeken (% van personen van 6 jaar of ouder) | E-boeken (% van personen van 6 jaar of ouder) | Luisterboeken (% van personen van 6 jaar of ouder) |
|---|---|---|---|---|
| 6 tot 12 jaar | 97,8 | 97,2 | 13,5 | 32,7 |
| 12 tot 20 jaar | 80,2 | 77,7 | 26,2 | 24,9 |
| 20 tot 30 jaar | 75,5 | 69,8 | 29,8 | 18,6 |
| 30 tot 40 jaar | 76,1 | 68,7 | 32,2 | 24,2 |
| 40 tot 50 jaar | 77,7 | 68,1 | 32,7 | 21,2 |
| 50 tot 60 jaar | 76,3 | 69 | 31,6 | 15,8 |
| 60 tot 70 jaar | 79 | 72,1 | 32 | 7,6 |
| 70 jaar of ouder | 73,5 | 68,7 | 20,3 | 6,2 |
4.3 Hobbybeoefening naar inkomen
Hobbybeoefening verschilt naar inkomen
Bij de culturele hobby’s instrument bespelen, filmkunst of vergelijkbaar en verhalen schrijven is de beoefening in alle onderzochte jaren het hoogst onder de laagste inkomensgroep. Bij alle andere culturele hobby’s is er geen significant verschil tussen de inkomensgroepen.
De beoefening bij de laagste inkomensgroep hangt samen met geslacht en leeftijd. Vrouwen beoefenen vaker een culturele hobby dan mannen (zie paragraaf 4.1), en behoren relatief vaker tot de laagste inkomensgroep. Dit geldt ook voor jongere mensen (zie paragraaf 4.2).
| Hobby | Laagste 20%-inkomensgroep (% van personen van 6 jaar of ouder) | 2e 20%-inkomensgroep (% van personen van 6 jaar of ouder) | 3e 20%-inkomensgroep (% van personen van 6 jaar of ouder) | 4e 20%-inkomensgroep (% van personen van 6 jaar of ouder) | Hoogste 20%-inkomensgroep (% van personen van 6 jaar of ouder) |
|---|---|---|---|---|---|
| Gamen | 51,9 | 50,5 | 56,9 | 54,7 | 51,6 |
| Instrument bespelen | 23,7 | 16,1 | 18,2 | 20,8 | 22,2 |
| Tekenen, schilderen of grafisch werk | 30,3 | 28,9 | 27,4 | 28,4 | 26,6 |
| Zingen | 32,6 | 27,5 | 27,7 | 28,1 | 28,8 |
Het aandeel boekenlezers is groter naarmate het inkomen hoger is. Dit geldt ook voor het luisteren van muziek en het kijken van films.
| Persoonskenmerken | Boeken gelezen (% van personen van 12 jaar of ouder) | Muziek geluisterd (% van personen van 12 jaar of ouder) | Films gekeken (% van personen van 12 jaar of ouder) |
|---|---|---|---|
| Laagste 25%-inkomensgroep | 70,4 | 89,7 | 91,7 |
| 2e 25%-inkomensgroep | 74,1 | 90,6 | 94,0 |
| 3e 25%-inkomensgroep | 76,7 | 95,7 | 96,0 |
| 4e 25%-inkomensgroep | 79,5 | 96,3 | 95,5 |
| Hoogste 25%-inkomensgroep | 85,9 | 97,6 | 97,6 |
4.4 Hobbybeoefening naar plaats in huishouden
Thuiswonende kinderen beoefenen veruit het meest culturele hobby’s
De beoefening van culturele hobby’s verschilt naar huishoudenspositie. Alle culturele hobby’s worden het vaakst beoefend door thuiswonende kinderen. Dit heeft vooral met leeftijd te maken: culturele hobby’s worden vaker beoefend door jonge mensen en thuiswonende kinderen zijn vaak jong. Gamen is met 88 procent de populairste culturele hobby bij thuiswonende kinderen, gevolgd door tekenen (52 procent) en zingen (45 procent). Deze drie hobby’s worden door iedere groep het meest beoefend. Na thuiswonende kinderen beoefenen alleenstaanden en alleenstaande ouders het vaakst een culturele hobby. Leden van een paar met of zonder kinderen beoefenen het minst vaak een culturele hobby.
| Huishoudenspositie | Gamen (% van personen van 6 jaar of ouder) | Zingen (% van personen van 6 jaar of ouder) | Tekenen, schilderen of grafisch werk (% van personen van 6 jaar of ouder) | Instrument bespelen (% van personen van 6 jaar of ouder) |
|---|---|---|---|---|
| Totaal | 56,9 | 28,9 | 28,2 | 20,3 |
| Alleenstaande | 50,3 | 28,0 | 24,9 | 19,3 |
| Lid paar zonder kinderen | 41,8 | 22,0 | 18,3 | 14,5 |
| Lid paar met kinderen | 51,8 | 22,3 | 19,7 | 17,5 |
| Alleenstaande ouder | 56,4 | 32,5 | 34,2 | 15,7 |
| Thuiswonend kind | 88,2 | 45,2 | 51,7 | 32,7 |
5. Conclusie en discussie
De jaarlijkse deelname aan sport en culturele hobby’s in Nederland is tussen 2014 en 2024 grotendeels stabiel gebleven. Er zijn echter wel duidelijke veranderingen zichtbaar in welke specifieke sporten en culturele hobby’s worden gedaan en in de mate waarin verschillende groepen deelnemen. Ook sociaaleconomische kenmerken hangen samen met verschillen in participatie. Dit laat zien dat deelname aan sport en culturele hobby’s niet alleen wordt bepaald door persoonlijke voorkeuren, maar ook door de omstandigheden en mogelijkheden van mensen.
Sportdeelname individueler
Het aandeel mensen dat minimaal één keer per jaar een sport heeft beoefend, is nauwelijks veranderd tussen 2014 en 2024. Ander onderzoek toont aan dat het aandeel wekelijkse sporters in diezelfde periode wel licht is gestegen (RIVM, 2026). De sportkeuze is door de jaren heen wel veranderd. Zo is fitness de afgelopen tien jaar populairder geworden, terwijl sporten zoals zwemmen of voetbal minder vaak worden beoefend. Dit past binnen een bredere trend van individualisering van sportdeelname. Uit onderzoek blijkt dat mensen steeds vaker kiezen voor sporten waarbij zij minder afhankelijk zijn van een vereniging, vaste groepen of georganiseerde sportmomenten (Van den Dool, 2022; Van der Poel, 2024). Er is steeds meer behoefte aan flexibiliteit in sportdeelname.
Individuele sporten, zoals fitness, kunnen op een zelfgekozen moment worden uitgevoerd en bieden daarmee die flexibiliteit. Tegelijkertijd blijven sommige verenigingssporten, zoals voetbal, nog altijd populair en zijn er individuele sporten, zoals hardlopen, die in deelname zijn afgenomen.
De coronaperiode liet zien dat sportdeelname kan samenhangen met maatschappelijke omstandigheden. Vooral sporten in groepsverband en in binnenlocaties namen in 2020 af. Dit is waarschijnlijk het gevolg van de coronamaatregelen, waardoor veel sportactiviteiten tijdelijk niet meer mogelijk waren (Duijvestijn et al., 2021). Wandelen nam juist toe, omdat deze activiteit buiten kan plaatsvinden en niet afhankelijk is van georganiseerde voorzieningen. Na 2020 nam de sportdeelname weer toe, maar niet alle sporten bereikten weer het niveau van vóór de pandemie.
Verschil in sportdeelname inkomensgroepen gestegen
Het verschil in sportdeelname tussen inkomensgroepen is toegenomen. Mensen met de hoogste inkomens gaven tussen 2014 en 2024 vaker aan dat zij in de afgelopen 12 maanden een sport hebben beoefend, terwijl mensen met de laagste inkomens juist minder vaak zeiden dat zij hadden gesport. Mensen met lagere inkomens geven vaker dan mensen met hogere inkomens aan sporten te duur te vinden en het niet te kunnen betalen. Uit ander onderzoek blijkt dat naast financiële barrières ook een gebrek aan sociale steun, praktische drempels en tijdsgebrek een belangrijke rol spelen bij mensen met een lage sociaaleconomische status (gebaseerd op inkomen en opleiding) (Van den Dool, 2022).
De plaats in het huishouden hangt ook samen met de beoefening van sport, al verschilt dit sterk per sport. Zwemmen en voetbal worden meer gedaan door thuiswonende kinderen dan door andere groepen. Hierbij speelt leeftijd een rol, omdat thuiswonende kinderen gemiddeld jonger zijn en zwemmen en voetbal juist onder jongeren veel worden beoefend. Voor de verschillen naar huishoudpositie bij fitness, wandelen en hardlopen is op basis van de beschikbare resultaten geen duidelijke verklaring te geven. Verder onderzoek is nodig om te bepalen of factoren zoals beschikbare tijd of zorgtaken een rol spelen.
Ook gezondheid blijkt samen te hangen met sportdeelname. Mensen met een slechte gezondheid geven aanzienlijk minder vaak dan mensen met een goede gezondheid aan dat zij de afgelopen 12 maanden een sport hebben beoefend. Mensen met een beperking of chronische aandoening sporten eveneens minder vaak, maar het verschil is kleiner. De huidige resultaten laten niet zien of een slechtere gezondheid leidt tot minder sporten, of dat minder sporten juist samenhangt met een slechtere gezondheid. Eerder onderzoek laat zien dat deze relatie beide kanten op kan werken (World Health Organization, 2020). Deze wisselwerking is niet alleen van toepassing op fysieke gezondheid, maar ook op mentale gezondheid (Stam et al., 2024).
Het hebben van een beperking hangt eveneens samen met sportdeelname: mensen met een beperking sporten minder dan mensen zonder beperking. Dit onderzoek laat zien dat de verschillen tussen deze groepen kleiner zijn geworden. Dit komt met name doordat mensen met een beperking in de periode 2014-2024 vaker minstens een keer in het afgelopen jaar zijn gaan sporten. Ander onderzoek laat echter zien dat er in de periode 2001-2019 geen toename is in het aandeel wekelijkse sporters onder de groep mensen met een beperking (Van den Dool et al., 2022).
Culturele hobby’s: wisselend beeld, digitaal stijgt maar vervangt niet
Games spelen op een telefoon, tablet, computer of spelcomputer is in 2024 veruit de populairste culturele hobby. Sommige culturele hobby’s zijn toegenomen tussen 2014 en 2024, terwijl andere juist in deelname zijn afgenomen. Daarnaast bleef het aandeel boekenlezers stabiel, maar is het gebruik van e-readers en luisterboeken gestegen. Ook bij muziek luisteren en films kijken is een stijging zichtbaar in digitale vormen, zoals streamingdiensten. Tegelijkertijd verdwijnen traditionele vormen niet volledig. Het gedrukte boek blijft de meest gebruikte leesvorm en andere manieren van mediagebruik blijven bestaan.
Deze ontwikkelingen laten zien dat digitalisering een belangrijke rol speelt in de vrijetijdsbesteding. Zo is gamen de populairste culturele hobby en digitale vormen van mediagebruik nemen toe. Toch is het aandeel filmkunst, fotografie of grafisch ontwerp met computer, een voornamelijk digitale hobby, afgenomen. Het aandeel zingen en tekenen, schilderen of grafisch ontwerp zonder computer is toegenomen. Digitale vormen van vrijetijdsbesteding lijken dus niet een volledige vervanging van niet-digitale vormen, maar eerder een aanvulling (Van den Broek, 2021).
Leeftijd hangt samen met de beoefening van culturele hobby’s; minder ouderen doen culturele hobby’s dan jongeren. Tegelijkertijd lijkt leeftijd nauwelijks samen te hangen met de voorkeur voor culturele hobby’s. Ouderen kiezen dus niet duidelijk voor andere hobby’s dan jongeren, maar het aandeel ouderen dat dezelfde hobby’s beoefent, is lager dan het aandeel jongeren. Eerder onderzoek toont echter aan dat er verschillen in culturele voorkeuren bestaan tussen leeftijdsgroepen (Van den Broek, 2021). Op basis hiervan zou te verwachten zijn dat dit ook het geval bij culturele hobby’s is, maar dit lijkt nauwelijks het geval. Deze voorkeuren hebben dan ook voornamelijk te maken met bezoeken aan cultuur, zoals musea of voorstellingen en niet met het zelf beoefenen van cultuur.
Ook plaats in het huishouden hangt samen met de beoefening van culturele hobby’s. Alle onderzochte hobby’s worden veruit het meest beoefend door thuiswonende kinderen, gevolgd door alleenstaanden en alleenstaande ouders.
Referenties
Bijlsma, M., Vos, van der J., Craen de E., Brink, van den S., Vereijken, I. Bok, J. (2026). Geografische spreiding van cultuur in Nederland. Geografische spreiding van cultuur in Nederland - SEO Economisch Onderzoek
Boekmanstichting (2026a). Cultuur in 2025, H2.5: Nederland kent een hoge mate van cultuurparticipatie maar de cijfers laten ook hardnekkige ongelijkheid zien. Cultuur in 2025 – Cultuurmonitor
Boekmanstichting (2026b). Cultuurmonitor 2025. Cultuur en participatie. Cultuur en participatie - Cultuurmonitor
Boekmanstichting (2026c). Cultuurparticipatie in cijfers. Rapportage over de Vrijetijdsomnibus (VTO) 2024.
Broek, A. van den (2021). Wat hebben mensen met cultuur? Culturele betrokkenheid in de jaren 10. Sociaal en Cultureel Planbureau.
Brom, R., & Schrijen, B. (2020, 16 april). Hoe komt de cultuursector uit de coronacrisis? Boekmanstichting.
Campen, C. van, & Olsthoorn, M. (2022). Meedoen aan de samenleving: Naast kunnen en moeten ook een kwestie van willen en mogen. Sociaal en Cultureel Planbureau.
CBS (z.d. a). VT02024: Vrijetijdsombinus 2024
CBS (z.d. b). Stelsel van Sociaal-statistische Bestanden (SSB)
CBS StatLine (2025). Leefstijl; persoonskenmerken
Dool, R. van den, Lindert, C., van, Berg, S., van den, & Wendel-Vos, W. (2022). Deelname sport en bewegen door mensen met een beperking. Stand van zaken eind 2019. Mulier Instituut.
Dool, R. van den (2025). Waarom sporten sommige groepen minder dan andere? Een onderzoek naar de samenhang van motieven en belemmeringen voor sportieve activiteiten. Mulier Instituut.
Dool, R. van den (2022). Deelname sport en bewegen van mensen met een lage sociaaleconomische status: de achtergronden van de deelname. Mulier Instituut.
Duijvestijn, M., Schurink, T., Berg, S. van den, Euser, S., & Wendel-Vos, W. (2021). Sport- en beweeggedrag in 2020. (RIVM-rapport 2021-0117). Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.
Eime, R. M., Young, J. A., Harvey, J. T., Charity, M. J., & Payne, W. R. (2013).
A systematic review of the psychological and social benefits of participation in sport for adults: Informing development of a conceptual model of health through sport.
International Journal of Behavioral Nutrition and Physical Activity, 10(135). https://doi.org/10.1186/1479-5868-10-135
Eldert, P., van (2026). Monitor sportuitgaven gemeente 2024. Gemeentelijke uitgaven aan sport in de periode 2017 tot en met 2024. Mulier Instituut.
Grubben, M., & Hoekman, R. (2021). Sociale ongelijkheid in sportdeelname. Mulier Instituut.
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. (2026). Kernindicatoren sport en bewegen. https://www.sportenbewegenincijfers.nl/kernindicatoren
Rijksoverheid. (z.d.-a). Sport en bewegen voor iedereen. https://www.rijksoverheid.nl/themas/familie-zorg-en-gezondheid/sport-en-bewegen/sport-en-bewegen-voor-iedereen
Rijksoverheid. (z.d.-b). Cultuur van en voor iedereen. https://www.rijksoverheid.nl/themas/overheid-en-democratie/kunst-en-cultuur/cultuur-van-en-voor-iedereen
Schurink-van ’t Klooster, T. M., Deemter, S. van, Duijvestijn, M., & Wendel-Vos, W. (2023). Zitgedrag in Nederland: Ontwikkelingen tussen 2015 en 2021 (RIVM-rapport 2022-0183). Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. https://doi.org/10.21945/RIVM-2022-0183
Sociaal en Cultureel Planbureau. (2020). Sociale waarde van diverse organisatievormen in sport
Stam, W. van, Ooms, L., & Dool, R, van den (2024). Mentale gezondheid en sport- en beweegdeelname. Vergelijking binnen bevolkingsgroepen. Mulier Instituut.
World Health Organization. (2020). Recommendations In WHO guidelines on physical activity and sedentary behaviour. World Health Organization.