Verschillen tussen Research & Development en Speur- en Ontwikkelingswerk

3. WBSO – Speur- en Ontwikkelingswerk (RVO)

De Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk trad in 1994 in werking. Deze wet in formele zin bestaat niet meer maar de handelsnaam “WBSO” is gebleven. De wettelijke grondslag voor de WBSO is de WVA: Wet Vermindering Afdracht Loonbelasting & Premie voor de Volksverzekeringen, Hoofdstuk VIII, S&O-afdrachtvermindering. De definitie van speur- en ontwikkelingswerk S&O is net als de definitie van R&D van het CBS ook geënt op Frascati maar kent eigen kaders. In dit hoofdstuk lichten we allereerst het aanvraagregime van de WBSO toe. Vervolgens diepen we het begrip  S&O uit (3.2). Naast de werkzaamheden ondersteunt de WBSO vanaf 2016 ook de niet-loonkosten en uitgaven van aanvragers voor S&O; dit behandelen we in 3.3. In 3.4 leggen we uit hoe het S&O-loon per aanvrager wordt berekend. Paragraaf 3.5 beschrijft hoe de totale S&O-grondslag in enig jaar wordt berekend. De verplichte mededeling en verzilvering worden in 3.6 besproken. Paragraaf 3.7 gaat in op samenwerking tussen bedrijven bij S&O-projecten binnen of buiten een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Paragraaf 3.8 beschrijft ten slotte de ontwikkeling van de WBSO-grondslag en de kaders daarvan in de periode 2016 tot en met 2025.

3.1 Aanvraagregime WBSO

Voor S&O-inhoudingsplichtigen4), dat wil zeggen werkgevers die loonheffing inhouden voor personeel dat S&O verricht en daarvoor gebruikmaken van de WBSO, geldt dat een WBSO-aanvraag voorafgaand aan de periode waarvoor de ondernemer van plan is S&O te gaan verrichten moet worden ingediend. Een WBSO-aanvraag met betrekking tot een periode die per 1 januari van jaar (T) start, kan vanaf het moment van openstelling van het aanvraagportaal van RVO, doorgaans in de eerste week van november, tot uiterlijk 20 december van het jaar (T-1) worden ingediend. Een aanvraag kan ook eerst pro forma worden ingediend maar moet dan binnen de door RVO geboden termijn worden aangevuld tot een volledige aanvraag. 

Een WBSO-aanvraag betreft naast de nodige algemene gegevens van aanvrager en eventuele tussenpersoon een beschrijving van de voorgenomen S&O-werkzaamheden. Deze worden beschreven in de vorm van projecten. Per project wordt ook het aantal S&O-uren opgegeven dat de aanvrager (of diens medewerkers) voornemens is aan het project te besteden. Per project wordt ook een opgave gedaan van het aantal benodigde S&O-uren die (de medewerkers van) aanvrager aan het project voornemens zijn te gaan besteden. Als aanvrager kiest voor het regime van werkelijke kosten & uitgaven (K/U) dan beschrijft aanvrager ook per project de voorgenomen K/U en de bedragen daarvan. Op grond van het totaal aantal aangevraagde S&O-uren en eventueel de aangevraagde K/U wordt na beoordeling van de aanvraag het WBSO-voordeel, zijnde het bedrag aan S&O-afdrachtvermindering, bepaald. Dit wordt in paragraaf 3.5 verder toegelicht. 

Een aanvraag en S&O-verklaring beslaat een periode van minimaal 3 maanden en maximaal een jaar. Op aanvragen met startmaand januari na, is de uiterste indieningsdatum voor een aanvraag de laatste dag van de maand ervoor. De einddatum van een aanvraag is altijd 31 december van dat jaar. Een aanvrager kan jaarlijks maximaal 4 aanvragen5) indienen. De laatste mogelijkheid om een aanvraag in te dienen is 30 september; deze aanvraag heeft betrekking op de laatste 3 maanden van dat kalenderjaar. Voor het jaar erop dient aanvrager weer opnieuw aan te vragen, ook al gaat het om louter doorlopende projecten. Een aanvrager mag de uren en eventuele K/U meetellen voor de WBSO vanaf de startmaand van de periode waarvoor de aanvraag betrekking heeft. Het toepassen van het WBSO-voordeel mag, zo nodig met terugwerkende kracht over alle aangiftetijdvakken binnen het kalenderjaar, vanaf de maand waarin RVO het besluit op de aanvraag heeft genomen.

3.2 Speur- en ontwikkelingswerk – definitie en kaders

Speur- en Ontwikkelingswerk (S&O) is in de WVA gedefinieerd als: 

Een S&O-inhoudingsplichtige is een inhoudingsplichtige die tevens een onderneming drijft. Een publieke kennisinstelling is uitgesloten van deze definitie. Onder publieke kennisinstelling wordt verstaan: 

  1. Een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in de onderdelen a, b, c, g, h en i van de bijlage behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en een academisch ziekenhuis als bedoeld in onderdeel j van die bijlage; 
  2. Een geheel of gedeeltelijk, meerjarig door de overheid gefinancierde onderzoeksorganisatie die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke of technische kennis uit te breiden; 
  3. Een geheel of gedeeltelijk, meerjarig door een andere lidstaat van de Europese Unie gefinancierde openbare instelling voor hoger onderwijs, ziekenhuis of onderzoeksorganisatie die gelijkwaardig is aan een publieke kennisinstelling als bedoeld onder 1) of 2).

Alleen ondernemingen kunnen dus WBSO aanvragen voor werkzaamheden van het eigen personeel die als S&O zijn aan te merken en binnen de EU worden uitgevoerd. Naast de definitie van S&O in de WVA en een tweetal specifieke uitsluitingen van het S&O-begrip in de WVA (artikel 1, 4e lid, onderdelen a en b) wordt voor een nadere inperking van het S&O-begrip verwezen naar de Regeling S&O-afdrachtvermindering. In artikel 2 van deze regeling zijn een aantal activiteiten beschreven die niet tot S&O worden gerekend.

3.2.1 Technisch-wetenschappelijk onderzoek

Voor technisch-wetenschappelijk onderzoek, afgekort TWO, ofwel “speuren” (equivalent van “Research” in de R&D-definitie) moet het gaan om verklarend onderzoek en is de algehele stand der (kennis van) techniek de maatstaf waaraan ingediende projecten door RVO worden getoetst: 

  • Technisch betekent dat het onderzoek betrekking heeft op gebieden zoals fysica, chemie, biotechnologie, productietechnologie of informatie- en communicatietechnologie (geen limitatieve opsomming). De resultaten van het onderzoek hoeven niet per se te kunnen worden toegepast in een technisch nieuw fysiek product of productieproces. Economisch, sociaal of psychologisch onderzoek valt niet onder de reikwijdte van het TWO-begrip in de WBSO. 
  • Wetenschappelijk heeft te maken met het doel en de resultaten van het onderzoek en de manier waarop aanvrager het onderzoek opzet en uitvoert. Het doel is om een verklaring voor een verschijnsel te vinden die aanvrager niet kan geven op basis van algemeen toegankelijke kennis. Er bestaat dus een risico dat de verklaring niet gevonden kan worden. Onderzoek dat louter constaterend, beschrijvend, inventariserend, coderend en/of vertalend is valt niet onder de TWO-definitie. Het onderzoek moet theoretische of praktische kennis opleveren en de resultaten worden vastgesteld op basis van feiten. Een aanvrager moet de systematische en planmatige onderzoeksopzet kunnen beschrijven in diens WBSO-aanvraag. Het betreft niet-routinematig onderzoek waarvan het onderzoekstraject zelf en de resultaten daarvan moeten worden vastgelegd. 

Voor een nadere uitleg van het begrip TWO, wordt verwezen naar de Beleidsregel TWO. Deze gewijzigde beleidsregel ging per 2020 in. Het betrof geen inhoudelijke wijziging wat betreft de kaders voor TWO maar een update waarbij de (verouderde) voorbeelden van mogelijke TWO-projecten zijn verwijderd, naast de bestendiging van de uitleg van het begrip TWO in de WBSO zoals deze al vanaf 2005 gold.

3.2.2 Ontwikkeling (product, proces of programmatuur)

Ontwikkeling (equivalent van “Development” in de R&D-definitie) in de zin van de WBSO moet fysieke zaken (producten of productieprocessen) of programmatuur betreffen, of onderdelen daarvan. Het enkel ontwikkelen van niet-fysieke zaken als diensten of modellen of concepten kwalificeert niet. Er is sprake van een ontwikkelingsproject als een aanvrager voornemens is iets te gaan ontwikkelen en daarbij tegen technische knelpunten of problemen aanloopt. Daarbij werkt aanvrager aan een oplossing die voor aanvrager zelf technisch nieuw is. Leidend hierbij zijn de eigen technische vaardigheden en kennis van aanvrager. Aanvrager dient zelf te bewijzen of en hoe de oplossing werkt, bijvoorbeeld aan de hand van een prototype. Ergo, om voor WBSO te kunnen kwalificeren moeten er binnen ontwikkelingsprojecten technische risico’s of onzekerheden zijn over het bereiken van de oplossing c.q. het beoogde eindresultaat. Maatstaf daarbij is de technische nieuwheid voor de ondernemer van hetgeen ontwikkeld wordt. Er is een verschil tussen ‘nieuw’ en ‘technisch nieuw’. Als aanvrager binnen een project de oplossing van de technische knelpunten kan bereiken door technieken of werkingsprincipes te gebruiken die nog niet bestaan of nog niet algemeen bekend zijn, dan kan er sprake zijn van een ontwikkelingsproject in de zin van de WBSO.

Naast de ontwikkeling van fysieke (tastbare) producten of productieprocessen valt ook het ontwikkelen van technisch nieuwe programmatuur onder de WBSO. Daarbij dient het 
oplossen van een technisch knelpunt of probleem op het gebied van informatietechnologie centraal te staan binnen een project. Programmatuur is in de WVA gedefinieerd als “het niet-fysieke, logische deelsysteem van een informatiesysteem dat de structuur van de gegevens en de verwerkingsprocessen bepaalt voor zover dat deelsysteem is vastgelegd in een formele programmeertaal”. Er moet bij programmatuurontwikkeling sprake zijn van een nieuw informatietechnologisch principe waarbij aanvrager zelf knelpunten oplost. Het S&O-traject eindigt zodra aanvrager een nieuw informatietechnologisch werkingsprincipe heeft aangetoond. Het beschrijven van modellen of een architectuur, het formuleren van algoritmen, alsmede het toepassen, samenstellen of implementeren van programmatuur, is onvoldoende om voor de WBSO te kwalificeren. Het enkel ontwerpen en realiseren van een nieuwe functionaliteit (zoals bouwstenen, modulen en pakketten) op basis van beschikbare of verkrijgbare technologie (programmatuur en technieken) of het bouwen van systemen komt evenmin voor de WBSO in aanmerking.

3.3 Niet-loonkosten in de WBSO

Van oudsher ondersteunde de WBSO voor S&O-inhoudingsplichtigen alleen de S&O-loonkosten. Dat wil zeggen de loonkosten van de eigen medewerkers van aanvrager die de werkzaamheden (projecten) uitvoeren zoals deze binnen de kaders van de wet (nu: WVA) en regelgeving (nu: Regeling S&O-afdrachtvermindering) vallen. 

In 2012 trad de Research & Development Aftrek (RDA) in werking, een regeling die fiscaal voordeel gaf voor S&O-niet-loonkosten. Een aanvraag voor de RDA was niet verplicht maar kon aanvullend op een WBSO-aanvraag worden ingediend. De RDA heeft als separaat instrument tot en met 2015 bestaan. Verrekening van het RDA-voordeel vond plaats via de vennootschapsbelasting. 

Met ingang van 2016 is de RDA geïntegreerd in de WVA. De bepalingen vanuit de RDA zijn daarbij, en waar mogelijk ongewijzigd, overgenomen. Vanaf 2016 ondersteunt de WBSO dus zowel de S&O-loonkosten als de S&O-niet loonkosten van ondernemers die S&O verrichten. 

Wat betreft de niet-loonkosten heeft een aanvrager elk jaar de keuze uit twee regimes die dan voor het gehele jaar gelden. Dit betreft:

  1. Werkelijke kosten & uitgaven (K/U): Naast de eigen S&O-loonkosten vraagt de ondernemer de werkelijke kosten en uitgaven aan die ten behoeve van diens S&O voorzien zijn in het (deel van het) jaar waarop diens aanvraag betrekking heeft. 
  2. Forfaitair bedrag voor kosten & uitgaven: Er geldt een forfaitaire opslag van €10 per S&O-uur voor de eerste 1.800 S&O-uren in het jaar waarop de aanvraag/aanvragen betrekking heeft/hebben en €4 per S&O-uur voor het surplus aan S&O-uren. De werkelijke niet-loonkosten zijn hierbij niet relevant. 

Binnen regime 1) wordt onderscheid gemaakt tussen kosten en uitgaven:

  • Uitgaven zijn de voorgenomen aanschaf van nieuw vervaardigde bedrijfsmiddelen die aanvrager voornemens is te gaan inzetten om de eigen S&O-werkzaamheden/projecten te kunnen uitvoeren. Dit zijn dus investeringen, maar kennen een ander regime dan wat gangbaar is in de fiscaliteit. Uitgaven moeten direct toerekenbaar en dienstbaar zijn aan het S&O van aanvrager. Denk aan het investeren in nieuwe onderzoeksfaciliteiten of testapparatuur.
  • Kosten zijn alle andere zaken die aanvrager van plan is aan te schaffen voor het uitvoeren van het eigen S&O. Hiervoor geldt dat deze zaken direct toerekenbaar en uitsluitend dienstbaar moeten zijn aan de S&O-werkzaamheden van aanvrager. Denk aan het aanschaffen van onderdelen en materialen om prototypes te vervaardigen.

Bij (werkelijke) kosten in de WBSO gaat het om de kosten die een aanvrager zelf betaalt en die betrekking hebben op de eigen S&O-werkzaamheden. Hetgeen wordt aangeschaft dient direct toerekenbaar en uitsluitend dienstbaar te zijn aan het S&O van aanvrager. 

Naast de eigen loonkosten zijn er nog 3 arbeids-gerelateerde kostensoorten te onderscheiden die al dan niet als kosten van aanvrager in aanmerking komen:

  • Kosten voor uitbesteed onderzoek, dat wil zeggen werkzaamheden met een S&O-karakter die aanvrager uitbesteedt aan een derde, komen niet in aanmerking voor WBSO. Als de partij aan wie e.e.a. wordt uitbesteed een Nederlands bedrijf is dan zou men daarvoor zelf WBSO kunnen aanvragen. Met deze uitsluiting wordt dubbele ondersteuning voor dezelfde kosten voorkomen. 
  • Kosten voor inhuur van arbeid, bijvoorbeeld uitzendkrachten die via een uitzendbureau door aanvrager worden ingeleend (en dus niet op de eigen loonlijst staan) en binnen de eigen S&O-projecten worden ingezet, komen evenmin in aanmerking voor WBSO. 
  • Kosten voor uitbesteed werk kunnen wel in aanmerking komen als niet-loonkosten in de WBSO-aanvraag van aanvrager. Het gaat hierbij om aan een derde uitbestede activiteiten die als geheel geen op zichzelf staand S&O-werk zijn, omdat anders sprake zou zijn van uitbesteed onderzoek. Voor de uitvoerende derde hebben de activiteiten een meer routinematig karakter die wél nodig zijn voor het S&O van aanvrager zelf. Denk daarbij aan het laten bouwen van een zelf ontwikkeld prototype door een bedrijf met geschikte machines en tools of het door een laboratorium laten testen van monsters van een zelf ontwikkelde coating.

Voor uitgaven groter dan €1.000.000 geldt dat deze niet in één aanvraag mogen worden opgevoerd. In plaats daarvan mag voor een periode van maximaal 5 jaar jaarlijks maximaal 20% van het uitgavebedrag worden aangevraagd.

3.4 Berekening S&O-loonkosten

Om vanuit de S&O-uren de S&O-loonkosten te bepalen is het S&O-uurloon van aanvrager relevant. Per aanvrager wordt daartoe jaarlijks een S&O-uurloon bepaald. Voor nieuwe aanvragers geldt in de eerste twee jaren waarin WBSO wordt aangevraagd een forfaitair uurloon van €29. Vanaf het derde aanvraagjaar wordt een S&O-uurloon berekend op grond van de loongegevens de voorgaande twee referentiejaren. Voor jaar (T) betekent dit dat aanvrager voorafgaand aan de aanvraag eerst de burgerservicenummers van de medewerkers die in jaar (T-2) S&O hebben verricht meldt bij RVO. RVO vraagt met die BSN’s uit de Polisadministratie van UWV del oongegevens van die medewerkers bij UWV op en berekent daarmee conform de daarvoor geldende wettelijke formule het S&O-uurloon voor dat aanvraagjaar. De gedachte achter deze systematiek is dat het berekende S&O-uurloon zo goed mogelijk aansluit bij de werkelijke loonkosten van aanvrager en op basis van beschikbare en juiste (door de Belastingdienst gecontroleerde) data bepaald kan worden.

3.5 Berekening S&O-grondslag voor WBSO-voordeel

RVO beoordeelt elke WBSO-aanvraag op grond van de wet- en regelgeving. Naast de nodige formele checks toetsen de RVO-medewerkers middels het vier ogen principe of de aangevraagde S&O-werkzaamheden en, indien van toepassing, de aangevraagde K/U voldoen aan alle wettelijke kaders. Zo nodig worden er eerst vragen gesteld als op grond van de aanvraag nog geen besluit kan worden genomen. 

Als (een deel van) de aangevraagde werkzaamheden en/of de K/U niet kwalificeren dan worden deze afgewezen. RVO communiceert de beslissing op een aanvraag via een digitaal besluit. Indien (een deel van) de aanvraag wordt toegekend dan wordt als bijlage bij de beschikking de zogenaamde S&O-verklaring gevoegd. Hierop staat het bedrag aan S&O-afdrachtvermindering (WBSO-voordeel) dat aan aanvrager wordt toegekend. 

De grondslag voor het WBSO-voordeel wordt, afhankelijk van het gekozen regime voor de niet-loonkosten, als volgt berekend (met # S&O-uren, zijnde de som van de goedgekeurde S&O-uren per project):

  1. (# S&O-uren * S&O-uurloon) + (Σ van alle K+U) OF
  2. (# S&O-uren * S&O-uurloon) + (forfaitaire toeslag o.b.v. # uren)

Het daadwerkelijke WBSO-voordeel, de S&O-afdrachtvermindering, wordt als volgt berekend (parameters 2026):

  • Eerste schijf: 36 % van de eerste € 380.000 aan S&O-grondslag in het kalenderjaar.
  • Tweede schijf: 16 % van over de S&O-grondslag > € 391.020.
  • Voor starters geldt in de eerste schijf een percentage van 50%.

De percentages en schijfgrens worden jaarlijks opnieuw en voorafgaand aan het nieuwe aanvraagjaar vastgesteld en op Prinsjesdag gecommuniceerd. 

3.5.1 Percentages en schijfgrens S&O
20162017201820192020202120222023202420252026
Schijf 1, regulier (%)3232323232403232323636
Schijf 1, starter (%)4040404040504040405050
Drempel (euro)350 000350 000350 000350 000350 000350 000350 000350 000350 000380 000391 020
Schijf 2 (%)1616141616161616161616
Forfait drempel1 8001 8001 8001 8001 8001 8001 8001 8001 8001 8001 800
Forfait onder drempel1010101010101010101010
Forfait boven drempel444444444410
S&O-aftrek zelfstandige,
regulier (euro)
12 48412 52212 62312 77512 98013 18813 36014 20215 55115 73815 979
S&O-aftrek Zelfstandige,
starter (euro)
18 72918 78618 93819 16619 47419 78620 04421 30823 33223 61323 975
Uren criterium zelfstandige500500500500500500500500500500500

3.6 Verplichte mededeling, verzilvering & controle achteraf

Een aanvrager die in/voor jaar (T) een S&O-verklaring heeft ontvangen, dient binnen 3 maanden na afloop van het jaar (T) een mededeling te doen van de gerealiseerde S&O-uren en, indien van toepassing, de gerealiseerde werkelijke kosten en uitgaven (K/U). Is de realisatie lager dan de toekenning dan wordt middels een correctie S&O-verklaring het recht op S&O-afdrachtvermindering naar beneden bijgesteld op grond van hetgeen aanvrager als de gemelde totalen (gerealiseerde uren, kosten en uitgaven) heeft gemeld. Eventueel teveel geclaimde S&O-afdrachtvermindering dient aanvrager dan via de aangiftes loonheffingen terug te betalen. Naast RVO heeft ook de Belastingdienst een rol in de uitvoering van de WBSO. De Belastingdienst controleert de juiste toepassing/verrekening van de S&O-afdrachtvermindering. RVO levert daartoe periodiek de gegevens van de verstrekte S&O-verklaringen aan. RVO ontvangt van de Belastingdienst periodiek per inhoudingsplichtige de geclaimde bedragen aan S&O-afdrachtvermindering. 

RVO voert na afloop van het jaar controles uit bij een deel van de aanvragers. Dit kan via een bezoek ter plekke of door middel van een deskcontrole. Er wordt dan getoetst wordt of aanvragers aan alle voorwaarden die de WBSO stelt hebben voldaan. Bij omissies kan (een deel van) de toegekende S&O-afdrachtvermindering worden gecorrigeerd en een boete worden opgelegd. Correctiebedragen en eventuele boetes dient aanvrager ook via de aangifte loonheffingen te voldoen. Een correctie kan ook worden opgelegd vanwege een administratieve omissie; dat betekent dus niet altijd dat desbetreffend speur- en ontwikkelingswerk of de daaraan gerelateerde K/U niet zijn gerealiseerd. De correctie- en boetebedragen worden ook daarom in het kader van dit onderzoek buiten beschouwing gelaten. Ze zijn immers niet relevant in het kader van de verschillen tussen de totale omvang van S&O versus R&D.

3.7 Samenwerking tussen bedrijven en fiscale eenheden

Bij een samenwerking tussen meerdere bedrijven is het uitgangspunt dat elke partij WBSO aanvraagt voor de S&O-werkzaamheden die de medewerkers van het bedrijf zelf uitvoeren en de K/U die dat bedrijf zelf maakt. Voor elke partij toetst RVO of de werkzaamheden van (de medewerkers van) dat bedrijf als S&O kwalificeren en of de eventueel aangevraagde K/U daaraan (uitsluitend) dienstbaar zijn. Het kan zijn dat in een samenwerking binnen een project het aandeel van de ene deelnemer wel kwalificeert voor de WBSO en de inbreng van een ander niet. Of er wel/geen sprake is van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting (FE) is daarbij bepalend. Een voorbeeld illustreert dit het beste:

Voorbeeld: Twee BV’s werken samen in een ontwikkelingsproject. BV A is de ontwikkelaar. BV B bouwt het prototype van hetgeen BV A heeft ontwikkeld. BV A test vervolgens het prototype en past het ontwerp aan zodat het beoogde werkingsprincipe wel wordt gerealiseerd.

Als een aanvrager zelf de ontwikkeling doet dan kunnen bouwwerkzaamheden om het prototype (mits dat geen gebruikerswaarde kan hebben) te realiseren wél als S&O-uren “meetellen”voor de WBSO. Het enkel bouwen van een prototype is op zichzelf niet als zelfstandig S&O aan te merken. Afhankelijk van of er wel/geen sprake is van een FE wordt e.e.a. als volgt beoordeeld: 

  • Is er wel sprake van een FE? Dan kwalificeren zowel de werkzaamheden van BV A als BV B als S&O. BV A en BV B dienen wel elk een WBSO-aanvraag in voor hun eigen werkzaamheden. 
  • Is er geen sprake van een FE? Dan kwalificeren de bouwwerkzaamheden van BV B niet als S&O. Alleen de aanvraag van BV A slaagt, een eventuele aanvraag van BV B wordt afgewezen. 
  • Als BV A het bouwen van het prototype uitbesteedt aan een derde partij (hier: BV C) buiten de FE dan kan BV A de kosten daarvan als niet-loonkosten in de eigen WBSO-aanvraag meenemen. Er is geen sprake van uitbesteed onderzoek want het enkel bouwen van een prototype (in dit geval door BV C) is op zichzelf geen S&O. 
  • BV C kan niet zelf WBSO aanvragen voor het bouwen van het prototype want het enkel bouwen van een prototype is op zichzelf geen S&O. 

Bij 2 of meer bedrijven binnen de FE is het uitgangspunt dat elke BV de eigen werkzaamheden aanvraagt en de keuze kan maken tussen het forfaitaire regime van kosten/uitgaven of de werkelijke K/U. De WBSO biedt binnen de FE aanvragers enige flexibiliteit.

Het gaat voor de scope van dit onderzoek te ver om  hier dieper op in te gaan. Hoofdregel is dat voor het samenwerken binnen S&O-projecten het wel/niet sprake zijn van een fiscale eenheid (VpB) gevolgen heeft voor de (beoordeling van) S&O-werkzaamheden, kosten en uitgaven. 

3.8 Ontwikkeling kaders & grondslag in periode 2016-2025

De wet- en regelgeving van de WBSO is vanaf 2016 grotendeels stabiel gebleven wat betreft de definitie van speur- en ontwikkelingswerk. Beleidsmatig uitgangspunt voor de WBSO zijn stabiele voorwaarden, zowel wat betreft wet- en regelgeving als parameters. Per 2016 zijn enkele belangrijke aanpassingen aan de WBSO-kaders doorgevoerd. Naast de integratie van de RDA in de WVA, waarmee ook de S&O-niet-loonkosten of de forfaitaire variant daarvan tot de WBSO-grondslag behoorden, zijn per 2016 de volgende aanpassingen doorgevoerd:

  • Verduidelijking van het begrip “S&O-inhoudingsplichtige”, waardoor publieke kennisinstellingen geen WBSO meer kunnen aanvragen (N.B.: de contractresearch-faciliteit voor niet-ondernemers was al per 2015 geschrapt).
  • Verduidelijking van het begrip “programmatuur” in de WVA. Dit is nader toegelicht in de beleidsregel “Uitleg technisch nieuwe programmatuur”. 
  • Afschaffen van de projectcategorieën “technisch onderzoek” en “analyse technische haalbaarheid” waarmee de S&O-definitie is geworden tot de huidige definitie zoals beschreven in paragraaf 3.1. 

Per 2022 is de aanvraagsystematiek verder geflexibiliseerd en zijn de verzilveringsmogelijkheden verruimd. Na deze flexibilisering is het aantal WBSO-aanvragen en projecten teruggelopen, maar is de S&O-grondslag stabiel gebleven. Bedrijven kunnen volstaan met één aanvraag per jaar en deze aanvullen waar nodig. Hierdoor zijn de administratieve lasten voor het aanvragen van WBSO verminderd. Daarnaast is de verruiming van de verzilveringsmogelijkheden vooral bedoeld om bedrijven meer mogelijkheden te geven hun S&O-afdrachtvermindering volledig te kunnen verzilveren, een knelpunt dat vooral bij startende bedrijven speelde (en nog kan spelen).   

Sindsdien heeft enkel per 2022 een aanpassing in de wettelijke kaders voor de S&O-grondslag plaatsgevonden. Naar aanleiding van een tussenuitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven is toen in de WVA geregeld dat een aanvrager alleen kosten en uitgaven mag opvoeren die zijn beschreven in diens aanvraag. De rechter had eerder geoordeeld dat de wet toestond dat een aanvrager ook kosten en uitgaven kan opvoeren die anders zijn dan de genoemde kosten en uitgaven in de aanvraag, maar die wel (uitsluitend) dienstbaar en direct toerekenbaar zijn aan het S&O.  

In de WBSO-systematiek kennen we feitelijk drie jaarcijfers wat betreft de totale omvang van S&O:

  1. Totaal toegekende S&O-grondslag (op grond van hetgeen is aangevraagd en beoordeeld door RVO) en daarmee het totaalbedrag aan toegekende S&O-afdrachtvermindering;
  2. Totaal vastgestelde S&O-grondslag (op grond van hetgeen door aanvragers via de verplichte mededeling is gemeld) en daarmee het totaal gerealiseerde bedrag aan S&O-afdrachtvermindering;
  3. Totaal verzilverde S&O-afdrachtvermindering (op grond van wat aanvragers daadwerkelijk in hun aangiftes loonheffingen hebben toegepast; gegevens van de Belastingdienst)

De vastgestelde S&O-grondslag is de meest zuivere maat voor de totale omvang van jaarlijks door Nederlandse ondernemingen verrichte S&O. Deze vastgestelde S&O-grondslag bedraagt 80% (2024) van hetgeen is toegekend. Daarnaast is de verruiming van de verzilveringsmogelijkheden vooral bedoeld om bedrijven meer mogelijkheden te geven hun S&O-afdrachtvermindering volledig te kunnen toepassen. Een knelpunt dat vooral bij startende bedrijven speelde (en nog kan spelen). 

RVO levert jaarlijks aan het CBS per inhoudingsplichtige en zelfstandige de vastgestelde S&O (uren, loonkosten, niet-loonkosten en S&O-afdrachtvermindering/aftrek). Het bedrag en percentage vaststelling in 2025 waren ten tijde van het opstellen van dit rapport nog niet bekend.

3.8.1 S&O-grondslag
Toegekend (euro)Vastgesteld (euro)Vaststelling (%)
20166 7175 47181
20176 6945 49582
20186 7885 47081
20197 1225 81282
20207 2535 98783
20217 7616 13779
20228 2216 46379
20238 7066 77578
20248 3676 66080

4) Zie ook voetnoot 4. Voor S&O-belastingplichtigen geldt geen maximum aan het aantal in te dienen aanvragen per jaar.
5) Zie ook voetnoot 4.
6) De WBSO geldt voor S&O-inhoudingsplichtigen en S&O-belastingplichtigen. Voor belastingplichtigen, zelfstandige ondernemers voor de inkomstenbelasting, geldt een ander regime. Zij krijgen een vast bedrag aan S&O-aftrek voor de inkomstenbelasting indien er in het jaar van aanvraag tenminste 500 S&O-uren worden gemaakt. Deze faciliteit ziet bovendien niet op de overige kosten en uitgaven. Omdat S&O-inhoudingsplichtigen verreweg de grootste groep aanvragers betreft (circa 95%) en het overgrote deel van het WBSO-budget opsouperen en omvang van S&O bepalen én voor hen hetzelfde kader voor S&O geldt, zijn de S&O-belastingplichtigen hier verder buiten beschouwing gelaten.