4. Vergelijking R&D – S&O definities
Om uit te zoeken waar de definities van R&D (zoals gehanteerd door het CBS in de vragenlijst) en S&O (zoals gehanteerd door RVO voor het bepalen en toetsen van de S&O-afdrachtvermindering in het kader van de WBSO) met elkaar overeenkomen en waar deze van elkaar verschillen, zijn beide definities naast elkaar gelegd en gezamenlijk door het CBS en RVO met elkaar vergeleken in een kwalitatieve analyse. Een gedetailleerde lijst is opgesteld voor zowel werkzaamheden als voor kosten/uitgaven met items die mogelijkerwijs onder een van beide definities kunnen vallen. Alle criteria voor S&O en R&D zijn op deze manier met elkaar vergeleken.
Er is geëvalueerd of de afzonderlijke items voldoen aan de toetsingscriteria van RVO, of ze genoemd worden in de vragenlijst van het CBS (en daardoor als eigen R&D kunnen worden opgegeven door een berichtgever) en of ze terug te vinden zijn in de Frascati manual (2015). Dit laatste wordt gedaan om te beoordelen of het betreffende item volgens de internationale definitie onder R&D zou moeten vallen, ongeacht of dit direct van de vragenlijst valt af te leiden.
4.1 Methodiek
RVO heeft de definitie van S&O en (apart) K/U uitgewerkt. Per onderwerp is aangegeven of dit wel of niet tot S&O behoort, waar de relevante passages in wet- en regelgeving te vinden zijn en zijn, waar nodig, nog inhoudelijke toelichtingen geplaatst. Het CBS heeft dit overzicht vervolgens aangevuld vanuit het perspectief van de R&D-vragenlijst en de Frascati manual (2015). In totaal gaat het om 48 deeldefinities van S&O/R&D-werkzaamheden en 11 algemene definities van S&O/R&D kosten/uitgaven met daarin 104 onderliggende definities.
Op basis van gezamenlijk inhoudelijke expertise en het bovengenoemde werkdocument is een inschatting gemaakt van de meest impactvolle verschillen tussen R&D en S&O. In hoofdstuk 4.2 beschrijven we de belangrijkste uitkomsten van dit onderzoek en zijn de meest impactvolle verschillen in tabelvorm samengevat.
4.2 Uitkomsten
Er zijn zowel overeenkomsten als verschillen tussen R&D en S&O. Over het algemeen geldt dat alles wat binnen de gehanteerde definitie van S&O valt ook als R&D kan worden opgegeven in de vragenlijst van het CBS. Daarmee kan worden gesteld dat de definitie van S&O in feite een ondergrens vormt voor de definitie van R&D. In gevallen waarin de benoemde werkzaamheden binnen de S&O-definitie vallen zullen deze vrijwel altijd als R&D geclassificeerd kunnen worden. Het is ook mogelijk dat de werkzaamheden niet voldoen aan de S&O-criteria (en dus worden uitgesloten van WBSO), terwijl deze wel binnen de scope van R&D vallen en dus mogelijk worden opgegeven door de berichtgever die de vragenlijst invult.
Overzichtelijk kunnen de volgende soorten verschillen zich voordoen wanneer R&D met S&O wordt vergeleken:
- Geen S&O, wel (eigen) R&D. Mogelijke oorzaken:
- Duidelijk definitieverschil, waarbij een activiteit expliciet wordt uitgesloten van S&O maar wel wordt genoemd op de R&D-vragenlijst.
- Het is ook mogelijk dat een activiteit in specifieke context wordt uitgesloten van S&O, maar in bredere context wordt genoemd als voorbeeld van R&D op de R&D-vragenlijst.
- Voorbeeld: Werkzaamheden verricht door medewerkers die niet op de loonlijst staan van aanvrager.
- Voorbeeld: Het verrichten van onderzoeks- of ontwikkelingswerkzaamheden door niet-ondernemingen of publieke kennisinstellingen.
- Geen S&O, waarschijnlijk wel (eigen) R&D. Mogelijke oorzaken:
- De activiteit wordt expliciet uitgesloten van S&O, maar wordt niet benoemd in de R&D-vragenlijst. De omschreven activiteit kan waarschijnlijk aan de criteria van R&D voldoen die op de vragenlijst zijn vermeld. Afhankelijk van de interpretatie van de berichtgever die de vragenlijst invult, kan de activiteit worden opgegeven als R&D. Er bestaat dus geen garantie dat dergelijke activiteiten altijd als R&D zullen worden opgegeven.
- Voorbeeld: Het verrichten van sociaal of maatschappelijk onderzoek.
- Deze verschillen zijn in de tabellen in dit hoofdstuk te herkennen aan “ja, mits” voor R&D.
- Geen S&O, in uitzonderlijke gevallen wel (eigen) R&D. Mogelijke oorzaken:
- De activiteit wordt expliciet uitgesloten van S&O, maar wordt niet benoemd in de R&D-vragenlijst. De kans dat de omschreven activiteit aan de criteria van R&D voldoet die op de vragenlijst zijn vermeld is zeer klein, waardoor de activiteit in de meeste gevallen niet tot R&D gerekend kan worden. Omdat echter niet kan worden uitgesloten dat de berichtgever dit toch interpreteert en opgeeft als R&D, kunnen deze in uitzonderlijke gevallen toch meetellen als R&D. Naar verwachting leidt dit niet tot de grootste verschillen tussen R&D en S&O.
- Voorbeeld: Hoewel het niet de bedoeling is dat berichtgevers BTW opgeven als onderdeel van R&D, wordt dit niet genoemd in de R&D vragenlijst.
- Deze verschillen zijn in de tabellen in dit hoofdstuk te herkennen aan “nee, tenzij“ voor R&D.
- (Mogelijk) zowel S&O als (eigen) R&D, waarbij de scope van R&D relatief groter is. Mogelijke oorzaken:
- De activiteit wordt onder specifieke voorwaarden gerekend tot S&O, maar wordt zonder deze voorwaarden genoemd als R&D op de vragenlijst.
- De activiteit wordt onder specifieke voorwaarden gerekend tot S&O, maar wordt in een bredere context genoemd als R&D op de vragenlijst.
- De activiteit wordt onder specifieke voorwaarden gerekend tot S&O, maar wordt niet benoemd in de R&D-vragenlijst. De omschreven activiteit kan waarschijnlijk aan de criteria van R&D voldoen die op de vragenlijst zijn vermeld. Afhankelijk van de interpretatie van de berichtgever die de vragenlijst invult, kan de activiteit worden opgegeven als R&D, waarbij de scope van de opgegeven R&D dus groter kan zijn dan de afgebakende voorwaarden voor S&O.
- Voorbeeld: Het ontwikkelen van (onderdelen van) technisch nieuwe fysieke producten, waarbij in de R&D-vragenlijst niet specifiek technisch en/of fysiek als vereiste wordt genoemd.
- Geen S&O, onduidelijk of er sprake is van (eigen) R&D. Mogelijke oorzaken:
- Sommige activiteiten vallen in een dusdanig grijs gebied wat de R&D-definitie betreft, dat er niet kan worden bepaald of de activiteit per definitie kan voldoen aan de criteria van R&D die op de vragenlijst zijn vermeld. Het betreft bijvoorbeeld activiteiten die afhankelijk van de context als routinematig kunnen worden bestempeld of niet. Naar verwachting leidt dit niet tot de grootste verschillen tussen R&D en S&O.
- Voorbeeld: Onderzoek naar de aanwezigheid van delfstoffen.
| Werkzaamheden | Kosten/Uitgaven (algemeen) | Potentieel grote impact | |
|---|---|---|---|
| Totaal | 48 | 11 | 15 |
| S&O = ja, R&D = ja | 7 | 1 | 4 |
| S&O = ja, R&D = nee | 0 | 0 | 0 |
| S&O = nee, R&D = ja | 3 | 1 | 3 |
| S&O = nee, R&D = ja, mits | 16 | 6 | 8 |
| S&O = nee, R&D = nee | 14 | 0 | 0 |
| Overig | 8 | 3 | 0 |
- Alles wat S&O betreft valt ook onder R&D.
- Slechts een beperkt deel van de onderliggende definities komt één-op-één met elkaar overeen.
- De grootste categorie betreft niet-S&O, maar wel R&D onder bepaalde voorwaarden.
- Onder werkzaamheden zijn ook een aanzienlijk aantal categorieën aanwezig die zowel onder S&O als R&D uitgesloten worden.
- Zowel bij de nee/ja, mits als nee/nee categorie is voor het R&D deel een sterke afhankelijkheid van de interpretatie van de berichtgever.
- Voor de niet-loonkosten (kosten en uitgaven) voor S&O is de mate van dienstbaarheid aan dat S&O bepalend of desbetreffende kosten- of uitgavenpost wel of niet in aanmerking komt. Kosten moeten zelfs uitsluitend dienstbaar zijn aan S&O om voor WBSO te kwalificeren. Dat betekent dat kosten qua aard niet zijn uitgesloten maar die niet volledig toerekenbaar en dienstbaar zijn aan het S&O van aanvrager in het geheel niet in aanmerking genomen mogen worden.
- In 4.2.1 worden de overkoepelende verschillen tussen R&D en S&O beschreven die voor verschillen in de cijfers zorgen.
- In 4.2.2 en 4.2.3 worden specifieke belangrijke verschillen tussen de definities uitgelicht. Samenvattend zijn de vereisten voor S&O dat de ontwikkelde producten of productieprocessen fysiek en technisch van aard zijn vaak een belangrijke factor: ontwikkelde producten hoeven niet fysiek te zijn voor R&D en het ontwikkelen van diensten/concepten of maatschappelijk/sociaal/cultureel onderzoek telt ook als R&D. Daarnaast zorgt de WBSO-vereiste dat kosten wederom uitsluitend dienstbaar zijn voor S&O en de vereiste dat bedrijfsmiddelen nieuw vervaardigd zijn voor S&O potentieel ook voor grote verschillen in kosten en uitgaven. Tot slot zijn er andere opvallende verschillen: zo valt bijvoorbeeld het bouwen van een nieuw systeem (programmatuur) niet onder S&O-werkzaamheden maar wel onder R&D-werkzaamheden, en vallen kosten van grondverwerving of grondverbetering volledig onder R&D maar worden deze uitgesloten van S&O.
Uit de definitievergelijking komt naar voren dat in de periode 2016 t/m 2025 er op 2 onderdelen een wijziging heeft plaatsgevonden in relatie tot de S&O-grondslag: Op 28 oktober 2019 is beleidsregel nr. WJZ/ 19200370, omtrent de uitleg van het begrip ’technisch wetenschappelijk onderzoek’ bij de behandeling van aanvragen van een S&O-verklaring gewijzigd. Deze wijziging per 2020 heeft echter geen gevolgen (gehad) voor de reikwijdte van het begrip TWO in de WBSO. De wetswijziging per 2022 met betrekking tot de definities van kosten & uitgaven is gedaan om de uitvoeringslijn die RVO voorheen al hanteerde en heeft uitgedragen expliciet in de wettelijke kaders te verankeren.
Er kan dus worden geconcludeerd dat wijzigingen in definities niet het verschil kunnen verklaren van de omvang van respectievelijk R&D en S&O die door de jaren heen verder uit elkaar zijn gaan lopen. Het is wel mogelijk dat definities die tussen R&D en S&O verschillen invloed hebben op het toenemende verschil als zo’n definitieverschil door de tijd steeds belangrijker is geworden. Bijvoorbeeld als er relatief meer R&D wordt uitgevoerd door personeel dat niet op de loonlijst staat of als er relatief meer R&D wordt uitgevoerd door niet-ondernemingen.
Alle beoordeelde criteria zijn ook getoetst aan de Frascati manual (2015), waarin de definitie en scope van R&D is vastgesteld op Europees niveau in het kader van dataverzameling door statistiekbureaus. In veel gevallen konden de criteria worden getraceerd in de Frascati manual. Over het algemeen kon worden geconcludeerd dat de definitie van werkzaamheden, kosten en investeringen voor R&D zoals deze zijn vermeld op de vragenlijst grotendeels aansluiten op de definities in de Frascati manual, waarbij de handleiding in sommige gevallen specifiekere afbakeningen vermeldt ten opzichte van de vragenlijst.
4.2.1 Overkoepelende verschillen
De meeste verschillen tussen R&D en S&O vinden we terug in de gehanteerde definities van (eigen) R&D en S&O. Daarnaast zijn echter nog 2 andere randvoorwaarden van belang die ook voor verschillen in de cijfers zorgen. Ten eerste worden werkzaamheden van ingeleende arbeidskrachten (werkzaamheden verricht door medewerkers die niet op de loonlijst staan) volledig uitgesloten van WBSO, terwijl dit wel onderdeel uitmaakt van eigen (“intramural”) R&D. Ten tweede wordt het verrichten van onderzoeks- of ontwikkelingswerkzaamheden door niet-ondernemingen of publieke kennisinstellingen ook volledig uitgesloten van WBSO, terwijl deze groep wel is opgenomen in de R&D-cijfers van het CBS. Niet-ondernemingen en publieke kennisinstellingen vallen binnen de R&D-populatie en kunnen dus in de steekproef getrokken worden. Voor een correcte vergelijking tussen S&O en R&D moet dus ingeleende R&D en R&D verricht door niet-ondernemingen buiten beschouwing worden gelaten. Het ingeleende personeel alsmede de uitgaven die gemoeid zijn met R&D door ingeleend personeel zijn als aparte posten beschikbaar bij het CBS en kunnen dus worden uitgesloten. Voor het uitsluiten van niet-ondernemingen of publieke kennisinstellingen zou in een vervolgonderzoek een lijst kunnen worden opgesteld van eenheden die hieronder worden geschaard, eveneens met als doel uitsluiting van de R&D-cijfers.
4.2.2 Belangrijkste verschillen onder Werkzaamheden
Vervolgens blijven er 2 categorieën over: werkzaamheden die niet voldoen aan de S&O-definitie maar (mogelijk) wel tot R&D tellen, en werkzaamheden die zowel aan de S&O-definitie als R&D-definitie voldoen maar waarbij de scope van R&D groter is. Tabel 4.2.2.1 toont alle verschillen uit de eerste categorie. Tabel 4.2.2.2 die uit de tweede categorie.
Het ontwikkelen van diensten/concepten: Om in aanmerking te komen voor WBSO dient hetgeen wat door de aanvrager wordt ontwikkeld betrekking te hebben op fysieke zaken (producten of productieprocessen) of programmatuur, of onderdelen daarvan. Het enkel ontwikkelen van niet-fysieke zaken als diensten of concepten kwalificeert niet voor WBSO, maar een dergelijke restrictie wordt niet gemaakt voor R&D op de vragenlijst van het CBS. In deze definitie wordt namelijk niet vermeld of een product of productieproces ook daadwerkelijk fysiek moet zijn, wat betekent dat diensten of concepten ook als product kunnen worden gerekend. Het ontwikkelen van nieuwe diensten, mits deze aan de definitie van R&D voldoen (creatief, vernieuwend, systematisch etc.) valt daarom dus onder R&D. Goederen en diensten worden echter niet specifiek genoemd in de vragenlijst, waardoor de invulling 'product' aan de interpretatie van de invuller onderhevig is. Het onderscheid fysiek/niet-fysiek wat door RVO wel wordt gemaakt en niet door het CBS zal ertoe leiden dat relatief meer zaken als R&D worden gerapporteerd dan wat in aanmerking komt voor WBSO. RVO en het CBS schatten in dat de impact van dit verschil relatief groot kan zijn.
Volgens de Frascati manual (2015) tellen diensten en concepten die door middel van R&D worden ontwikkeld mee als producten. Door diensten en concepten niet uit te sluiten van R&D sluit de vragenlijst aan op de internationale definitie.
Het verrichten van sociaal of maatschappelijk/cultureel onderzoek: Zoals genoemd in hoofdstuk 3 valt economisch, sociaal of psychologisch onderzoek niet onder de reikwijdte van het TWO-begrip in de WBSO. Deze soorten onderzoek vallen echter wel binnen de definitie van R&D, en worden ook specifiek uitgevraagd op de vragenlijst van het CBS. Indien het onderzoek voldoet aan de R&D-definitie (mits creatief, vernieuwend, systematisch etc.) mag de berichtgever dit dus meetellen. Het gebruik of marginaal verbeteren van bestaande methoden/modellen voor marktonderzoek, sociaal-demografische vraagstukken e.d. wordt echter wel expliciet uitgesloten. RVO en het CBS schatten in dat de impact van dit verschil duidelijk zichtbaar zal zijn in een directe vergelijking, omdat een significant deel van de respondenten uit de R&D-vragenlijst aangeeft dat het verrichte onderzoek van sociale of culturele aard is. Het overgrote deel van R&D blijft echter nog altijd van technische aard, dus dit verschil zal lang niet de volledige “wig” tussen R&D en S&O (en de ontwikkeling hiervan) kunnen verklaren.
De Frascati manual noemt ook maatschappelijk/sociaal/cultureel onderzoek als onderdeel van R&D, waarbij verschillende voorbeelden worden gegeven. Belangrijk is daarbij wel dat het onderzoek blijft voldoen aan de R&D-definitie; bij veel onderzoeken op dit vlak, zoals beleidsstudies, is dit lang niet altijd het geval.
Het bouwen van een pilot-plant op productieschaal, dan wel een prototype, zijnde een realisatie van het werkingsprincipe, waarvan aannemelijk is dat het een productieve of commerciële betekenis kan hebben: Dergelijke activiteiten zijn uitgesloten van WBSO vanwege de mogelijk productieve of commerciële betekenis. Het bouwen van een pilot-plant wordt in de vragenlijst van het CBS genoemd in de vorm van "het (uit)ontwikkelen van ideeën of prototypes tot bruikbare processen en productierijpe producten". De productieve of commerciële betekenis van een dergelijke pilot-plant wordt daarbij niet expliciet genoemd als reden tot uitsluiting. Dit betekent dat een berichtgever de productie van bijvoorbeeld een pilot-plant op productieschaal volledig mag opgeven als R&D, ook als deze later voor reguliere productie kan worden gebruikt. Uiteraard valt het gebruik van de pilot-plant op dat moment niet meer onder R&D. RVO en het CBS schatten in dat bij grote ondernemingen dit een rol zou kunnen spelen voor het wel opgeven van R&D, maar het niet aanvragen van WBSO. Wat de grootte van dit verschil ongeveer is valt nog niet te bepalen enkel aan de hand van de definities.
In de Frascati manual wordt expliciet genoemd dat een pilot-plant of prototype onder R&D valt, zo lang het primaire doel hiervan een R&D-project is. Zodra het primaire doel commercieel is geworden mag het gebruik van de pilot-plant/prototype niet meer onder R&D vallen. In de toekomst zou dit explicieter kunnen worden uitgesloten in de vragenlijst van het CBS.
Het ontwerpen of bouwen van een nieuw systeem (programmatuur): Hoewel de ontwikkeling van technisch nieuwe programmatuur in aanmerking komt voor WBSO, is dat voor het bouwen van nieuwe systemen niet het geval. De vereiste is dat er bij programmatuurontwikkeling sprake moet zijn van een nieuw informatietechnologisch principe waarbij de WBSO-aanvrager zelf knelpunten oplost; bij het bouwen van systemen is meestal sprake van bestaande informatietechnologische principes. Een voorbeeld is het realiseren van een nieuw softwaresysteem met louter bestaande “ICT-bouwblokken” zoals open source software. Deze restricties zijn niet aanwezig onder de R&D-definitie op de vragenlijst van het CBS: indien de werkzaamheden van de berichtgever worden uitgevoerd t.b.v. R&D mag dit worden meegeteld. Enkel het herschrijven van bestaande software en/of klantspecifiek maken van al op de markt gebrachte software wordt expliciet uitgesloten van R&D. Het is nog onduidelijk hoe groot de rol is van het ontwerpen of bouwen van programmatuur op het verschil tussen S&O en R&D. Omdat de vereisten voor programmatuur relatief specifiek zijn voor WBSO en juist relatief open tot interpretatie op de vragenlijst van het CBS, kan hier sprake zijn van een significant verschil tussen beide. Bovendien is het algemeen bekend dat de ontwikkeling en toepassing van programmatuur steeds belangrijker is geworden. Het bouwen van systemen wordt in de Frascati manual wel genoemd als voorbeeld van R&D.
| Werkzaamheden | S&O? | Eigen (intramural) R&D? |
|---|---|---|
| Het ontwikkelen van diensten | Nee | Ja, mits |
| Het ontwikkelen van concepten | Nee | Ja, mits |
| Het verrichten van sociaal of maatschappelijk onderzoek | Nee | Ja, mits |
| Het verrichten van cultureel onderzoek | Nee | Ja, mits |
| Het bouwen van een pilot-plant op productieschaal, dan wel een prototype, zijnde een realisatie van het werkingsprincipe, waarvan aannemelijk is dat het een productieve of commerciële betekenis kan hebben | Nee | Ja |
| Het ontwerpen of bouwen van een nieuw systeem (programmatuur) | Nee | Ja, mits |
Tabel 4.2.2.2 toont werkzaamheden die zowel aan de S&O-definitie als R&D-definitie voldoen, maar waarbij de scope van R&D groter is. Naar verwachting kan dit verschil in scope ook leiden tot het zichtbare niveauverschil tussen S&O en R&D.
Hoewel alle werkzaamheden aan beide definities voldoen, en ook volgens de Frascati manual geclassificeerd kunnen worden als R&D, zijn de vereisten “fysiek” en “technisch (nieuw)” voor WBSO geen criteria die op de vragenlijst van het CBS worden genoemd. Ten eerste hoeven volgens de vragenlijst de ontwikkelde producten of productieprocessen niet alleen fysiek te zijn, zoals al werd benoemd bij tabel 4.2.2.1. Daarnaast mogen er op de vragenlijst meerdere soorten onderzoek worden opgegeven naast technisch onderzoek, zoals ook is besproken bij tabel 4.2.2.1. Concreet betekent dit dat de scope van de R&D-vragenlijst door het CBS en RVO als veel breder wordt ingeschat wat deze werkzaamheden betreft, wat voor een mogelijk significant deel het niveauverschil tussen R&D en S&O zou kunnen verklaren.
| Werkzaamheden | S&O? | Eigen (intramural) R&D? |
|---|---|---|
| Het verrichten van technisch-wetenschappelijk onderzoek | Ja | Ja |
| Het ontwikkelen van (onderdelen van) technisch nieuwe fysieke producten | Ja | Ja |
| Het ontwikkelen van (onderdelen van) technisch nieuwe fysieke productieprocessen | Ja | Ja |
| Het ontwikkelen van (onderdelen van) technisch nieuwe programmatuur | Ja | Ja |
4.2.3 Belangrijkste verschillen onder Kosten/Uitgaven
Voor kosten en uitgaven is het van belang om naast de overkoepelende verschillen die betrekking hebben op de randvoorwaarden van S&O en R&D ook de kosten van uitbesteed onderzoek specifiek te benoemen. Kosten voor uitbesteed onderzoek worden uitgesloten van S&O. Hoewel deze kosten wel kunnen worden opgegeven in de R&D-vragenlijst, vormen deze geen onderdeel van eigen (“intramural”) R&D en dus ook geen beperking bij het vergelijken van R&D en S&O.
Net zoals bij de werkzaamheden zijn er 2 categorieën van verschillen die hier worden belicht, waarbij enkel de verschillen met mogelijk de grootste impact worden benoemd. Het betreft ook hier kosten/uitgaven die niet voldoen aan de S&O-definitie maar (mogelijk) wel tot R&D tellen, en kosten/uitgaven die zowel aan de S&O-definitie als R&D-definitie voldoen maar waarbij de scope van R&D groter is. Tabel 4.2.3.1 toont alle verschillen uit de eerste categorie, waarbij een onderscheid is gemaakt tussen algemene kosten/uitgaven en specifieke kosten/uitgaven. Tabel 4.2.3.2 toont alle verschillen uit de tweede categorie.
Het verschil tussen S&O en R&D valt meestal te verklaren door de vereiste “uitsluitend dienstbaar” welke wordt gesteld aan kwalificerende kosten voor een WBSO-aanvraag. Kosten moeten zowel uitsluitend dienstbaar als direct toerekenbaar zijn aan de S&O-werkzaamheden, en uitgaven moeten dienstbaar (niet uitsluitend) en direct toerekenbaar zijn aan deze werkzaamheden. Kosten en uitgaven voor R&D vallen binnen de vragenlijst van het CBS onder "Uitgaven voor R&D-werkzaamheden verricht met eigen personeel". Hoewel er in de vragenlijst geen expliciet onderscheid wordt gemaakt tussen kosten en uitgaven, vallen betalingen voor de realisatie van R&D-werkzaamheden (geen loonkosten of investeringen) in de vragenlijst in principe onder "Overige uitgaven van R&D-activiteiten". Betalingen voor de verwerving van bedrijfsmiddelen voor het uitvoeren van R&D-werkzaamheden (geen loonkosten of overige R&D-uitgaven) vallen in de vragenlijst in principe onder "R&D-investeringen in gebouwen, laboratoria of grond voor R&D" of "Andere R&D-investeringen in apparatuur en andere duurzame activa voor R&D". Omdat het een procentuele verdeling van de opgegeven totale uitgaven voor eigen R&D betreft, wordt er hierbij van uitgegaan dat de (overige) kosten direct toerekenbaar zijn aan het uitvoeren van de R&D-activiteit(en). Of deze uitsluitend dienstbaar moeten zijn voor de eigen R&D-werkzaamheden wordt echter niet vermeld. Dit laatste kan ertoe leiden dat bepaalde kosten die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van onderzoek en ontwikkeling, maar niet hiervoor uitsluitend dienstbaar zijn, wel worden opgegeven voor R&D maar uitgesloten zijn van S&O. Een voorbeeld hiervan is de aanschaf van reageerbuisjes voor het laboratorium van aanvrager. Deze worden deels voor S&O en deels voor kwaliteitstesten voor de productie ingezet, waarbij het onderscheid welk deel voor welke activiteit niet kan worden gemaakt.
Kosten van grondverwerving of grondverbetering komen niet in aanmerking voor WBSO, maar worden specifiek als voorbeeld genoemd van R&D. Kosten voor grondverwerving hangen volgens de S&O-definitie in het algemeen te weinig direct samen met S&O-werkzaamheden en worden daarom categorisch uitgesloten. Grondverwerving of grondverbetering kan ook niet worden opgevoerd als S&O-uitgave omdat het hier niet gaat om nieuw vervaardigde bedrijfsmiddelen. Daarbij komt dat de WBSO-regeling vooral beoogt uitgaven te stimuleren in bedrijfsmiddelen die na betaling in waarde afnemen. Dat is bij grondverwerving of grondverbetering doorgaans niet aan de orde. Deze kosten zijn wel volledig onderdeel van de R&D-definitie (en tellen ook mee volgens de Frascati manual, 2015), wat volgens het CBS en RVO een mogelijk belangrijke bron kan zijn van het niveauverschil tussen R&D en S&O.
Uitgaven die niet in het kalenderjaar in gebruik worden genomen mogen niet in de mededeling van de realisatie voor dat jaar worden meegeteld voor S&O. Niet in gebruik nemen betekent immers volgens de S&O-definitie dat de middelen (nog) niet dienstbaar zijn (geweest) aan speur- en ontwikkelingswerk. De uitgave kan in het volgende jaar wel opnieuw worden aangevraagd. Voor R&D gelden deze restricties niet: er worden geen eisen gesteld aan de ingebruikname van de bedrijfsmiddelen, zo lang deze uitgaven zijn gedaan in het betreffende jaar. Ook dit is afhankelijk van de interpretatie van de berichtgever, welke ervoor kan kiezen om toch alleen uitgaven voor in gebruik genomen bedrijfsmiddelen op te geven. Volgens de Frascati manual is de economische transactie relevant voor bedrijfsmiddelen, en niet wanneer de bedrijfsmiddelen in gebruik zijn genomen.
Uitgaven van meer dan 1 miljoen euro voor de WBSO moeten daarnaast over 5 jaar worden “uitgesmeerd”. Dit kan er dus toe leiden dat bij de R&D-statistiek in één jaar uitgaven van 1 miljoen (of meer) worden opgegeven, terwijl in de WBSO-data vijf jaar lang posten van het vijfde deel worden geregistreerd.
Aanschaf gereviseerde of tweedehands apparatuur: Dit telt niet mee voor S&O vanwege de vereiste dat bedrijfsmiddelen voor R&D nieuw vervaardigd moeten zijn. Of bedrijfsmiddelen nieuw vervaardigd zijn is geen vereiste die op de vragenlijst van het CBS wordt vermeld. Ook in de Frascati manual wordt niks genoemd over tweedehands apparatuur. Volgens het CBS en RVO kan deze post een rol spelen in het niveauverschil tussen S&O en R&D, maar de precieze grootte van deze bijdrage is onduidelijk.
Van alle overige kosten in tabel 4.2.3.1, zoals (facilitaire) servicekosten, financieringskosten en verzekeringskosten, zijn het de laatste welke specifiek als voorbeeld van R&D worden genoemd op de vragenlijst van het CBS. Van (facilitaire) servicekosten worden enkele voorbeelden zoals energie en water genoemd, en financieringskosten worden nergens uitgesloten. Deze kosten worden echter wel allemaal uitgesloten van S&O omdat deze meestal niet (servicekosten) of helemaal niet (facilitaire servicekosten en verzekeringskosten) uitsluitend dienstbaar zijn voor S&O-werkzaamheden; financieringskosten komen niet in aanmerking, omdat de regeling niet het gebruik van vreemd vermogen bij het doen van S&O wil bevoordelen boven de inzet van eigen vermogen. Zoals boven vermeld is de uitsluitende dienstbaarheid hier dus meestal de doorslaggevende factor. Dergelijke kosten worden mogelijk vaak opgegeven voor R&D en kunnen dus ook een belangrijke verklaring zijn voor het niveauverschil.
| Kosten/uitgaven | Kosten van grondverwerving of grondverbetering | Nee | Ja |
|---|---|---|---|
| Kosten/uitgaven | Uitgaven die niet in gebruik zijn genomen in het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft | Nee | Ja, mits |
| Specifieke kosten/uitgaven: | Aanschaf gereviseerde of tweedehands apparatuur (Uitgaven) | Nee | Ja |
| Specifieke kosten/uitgaven: | Servicekosten | Nee, tenzij | Ja, mits |
| Specifieke kosten/uitgaven: | Facilitaire servicekosten | Nee | Ja, mits |
| Specifieke kosten/uitgaven: | Verzekeringskosten | Nee | Ja |
| Specifieke kosten/uitgaven: | Financieringskosten | Nee | Ja, mits |
Tabel 4.2.3.2 toont de kosten en uitgaven die zowel aan de S&O-definitie als R&D-definitie voldoen, maar waarbij de scope van R&D wederom groter is. Enkel specifieke kosten en uitgaven vallen binnen deze categorie.
Nieuwbouw en verbouwing zijn posten die potentieel een relatief grote impact kunnen hebben op het verschil tussen S&O en R&D. Deze posten vallen in de vragenlijst van het CBS onder "R&D-investeringen in gebouwen, laboratoria of grond voor R&D". Een verdere splitsing naar aanleiding van de verrichte werkzaamheden in het pand (wel of geen R&D) wordt niet genoemd in de vragenlijst: welk deel een berichtgever uiteindelijk opgeeft is afhankelijk van de interpretatie, maar er worden geen eisen gesteld. Voor WBSO mag de aanvrager echter alleen dat deel opgeven wat voor S&O wordt gebruikt. RVO hanteert rekenformules om dit te bepalen in het geval van nieuwbouw. Overigens worden deze posten in de Frascati manual ook als voorbeeld genoemd van "capital expenditures" voor R&D-activiteiten. Uitgaven aan vaste activa die mede worden ingezet voor de realisatie van R&D moeten volgens de Frascati manual naar rato van gebruik voor R&D (indien mogelijk) worden meegeteld: dit wordt vooralsnog niet vereist in de vragenlijst van het CBS.
Voor alle andere kosten die worden getoond in tabel 4.2.3.2 geldt ook steeds dat uitsluitende dienstbaarheid de doorslaggevende factor is om tot S&O te mogen worden gerekend, terwijl dit soort restricties niet genoemd worden voor R&D op de vragenlijst. Voor huurkosten en GWE zijn objectieve berekeningen bovendien noodzakelijk voor S&O. De genoemde kosten zijn echter wel relevant voor de meeste projecten die te maken hebben met onderzoek en ontwikkeling, waardoor de scope van R&D ook hier veel breder kan zijn.
| Specifieke kosten/uitgaven | S&O? | Eigen (intramural) R&D? |
|---|---|---|
| Nieuwbouw van panden (deels) voor S&O (o.a. architect, omgevingsvergunning etc.) (Uitgaven) | Ja, mits | Ja |
| Verbouwing tot (of van) S&O-ruimte (materiaal) (Uitgaven) | Ja, mits | Ja |
| Huur van ruimtes / gebouwen ten behoeve van het verrichten van S&O (Kosten) | Ja, mits | Ja |
| Pachtkosten | Ja, mits | Ja |
| Kosten voor Gas, Water of Elektra (GWE) | Ja, mits | Ja, mits |
| Onderhoudskosten van R&D-apparatuur | Ja, mits | Ja |
| Huur apparatuur ten behoeve van het uitvoeren van S&O, zoals het uitvoeren van prototypetesten (Kosten) | Ja, mits | Ja |