5. Conclusie en aanbevelingen vervolgonderzoek
De volgende 4 wijzigingen in het statistisch proces van de R&D-statistiek zijn in de referentieperiode vanaf 2013 doorgevoerd:
- De vragenlijst is vanaf 2015 verplicht geworden voor berichtgevers, wat via een handhavingstraject ook wordt gehandhaafd,
- Vanaf 2016 wordt apart naar ingeleend personeel (uitgaven, headcount en fte) gevraagd,
- In 2019 is de revisie van statistiekjaren van 2013-2017 afgerond, waarbij voor de jaren 2013-2015 het ingeleend personeel is bijgeschat,
- In 2022 is het steekproefontwerp aangepast, waarbij nu ook wordt gestratificeerd naar WBSO (ja of nee) en voor enkele SBI’s naar bedrijf of instelling.
Of deze wijzigingen van invloed zijn op de toename van R&D in verhouding tot S&O zal nader moeten worden onderzocht.
Over het algemeen kan worden geconcludeerd dat alles wat S&O betreft ook onder R&D valt, waarbij slechts een beperkt deel van de onderliggende definities één-op-één met elkaar overeenkomt. De grootste categorie binnen deze definities betreft niet-S&O, maar wel R&D onder bepaalde voorwaarden. Deze voorwaarden zijn meestal wel sterk afhankelijk van de interpretatie van de berichtgever die de vragenlijst invult.
De belangrijkste 2 verschillen tussen R&D en S&O hebben te maken met ingeleende arbeid en niet-ondernemingen/publieke kennisinstellingen. Ten eerste wordt ingeleende arbeid per definitie uitgesloten van S&O, terwijl dit volledig onderdeel uitmaakt van eigen (“intramural”) R&D. Ten tweede komen niet-ondernemingen/publieke kennisinstellingen niet in aanmerking voor WBSO, maar maakt het CBS aan de hand van de vragenlijst wel cijfers over deze groep. Voor een correcte vergelijking tussen R&D en S&O moet hier aan de voorkant dus al rekening mee worden gehouden.
Een gedetailleerde analyse van alle individuele verschillen brengt een aantal focuspunten naar boven. Wat S&O- en R&D-werkzaamheden betreft zullen de volgende elementen de grootste bronnen van verschillen zijn, welke in een volgende fase van het onderzoek verder moeten worden uitgediept:
- De ontwikkelde producten of productieprocessen dienen voor S&O fysiek te zijn, terwijl hier geen restrictie voor geldt wat R&D betreft. Dit zorgt voor verschillen op het vlak van het ontwikkelen van diensten en concepten.
- Onderzoek moet voor S&O van technische aard zijn, terwijl dit niet noodzakelijk is voor R&D. Dit zorgt voor verschillen op het vlak van sociaal/maatschappelijk/cultureel onderzoek.
- Pilot-plants op productieschaal mogen voor S&O geen latere commerciële betekenis hebben, terwijl dit voor R&D geen vereiste is. Eventuele latere commerciële betekenis kan dus van invloed zijn op de verschillen tussen R&D en S&O.
Wat kosten en uitgaven voor S&O en R&D betreft vallen de volgende elementen voornamelijk op:
- Kosten moeten voor S&O uitsluitend dienstbaar zijn aan het speur- en ontwikkelingswerk, maar dit is geen vereiste voor R&D. Er zijn veel verschillende soorten kosten die daardoor wel als R&D kunnen worden opgegeven maar niet onder S&O kunnen vallen.
- Bedrijfsmiddelen moeten voor S&O nieuw vervaardigd zijn, maar dit is geen vereiste voor R&D. Tweedehands apparatuur kan daardoor bijvoorbeeld wel worden opgegeven voor R&D, terwijl dit uitgesloten is voor S&O.
- Kosten van grondverwerving of grondverbetering worden volledig uitgesloten van S&O maar worden wel meegerekend voor R&D, wat potentieel tot grote verschillen kan leiden.
- Nieuwbouw en verbouwing van panden mogen deels worden meegerekend voor S&O, maar kunnen voor R&D volledig worden meegerekend, afhankelijk van de interpretatie van de berichtgever die de vragenlijst van het CBS invult.
- Uitgaven die niet in gebruik zijn genomen in het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft tellen niet mee voor S&O maar wel voor R&D. Dit kan binnen hetzelfde jaar tot grote verschillen leiden; of dit over de jaren heen ook zorgt voor blijvende verschillen moet nader worden onderzocht.
Een deel van deze verschillen valt vanuit microdata van RVO en het CBS af te pellen, maar een deel hangt ook sterk af van de invulling van de vragenlijst door de berichtgever, waardoor het perspectief van de bevraagde ondernemingen ook van belang zal zijn in een vervolgonderzoek.