Auteur(s): Moniek Coumans, Hans Schmeets

Buitengesloten voelen in de samenleving

Over deze publicatie

Hoeveel mensen voelen zich buitengesloten in de samenleving? Hangt dit gevoel samen met de mate waarin mensen daadwerkelijk deelnemen, in de vorm van bijvoorbeeld sociale contacten, werk of deelname aan het verenigingsleven? Vermindert contact met mensen buiten de eigen ‘sociale bubbel’ het gevoel van buitengesloten zijn? Dit is onderzocht voor 15-plussers in 2024.

De belangrijkste bevindingen:
- 15 procent voelt zich buitengesloten;
- Dat aandeel is hoger bij vrouwen, mensen met een lager inkomen of een uitkering en mensen met basisonderwijs, middelbare school- of mbo-diploma;
- Het gevoel buitengesloten te zijn komt vaker voor bij minder deelname aan verenigingen, het ontbreken van betaald werk, en minder sociale contacten.
- Er is geen relatie met het al dan niet geven van onbetaalde hulp, of vrijwilligerswerk.

1. Inleiding

In Nederland doen veel mensen mee in de samenleving. Net zoals in een aantal Scandinavische landen, hebben mensen veel contact met hun familie, vrienden en collega’s op het werk, en zetten zij zich vaak in als vrijwilliger voor organisaties en verenigingen (Schmeets, 2026 in druk; CBS, 2025). Toch zijn er ook veel verschillen tussen groepen mensen. Vooral onderwijsniveau maakt verschil: mensen met basisonderwijs of een vmbo-diploma doen meestal minder vaak mee dan hbo- en universitair geschoolden.

Ook is het niet vanzelfsprekend dat mensen die actief zijn in de samenleving zich daardoor automatisch onderdeel van de maatschappij voelen. Iemand kan bijvoorbeeld veel sociale contacten hebben, anderen helpen, of actief zijn bij een vereniging of als vrijwilliger, en zich toch niet echt erbij voelen horen. Uit eerder CBS-onderzoek blijkt ook dat mensen die sociaal uitgesloten zijn, zich niet altijd buitengesloten voelen (Coumans & Schmeets, 2020). Blijkbaar is het gevoel erbij te horen niet geheel te verklaren door wat mensen doen.

Het is daarom relevant om naast de daadwerkelijke deelname aan de samenleving ook te kijken naar of mensen zelf ervaren dat ze erbij horen of zich buitengesloten voelen. Dat is extra belangrijk omdat onderzoek aantoont dat juist die beleving en het gevoel erbij te horen van belang zijn voor onze kwaliteit van leven. Mensen die zich verbonden voelen in de samenleving hebben vaak een betere mentale en psychische gezondheid, zijn meer tevreden met het leven, hebben een beter sociaal leven, kijken positiever naar de toekomst en voelen zich minder eenzaam (Ross, 2002; Kitchen et al., 2012; Foran, 2025).

Sociale deelname kan verschillende vormen aannemen, zoals contact met familie, vrienden of buren. Die contacten kunnen plaatsvinden met mensen die op elkaar lijken, bijvoorbeeld qua leeftijd, herkomst of onderwijsniveau, maar ook met mensen die anders zijn. Het opzoeken van mensen die hetzelfde zijn kan leiden tot gesegregeerde netwerken, waarbij mensen die niet op elkaar lijken gescheiden van elkaar leven. Voorbeelden daarvan zijn herkomstsegregatie, waarbij mensen vooral optrekken met mensen van dezelfde herkomst (Van Klingeren et al., 2024) en opleidingssegregatie, waarbij mensen vooral omgaan met mensen met hetzelfde onderwijsniveau (CBS, 2023). Zulke ‘sociale bubbels’ kunnen leiden tot minder sociale mobiliteit en meer polarisatie, en worden daarom vaak als ongunstig gezien (Musterd & Ostendorf, 2009; Klingeren, 2024).

Dit roept de vraag op hoe contact binnen en buiten de eigen sociale bubbel samenhangt met het gevoel van buitensluiting. In dit artikel wordt daarbij gekeken naar leeftijd, herkomst en onderwijsniveau. Ook wordt onderzocht of regelmatig contact met mensen die een andere herkomst, leeftijd of onderwijsniveau hebben, samenhangt met het buitengesloten voelen. Op basis van literatuur en eerder onderzoek naar segregatie (Musterd & Ostendorf, 2009; Klingeren, 2024) is de verwachting dat vooral dit type contact bijdraagt aan sociale mobiliteit en onderlinge verbondenheid, en daarmee het gevoel van buitengesloten zijn vermindert. Deze verwachting sluit ook aan bij de theorie over het hebben van zogenoemd ‘bridging’ sociaal kapitaal, waarbij het name de overbruggende contacten tussen groepen van belang zijn voor het sociaal kapitaal (Putnam, 2000).

Dit resulteert in de volgende onderzoeksvragen:

  1. In welke mate voelen mensen zich buitengesloten?
  2. In hoeverre verschillen bevolkingsgroepen, zoals mannen en vrouwen, jongeren en ouderen, en mensen met een verschillend onderwijsniveau of herkomst, of met een andere sociaaleconomische categorie, in de mate waarin zij zich buitengesloten voelen?
  3. In hoeverre hangt het gevoel van buitengesloten zijn samen met deelname aan de samenleving in de vorm van sociale contacten, het helpen van anderen, vrijwilligerswerk, betaald werk en het actief zijn in het verenigingsleven?
  4. Hoe hangt het hebben van contact met mensen van een andere leeftijd, herkomst of een ander onderwijsniveau samen met het gevoel van buitengesloten zijn?

2. Data en methode

2.1 Het onderzoek Sociale samenhang en welzijn

Het onderzoek Sociale samenhang en welzijn (SSW) van het CBS richt zich op deelname aan de samenleving, vertrouwen in de samenleving en het welzijn van mensen. Bij deelname gaat het over hoe vaak mensen contact onderhouden met familie, vrienden en buren, actief zijn in het verenigingsleven, betaald werk doen, vrijwilligerswerk verrichten of andere mensen helpen buiten organisaties om. Sinds 2012 nemen jaarlijks ongeveer 7 500 personen van 15 jaar of ouder deel aan het SSW-onderzoek. In de periode 2012-2024 gaat het in totaal om bijna 100 duizend personen.

Deelname aan sociale leven

In het onderzoek is de deelname aan het sociale leven vastgesteld door na te gaan of mensen dagelijks of wekelijks sociaal contact hebben met familie, vrienden of buren, door elkaar te zien, te bellen, te schrijven of berichtjes te sturen. Het hulp bieden aan anderen buiten het eigen huishouden en buiten organisaties om, de zogenoemde informele hulp, is gemeten door te vragen of iemand in de afgelopen maand dergelijke hulp heeft verleend.

Of iemand betaald werk heeft, is bepaald door te kijken of iemand minstens één uur per week betaald werk heeft. Vrijwilligerswerk is gemeten door te vragen of mensen zich minstens één keer in het afgelopen jaar als vrijwilliger voor een organisatie hebben ingezet (Groffen & Schmeets, 2025). Voor deelname aan het verenigingsleven is nagegaan of iemand in de afgelopen vier weken minstens één keer deel heeft genomen aan activiteiten van één of meerdere verenigingen of organisaties (Groffen & Coumans, 2025).

Buitengesloten voelen

In 2024 is in het onderzoek SSW een aanvullende vraag gesteld over de mate waarin mensen zich buitengesloten voelen in hun sociale leven, op het werk of in de maatschappij als geheel. Daarbij zijn de antwoordopties van 0 tot 10 voorgelegd, waarbij een score van 0 staat voor ‘helemaal niet buitengesloten voelen’ en een 10 voor ‘helemaal buitengesloten voelen’.

In dit artikel worden respondenten met een score van 6 of hoger beschouwd als mensen die zich buitengesloten voelen. Respondenten met een score van 5 of lager worden beschouwd als mensen die zich niet buitengesloten voelen.

Contact met mensen die anders zijn qua leeftijd, herkomst of onderwijsniveau

Het hebben van contact buiten de eigen sociale kring is bepaald door na te gaan of mensen regelmatig (minstens één keer per week) contact hebben met mensen die minstens vijf jaar jonger of ouder zijn, een andere herkomst hebben of een ander onderwijsniveau hebben. Respondenten gaven aan hoe vaak dit contact plaatsvindt, met de antwoordmogelijkheden: ‘dagelijks’, ‘minstens 1x per week maar niet dagelijks’, ‘minstens 1 x per maand, maar niet wekelijks’, ‘minder dan 1x per maand’ of ‘zelden of nooit’.

2.2 Achtergrondkenmerken

In dit onderzoek zijn de volgende achtergrondkenmerken gebruikt:

  • Geslacht (‘mannen’, ‘vrouwen’),
  • Leeftijd (‘15 tot 35 jaar’, ‘35 tot 65 jaar’, ‘65 jaar of ouder’),
  • Herkomst (‘geboren in Nederland en beide ouders ook’, ‘zelf geboren in Nederland, minstens 1 ouder geboren in een land in Europa (exclusief Nederland)’, ‘zelf geboren in Nederland, minstens 1 ouder geboren in een land buiten Europa’, ‘geboren in een land binnen Europa (exclusief Nederland)’, ‘geboren in een land buiten Europa’),
  • Onderwijsniveau (‘basisonderwijs, vmbo, mbo1’, ‘havo, vwo, mbo2-4’ en ‘hbo, wo’),
  • Gestandaardiseerd besteedbaar huishoudensinkomen (laagste 50%-groep en hoogste 50%-groep),
  • Sociaaleconomische categorie (‘werkenden, studenten en mensen met een pensioenuitkering’, ‘mensen met een sociale uitkering, waaronder uitkeringen voor werkloosheid, bijstand, ziekte en arbeidsongeschiktheid’, ‘restgroep zonder inkomen’).

Geslacht, leeftijd en onderwijsniveau zijn uitgevraagd in het onderzoek SSW. Informatie over herkomst, het gestandaardiseerd besteedbaar huishoudensinkomen en de sociaaleconomische categorie is afkomstig uit het Stelsel van Sociaal-Statistische Bestanden (SSB) van het CBS. Dit is vervolgens aan de enquêtegegevens toegevoegd.

2.3 Analyses

De resultaten over de verschillen tussen bevolkingsgroepen in het gevoel van buitengesloten zijn, worden gepresenteerd in tweewegkruistabellen. Geslacht, leeftijd, herkomst, onderwijsniveau, inkomen en de sociaaleconomische categorie hangen echter met elkaar samen. Zo zijn mensen van wie een of beide ouders in het buitenland zijn geboren vaak jonger dan migranten, en hebben hbo- en wo-opgeleiden doorgaans meer te besteden dan mensen met basisonderwijs of een vmbo-diploma. Met logistische regressieanalyses is voor deze verwevenheid gecorrigeerd (zie de tabellen in de Bijlage).

3. Resultaten

3.1 Buitengesloten voelen

Van de 15-plussers voelt 15 procent zich enigszins tot helemaal buitengesloten in hun sociale leven, werk, of de maatschappij. Zij hebben een score van 6 of hoger op de schaal van 0 tot 10. Een ruime meerderheid (78 procent) voelt zich niet buitengesloten (score 0 tot 4) en 7 procent neemt een middenpositie in (score 5).

3.1.1 Buitengesloten voelen in de samenleving, 2024
Score (% van personen van 15 jaar of ouder)
034,2
114,4
215,2
39,3
45,2
56,9
65,5
74,3
83,0
91,1
100,8

3.2 Wie voelt zich buitengesloten?

Vrouwen, mensen met basisonderwijs of een vmbo-diploma en lagere inkomens voelen zich vaakst buitengesloten

Vrouwen geven met 17 procent iets vaker dan mannen (13 procent) aan zich buitengesloten te voelen. Leeftijd maakt geen verschil, maar onderwijsniveau, inkomen, de sociaaleconomische categorie en land van herkomst wel.

Zo voelt 18 procent van de mensen met basisonderwijs of een vmbo-diploma zich buitengesloten, 15 procent van de mensen met een havo-, vwo- of mbo-diploma, en 11 procent van de hbo- of universitair geschoolden. Na correctie voor de andere achtergrondkenmerken valt het verschil tussen mensen met basisonderwijs of een vmbo-diploma en mensen met een havo-, vwo- of mbo-diploma weg.

Mensen met lagere inkomens voelen zich vaker buitengesloten (23 procent) dan mensen met hogere inkomens (13 procent). Daarnaast voelen mensen met een sociale uitkering, zoals een werkloosheids- of bijstandsuitkering, zich vaker buitengesloten dan mensen met betaald werk, studenten, mensen met een pensioen en mensen zonder eigen inkomen. Bij mensen met een sociale uitkering gaat het om 32 procent, bij mensen zonder inkomen om 20 procent en bij studenten, werkenden en gepensioneerden om 13 procent.

Het verschil tussen mensen zonder eigen inkomen en mensen die werken, studeren, of een pensioen hebben, verdwijnt na correctie voor andere achtergrondkenmerken. Dit heeft vooral te maken met de inkomensverschillen tussen deze twee groepen. Het verschil tussen mensen met een sociale uitkering en de andere twee sociaaleconomische categorieën wordt na correctie, waaronder voor inkomen, wel kleiner, maar blijft bestaan. Dat betekent dat er naast een lager inkomen ook andere factoren zijn die maken dat mensen met een sociale uitkering zich vaker buitengesloten voelen.

3.2.1 Buitengesloten voelen naar sociaaleconomische categorie, 2024
Sociaaleconomische categorieVoelt zich buitengesloten (% van personen van 15 jaar of ouder)
Uitkeringsontvanger32,2
Overige (zonder inkomen)19,6
Werknemer, zelfstandige, (school)kind of student, pensioenontvanger13,0

Migranten voelen zich vaakst buitengesloten

Mensen die in een ander land zijn geboren (migranten) voelen zich vaker buitengesloten in hun sociale leven, op het werk of in de samenleving dan mensen met een Nederlandse herkomst (zelf en beide ouders in Nederland geboren) en mensen die zelf in Nederland zijn geboren maar van wie minstens één ouder in het buitenland is geboren.

Bij migranten is er ook een verschil naar herkomstland. Van de migranten die afkomstig zijn uit een land buiten Europa voelt 24 procent zich buitengesloten, en van migranten uit een Europees land is dat 19 procent. Mensen die in Nederland zijn geboren zeggen het minst vaak dat ze zich buitengesloten voelen. Daarbij maakt het weinig verschil of ook hun ouders in Nederland zijn geboren, of dat minstens één ouder afkomstig is uit een ander Europees land of uit een land buiten Europa (respectievelijk 13, 11 en 14 procent).

3.3 Deelname aan de samenleving en buitengesloten voelen

Mensen met regelmatig sociaal contact voelen zich minder vaak buitengesloten

Mensen die vaker sociaal contact hebben, voelen zich minder vaak buitengesloten. Degenen die niet minstens wekelijks contact hebben met hun familie, vrienden of buren voelen zich met 27 procent vaker buitengesloten dan mensen die dat wel hebben (14 procent). Vooral mensen die hun familie of vrienden niet regelmatig zien, spreken of berichten, voelen zich bovengemiddeld vaak buitengesloten; bij beide groepen gaat het om 22 procent. Als mensen geen wekelijks contact hebben met zowel hun familie als vrienden, voelt 25 procent zich buitengesloten. Bij mensen die geen wekelijks contact met hun buren hebben is dat 17 procent.

3.3.1 Buitengesloten voelen naar sociaal contact, 2024
ContactVoelt zich buitengesloten (% van personen van 15 jaar of ouder)
Contact met familie
Wekelijks13,2
Minder dan wekelijks21,6
Contact met vrienden
Wekelijks12,3
Minder dan wekelijks22,2
Contact met buren
Wekelijks12,4
Minder dan wekelijks17,2
Totaal contact met familie, vrienden en buren
Wekelijks14,1
Minder dan wekelijks26,8

Of mensen anderen helpen buiten organisaties om, maakt nauwelijks uit voor het gevoel van buitensluiting. Van de mensen die hulp bieden voelt ruim 13 procent zich buitengesloten, en van de mensen die dat niet doen 15 procent. Als in de analyses wordt gecorrigeerd voor verschillen in achtergrondkenmerken (geslacht, leeftijd, onderwijsniveau, inkomen en herkomst) valt dit geringe verschil helemaal weg (zie Bijlage).

Mensen met betaald werk voelen zich minst vaak buitengesloten

Mensen die minstens 1 uur per week betaald werken, voelen zich minder vaak buitengesloten dan mensen zonder betaald werk: 12 procent tegenover 21 procent.

Actieve deelname aan het verenigingsleven en het doen van vrijwilligerswerk maken minder verschil voor het gevoel van buitengesloten zijn. Van de mensen die minstens één keer per maand deelnemen aan het verenigingsleven voelt 11 procent zich buitengesloten, tegenover 17 procent van degenen die minder vaak actief zijn.

Van de mensen die in het afgelopen jaar vrijwilligerswerk deden voelt 13 procent zich buitengesloten, tegenover 16 procent van degenen die geen vrijwilligerswerk deden. Dit verschil valt echter weg als rekening wordt gehouden met verschillen in andere achtergrondkenmerken tussen vrijwilligers en degenen die geen vrijwilligerswerk deden.  

3.3.2 Buitengesloten voelen naar maatschappelijke participatie, 2024
Deelname aan maatschappijVoelt zich buitengesloten (% van personen van 15 jaar of ouder)
Betaald werk
(minstens 1 uur
per week)
Ja11,9
Nee20,5
Actief voor
verenigingen
Minstens 1 keer per maand10,9
Minder dan 1 keer per maand17,2
Vrijwilligerswerk
(afgelopen
12 maanden)
Ja14,5
Nee16,1

3.4 Contact met mensen van andere leeftijd, herkomst of onderwijsniveau en buitengesloten voelen

Het onderhouden van contact met mensen die anders zijn, blijkt uit te maken voor het gevoel van buitengesloten zijn. Van de 15-plussers heeft 60 procent minstens wekelijks contact met iemand met een andere herkomst, 88 procent heeft wekelijks contact met iemand die minstens vijf jaar jonger of ouder is, en 86 procent ziet, spreekt of bericht wekelijks iemand met een ander onderwijsniveau. Als alle contacten buiten de eigen kring, dus qua leeftijd, herkomst en onderwijsniveau, worden samengenomen, blijkt dat 95 procent minstens wekelijks contact heeft met iemand buiten de eigen sociale bubbel.

Mensen die niet minstens wekelijks contact hebben met mensen van een andere leeftijd of met een ander onderwijsniveau voelen zich met 24 procent vaker buitengesloten dan mensen die dat contact wel hebben (13 procent). Contact met mensen van een andere herkomst speelt een minder grote rol: bij mensen zonder wekelijks contact voelt 16 procent zich buitengesloten, tegenover 13 procent van de mensen die wel wekelijks contact hebben met iemand van een andere herkomst.

Van de mensen die geen wekelijks contact hebben met mensen van een andere leeftijd, herkomst én onderwijsniveau voelt 28 procent zich buitengesloten. Dat is duidelijk hoger dan bij mensen die wel regelmatig dit contact hebben (14 procent).

4. Conclusies en discussie

In Nederland hebben mensen vaak contact met hun naasten, ze helpen elkaar zowel buiten als binnen organisaties en zijn actief bij verenigingen. Dat er veel sociale en maatschappelijke participatie is, betekent echter niet automatisch dat mensen zich er ook helemaal bij voelen horen.

De bevindingen laten zien dat het merendeel van de mensen in Nederland zich sociaal en maatschappelijk verbonden voelt en zich dus niet buitengesloten voelt. Wel zijn er bepaalde bevolkingsgroepen die zich relatief vaak buitengesloten voelen. Dat geldt voor vrouwen, mensen met basisonderwijs, een middelbare schooldiploma of mbo-opleiding, migranten, mensen met een lager inkomen en mensen met een sociale uitkering.

Dat juist deze groepen zich vaker buitengesloten voelen, komt grotendeels overeen met de bevindingen uit ander onderzoek naar de daadwerkelijke deelname van deze groepen op het gebied van sociale contacten, vrijwilligerswerk en deelname aan het verenigingsleven (CBS StatLine, 2025; Groffen & Schmeets, 2025; Groffen & Coumans, 2025). Een uitzondering daarop zijn vrouwen: zij onderhouden juist vaker sociale contacten en helpen vaker anderen in hun vrije tijd dan mannen (CBS StatLine, 2025), en op het gebied van vrijwilligerswerk en de actieve deelname aan verenigingen is er geen verschil tussen mannen en vrouwen (Groffen & Schmeets, 2025; Groffen & Coumans, 2025). Ook uit ander onderzoek blijkt dat vrouwen minder vaak sociaal in de marge leven dan mannen (Coumans & Janssen, 2025). Ook dat komt niet overeen met de bevinding dat vrouwen zich vaker buitengesloten voelen.

Een mogelijke verklaring voor de bevinding dat vrouwen zich vaker buitengesloten voelen dan mannen maar tegelijk vaker sociaal contact hebben, is dat vrouwen over het algemeen minder vertrouwen in andere mensen, oftewel sociaal vertrouwen, hebben (Schmeets, in druk). Sociaal vertrouwen kan van invloed zijn op het buitengesloten voelen, omdat vertrouwen een belangrijk onderdeel is van sociale binding. Zelfs als vrouwen vaker sociaal contact hebben, kan een laag niveau van vertrouwen leiden tot het gevoel dat ze niet echt verbonden zijn met anderen of de samenleving. In tegenstelling tot het eerder genoemde onderzoek naar ‘in de marge leven’ (Coumans & Janssen, 2025) wordt in het voorliggende onderzoek echter alleen naar participatie gekeken en niet naar vertrouwen. Mogelijk is voor vrouwen juist die sociale component van vertrouwen het belangrijkste bij het al dan niet buitengesloten voelen. Om hier meer zicht op te krijgen is ander onderzoek nodig dat dieper ingaat op de subjectieve beleving van binding met de samenleving, en de rol van vertrouwen daarin.

Ook is ingegaan op de vraag of het gevoel van buitengesloten zijn in het sociale leven, op het werk en in de maatschappij, samenhangt met een daadwerkelijk lagere sociale en maatschappelijke deelname. Het antwoord daarop is grotendeels bevestigend. Minder vaak sociale contacten hebben, zowel binnen als buiten de eigen groep, geen actieve deelname aan verenigingen, en geen betaald werk hebben, gaan vaker gepaard met buitengesloten voelen. Het geven van onbetaalde hulp aan anderen en het doen van vrijwilligerswerk hebben daarentegen, na correctie voor achtergrondkenmerken, niet aanvullend een verband met het ervaren van buitensluiting.

Vanuit de theorie over segregatie (Musterd & Ostendorf, 2009; Klingeren, 2024) is de verwachting dat regelmatig contact met mensen die anders zijn qua leeftijd, herkomst en onderwijsniveau belangrijker is voor het gevoel erbij te horen dan frequent contact met familie en vrienden. Als groepen die niet op elkaar lijken gescheiden van elkaar leven, is namelijk de verwachting dat er ‘sociale bubbels’ kunnen ontstaan waardoor mensen zich sneller buitengesloten kunnen voelen. Dit is echter niet in de bevindingen terug te zien. Het percentage mensen dat zich buitengesloten voelt verschilt nauwelijks tussen degenen die niet regelmatig contact hebben met mensen die anders zijn en de mensen die niet regelmatig contact hebben met familie, vrienden en buren.

De bevinding strookt ook niet met de theorie waarin vooral ‘overbruggend’ sociaal kapitaal, zoals contacten tussen verschillende groepen, wordt gezien als bevorderlijk voor de binding van burgers met de samenleving, oftewel de sociale cohesie (Putnam, 2000). Blijkbaar zijn naast deze overbruggende contacten ook de banden met familie en vrienden belangrijk voor het gevoel van saamhorigheid en het gevoel erbij te horen.

Een kanttekening bij dergelijke conclusies is de manier waarop in dit onderzoek is gemeten hoe vaak er contact is met mensen die anders zijn of met de eigen kring van familie en vrienden. Er kan tussen beide contactvormen een overlap zijn. Zo kunnen contacten met mensen die anders zijn qua leeftijd, herkomst en onderwijsniveau ook plaatsvinden binnen de eigen familie- en vriendenkring. Gezien de hoge percentages van beide contactvormen, respectievelijk 95 en 93 procent, zullen veel mensen contact hebben met zowel mensen die anders zijn als met familie en vrienden. Bovendien zijn er nog andere kenmerken denkbaar waarop mensen van elkaar kunnen verschillen en die mogelijk relevant zijn voor het verband tussen divers sociaal contact en het gevoel van buitengesloten zijn. Daarom is meer diepgaand onderzoek nodig om beter vast te stellen hoe verschillende contactvormen, binnen en buiten de eigen sociale kring, en al dan niet met mensen die anders zijn, samenhangen met binding in de samenleving en het gevoel van buitengesloten zijn.

Referenties

Coumans, M. & Janssen, L. (2025). Leven in de marge. Een onderzoek naar mensen die in participatie en vertrouwen aan de kant staan. Statistische Trends.

Coumans, M. & Schmeets, H. (2020). Sociale uitsluiting in Nederland: wie staat aan de kant? Statistische Trends.

CBS (2023). Opleidingssegregatie in Nederland gedaald.

CBS (2025). Monitor brede welvaart.

CBS StatLine (2025). Sociale contacten en maatschappelijke participatie.

Foran, H. (2025). Community and well-being: Exploring sense of belonging among youth. Statistics Canada.

Groffen, D. & Schmeets, H. (2025). Vrijwilligerswerk 2024. Centraal Bureau voor de Statistiek.

Groffen, D. & Coumans, M. (2025). Ontwikkelingen in het verenigingsleven. Statistische trends.

Kitchen, P., Williams, A. & Chowhan, J. (2012). Sense of Community Belonging and Health in Canada: A Regional Analysis. Social Indicators Research, 107, pp. 103–126.

Klingeren, F. van, de Vries, M. & Das, M. (2024). Herkomstsegregatie in Nederland: een netwerkanalyse. Statistische trends.

Musterd, S., & Ostendorf, W. (2009). Residential segregation and integration in the Netherlands. Journal of Ethnic and Migration Studies, 35(9), pp. 1515-1532.

Putnam, R. D. (2000). Bowling alone. The collapse and revival of American community. Simon & Schuster.

Ross, N. (2002). Community belonging and healthHealth Reports., 13(3), pp 33-39.

Schmeets, H. (in druk). Sociale cohesie en veerkracht in Nederland. Mythen, beeldvorming en feiten. Maastricht University Press.

Bijlage

B1 Logistische regressieanalyses: buitengesloten voelen naar bevolkingskenmerken, 2024
Odds ratio (Onge-
corrigeerd)
Odds ratio (Gecorrigeerd voor verschillen in de andere kenmerken)
GeslachtVrouwen (ref=man)1,463***1,423***
Leeftijd35 tot 65 jaar (ref =15 tot 35 jaar)1,0821,058
Leeftijd65-plus (ref = 15 tot 35 jaar)1,0991,093
OnderwijsniveauHavo, vwo, mbo 2-4
(ref= basisonderwijs, vmbo, mbo1)
0,772**0,899
OnderwijsniveauHbo, wo
(ref=basisonderwijs, vmbo, mbo1)
0,538***0,648***
HerkomstGeboren in Nederland, ouders in
Europa (excl NL)
(ref=geboren in Nederland,
beide ouders ook)
0,8220,771
HerkomstGeboren in Nederland, ouder(s)
buiten Europa (ref=geboren
Nederland, beide ouders ook)
1,1401,081
HerkomstEuropa (excl NL)
(ref=geboren in Nederland,
beide ouders ook)
1,582**1,428*
HerkomstBuiten Europa
(ref=geboren in Nederland,
beide ouders ook)
2,069***1,567***
Gest.
Huishoudens-
inkomen
Hoog0,517***0,668***
Sociaaleconomische
categorie
Sociale uitkering
(ref=werkend, student, pensioen)
3,176***2,572***
Sociaaleconomische
categorie
Zonder waargenomen eigen inkomen
(ref=werkend, student, pensioen)
1,633**1,227
-2 log likehood 5453,594
Nagelkerke R Square 0,057
* p<0,05
** p<0,01
*** p<0,001

B2 Logistische regressieanalyses: buitengesloten voelen naar sociale contacten en maatschappelijke participatie, 2024
Odds ratio zonder correctieOdds ratio na correctie achtergrondkenmerken
Wekelijks contact met familie0,550***0,523***
Wekelijks contact met vrienden0,502***0,464***
Wekelijks contact met buren0,681***0,631***
Wekelijks contact met familie, vrienden of buren0,456***0,430***
Informele hulp (afgelopen 4 weken)0,846***0,895
Betaald werk (minstens 1 uur per week)0,536***0,478***
Vrijwilligerswerk (afgelopen 12 maanden)0,800**0,877
Deelname aan verenigingen (afgelopen 4 weken)0,588***0,691***
Wekelijks contact met mensen 5 jaar ouder of jonger0,483***0,524***
Wekelijks contact met mensen ander onderwijsniveau0,476***0,517***
Wekelijks contact met mensen andere herkomst0,805**0,778**
Wekelijks contact met iemand van andere herkomst,
leeftijd of onderwijsniveau
0,431***0,474***
Wekelijks contact met eigen kring (familie of vrienden)0,495***0,461***
*p<0,05
** p<0,01
*** p<0,001
Noot: In de (afzonderlijke) analyses is telkens gecorrigeerd voor de verschillen naar geslacht, leeftijd, onderwijsniveau, herkomst en inkomen