Deelname aan sport en beoefening van culturele hobby’s, 2014-2024

2. Data en methode

2.1 Bron

De data zijn afkomstig uit het CBS-onderzoek Vrijetijdsomnibus (VTO). Deze wordt elke twee jaar onder inwoners van Nederland van 6 jaar of ouder afgenomen. Voor respondenten van 12 jaar of jonger wordt de vragenlijst samen of door een ouder of verzorger ingevuld. De VTO is een onderzoek naar de kernthema’s cultuurparticipatie en sportbeoefening, waarbij de interesse in, bezoek aan en beoefening van sport en cultuur centraal staat. Daarnaast wordt elke twee jaar een bepaald thema verder uitgediept. De VTO is opgezet om ontwikkelingen in kernindicatoren voor sport- en cultuurbeleid mee vast te stellen.

De vragenlijst kan op twee manieren worden ingevuld: online (CAWI) of samen met een interviewer (CAPI). In dit zogenoemde mixed-modedesign worden mensen eerst met een brief benaderd om online deel te nemen. Bij geen gehoor worden verschillende herbenaderingsstrategieën toegepast: mensen kunnen nog een brief thuis ontvangen of persoonlijk benaderd worden.

Het CBS voert dit onderzoek uit sinds 2012. Sinds 2018 wordt dit gedaan op verzoek van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). De data over sport worden geanalyseerd door het Mulier Instituut (op verzoek van VWS), en wordt onder andere gebruikt voor de publicatie van de kernindicatoren over sport en bewegen (RIVM, 2026). De Boekmanstichting analyseert (op verzoek van OCW) de data over cultuur. Deze data worden onder andere gebruikt voor de publicatie van de cultuurmonitor (Boekmanstichting, 2026b) en de rapportage Cultuurparticipatie in cijfers (Boekmanstichting, 2026c).

Meer informatie over de VTO is te lezen in de gepubliceerde onderzoeksdocumentatie (CBS, z.d. a).

Dit artikel beperkt zich tot een gedeelte van de vragenlijst en maakt gebruik van de data uit 6 edities, te weten 2014 tot en met 2024. Aan deze edities hebben in totaal 19 duizend mensen meegedaan. Dat komt neer op een gemiddelde van 3,2 duizend respondenten per editie.

De gegevens uit de vragenlijst zijn aangevuld met gegevens over achtergrondkenmerken uit het Stelsel van Sociaal-statistische Bestanden (CBS, z.d. b). Alleen de achtergrondkenmerken over ervaren gezondheid en het hebben van een beperking komen uit de VTO.

2.2 Analyses

Het artikel beschrijft twee hoofdaspecten uit de VTO over vrijetijdsbesteding: sporten en culturele hobby’s. De focus hierbij ligt op het in aanraking komen met deze twee vormen van vrijetijdsbesteding. Als eerste sportdeelname. Hierbij is gekeken naar het aandeel mensen dat in de afgelopen twaalf maanden aan ten minste één sport heeft gedaan. Daarnaast is onderzocht welke sporten dat waren en hoe de populariteit van die sporten in de gemeten periode veranderde. Ook is bekeken hoe deelname aan sport verschilt naar geslacht, leeftijd, inkomen, stedelijkheid, gezondheid en de plaats in het huishouden.

Als tweede zijn culturele hobby’s onderzocht. In dit artikel omvat dit de volgende beoefeningen:

  • Instrument bespelen
  • Zingen
  • Toneel spelen
  • Klassiek ballet of moderne dans
  • Volksdans, werelddans, stijldans, street- of breakdance
  • Cabaret of stand-up comedy
  • Tekenen, schilderen of grafisch werk zonder computer
  • Beeldhouwen, boetseren, potten bakken, sieraden maken of textiele werkvormen
  • Film, videokunst, grafisch ontwerp met de computer of fotografie
  • Verhalen, gedichten of weblogs schrijven
  • Gamen op telefoon, tablet, (spel)computer

Hierbij is per culturele hobby gekeken naar het aandeel mensen dat in de afgelopen twaalf maanden deze hobby heeft beoefend. Daarnaast is ook gekeken naar veranderingen door de tijd per culturele hobby en naar verschillen tussen groepen op basis van geslacht, leeftijd, inkomen, stedelijkheid, gezondheid en de plaats in het huishouden.

In dit artikel is de indeling van culturele hobby’s gelijk aan de vragenlijst van de VTO. De culturele hobby’s worden afzonderlijk geanalyseerd en beschreven. Hiermee wijkt deze indeling af van die in de rapportage Cultuurparticipatie in cijfers (Boekmanstichting, 2026c) en andere publicaties van de Boekmanstichting. Daarnaast hoort ‘gamen’ in dit artikel bij de culturele hobby’s, terwijl dit in publicaties van de Boekmanstichting onder consumptie van cultuur, en niet onder beoefening van cultuur, wordt geschaard. De uitkomsten en interpretaties zijn vergelijkbaar.

Naast culturele hobby’s is ook mediagebruik geanalyseerd. Hieronder wordt verstaan: het lezen van boeken (gedrukt, e-boek of luisterboek), het luisteren van muziek (via radio of online radio, streamingsdienst of uit eigen collectie) en het kijken van films en documentaires (op televisie, via een streamingsdienst of via een platform waar zonder abonnement films besteld kunnen worden).

Deelname aan sport en hobby’s is onderzocht met behulp van zowel beschrijvende als multivariate analyse. Bivariate analyses zijn uitgevoerd om eventuele verschillen tussen bevolkingsgroepen te onderzoeken. Indien dergelijke verschillen zijn aangetroffen, zijn logistische multivariate regressieanalyses toegepast om na te gaan of andere achtergrondkenmerken samenhangen met deze verschillen. Een gevonden verschil wordt beschouwd als statistisch significant wanneer het onwaarschijnlijk is dat het verschil op toeval berust. In dit onderzoek wordt een verschil bij een betrouwbaarheid van 95% als statistisch significant beschouwd.

2.3 Achtergrondkenmerken

In dit onderzoek zijn de volgende achtergrondkenmerken gebruikt:

  • Geslacht (man/vrouw);
  • Leeftijd (in elf groepen: 6 tot 12 jaar/ 12 tot 20 jaar/ 20 tot 30 jaar/ 30 tot 40 jaar/ 40 tot 50 jaar/ 50 tot 60 jaar/ 60 tot 70 jaar/ 70 jaar of ouder);
  • Gestandaardiseerd inkomen op huishoudensniveau (in 5 kwintiel-groepen: 1e 20%-groep (laagste inkomens)/ 2e 20%-groep/ 3e 20%-groep/ 4e 20%-groep/ 5e 20%-groep (hoogste inkomens));
  • Gezondheid (heel goed/ goed/ niet goed, niet slecht/ slecht/ heel slecht);- Beperking of chronische aandoening (wel beperking of chronische aandoening/ geen beperking of chronische aandoening);
  • Huishoudenspositie (in vijf groepen: alleenstaande/ lid van paar zonder kinderen/ lid van paar met kinderen/ alleenstaande ouder/ thuiswonend kind).