Auteur: Marion van den Brakel, Kai Gidding

Hoe is de financiële welvaart verdeeld?

Over deze publicatie

Volgens een maatstaf voor financiële welvaart gebaseerd op zowel de inkomens- als vermogenspositie van een huishouden, is de welvaart gelijker verdeeld dan het vermogen maar ongelijker dan het inkomen. Ondernemershuishoudens zijn het meest welvarend, gevolgd door werknemers- en pensioenhuishoudens. Huishoudens die voornamelijk rond moeten komen van een uitkering zijn financieel het minst goed af.Regionaal bekeken zijn studentensteden als Groningen, Wageningen en Enschede de minst welvarende gemeenten, terwijl Rozendaal de meest welvarende is. De welvaartsarmoede in Nederland is kleiner dan de inkomensarmoede: waar het aandeel huishoudens met een laag inkomen 7,9 procent was in 2018, was het aandeel met zowel een laag inkomen als een klein vermogen 6,2 procent. Dat is een verschil van 120 duizend huishoudens.

1. Inleiding

In veel landen is het vermogen van huishoudens niet of slechts gedeeltelijk bekend en is men aangewezen op de inkomensverdeling om financiële welvaart te beschrijven. Dat is legitiem als een laag (hoog) inkomen samengaat met een laag (hoog) vermogen. Dat is echter niet altijd zo: zelfstandigen die verlies hebben geleden, hebben doorgaans een buffer in de vorm van bedrijfsvermogen. En bijvoorbeeld jonge stellen van wie de woning onder water staat, kunnen met twee voltijdsbanen een behoorlijk inkomen genereren. In Nederland zijn gedetailleerde vermogensgegevens van alle huishoudens beschikbaar, via bijvoorbeeld banken en de Belastingdienst. Om de financiële welvaart van huishoudens in kaart te brengen, heeft het CBS tot nu toe meestal cijfers over de inkomens- en vermogensverdeling naast elkaar gepresenteerd (zie bijvoorbeeld CBS, 2019a). In dit artikel wordt de inkomens- en vermogenspositie van een huishoudens weergegeven in één indicator: een maat voor financiële welvaart (zie kader).

 
De welvaartsmaat gaat uit van de relatieve inkomens- en vermogenspositie. Een van de redenen hiervoor is het veelvuldig gebruik van inkomen en vermogen als achtergrondvariabele in andere studies over thema’s als onderwijs, gezondheid en veiligheid (zie bijvoorbeeld artikelen in Statistische Trends). Voor zulke studies volstaat doorgaans de relatieve inkomens- en vermogenspositie, zodat de combinatie van inkomen en vermogen in een relatieve welvaartsmaat voor de hand ligt. Verder speelt eenvoud van de maat een belangrijke rol. Een groepsindeling van huishoudens op grond van hun inkomen en vermogen heeft daarom de voorkeur boven een optelling van inkomen en vermogen, zoals bijvoorbeeld OECD (2013) voorstelt 1). Hoewel huishoudens ook op basis van zo’n optelling gerangschikt kunnen worden op een welvaartsladder, gaat die rangschikking niet uit van de ordening op de inkomens- en vermogensladder. Wingen, Berger-Van Sijl, Kunst en Otten (2010) gingen daar wel vanuit en creëerden een welvaartsladder op basis van de som van de relatieve inkomens- en vermogenspositie. Nadeel van die indeling is echter dat de betrekkelijk grote groep met een klein of geen vermogen over ongeveer een kwart de vermogensladder uitgesmeerd is (zie CBS, 2019a), en daarmee staan deze vermogens ook op de welvaartsladder relatief ver uit elkaar. In de hier beschreven welvaartsmaat is dit ondervangen door huishoudens mee te laten tellen op basis van een gewicht dat correspondeert met hun plaats op de inkomens- en vermogensladder.

Aan de hand van de gekozen maat voor financiële welvaart brengt dit artikel in beeld in hoeverre de welvaartsverdeling verschilt van de inkomens- en vermogensverdeling van huishoudens. Ook de samenstelling van de groepen huishoudens op de sporten van de welvaartsladder passeert dan de revue. Verder komt de financiële welvaart van diverse bevolkingsgroepen aan bod. In hoeverre zijn groepen meer of minder dan gemiddeld welvarend? Tot slot ligt de focus op de groep met weinig welvaart: de ‘welvaartsarmen’. Hoe groot is de groep met welvaartsarmoede en hoe heeft de omvang van deze groep zich ontwikkeld sinds 2011?

1) De welvaart van een huishouden definieert OECD als het inkomen aangevuld met een deel van het vermogen. Voor de omvang van dat deel vermogen zijn diverse keuzes mogelijk, bijvoorbeeld door het te laten afhangen van de levensverwachting. Bos (2015) toont aan dat de uitkomsten van zo’n maat weinig afwijken van de voor dit artikel gekozen welvaartsmaat.

2. Welvaartsverdeling

Welvaart ongelijker verdeeld dan inkomen, maar gelijker dan vermogen

De welvaartsverdeling is gelijker dan de vermogensverdeling, maar schever dan de inkomensverdeling. Dit blijkt uit de Lorenzcurven waarin het cumulatieve aandeel van respectievelijk het gestandaardiseerd besteedbaar inkomen, het vermogen en de financiële welvaart is afgezet tegen het cumulatieve aandeel (oplopend gerangschikte) huishoudens.Zo geeft de inkomenscurve voor elk percentage huishoudens aan welk percentage van het totale inkomen zij bezitten. Huishoudens uit de hoogste 20%-groep bezaten 37 procent van het totale inkomen in 2018, 80 procent van het totale vermogen en 46 procent van de totale welvaart. Dat de welvaartsverdeling qua ongelijkheid tussen de inkomens- en vermogensverdeling zit, blijkt ook uit het feit dat de Lorenzcurve van inkomen het dichtstbij die van de gelijke verdeling ligt, en die van vermogen het verst daar vandaan (zie ook figuur 2.1).

De genormaliseerde Gini-coëfficiënt drukt de ongelijkheid van een verdeling uit in een getal tussen 0 (volkomen gelijke verdeling) en 1 (volkomen ongelijke verdeling), zie Bos,Van den Brakel en Otten (2018). In 2018 waren de waarden van Gini-coëfficiënt voor dei nkomens-, vermogens- en welvaartsverdeling respectievelijk 0,29, 0,77 en 0,45. Dit bevestigt nogmaals de tussenpositie van de welvaartsverdeling.

2.1 Lorenzcurven, 2018*
populatieaandeelGelijke verdeling (Cumulatief inkomen/vermogen/welvaart (%))Inkomen (Cumulatief inkomen/vermogen/welvaart (%))Vermogen (Cumulatief inkomen/vermogen/welvaart (%))Welvaart (Cumulatief inkomen/vermogen/welvaart (%))
00000
11-0,132599672-1,610659569-0,00773796
22-0,033363246-2,080281198-0,006354743
330,15223945-2,3709614590,00022389
440,415496168-2,5824371090,014441559
550,748084191-2,7451003230,037976035
661,132826803-2,8733928630,071377965
771,54994077-2,9749994850,11502284
881,990704902-3,0553065710,169671211
992,450903982-3,1177840540,235092144
10102,926082383-3,1652455470,311352701
11113,414212082-3,1998167290,39881035
12123,914045792-3,2234940480,497821415
13134,424991345-3,2381933920,609062148
14144,946383842-3,2460164470,733281296
15155,479088637-3,2496996950,87089005
16166,023685349-3,2507230131,022228121
17176,58004465-3,2507267221,187637268
18187,148056516-3,2505202291,36747087
19197,727480628-3,2495957741,562128521
20208,318084574-3,2476909921,77177962
21218,919653272-3,2447051481,99644347
22229,531784992-3,2406834362,236118721
232310,15398737-3,235673952,49069516
242410,78575346-3,2296186682,760400716
252511,42667417-3,2223684243,045530933
262612,07638352-3,2136982243,346544984
272712,73477231-3,203310843,664009143
282813,40187639-3,1908430553,998699626
292914,07782187-3,1758912044,351482496
303014,76266033-3,1580309274,72336741
313115,45661219-3,1367762095,115374619
323216,15989888-3,1116371275,528287687
333316,87284296-3,0821255895,962821382
343417,5957585-3,0477145436,419686575
353518,32888999-3,0078385996,899368142
363619,07228981-2,9618776027,402226123
373719,82608029-2,9092545287,928554299
383820,59035233-2,8495115178,478462118
393921,36509428-2,7821363829,052046536
404022,15038538-2,7063266029,649297135
414122,94623871-2,62128682210,27014701
424223,75266629-2,5263932510,91440859
434324,56969862-2,42130000111,58201105
444425,39726826-2,30562751412,2729232
454526,235366-2,17886406412,98703375
464627,08400678-2,03997375513,72446523
474727,94326219-1,88682001814,48551285
484828,81312477-1,7179612915,27032413
494929,69358351-1,53428112316,07905781
505030,58457857-1,3336735916,91181536
515131,48614662-1,11349526117,76872775
525232,39833793-0,87270696718,64987086
535333,32137326-0,60996919419,55536345
545434,25537301-0,32368119420,48546738
555535,20051024-0,01184101921,44032372
565636,156871240,32702458722,42022121
575737,124555560,69345616123,42526214
585838,103609291,08906540424,45551509
595939,09417271,51613768225,51127699
606040,096308741,97595353726,59279424
616141,110153272,46980683627,70028223
626242,135785162,99900357228,83403008
636343,173394423,56474858429,99424936
646444,223093214,16828637831,18107591
656545,285076044,81112341732,39480597
666646,359462825,49444611533,63558732
676747,446362356,21933625134,9036548
686848,546093956,98696481636,19944557
696949,658808247,79810658137,5232405
707050,784869228,65355841638,87538943
717151,924597129,55441449540,25618538
727253,0783197810,5017125741,66628578
737354,2464799611,4966782643,10606334
747455,4295716812,5405009944,5761766
757556,6280170213,634800546,07717795
767657,8423408114,781051247,6094964
777759,0731765915,9810358349,17374908
787860,3211595617,2369052450,77056814
797961,5869481618,5509151552,40078907
808062,8713011219,9260988954,06535016
818164,17514521,3659516655,76545302
828265,499505222,8741474257,50192423
838366,8454868824,4556854259,27599633
848468,2144327926,1154884461,08916616
858569,6076651727,8599497662,9430686
868671,0268278929,6965613464,83977685
878772,4738723631,6341130866,78202607
888873,9511783833,6833824968,77316947
898975,4613915135,8571283570,81812376
909077,0079863738,1722122172,92402183
919178,5950952640,6499950575,09865283
929280,2281033743,3183637877,349887
939381,9143184146,2130342879,68734866
949483,6632236549,3843853482,12118292
959585,4888209652,9065848584,66435736
969687,4126371856,8934841287,33295836
979789,471409161,5515918790,1484826
989891,73674467,2993837993,14321779
999994,3939320275,27178696,37183544
100100100100100


Door huishoudens te ordenen op basis van de welvaartsmaat en ze vervolgens gelijkmatig te verdelen in honderd groepen, ontstaan welvaartspercentielgroepen van huishoudens. Ten behoeve van dit artikel worden de honderd welvaartsgroepen ook regelmatig ingedikt tot tien welvaartsdecielgroepen of vijf welvaartskwintielgroepen.

De inkomenspositie is hoger naarmate huishoudens zich in een hogere welvaartsgroep bevinden. In de lagere welvaartsgroepen komt de welvaartsverdeling sterk overeen met de inkomensverdeling. Zo bevindt 90 procent van de huishoudens in de laagste welvaartskwintielgroep zich ook in de laagste inkomenskwintielgroep. De laagste welvaartsgroep bevat overwegend lage vermogens: van ruim 80 procent van de minst welvarende huishoudens valt het vermogen in de eerste of tweede vermogenskwintielgroep. Dit zijn vrijwel allemaal huishoudens met een negatief tot een klein positief vermogen (CBS,2019a).
De hoogste welvaartsgroep bestaat vooral uit huishoudens die hoog op de inkomens- énvermogensladder staan.

2.2 Inkomen en financiële welvaart, 2018*
Categories1Eerste 20% (laag inkomen) (% huishoudens)Tweede 20% (% huishoudens)Derde 20% (% huishoudens)Vierde 20% (% huishoudens)Vijfde 20% (hoog inkomen) (% huishoudens)
Eerste 20%
(lage welvaart)
89,610,4000
Tweede 20%5,972,921,200
Derde 20%2,411,658,627,50
Vierde 20%1,74,415,752,126,1
Vijfde 20%
(hoge welvaart)
0,40,84,420,473,9

2.3 Vermogen en financiële welvaart, 2018*
Categories1Eerste 20% (laag vermogen) (% huishoudens)Tweede 20% (% huishoudens)Derde 20% (% huishoudens)Vierde 20% (% huishoudens)Vijfde 20% (hoog vermogen) (% huishoudens)
Eerste 20%
(lage welvaart)
41,644,912,31,20
Tweede 20%24,633,828,912,20,4
Derde 20%18,113,928,931,27,9
Vierde 20%12,66,423,533,723,8
Vijfde 20%
(hoge welvaart)
3,116,221,768


De sociaaleconomische kenmerken van huishoudens in verschillende welvaartsgroepen variëren. Huishoudens met vooral werknemersinkomen vormen traditioneel de grootste bevolkingsgroep in Nederland. In 2018 domineerden zij het midden en de bovenkant van de welvaartsladder. In de absolute top van de verdeling was het aandeel van zelfstandigen echter groter.

Huishoudens die in 2018 voornamelijk van een bijstands- of andere uitkering moesten rondkomen, bevonden zich voornamelijk in de lagere welvaartsgroepen, vooral in het 5e tot en met 20e percentiel.

2.4 Voornaamste inkomensbron van welvaartsgroepen, 2018*
Categories1Categories2Inkomen als werknemer (% huishoudens)Inkomen als zelfstandige (% huishoudens)Pensioen (% huishoudens)Bijstand (% huishoudens)Overig overdrachtsinkomen (% huishoudens)
1e wel-
vaartsgroep
1e procent44,19,12,72,419,2
1e wel-
vaartsgroep
2e procent45,26,44,28,313,4
1e wel-
vaartsgroep
3e procent42,18,45,88,612,6
1e wel-
vaartsgroep
4e procent37,38,77,611,612,3
1e wel-
vaartsgroep
5e procent25,46,77,823,114,6
1e wel-
vaartsgroep
6e procent20,55,17,726,417,9
1e wel-
vaartsgroep
7e procent18,74,28,430,116,1
1e wel-
vaartsgroep
8e procent16,33,510,331,615,9
1e wel-
vaartsgroep
9e procent15,13933,916,6
1e wel-
vaartsgroep
10e procent14,62,910,132,217,7
2e11e procent152,612,42918,5
2e12e procent15,22,614,126,419,2
2e13e procent17,92,819,915,421,5
2e14e procent19,93267,621
2e15e procent21,22,930,25,717,6
2e16e procent222,934,14,314,3
2e17e procent23,4335,93,312
2e18e procent24,9336,72,610,3
2e19e procent26,12,937,928,7
2e20e procent26,72,7391,67,4
3e21e procent27,32,639,71,36,5
3e22e procent27,72,540,71,15,7
3e23e procent28,62,640,20,95,2
3e24e procent29,72,539,60,84,9
3e25e procent31,22,538,40,84,7
3e26e procent32,92,836,70,64,6
3e27e procent352,834,50,64,7
3e28e procent37,92,931,60,54,6
3e29e procent40,53,228,60,54,7
3e30e procent42,83,526,10,44,8
4e31e procent44,63,624,20,34,8
4e32e procent45,93,722,90,34,7
4e33e procent47,13,921,80,24,6
4e34e procent47,84,1210,24,6
4e35e procent484,220,70,14,5
4e36e procent48,84,320,20,14,2
4e37e procent49,44,319,70,14,1
4e38e procent49,64,419,70,13,8
4e39e procent49,54,519,80,13,7
4e40e procent49,94,419,80,13,4
5e41e procent49,94,519,803,4
5e42e procent49,44,520,403,3
5e43e procent48,74,621,203
5e44e procent48,84,521,303
5e45e procent49,24,720,902,7
5e46e procent49,84,620,402,7
5e47e procent49,84,820,302,6
5e48e procent504,820,202,5
5e49e procent50,44,82002,4
5e50e procent50,14,920,102,5
6e51e procent50,14,920,202,4
6e52e procent50,1520,102,3
6e53e procent50,1520,202,3
6e54e procent50,2520,202,1
6e55e procent49,95,220,302,1
6e56e procent49,75,220,702
6e57e procent49,95,120,601,9
6e58e procent49,95,320,402
6e59e procent49,85,320,501,9
6e60e procent505,420,301,9
7e61e procent50,15,520,201,8
7e62e procent49,95,620,301,7
7e63e procent50,15,72001,7
7e64e procent50,35,819,801,6
7e65e procent5062001,6
7e66e procent50,45,919,701,5
7e67e procent50,46,219,401,6
7e68e procent50,46,319,301,5
7e69e procent50,66,319,201,5
7e70e procent50,56,519,201,4
8e71e procent50,46,719,101,4
8e72e procent50,66,718,901,3
8e73e procent50,66,818,801,4
8e74e procent50,57,118,701,3
8e75e procent50,57,218,701,2
8e76e procent50,47,418,501,3
8e77e procent50,47,618,301,2
8e78e procent50,57,917,901,2
8e79e procent508,318,101,1
8e80e procent508,517,901,1
9e81e procent49,6917,901
9e82e procent49,19,418,101
9e83e procent499,717,801
9e84e procent48,310,417,801,1
9e85e procent47,810,917,901
9e86e procent4711,61801
9e87e procent45,812,318,500,9
9e88e procent44,412,519,700,9
9e89e procent43,61320,200,9
9e90e procent42,613,320,700,9
10e wel-
vaartsgroep
91e procent41,613,721,400,9
10e wel-
vaartsgroep
92e procent40,814,421,500,8
10e wel-
vaartsgroep
93e procent39,515,421,800,8
10e wel-
vaartsgroep
94e procent38,416,32200,8
10e wel-
vaartsgroep
95e procent37,117,72200,8
10e wel-
vaartsgroep
96e procent35,519,521,900,6
10e wel-
vaartsgroep
97e procent33,321,72200,6
10e wel-
vaartsgroep
98e procent29,925,321,800,4
10e wel-
vaartsgroep
99e procent25,129,722,300,4
10e wel-
vaartsgroep
100e procent16,2382300,2

3. Welvaart van bevolkingsgroepen

De financiële welvaart binnen afzonderlijke groepen huishoudens kan anders verdeeld zijn dan de welvaart van de gehele populatie huishoudens in Nederland. Om welvaartsniveaus van verschillende groepen eenvoudig te kunnen vergelijken, is een welvaartsindex ontwikkeld. De index geeft zodoende in één oogopslag een beeld van de onderlinge welvaartsverhoudingen. Voor de gehele populatie huishoudens is de welvaartsindex gelijk aan 50.

De welvaartsindex van huishoudens met vooral werknemersinkomen kwam in 2018 uit op 53,8. Deze groep huishoudens heeft gemiddeld een hoger welvaartsniveau dan gepensioneerden. Hun welvaartsscore bedroeg 49,4 in 2018. Het gemiddeld hogere inkomen van werknemers maakt dus voor het welvaartsniveau meer uit dan het doorgaans grotere vermogen van gepensioneerden. Huishoudens die hun inkomen voornamelijk betrekken uit de eigen onderneming scoren met 66,1 het hoogst op welvaart. Zij hebben zowel het hoogste gemiddelde inkomen als het grootste doorsnee vermogen van de onderscheiden groepen (zie CBS, 2019a). Bijstandsontvangers bevinden zich in de lagere welvaartsregionen (zie figuur 2.4) en dat komt ook tot uitdrukking in hun welvaartsindex van 9,4 in 2018.

3.1 Welvaart van huishoudens naar voornaamste inkomensbron
Categories12012 (welvaartsindex (alle huishoudens = 50))2015 (welvaartsindex (alle huishoudens = 50))2018* (welvaartsindex (alle huishoudens = 50))
Inkomen als werknemer53,554,353,8
Inkomen als zelfstandige65,064,666,1
Pensioen51,251,049,4
Bijstand9,910,19,4
Overig overdrachtsinkomen23,423,023,4


Over een aantal jaren gezien blijkt de welvaartsindex van de diverse bevolkingsgroepenzeer stabiel. De welvaartsniveaus van alleenstaanden en eenoudergezinnen zijn vergelijkbaar en duidelijk lager dan de welvaartsniveaus van paren, met of zonder kinderen. Paren zonder kinderen zijn iets welvarender dan paren met kinderen. Onder paren zonder kinderen bevinden zich meer tweeverdieners die vaak beide voltijds werken,en ook oudere paren die gedurende hun leven vermogen hebben opgebouwd door te sparen en hun huis af te betalen (zie Van den Brakel, Gidding en Huynen, 2018).

3.2 Welvaart van huishoudens naar samenstelling
Categories12012 (welvaartsindex (alle huishoudens = 50))2015 (welvaartsindex (alle huishoudens = 50))2018* (welvaartsindex (alle huishoudens = 50))
Alleenstaande37,638,037,1
Eenoudergezin36,437,037,6
Paar zonder kinderen60,960,960,6
Paar met kinderen58,058,260,1


De welvaart van huishoudens is hoger naarmate de hoofdkostwinner ouder is. Dit is zichtbaar bij zowel alleenstaanden als meerpersoonshuishoudens tot een leeftijd van 65 jaar. Dat komt doordat het inkomen groeit naarmate de arbeidscarrière vordert en er met de jaren steeds meer vermogen wordt opgebouwd. Voor paren lag het welvaartsniveau van 65-plussers in 2018 lager dan voor de groep van 45 tot 65 jaar. Met het bereiken van de AOW-leeftijd gaat het inkomen er immers doorgaans op achteruit. Bij alleenstaanden speelt die inkomensterugval gemiddeld genomen niet (CBS StatLine,2019a). Onder eenoudergezinnen is juist de kleine groep 65-plussers het meest welvarend,vooral dankzij het inkomen van nog thuiswonende kinderen.

3.3 Welvaart van huishoudens naar leeftijd hoofdkostwinner, 2018*
Categories1Tot 25 jaar (welvaartsindex (alle huishoudens = 50))25 tot 45 jaar (welvaartsindex (alle huishoudens = 50))45 tot 65 jaar (welvaartsindex (alle huishoudens = 50))65 jaar en ouder (welvaartsindex (alle huishoudens = 50))
Alleenstaande11,136,840,442,2
Eenoudergezin11,425,844,055,6
Paar zonder kinderen35,162,466,556,8
Paar met kinderen25,952,366,563,7


De welvaartsindex van gemeenten varieert van 36 in de gemeente Groningen tot meer dan 75 in het Gelderse Rozendaal en hangt sterk samen met de bevolkingssamenstelling van gemeenten. Tot de gemeenten met de laagste welvaartsniveaus behoren verder Enschede,Wageningen, Delft en Nijmegen: steden met relatief veel studentenhuishoudens die weinig inkomen hebben en vanwege hun jonge leeftijd doorgaans nog geen vermogen hebben opgebouwd. Naast Rozendaal is het welvaartsniveau ook zeer hoog in Bloemendaal, Laren,Heemstede en Blaricum, gemeenten met een relatief hoog gemiddeld inkomen en vermogen (CBS, 2019a).

3.4 Welvaartsindex, 2018*
GemeentenaamWelvaartsindex
Aa en Hunze56,8
Aalsmeer60,3
Aalten52,1
Achtkarspelen46,2
Alblasserdam50,3
Albrandswaard60,3
Alkmaar49,8
Almelo42,3
Almere48,2
Alphen aan den Rijn54,7
Alphen-Chaam65,4
Altena56,6
Ameland54,8
Amersfoort53,1
Amstelveen55,3
Amsterdam44,2
Apeldoorn50,7
Appingedam41,1
Arnhem40,8
Assen46,6
Asten56,6
Baarle-Nassau58,1
Baarn58,3
Barendrecht59,5
Barneveld57,3
Beek54,3
Beekdaelen54,6
Beemster64,8
Beesel50,8
Berg en Dal51,6
Bergeijk63,1
Bergen (L.)53,1
Bergen (NH.)63,6
Bergen op Zoom49,8
Berkelland54,7
Bernheze59,8
Best58,8
Beuningen55,4
Beverwijk48,0
De Bilt61,2
Bladel60,8
Blaricum67,3
Bloemendaal72,2
Bodegraven-Reeuwijk60,7
Boekel61,4
Borger-Odoorn50,8
Borne54,1
Borsele56,5
Boxmeer57,5
Boxtel53,8
Breda49,8
Brielle58,6
Bronckhorst59,1
Brummen54,5
Brunssum43,1
Bunnik65,8
Bunschoten59,6
Buren60,3
Capelle aan den IJssel48,1
Castricum63,6
Coevorden50,6
Cranendonck58,0
Cuijk51,4
Culemborg53,5
Dalfsen61,5
Dantumadiel46,9
Delft38,7
Delfzijl43,3
Deurne55,6
Deventer46,4
Diemen46,8
Dinkelland61,3
Doesburg45,6
Doetinchem48,6
Dongen55,5
Dordrecht46,4
Drechterland58,3
Drimmelen58,5
Dronten51,1
Druten53,9
Duiven52,8
Echt-Susteren54,2
Edam-Volendam62,9
Ede53,2
Eemnes63,2
Eersel63,9
Eijsden-Margraten61,0
Eindhoven44,7
Elburg53,3
Emmen43,9
Enkhuizen48,8
Enschede38,5
Epe55,1
Ermelo55,9
Etten-Leur53,6
De Fryske Marren52,9
Geertruidenberg52,4
Geldrop-Mierlo53,5
Gemert-Bakel54,6
Gennep53,8
Gilze en Rijen54,8
Goeree-Overflakkee54,8
Goes51,0
Goirle57,6
Gooise Meren61,7
Gorinchem47,7
Gouda48,8
Grave54,3
's-Gravenhage43,8
Groningen36,3
Gulpen-Wittem55,5
Haaksbergen54,6
Haaren64,7
Haarlem52,7
Haarlemmermeer57,7
Halderberge54,6
Hardenberg51,8
Harderwijk50,9
Hardinxveld-Giessendam54,9
Harlingen43,6
Hattem56,4
Heemskerk53,7
Heemstede68,3
Heerde57,7
Heerenveen49,2
Heerhugowaard52,5
Heerlen39,0
Heeze-Leende65,3
Heiloo62,6
Den Helder44,0
Hellendoorn54,2
Hellevoetsluis52,6
Helmond45,8
Hendrik-Ido-Ambacht56,1
Hengelo45,8
's-Hertogenbosch51,1
Heumen60,3
Heusden56,4
Hillegom55,0
Hilvarenbeek64,6
Hilversum52,6
Hoeksche Waard58,0
Hof van Twente56,1
Het Hogeland47,9
Hollands Kroon54,3
Hoogeveen46,1
Hoorn49,1
Horst aan de Maas57,4
Houten61,6
Huizen55,5
Hulst55,0
IJsselstein56,0
Kaag en Braassem59,7
Kampen48,8
Kapelle58,4
Katwijk55,3
Kerkrade40,5
Koggenland60,1
Krimpen aan den IJssel52,9
Krimpenerwaard56,4
Laarbeek57,0
Landerd61,3
Landgraaf46,2
Landsmeer63,7
Langedijk57,8
Lansingerland62,5
Laren70,3
Leeuwarden41,1
Leiden43,5
Leiderdorp57,3
Leidschendam-Voorburg55,4
Lelystad44,7
Leudal58,1
Leusden61,8
Lingewaard55,6
Lisse55,2
Lochem59,5
Loon op Zand55,1
Lopik61,3
Loppersum49,2
Losser52,4
Maasdriel57,9
Maasgouw56,4
Maassluis48,9
Maastricht40,0
Medemblik54,6
Meerssen57,5
Meierijstad56,7
Meppel48,5
Middelburg49,3
Midden-Delfland64,8
Midden-Drenthe53,5
Midden-Groningen44,4
Mill en Sint Hubert58,5
Moerdijk54,5
Molenlanden59,5
Montferland51,9
Montfoort61,9
Mook en Middelaar62,0
Neder-Betuwe53,4
Nederweert58,1
Nieuwegein51,5
Nieuwkoop61,2
Nijkerk57,8
Nijmegen39,3
Nissewaard48,5
Noardeast-Frysl�n46,7
Noord-Beveland54,4
Noordenveld55,0
Noordoostpolder50,2
Noordwijk57,2
Nuenen, Gerwen en Nederwetten63,9
Nunspeet55,5
Oegstgeest65,8
Oirschot64,4
Oisterwijk60,3
Oldambt42,2
Oldebroek54,4
Oldenzaal50,5
Olst-Wijhe55,5
Ommen56,5
Oost Gelre55,5
Oosterhout52,1
Ooststellingwerf49,6
Oostzaan61,1
Opmeer58,2
Opsterland52,7
Oss51,7
Oude IJsselstreek50,2
Ouder-Amstel62,3
Oudewater62,2
Overbetuwe55,6
Papendrecht53,0
Peel en Maas56,9
Pekela40,6
Pijnacker-Nootdorp62,1
Purmerend49,8
Putten59,0
Raalte56,2
Reimerswaal51,0
Renkum56,2
Renswoude61,6
Reusel-De Mierden62,8
Rheden48,3
Rhenen55,3
Ridderkerk49,7
Rijssen-Holten53,6
Rijswijk49,5
Roerdalen55,0
Roermond45,9
De Ronde Venen62,2
Roosendaal50,1
Rotterdam39,2
Rozendaal75,5
Rucphen55,1
Schagen55,8
Scherpenzeel58,7
Schiedam42,8
Schiermonnikoog54,4
Schouwen-Duiveland55,7
Simpelveld50,8
Sint Anthonis62,6
Sint-Michielsgestel62,9
Sittard-Geleen46,6
Sliedrecht49,6
Sluis54,4
Smallingerland45,5
Soest58,2
Someren57,3
Son en Breugel63,1
Stadskanaal42,9
Staphorst61,3
Stede Broec51,6
Steenbergen50,1
Steenwijkerland50,7
Stein52,9
Stichtse Vecht58,9
S�dwest-Frysl�n49,8
Terneuzen50,3
Terschelling53,5
Texel57,7
Teylingen60,2
Tholen51,5
Tiel47,3
Tilburg42,8
Tubbergen60,9
Twenterand50,4
Tynaarlo59,8
Tytsjerksteradiel52,5
Uden53,6
Uitgeest60,5
Uithoorn55,8
Urk52,2
Utrecht45,6
Utrechtse Heuvelrug60,9
Vaals44,3
Valkenburg aan de Geul52,8
Valkenswaard53,6
Veendam43,2
Veenendaal50,2
Veere62,7
Veldhoven58,2
Velsen52,6
Venlo45,7
Venray52,7
Vijfheerenlanden54,5
Vlaardingen44,7
Vlieland45,8
Vlissingen44,0
Voerendaal57,0
Voorschoten62,2
Voorst59,4
Vught59,0
Waadhoeke48,0
Waalre64,3
Waalwijk50,8
Waddinxveen54,2
Wageningen38,6
Wassenaar63,9
Waterland62,9
Weert52,5
Weesp53,9
West Betuwe59,8
West Maas en Waal57,1
Westerkwartier52,8
Westerveld58,1
Westervoort48,0
Westerwolde48,0
Westland56,7
Weststellingwerf49,2
Westvoorne64,3
Wierden58,7
Wijchen54,8
Wijdemeren62,7
Wijk bij Duurstede59,0
Winterswijk49,5
Woensdrecht55,3
Woerden59,1
De Wolden59,2
Wormerland56,1
Woudenberg60,4
Zaanstad47,6
Zaltbommel55,6
Zandvoort52,8
Zeewolde52,5
Zeist54,1
Zevenaar48,6
Zoetermeer50,1
Zoeterwoude63,2
Zuidplas57,8
Zundert60,2
Zutphen46,6
Zwartewaterland53,4
Zwijndrecht48,3
Zwolle47,8
Nederland = 50

4. Welvaartsarmoede

Of een huishouden risico op armoede loopt bepaalt het CBS doorgaans met de lage inkomensgrens. Deze grens vertegenwoordigt een vast koopkrachtbedrag en wordt jaarlijks alleen voor prijsontwikkeling aangepast. De grens van dit (netto) inkomen is afgeleid van het bijstandsniveau voor een alleenstaande in 1979. Voor meerpersoonshuishoudens is de grens met behulp van equivalentiefactoren aangepast aan de omvang en samenstelling van het huishouden (voor meer uitleg en grensbedragen van diverse typen huishoudens zie o.a. CBS, 2019b). Huishoudens met een inkomen onder de lage-inkomensgrens zijn weliswaar ‘inkomensarm’, maar kunnen een vermogensbuffer achter de hand hebben om hun inkomenstekort te compenseren. Zo komt risico op armoede in alle vermogenspercentielgroepen in meer of mindere mate voor, terwijl dat in inkomensgroepen tot de 20e percentielgroep zo is.

4.1 Risico op armoede, 2018*
   Inkomen (% huishoudens)Vermogen (% huishoudens)
Laagste
10%-groep
11005,542919499
Laagste
10%-groep
21007,405382338
Laagste
10%-groep
31006,531240894
Laagste
10%-groep
41006,325777543
Laagste
10%-groep
51006,394567865
Laagste
10%-groep
61007,040949519
Laagste
10%-groep
71007,467884228
Laagste
10%-groep
868,361459698,251876143
Laagste
10%-groep
959,473625838,915813335
Laagste
10%-groep
1067,073187429,950559134
2e1165,2152741111,0921898
2e1258,6831496912,34189463
2e1350,6314228113,82806416
2e1440,2026396516,65124608
2e1520,7587649723,34724421
2e1610,5513447329,05676483
2e175,54470702346,20862029
2e181,74316179943,87003261
2e190,04632877539,44817301
2e200,00132234935,76001829
3e21035,09923514
3e22037,21207252
3e23036,54891491
3e24032,92988829
3e25029,03230224
3e26025,61084359
3e27022,71326362
3e28019,94489979
3e290,0013096217,70595202
3e30015,79157434
4e31014,18273538
4e32012,79747985
4e33011,58237273
4e34010,1935076
4e3508,277731156
4e360,0013057567,337776315
4e3706,25025627
4e3805,823552612
4e3905,181705877
4e4004,864945329
5e4104,384779612
5e4204,207581179
5e4304,09583311
5e4403,717313166
5e4503,438666667
5e4603,016599276
5e4702,68432355
5e4802,471420075
5e4903,61715749
5e5002,009397312
6e5101,891565949
6e5201,8917361
6e5301,799879572
6e5401,862801528
6e5501,779359431
6e5601,751727561
6e5701,939869281
6e580,0012932761,618486539
6e5901,660925839
6e6001,706377701
7e6101,587612445
7e6201,592580999
7e6301,620923221
7e6401,601585935
7e6501,708143322
7e6601,722499251
7e6701,718096677
7e6801,664320717
7e6901,671835501
7e7001,628948671
8e7101,628579618
8e7201,543652138
8e7301,520208605
8e7401,485773813
8e7501,423529259
8e7601,44933203
8e7701,437163165
8e7801,388599416
8e790,0012903561,390987236
8e8001,412396253
9e8101,373501191
9e8201,334444285
9e8301,342517839
9e8401,347151607
9e8501,446786365
9e8601,453669964
9e8701,382931711
9e8801,559211039
9e8901,56383946
9e9001,589403974
Hoogste
10%-groep
9101,681643466
Hoogste
10%-groep
9201,719100978
Hoogste
10%-groep
9301,969759842
Hoogste
10%-groep
9401,897454508
Hoogste
10%-groep
9502,058247897
Hoogste
10%-groep
9602,270429982
Hoogste
10%-groep
9702,481222481
Hoogste
10%-groep
9802,950692377
Hoogste
10%-groep
9903,724153983
Hoogste
10%-groep
10006,090754044


Het ligt voor de hand bij het vaststellen van armoede rekening te houden met een vermogensbuffer van huishoudens door uit te gaan van de welvaartsmaat.Welvaartsarmoede zou dan gedefinieerd kunnen worden als behorende tot de laagste percentielgroepen van welvaart, bijvoorbeeld de laagste tien. Maar in dat geval zou ieder jaar 10 procent van de huishoudens welvaartsarm zijn en zit de variatie in de kenmerken van huishoudens die tot de laagste welvaartsdecielgroep behoren. Bij het monitoren van armoede gaat het echter vooral om de omvang ervan. Uit eerdere studies komen diverse methoden naar voren om welvaartsarmoede te meten. Globaal gezegd vallen deze methoden uiteen in twee varianten: een huishouden is welvaartsarm als (1) de optelling van het inkomen en (een deel van het) vermogen onder een bepaalde grens valt of als (2)het inkomen en vermogen beide onder bepaalde grenzen liggen. Zo stelt OECD (2013) voor om rekening te houden met een vermogensbuffer door huishoudens met een inkomen onder een zekere armoedegrens en een vermogen tot een bepaald vermogensplafond af te baken als welvaartsarm. Het gekozen vermogensplafond is daarbij gerelateerd aan de armoedegrens. SCP (2018) bestempelt huishoudens als welvaartsarm wanneer de optelling van inkomen en vrij opneembaar vermogen onder de SCP-armoedegrens valt. In het vrij opneembare vermogen blijft de eigen woning buiten beschouwing en bovendien wordt het vertaald in een annuïteit. Ook OECD (2013) noemt deze methode.

Beide genoemde varianten om welvaartsarmoede af te bakenen hebben hun voor- en nadelen (zie bijvoorbeeld OECD, 2013). In dit artikel is uitgegaan van variant (2) (zie Technische toelichting) en zijn huishoudens als welvaartsarm afgebakend als zij een laaginkomen hebben en hun vermogen kleiner is dan een vermogensplafond. In het vermogen zijn de eigen woning (zowel de waarde als de hypotheekschuld), het aanmerkelijk belangen het ondernemingsvermogen buiten beschouwing gelaten, aangezien deze componenten niet vrij opneembaar zijn. Zodoende doen alleen de vermogenscomponenten die inbox 3 van het belastingstelsel vallen mee in de bepaling van welvaartsarmoede, dat wil zeggen het saldo van box 3 sparen en beleggen en de box 3 schulden (studieschulden en overige schulden). Bovendien is dit box 3-vermogen gestandaardiseerd, net als het besteedbaar inkomen (zie bijvoorbeeld CBS, 2019a). Met het meenemen van vermogen inde bepaling van armoede wordt het immers gezien als een stuk inkomen voor consumptiedoeleinden door het gehele huishouden.

Voor het vermogensplafond is uitgegaan van de helft van de lage-inkomensgrens. Dit vermogensplafond is ten eerste ingegeven door het maximale vermogen dat een huishouden (afgezien van een eigen woning) mag hebben om in aanmerking te komen voor een bijstandsuitkering. In 2018 was dat 6 020 euro voor een alleenstaande en het dubbele voor een meerpersoonshuishouden (Rijksoverheid, 2019). Dit maximum vermogen in de Bijstandswetgeving is bijna gelijk aan de helft van de lage-inkomensgrens van een alleenstaande (12 750 euro in 2018) en ook in de periode 2011–2017 was het maximumvermogen jaarlijks ongeveer de helft van die grens. Een tweede reden om te kiezen voorde helft van de lage-inkomensgrens als vermogensplafond is het tekort ten opzichte van de lage-inkomensgrens dat inkomensarme huishoudens in doorsnee hebben. Dit mediane inkomenstekort was in 2018 en in de jaren ervoor maximaal 12 procent (zie CBS, 2019b).Een doorsnee laag-inkomenshuishouden kan dankzij het vermogen langdurig (minimaal vier jaar) net uit de armoede blijven als dit minimaal 48 procent van de lage-inkomensgrens bedraagt.

In 2018 had 6,2 procent van de huishoudens te maken met welvaartsarmoede: zij liepen risico op armoede en hun box 3-vermogen was maximaal de helft van de lage-inkomensgrens. Het risico op inkomensarmoede bedroeg 7,9 procent, een verschil van 1,7 procentpunt oftewel 120 duizend huishoudens. Tussen 2011 en 2013 liepen zowel het risico op inkomensarmoede als de welvaartsarmoede op tijdens de conjuncturele neergang in die jaren. Met het herstel van de economie in 2014 zette een daling van de armoede in, maar in 2016 stabiliseerde het armoederisico. Dit komt vooral voor rekening van Syrische vluchtelingen die inmiddels een verblijfsvergunning hebben en merendeels afhankelijk zijn van een bijstandsuitkering (CBS, 2019a).

4.2 Inkomens- en welvaartsarmoede
 Laag inkomen (% huishoudens)Laag inkomen en weinig vermogen (% huishoudens)
20116,95,2
201286,2
20138,97
20148,56,9
20158,26,5
20167,96,3
20177,96,3
2018*7,96,2


Door bij het bepalen van armoede op bovenstaande manier rekening te houden met een vermogensbuffer die in principe direct te besteden is, verandert alleen het niveau van de armoede (althans landelijk gezien). Dit komt doordat het box 3-vermogen minder fluctueert dan bijvoorbeeld de waarde van de eigen woning en het aanmerkelijk belang(CBS StatLine, 2019b). De omvang van de groep lage inkomens die boven het gehanteerde vermogensplafond vallen zal daarom van het ene jaar op andere jaar weinig veranderen.Er zijn legio varianten denkbaar om vermogen mee te nemen in de bepaling van armoede.Met een vermogensplafond blijft, ongeacht de gehanteerde bovengrens, de uitkomst dat meenemen van vermogen de omvang van armoede dempt.

5. Conclusie

Conform de in dit artikel gehanteerde maatstaf voor financiële welvaart, gebaseerd op zowel de inkomens- als vermogenspositie van een huishouden, is de welvaart gelijker verdeeld dan het vermogen maar ongelijker dan het inkomen. Ondernemershuishoudens zijn het meest welvarend, gevolgd door werknemers- en pensioenhuishoudens.Huishoudens die voornamelijk rond moeten komen van een uitkering zijn financieel het minst goed af. Uit de vergelijking tussen huishoudenstypen blijkt dat paren welvarender zijn dan alleenstaanden en eenoudergezinnen. Vooral wanneer de hoofdkostwinner 45 jaar of ouder is, staan paren er financieel goed voor. Tot 45 jaar zijn paren zonder kinderen financieel het beste af. Studentensteden als Groningen, Wageningen en Enschede blijken de minste welvarende gemeenten, terwijl Rozendaal de meest welvarende is.

Waar het risico op inkomensarmoede 7,9 procent bedroeg in 2018, was het aandeelhuishoudens met zowel een laag inkomen als een klein vermogen 6,2 procent. Dit betekent dat 120 duizend huishoudens in Nederland weliswaar een laag inkomen hebben,maar beschikken over een vermogensbuffer (in de vorm van spaargeld of andere liquide middelen) om dit tekort (tijdelijk) op te vangen.

Technische toelichting

Gestandaardiseerd besteedbaar inkomen

Het besteedbare inkomen van een huishouden bestaat uit het bruto-inkomen (inkomen uit arbeid, eigen onderneming en vermogen, uitkeringen en ontvangen overdrachten) verminderd met betaalde overdrachten (bijv. partneralimentatie), premies en belasting op inkomen en vermogen. Het besteedbaar inkomen wordt gecorrigeerd voor verschillen in grootte en samenstelling van het huishouden. Dit gebeurt door het huishoudensinkomen te delen door een factor die uitdrukt hoe groot het schaalvoordeel is bij het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. Hierbij is het eenpersoonshuishouden als norm gekozen. Standaardisatie maakt de inkomenswelvaartsniveaus van huishoudens onderling vergelijkbaar.

Vermogen

Het vermogen is het saldo van bezittingen en schulden. De bezittingen omvatten bank- en spaartegoeden, effecten, eigen woning en ander onroerend goed, ondernemingsvermogen, aanmerkelijk belang en overige bezittingen. De schulden betreffen de hypotheekschuld eigen woning, studieschulden en overige schulden. De hypotheekschuld is de stand van de schuld waarover rente is verschuldigd. Opgebouwde tegoeden voor de aflossing van de hypotheek via spaar- en beleggingshypotheken kunnen niet worden waargenomen en zijn daarom niet in mindering gebracht op de hypotheekschuld. Ook worden pensioenaanspraken niet tot het vermogen gerekend.

Welvaartsmaat

In een populatie bestaande uit N huishoudens waarin xk het gestandaardiseerd besteedbaar inkomen van huishouden k is en de huishoudens gerangschikt zijn naar hoogte van hun inkomen, is het cumulatieve aandeel van huishouden k in het inkomen gelijk aan:
 k
gk=∑(i=1) xi

 


met TiN(i=1) xi het totale inkomen van de populatie. Met yk het vermogen van huishouden k is het cumulatieve aandeel in vermogen:

vk=∑(i=1) xi

waarbij T^V=∑_(i=1)^i het totale vermogen van de populatie is. De welvaart van huishouden k is simpelweg gedefinieerd als de optelling van deze cumulatieve aandelen:
w_k=g_k+v_k.

Bij louter niet-negatieve inkomens (vermogens) is de rangschikking naar hoogte van het cumulatieve inkomen (vermogen) dezelfde als de oorspronkelijke naar inkomen (vermogen). Om in geval van negatieve waarden ervoor te zorgen dat het huishouden met kleinste (meest negatieve) inkomen dan wel vermogen het kleinste cumulatieve aandeel heeft, worden de negatieve inkomens (vermogens) eerst aflopend geordend en worden de cumulatieve aandelen bepaald. Daarna worden deze huishoudens weer in de oorspronkelijke volgorde gezet en gaat de vaststelling van de cumulatieve aandelen verder vanaf het eerste huishouden met een niet-negatieve waarde. Dit bewerkstelligt een oplopende rangschikking van de cumulatieve aandelen, die gelijk is aan de oorspronkelijke rangschikking volgens inkomen (vermogen). In onderstaande tabel is voor twee voorbeeldpopulaties – elk bestaande uit vijf huishoudens – de welvaartsmaat bepaald, de eerste populatie zonder en de tweede met negatieve waarden. In het tweede voorbeeld heeft huishouden 2 weliswaar het kleinste vermogen, maar zou het bij aanhouden van de oorspronkelijke rangorde niet het kleinste cumulatieve vermogensaandeel hebben. Dat is voorkomen door de twee huishoudens met negatief vermogen van plaats te verruilen. Omdat het cumulatieve aandeel van de kleinste niet-negatieve waarde (huishouden 3) alleen afhangt van dat van z’n voorganger, komt het aandeel van de allergrootste waarde boven de 1 uit. Voor de welvaartsmaat maakt dat niet uit, maar eventueel kan genormeerd worden.

Welvaartsarmoede

Het annuïtair meenemen van vermogen gaat uit van de veronderstelling dat het armoedeperspectief en de vermogenssituatie voor een langere periode stabiel zijn, zodat het opsouperen van het vrij opneembare vermogen op gestage en constante wijze kan plaatsvinden. Een ideaaltypisch voorbeeld zijn arme gepensioneerden die hun huis hebben verkocht en vervolgens maandelijks een vast deel van de opbrengst aan hun inkomen kunnen toevoegen. De achterliggende veronderstelling van de annuïteitenaanpak is echter minder realistisch voor de huishoudens die zich in jongere stadia van de levensloop bevinden. Hier is veel dynamiek en daardoor ook een voortdurend veranderend perspectief in (inkomens)armoede en vermogenssituatie.

T1. Welvaart van twee voorbeeldpopulaties
HuishoudenInkomen (in euro)Vermogen (in euro)Cumulatief aandeel inkomenCumulatief aandeel vermogenCumulatief aandeel welvaartVolgnummer rangschikking (Cumulatief) inkomenVolgnummer rangschikking (Cumulatief) vermogenVolgnummer rangschikking welvaart
Voorbeeld 1 Huishouden 1501000,1180,7300,848142
Voorbeeld 1 Huishouden 275500,2940,1120,406211
Voorbeeld 1 Huishouden 3801200,4821,0001,482354
Voorbeeld 1 Huishouden 4100800,7180,2921,010423
Voorbeeld 1 Huishouden 5120951,0000,5061,506535
Voorbeeld 2 Huishouden 150-100,118-0,0670,051121
Voorbeeld 2 Huishouden 275-200,294-0,2000,094212
Voorbeeld 2 Huishouden 380100,4820,0000,482333
Voorbeeld 2 Huishouden 4100800,7180,5331,251444
Voorbeeld 2 Huishouden 5120901,0001,1332,133555


De overweging bij de in dit artikel gekozen variant (2) is ook dat alleen voor huishoudens met weinig inkomen het vermogen dit tekort zou moeten kunnen compenseren. Het omgekeerde, dat huishoudens zonder armoederisico door een negatief vermogen (meer schulden dan bezittingen) onder de streep belanden, is niet wenselijk. Zulke huishoudens hebben immers in principe voldoende financiële middelen om in basisbehoeften te voorzien en hoeven hun schulden doorgaans niet direct af te betalen. Een val onder de armoedegrens komt echter voor bij een optelling van inkomen en (een stuk) vermogen. Zo kwamen in 2018 ruim 278 duizend huishoudens zonder armoederisico door hun box 3-vermogen bij hun inkomen te tellen toch onder de lage-inkomensgrens terecht. Door slechts een kwart 2) van het vermogen mee te tellen (schulden hoeven immers doorgaans niet binnen een jaar afbetaald te worden) waren dat er 77 duizend.

Huishoudens net boven de lage-inkomensgrens kunnen door een kleine schuld onder de streep terecht komen. Ook zijn er huishoudens met een klein tekort ten opzichte van de lage-inkomensgrens en net voldoende vermogen om boven de streep te belanden. Hun financiële situatie verbetert echter weinig door hun vermogen in te tellen, evenals die van huishoudens met een klein overschot en een kleine schuld nauwelijks verslechtert. Bewegingen rondom de lage-inkomensgrens zouden weliswaar vermeden kunnen worden door alleen substantieel 3) box 3-vermogen mee te nemen. Maar een val onder de lage inkomensgrens van huishoudens met een hoog inkomen en grote schulden is daarmee niet te vermijden. Dat kan wel door een inkomens- én vermogensplafond te hanteren.

2) Het box-3 vermogen is hier voor een kwart meegenomen, geënt op de vier jaar die het CBS voor langdurige armoede hanteert. De uitkomsten van een vierjaarperiode zijn nauwelijks anders dan bij een periode van tien jaar of van de levensverwachting van de hoofdkostwinner (niet opgenomen in dit artikel).
3) De absolute waarde van het box 3-vermogen moet een zeker minimum overschrijden. Hier is uitgegaan van een minimum van 10 procent van de lage-inkomensgrens (gebaseerd op het mediane tekort dat sinds 2011 rond de 10 procent ligt, zie CBS 2018). Ondanks dit minimum kwamen er nog 74 duizend huishoudens zonder armoederisico door hun box 3-vermogen bij hun inkomen te tellen onder de lage-inkomensgrens terecht.

Referenties

Bos (2015). Een welvaartsindicator voor sociale statistieken. CBS-notitie, verkrijgbaar op aanvraag.

Bos, W., M. van den Brakel en F. Otten (2018). Meten van inkomen en inkomensongelijkheid. Statistische Trends, juni 2018.

Brakel, M. van den, K. Gidding en B. Huynen (2018). Financiële situatie van een- entweeverdieners. Statistische Trends, augustus 2018.

CBS (2019a). Welvaart in Nederland 2019. Den Haag/Heerlen/Bonaire, Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS (2019b). Armoede en sociale uitsluiting 2019. Den Haag/Heerlen/Bonaire, Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS StatLine (2019a). Inkomen van huishoudens; inkomensklassen, huishoudenskenmerkenhttp://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/83932NED/table?dl=23294.

CBS StatLine (2019b). Vermogen van huishoudens; huishoudenskenmerken,vermogensbestanddelen.

OECD (2013). Framework for Statistics on the Distribution of Household Income, Consumption and Wealth. OECD Publishing.

SCP (2018). De SCP-methode voor het meten van armoede. Herijking en revisie. SCP rapport. Den Haag, Sociaal en Cultureel Planbureau.

Wingen, M., M. Berger-Van Sijl, A. Kunst en F. Otten (2010). Inkomen en vermogen alsindicatoren van gezondheidsverschillen. Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2010.