3. Resultaten: sportdeelname
3.0 Resultaten algemeen
Sportdeelname stabiel tussen 2014 en 2024
In 2024 gaf 78 procent van de Nederlanders van 6 jaar of ouder aan minstens een keer in het afgelopen jaar te hebben gesport. Dit percentage is nagenoeg stabiel sinds 2014: het schommelt in deze periode tussen de 76 en 79 procent.
Meer fitness en wandelen, minder hardlopen
De sport die het vaakst werd beoefend in 2024, was fitness: ruim 30 procent van de bevolking van 6 jaar of ouder heeft dat minstens een keer in de 12 maanden voorafgaand aan het onderzoek gedaan. Op de tweede plaats staat wandelsport, gevolgd door zwemmen, hardlopen en voetbal.
Fitness heeft de afgelopen jaren aan populariteit gewonnen: in 2014 deed 26 procent aan fitness. Er zijn ook meer mensen wandelsport gaan beoefenen: het aandeel wandelaars steeg van 17 procent in 2014 naar 22 procent in 2024. Bij zwemmen, hardlopen en voetbal is het tegenovergestelde gebeurd: het percentage zwemmers, hardlopers en voetballers is afgenomen met respectievelijk 10, 5 en 3 procentpunten. Bij de meeste sporten ligt de stijging of daling tussen 2014 en 2024 onder de 2 procentpunten. Alleen bij danssport is de deelname sinds 2014 gedaald met bijna 6 procentpunten (van 11 procent naar net geen 5 procent in 2024).
| Fitness (% van personen van 6 jaar of ouder) | Wandelsport of nordic walking (% van personen van 6 jaar of ouder) | Zwemmen of waterpolo (% van personen van 6 jaar of ouder) | Hardlopen, joggen of trimmen (% van personen van 6 jaar of ouder) | Veldvoetbal of zaalvoetbal (% van personen van 6 jaar of ouder) | |
|---|---|---|---|---|---|
| 2014 | 25,7 | 16,5 | 29,9 | 20,2 | 16,2 |
| 2016 | 25 | 14,7 | 25,4 | 17,7 | 13,1 |
| 2018 | 27,1 | 19,7 | 27,9 | 18,1 | 14,2 |
| 2020 | 26,2 | 23,6 | 20,5 | 18 | 11,1 |
| 2022 | 27,1 | 20,8 | 21,2 | 16,2 | 12,5 |
| 2024 | 30,2 | 21,5 | 20,2 | 15,7 | 13,1 |
In coronajaar meer wandelsport
Tijdens de uitvoering van de editie van 2020 begon de coronapandemie. In het coronajaar 2020 zijn er verschuivingen in sportdeelname te zien ten opzichte van het onderzoek twee jaar eerder. Enkele team- of groepssporten kenden een afname: (pool)biljart of snooker, bowling, dansen, midgetgolf, kickboksen en veldvoetbal. Ook de deelname aan enkele sporten die veelal binnen of op een vaste locatie worden beoefend, daalde: duiksport, schaatsen, skiën, langlaufen of snowboarden en zwemmen.
In 2020 deden juist meer mensen dan in 2018 aan wandelsport of nordic walking. De meeste sporten die in 2020 daalden, namen in 2022 en 2024 weer toe, maar bleven onder het niveau van 2018. Zwemmen is niet toegenomen in 2022 en 2024, en hardlopen verloor zelfs nog verder aan populariteit. Wandelsport daalde in deelname in 2022 ten opzichte van 2020, maar bleef wel nog boven het niveau van 2018.
3.1 Sportdeelname mannen en vrouwen
In 2024 sportte 80 procent van de mannen en 76 procent van de vrouwen. Het verschil is echter niet statistisch significant. Ook voor de eerdere jaren verschilden mannen en vrouwen niet wat betreft hun jaarlijkse sportdeelname.
Mannen doen vooral meer aan voetbal, vrouwen aan yoga
Sommige sporten worden meer door mannen dan door vrouwen beoefend. Het grootste verschil is bij voetbal: 21 procent van de mannen deed in 2024 aan voetbal tegenover 5 procent van de vrouwen. Ook doen mannen vaker dan vrouwen aan fitness, maar dit is alsnog de meest beoefende sport van beide geslachten. Hardlopen is ook populair bij vrouwen, maar wordt meer gedaan door mannen. Andersom doen vrouwen vaker aan wandelsport, zwemmen en yoga of pilates. Het verschil is het grootste bij yoga of pilates met een aandeel van 12 procent van de vrouwen tegenover 2 procent van de mannen.
| Sport | Vrouwen (% van personen van 6 jaar of ouder) | Mannen (% van personen van 6 jaar of ouder) |
|---|---|---|
| Fitness | 28,4 | 32,0 |
| Wandelsport of nordic walking | 23,8 | 19,2 |
| Zwemmen of waterpolo | 22,2 | 18,3 |
| Hardlopen, joggen of trimmen | 13,3 | 18,1 |
| (Power)yoga of pilates | 12,0 | 2,2 |
| Veldvoetbal of zaalvoetbal | 5,1 | 21,3 |
3.2 Sportdeelname naar leeftijd
Ouderen sporten minder dan jongeren
Jaarlijkse sportdeelname is het hoogst onder 6- tot 12-jarigen (95 procent in 2024) en is gelijk gebleven ten opzichte van 2014 (95 procent). Deelname aan sport is hoger onder jongeren dan onder ouderen. Sportdeelname is het laagst onder mensen van 70 jaar of ouder: in 2024 gaf in deze groep 58 procent aan minstens een keer per jaar te hebben gesport. Dat is hoger dan de 50 procent in 2014. In de overige leeftijdscategorieën is de jaarlijkse sportdeelname in die periode niet of nauwelijks gestegen.
| 2024 (% van personen van 6 jaar of ouder) | 2014 (% van personen van 6 jaar of ouder) | |
|---|---|---|
| 6 tot 12 jaar | 94,7 | 94,7 |
| 12 tot 20 jaar | 90,9 | 92,4 |
| 20 tot 30 jaar | 89 | 89,1 |
| 30 tot 40 jaar | 83 | 81,2 |
| 40 tot 50 jaar | 80,2 | 79,0 |
| 50 tot 60 jaar | 75,2 | 80,3 |
| 60 tot 70 jaar | 70 | 69,0 |
| 70 jaar of ouder | 57,5 | 50,4 |
Fitness op alle leeftijden, vooral 15- tot 30-jarigen
Fitness was in 2024 de sport met de meeste deelnemers. Bij jongeren onder de 12 jaar is de deelname het laagst: 7 procent. Tussen de 20 en 30 jaar is de deelname het hoogst: meer dan de helft heeft in 2024 gefitnest. Dit aandeel is vervolgens weer gestaag groter naarmate de leeftijd hoger is.
Onder 6- tot 12-jarigen is zwemmen de meestgenoemde sport, gevolgd door voetbal en dansen. Voor 12- tot 20-jarigen is voetbal de meestgenoemde sport, gevolgd door zwemmen, en op de gedeelde derde plaats staan hardlopen en bowlen. Bij mensen van 70 jaar of ouder is wandelsport het meestgenoemd, gevolgd door fitness. Denksport komt op de derde plaats.
3.3 Sportdeelname naar inkomen
Hogere inkomens sporten vaker dan lagere, verschil toegenomen
Hoe hoger het inkomen van een huishouden, des te vaker mensen minimaal één keer per jaar aan sport doen. Van de mensen in de laagste inkomensgroep deed bijna 66 procent in 2024 aan een sport. Onder de hoogste inkomens was dit 89 procent. In 2014 was dit 72 procent voor de laagste inkomensgroep en 88 procent voor de hoogste inkomens. Bij de laagste inkomensgroep is de deelname dus gedaald. Het verschil tussen de laagste en hoogste inkomens is daarmee groter geworden.
| 2024 (% van personen van 6 jaar of ouder) | 2014 (% van personen van 6 jaar of ouder) | |
|---|---|---|
| Laagste 20%-inkomensgroep | 65,5 | 71,7 |
| 2e 20%-inkomensgroep | 65,7 | 67,2 |
| 3e 20%-inkomensgroep | 80,3 | 79 |
| 4e 20%-inkomensgroep | 83,7 | 82,1 |
| Hoogste 20%-inkomensgroep | 89,1 | 88,1 |
Verschillende sporten per inkomensgroep
Een aantal sporten worden vaker gedaan door de hoogste inkomensgroep dan door de twee laagste inkomensgroepen: biljart, fitness, golf, hardlopen, hockey, padel, schaatsen, wintersport, tennis, wandelsport, wielrennen, mountainbiken, yoga/pilates en zeilen/surfen. Geen enkele sport wordt meer gedaan door laagste inkomensgroepen dan de hoogste.
Laagste inkomensgroep: 6 op de 10 vinden kosten sport te hoog
In de laagste inkomensgroep zegt 69 procent van de mensen van 18 jaar of ouder dat ze de kosten om te sporten in het algemeen te hoog vinden. Bij mensen met de hoogste inkomens is dit 43 procent. Daarnaast geeft 32 procent van de laagste inkomens aan niet genoeg geld over te houden voor sportieve activiteiten na het betalen van de vaste lasten. Bij mensen in de hoogste inkomensgroep is dit 6 procent.
Ook zegt 27 procent in de laagste inkomensgroep dat de sport die ze het liefste zouden willen doen niet kunnen betalen. Voor mensen met de hoogste inkomensgroep is dat 7 procent. Eenzelfde beeld is te zien bij de vraag of men vaker zou sporten als het gratis zou zijn. Hierbij geeft 54 procent van de laagste inkomensgroep aan vaker te sporten als het gratis zou zijn, en 30 procent van de hoogste inkomensgroep.
| Helemaal eens (% van personen van 18 jaar of ouder) | Eens (% van personen van 18 jaar of ouder) | Niet eens, niet oneens (% van personen van 18 jaar of ouder) | Oneens (% van personen van 18 jaar of ouder) | Helemaal oneens (% van personen van 18 jaar of ouder) | |
|---|---|---|---|---|---|
| Laagste 25%-inkomensgroep | 23,3 | 45,6 | 19,7 | 9,8 | 1,6 |
| 2e 25%-inkomensgroep | 18,3 | 44,8 | 25,6 | 10,2 | 1,1 |
| 3e 25%-inkomensgroep | 16,9 | 43,3 | 26,3 | 12,3 | 1,1 |
| 4e 25%-inkomensgroep | 11,0 | 37,7 | 35,2 | 14,8 | 1,3 |
| Hoogste 25%-inkomensgroep | 9,2 | 34,0 | 36,4 | 17,2 | 3,2 |
| Helemaal eens (% van personen van 18 jaar of ouder) | Eens (% van personen van 18 jaar of ouder) | Niet eens, niet oneens (% van personen van 18 jaar of ouder) | Oneens (% van personen van 18 jaar of ouder) | Helemaal oneens (% van personen van 18 jaar of ouder) | |
|---|---|---|---|---|---|
| Laagste 25%-inkomensgroep | 11,9 | 23,5 | 19,5 | 29,6 | 15,6 |
| 2e 25%-inkomensgroep | 9,6 | 11,5 | 19,9 | 41,5 | 17,5 |
| 3e 25%-inkomensgroep | 6,0 | 9,4 | 16,2 | 46,9 | 21,6 |
| 4e 25%-inkomensgroep | 3,0 | 6,5 | 15,2 | 48,0 | 27,3 |
| Hoogste 25%-inkomensgroep | 3,2 | 4,5 | 10,1 | 45,2 | 37,0 |
3.4 Sportdeelname naar plaats in het huishouden
Sportdeelname verschilt ook naar iemands plaats in het huishouden, zoals alleenwonenden of samenwonenden zonder of met kinderen. Deze groepen verschillen in welke sport zij het meest beoefenen. Fitness wordt het meest gedaan door alleenstaande ouders, terwijl wandelsport het meest wordt gedaan door leden van een paar zonder kinderen. Zwemmen en voetbal worden het meest gedaan door thuiswonende kinderen, wat voornamelijk met leeftijd te maken heeft: thuiswonende kinderen zijn meestal jong en zwemmen en voetbal worden het meest gedaan door jonge mensen. Hardlopen is het populairst onder leden van een paar met kinderen.
| Sport | Totaal (% van personen van 6 jaar of ouder) | Alleenstaande (% van personen van 6 jaar of ouder) | Lid paar zonder kinderen (% van personen van 6 jaar of ouder) | Lid paar met kinderen (% van personen van 6 jaar of ouder) | Alleenstaande ouder (% van personen van 6 jaar of ouder) | Thuiswonend kind (% van personen van 6 jaar of ouder) |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Fitness | 30,2 | 30,6 | 30,1 | 27,4 | 33,8 | 32,1 |
| Wandelsport of nordic walking | 21,5 | 21,6 | 27,6 | 23,4 | 22,8 | 11,8 |
| Zwemmen of waterpolo | 20,2 | 18,8 | 15,9 | 21,1 | 14,1 | 27,6 |
| Hardlopen, joggen of trimmen | 15,7 | 12,4 | 13,1 | 20,9 | 11,3 | 17,2 |
| Veldvoetbal of zaalvoetbal | 13,1 | 6,5 | 4,0 | 10,9 | 4,0 | 35,2 |
3.5 Sportdeelname en gezondheid of beperking
Mensen die aangeven een goede gezondheid te hebben, geven vaker dan mensen met een slechte gezondheid aan de afgelopen 12 maanden een sport te hebben beoefend. In 2024 sportte 84 procent van de mensen met een goede of zeer goede gezondheid.
Dit aandeel was 42 procent voor mensen met een slechte of zeer slechte gezondheid. Van de mensen die aangaven geen goede en geen slechte gezondheid te hebben, had 63 procent in het afgelopen jaar gesport. Dit is voor alle drie de groepen ongeveer gelijk gebleven ten opzichte van 2014.
Soort sport hangt samen met gezondheid
Bij mensen die aangeven een hele goede gezondheid te hebben, zijn zwemmen en hardlopen populairder dan fitness, wat over het algemeen de populairste sport is. Mensen met naar eigen zeggen een slechte gezondheid doen het vaakst aan wandelsport, gevolgd door fitness, zwemmen en hardlopen. Ook doen mensen met een slechte gezondheid vaker dan gemiddeld aan een overige, niet gevraagde, sport.
Mensen met beperking sporten minder
Mensen die een beperking of chronische aandoening hebben, sporten over het algemeen minder vaak dan mensen die dat niet hebben. De verschillen tussen deze groepen zijn in de afgelopen jaren kleiner geworden. Van de mensen die aangaven een beperking of chronische aandoening te hebben, sportte 70 procent jaarlijks in 2024. Dit is 8 procentpunt lager dan het gemiddelde.
In 2014 was het verschil tussen mensen met en zonder een beperking nog 13 procentpunt (respectievelijk 64 procent en 79 procent). Mensen met een beperking deden in 2024 dus vaker jaarlijks aan sport dan in 2014