Verschillen tussen Research & Development en Speur- en Ontwikkelingswerk

Een kwalitatieve analyse van de definities van R&D zoals het CBS deze hanteert, en S&O binnen de WBSO die wordt uitgevoerd door RVO

Over deze publicatie

In deze rapportage beschrijven we de verschillen tussen de definities van Research & Development (R&D) zoals het CBS deze hanteert, en Speur- en Ontwikkelingswerk (S&O) binnen de WBSO die wordt uitgevoerd door RVO. Het CBS en RVO hebben de definities naast elkaar gelegd en met elkaar vergeleken in een kwalitatieve analyse. Zo is onderzocht op welke punten de definities overeenkomen en op welke punten ze verschillen. De resultaten van deze vergelijking staan in deze rapportage.

1. Aanleiding en plan van aanpak

2. R&D-statistiek - Research & Development (CBS)

Het CBS publiceert jaarlijks cijfers over Research & Development (R&D) in Nederland. De huidige gepubliceerde reeks op StatLine loopt vanaf het verslagjaar 2013 tot en met 2023. De uitkomsten voor een verslagjaar worden twee keer gepubliceerd. In november volgend op het verslagjaar krijgt Eurostat voorlopige R&D-cijfers ten behoeve van de Europese verordening. In de maand juli van het daaropvolgende jaar worden definitieve cijfers op StatLine gepubliceerd en ook aan Eurostat geleverd.

2.1 Research & Development – Definitie en kaders

Het CBS heeft een verplichting tot het leveren van gegevens over R&D in Nederland aan Eurostat. Dat is vastgelegd in een verordening van de Europese Commissie. Wat er moet worden geleverd, welke variabelen, uitsplitsingen en met welke frequentie is ook vastgelegd in een Europese verordening. Daarnaast is er een zeer uitgebreide handleiding beschikbaar, geschreven door de OESO, waarin de aanbevolen methoden voor het produceren van deze statistiek staan beschreven. De taak van het CBS is om dit alles te vertalen naar een vragenlijst die de juiste gegevens ophaalt bij berichtgevers.

2.1.1 Definitie van R&D – Vragenlijst CBS

Internationaal wordt de Frascati manual (2015) beschouwd als de belangrijkste handleiding voor statistiekproductie over R&D. Deze handleiding is oorspronkelijk meer dan 50 jaar geleden samengesteld door experts van de OESO, en de meest recente editie uit 2015 geldt als het huidige uitgangspunt voor het verzamelen, verwerken en interpreteren van R&D-gegevens om statistiek te kunnen produceren. De definities in de Frascati-manual zijn door veel landen overgenomen en dienen als gemeenschappelijke taal voor discussies over wetenschaps- en technologiebeleid en economisch beleid. Oorspronkelijk was de gehanteerde R&D-definitie een OESO-norm, maar inmiddels is het een erkende wereldwijde norm geworden in R&D-onderzoeken en worden de definities en methodes ook gebruikt door organisaties die verbonden zijn aan de Verenigde Naties en de Europese Unie, zoals Eurostat.

De Frascati manual uit 2015 telt 400 pagina’s en bevat naast een uitgebreide definitie van R&D ook voorbeelden van randgevallen (wel of geen R&D), best practices in dataverzameling van R&D-gegevens, methodes om R&D te meten in verschillende sectoren (bedrijven, overheid, hoger onderwijs), en meetmethodes voor de financiering van R&D. Uit deze handleiding heeft het CBS een beknopte definitie van R&D gedestilleerd welke voor berichtgevers gemakkelijk leesbaar en te interpreteren is. Daarbij is erop gelet om de genoemde definitie zo allesomvattend mogelijk te houden met zo weinig mogelijk informatieverlies, zonder dat dit teveel leeswerk en lastendruk oplevert voor invullers van de vragenlijst. Het CBS dient de lastendruk voor bedrijven zoveel mogelijk in te perken en heeft tegelijk baat bij een zo hoog mogelijk responsgehalte, wat de kwaliteit van de cijfers ten goede komt. Het CBS hanteert momenteel de volgende definitie, welke sinds het begin van de reeks wordt vermeld op de jaarlijkse vragenlijst:

R&D werkzaamheden eigen medewerkers en ingeleend personeel

R&D: werkzaamheden gericht op het creatief, systematisch en planmatig zoeken naar nieuwe oplossingen voor praktische problemen, dan wel het doorontwikkelen en/of uitwerken van bestaande kennis of nieuwe ideeën tot operationele producten of processen.

Research & Development (R&D):

Kenmerkend voor R&D is dat in dit onderzoek (research) gestreefd wordt naar oorspronkelijkheid én vernieuwing. R&D is het creatief, systematisch en planmatig zoeken naar oplossingen voor praktische problemen. Ook het strategische en het fundamentele onderzoek, waarbij het verkrijgen van achtergrondkennis en het vergroten van de (puur) wetenschappelijke kennis voorop staat en niet het streven naar direct economisch voordeel of het oplossen van problemen, behoort tot R&D. Verder wordt het (uit)ontwikkelen (development) van ideeën of prototypes tot bruikbare processen en productierijpe producten tot R&D gerekend.

Niet tot R&D wordt gerekend:

  • het routinematig verzamelen, onderzoeken van gegevens, verrichten van metingen of uitvoeren van controles;
  • het gebruik of marginaal verbeteren van bestaande methoden / modellen voor marktonderzoek, sociaal demografische vraagstukken e.d.;
  • scholing en training;
  • werkzaamheden i.v.m. octrooien en licenties;
  • het operationeel maken van ingekochte technologie of geavanceerde (productie-)apparatuur;
  • het herschrijven van bestaande software en / of klantspecifiek maken van al op de markt gebrachte software.

In de kern kan worden gesteld dat een activiteit aan R&D voldoet, wanneer er op een creatieve, systematische en planmatige wijze wordt gezocht naar de oplossing van een praktisch probleem, of bestaande en/of nieuwe ideeën worden doorontwikkeld/uitgewerkt tot operationele producten of processen. “Creatief” duidt erop dat er op een manier te werk wordt gegaan waarbij gebruik wordt gemaakt van unieke methodes die bijvoorbeeld geen deel uitmaken van een regulier productieproces. “Systematisch en planmatig” houdt in dat de activiteit budgetteerbaar en navolgbaar is, en op projectmatige wijze ingericht en uitgevoerd kan worden. Via deze definitie stelt het CBS dat het voor berichtgevers die de vragenlijst invullen in het algemeen helder genoeg moet zijn, zonder dat de omschrijving als te complex wordt ervaren. De voorbeelden van activiteiten die moeten worden uitgesloten van R&D kunnen hierbij helpen.

In de vragenlijst wordt eerst aan de berichtgever gevraagd of er binnen het bedrijf of de instelling sprake is geweest van R&D werkzaamheden. Deze vraag is als volgt geformuleerd:

“Heeft uw bedrijf of instelling in jaar YYYY binnen uw bedrijf of instelling R&D werkzaamheden verricht met eigen medewerkers en/of ingeleend personeel?”

Wanneer deze vraag met “ja” wordt beantwoord, worden vervolgvragen getoond welke zijn gericht op R&D-personeel, fte, uitgaven en inkomsten. Indien de berichtgever “nee” heeft geantwoord, dan wordt er nog steeds gevraagd of er uitgaven zijn gedaan voor uitbestede R&D en of er inkomsten uit R&D zijn verkregen in het betreffende jaar. Als hier uitgaven en/of inkomsten worden opgegeven, dan moet de berichtgever aan de hand van een procentuele verdeling aangeven aan welke instanties de opgegeven uitgaven zijn uitbesteed en van welke instanties de opgegeven inkomsten zijn verkregen. Alle berichtgevers krijgen de vragen over uitbestede R&D en R&D-inkomsten te zien, ongeacht of zij hebben opgegeven of er wel of geen sprake is geweest van eigen R&D-activiteiten.

Wanneer de berichtgever heeft opgegeven dat er eigen R&D is verricht in het bedrijf of de instelling, wordt er gevraagd om het eigen R&D personeel in headcount en fte te verdelen naar onderzoekers en overig R&D-personeel. Ook wordt er naar eventueel ingeleend R&D-personeel gevraagd, wat ook meetelt als eigen R&D-personeel. De definities luiden als volgt:

Onderzoekers – Wetenschappelijk geschoold personeel of leidinggevenden over R&D in uw bedrijf of instelling.

Overig R&D-personeel – Technische assistenten op hoog niveau meewerkend onder supervisie van onderzoekers, onderhouds-, secretariaats-, bibliotheekpersoneel direct werkzaam voor R&D.

Ingeleend personeel – Uitzendkrachten en ander gedetacheerd personeel, aangetrokken van uitzend-, detacheringsbureaus e.d., ingeleend personeel van andere bedrijven en zelfstandigen zonder personeel (ZZP’ers). Er is géén sprake van het inlenen van personeel bij het ontbreken van een gezagsverhouding met uw bedrijf, zoals externe functionarissen die (tijdelijk) in het bedrijf bijvoorbeeld accountants- of automatiseringsdiensten verrichten.

Dit opgegeven personeel wordt vervolgens procentueel verdeeld naar geslacht, provincie en wetenschapsgebied (technisch, natuur, sociaal, medisch, landbouw, en taal/kunst/cultuur).

Uitgaven voor R&D-werkzaamheden moeten worden gespecificeerd naar:

R&D-werkzaamheden verricht door eigen personeel

R&D-werkzaamheden verricht door ingeleend personeel

R&D-werkzaamheden verricht door derden in Nederland – Kosten van R&D-werkzaamheden uitbesteed aan andere bedrijven behorend tot uw concern of aan andere ondernemingen, universiteiten, researchinstellingen (zoals TNO, ECN, RIVM, MARIN, etc.) in Nederland.

R&D-werkzaamheden verricht door derden in het buitenland – Kosten van R&D-werkzaamheden uitbesteed aan andere bedrijven behorend tot uw concern of aan andere ondernemingen, universiteiten, researchinstellingen in het buitenland.

De R&D-werkzaamheden verricht door eigen personeel moet procentueel worden verdeeld over bruto lonen (van het aantal fte besteed aan de R&D-werkzaamheden), R&D-investeringen in gebouwen/laboratoria/grond, andere R&D-investeringen in apparatuur/andere duurzame activa voor R&D, en overige uitgaven voor R&D-activiteiten. Verder moeten de totale R&D-uitgaven worden verdeeld onder fundamenteel onderzoek, toegepast onderzoek en experimentele ontwikkeling.

Een volledige versie van de vragenlijst is in bijlage 1 opgenomen ter referentie.

2.1.2 Definitie van R&D – Frascati manual

Zoals eerder genoemd is de gehanteerde R&D-definitie uit de Frascati manual (2015) de internationale standaard voor R&D-statistieken. Bovengenoemde definitie uit de vragenlijst van het CBS is hier een beknopte afgeleide van. In het onderstaande kader is het eerste deel van de volledige definitie uit de Frascati manual opgenomen:

Volgens de Frascati manual dient elke R&D-activiteit minimaal aan de 5 genoemde criteria te voldoen om als R&D te mogen tellen. De definitie op de vragenlijst van het CBS wijkt hier vanaf en benoemt enkel de criteria creatief, systematisch/planmatig en vernieuwend. De rest van de criteria kan worden afgeleid uit de tekst of is impliciet meegenomen in de definitie: een planmatig project is meestal reproduceerbaar, en onzekerheid komt voort uit het “zoeken naar oplossingen” en het “(uit)ontwikkelen van ideeën”. Ook de verschillende soorten onderzoek (fundamenteel, toegepast, experimenteel) komen later in de vragenlijst specifiek aan bod.

Hoewel de definitie op de vragenlijst grotendeels aansluit op de definitie in de Frascati manual, is het altijd mogelijk dat de berichtgever de definitie anders interpreteert. In de Frascati manual is een uitgebreide afbakening van R&D-werkzaamheden opgenomen, maar het is onmogelijk om deze volledig te tonen aan de berichtgever zonder de vragenlijst nog complexer te maken. Desondanks hanteert de Frascati manual een relatief brede definitie van R&D, waarbij bijvoorbeeld sociaal/maatschappelijk/cultureel onderzoek ook als R&D gerekend mag worden indien aan de 5 criteria wordt voldaan. Er worden geen eisen gesteld aan fysieke tastbaarheid of technische vernieuwingen. Een belangrijk onderscheid is dat de werkzaamheden geen betrekking moeten hebben op (reguliere) productie, in welk geval ook niet aan de 5 criteria voldaan kan worden.

De Frascati manual noemt voorbeelden bij de 5 criteria die kunnen helpen bij het toetsen of werkzaamheden aan de R&D-definitie voldoen, maar een exacte afbakening van de definitie bestaat niet. Daarom kunnen sommige werkzaamheden in een grijs gebied vallen wat de 5 criteria betreft. “Vernieuwend” (novelty) in het bijzonder kan veel van dit soort randgevallen opleveren. In de Frascati manual wordt gespecificeerd dat vernieuwing sterk afhankelijk kan zijn van de context, en daarom ook op basis van de context geëvalueerd moet worden. Daarbij kunnen twee belangrijke vuistregels worden gehanteerd die ook in een bredere context relevant zijn. Ten eerste moet de kennis die wordt verkregen als gevolg van de werkzaamheden volledig nieuw zijn voor de zowel de uitvoerder van de werkzaamheden als de sector waarin de uitvoerder actief is. Activiteiten die enkel kennis nieuw voor de uitvoerder opleveren zijn daarom niet voldoende, omdat het al bestaande kennis betreft. Ten tweede moet de nadruk liggen op de nieuw vervaardigde kennis zelf, en niet zozeer het product of proces dat wordt ontwikkeld op basis van deze kennis. Op deze manier worden marginale verbeteringen uitgesloten, maar wordt nieuwe kennis die niet expliciet tot uiting komt in het eindresultaat (maar daarbij wel een cruciaal onderdeel vormt) wel meegenomen. 

De vragenlijst van het CBS benoemt in de definitie dat er bij R&D gestreefd wordt naar zowel oorspronkelijkheid als vernieuwing, waarbij met name de term “oorspronkelijkheid” betrekking heeft op de eerste vuistregel: indien hieraan wordt voldaan is er sprake van nieuw vervaardigde kennis voor zowel de uitvoerder als voor de sector waarin deze actief is. Het is echter geen garantie dat een berichtgever deze impliciete aanname ook daadwerkelijk zo interpreteert. Daarnaast wordt in de vragenlijst van het CBS gesteld dat het “verkrijgen van achtergrondkennis en het vergroten van de (puur) wetenschappelijke kennis” tot R&D telt, waarmee de tweede vuistregel van de Frascati manual wordt nageleefd en het vervaardigen van de kennis op zichzelf als vernieuwend wordt gekenmerkt. Ook hier betreft het een impliciete verwoording die afhankelijk blijft van de kennis van de berichtgever.

Naast de definitie van R&D-werkzaamheden specificeert de Frascati manual ook welke soort kosten/uitgaven onder eigen (“intramural”) R&D vallen. De volgende soorten kosten/uitgaven worden in hoofdstuk 4.2 omschreven:

Current R&D expenditures – Onder te verdelen in “labour costs” (loonkosten) en “other current costs” (middelen en diensten benodigd voor de R&D-werkzaamheden die in hetzelfde jaar volledig worden gebruikt).

Capital R&D expenditures – Uitgaven voor het verkrijgen van middelen die langdurig (meer dan een jaar) voor R&D-werkzaamheden worden gebruikt. In feite zijn dit investeringen in vaste activa welke worden ingezet voor R&D.

In de enquête van het CBS wordt aan de berichtgever gevraagd om de uitgaven voor R&D-werkzaamheden verricht met eigen personeel procentueel te verdelen over bruto loonkosten, overige uitgaven voor R&D-activiteiten, R&D-investeringen in gebouwen/laboratoria/grond, en andere R&D-investeringen in apparatuur en andere duurzame activa voor R&D. Deze verdeling sluit aan op de specificaties in de Frascati manual. 

Verschillen tussen de vragenlijst van het CBS en de Frascati manual – werkzaamheden
Hoewel de definities van R&D op de vragenlijst en in de Frascati manual over het algemeen goed op elkaar aansluiten, zijn er ook verschillen die opvallen. Deze verschillen zorgen niet voor grote afwijkingen, maar zijn belangrijk genoeg om hier benoemd te worden. Het betreft ten eerste een aantal posten gerelateerd aan werkzaamheden, welke zijn opgenomen in tabel 2.1. Daarnaast zijn er verschillen die te maken hebben met kosten en uitgaven voor R&D, welke hierna worden uitgelicht.

Het verrichten van marktonderzoek wordt in de vragenlijst alleen uitgesloten binnen de context van het gebruiken of marginaal verbeteren van bestaande methoden/modellen voor marktonderzoek, terwijl dit in zijn geheel wordt uitgesloten in de Frascati manual. Daarnaast wordt het verrichten van beleidsstudies of strategische studies niet genoemd op de vragenlijst en daarom niet expliciet uitgesloten, terwijl ze volgens de Frascati manual in veel gevallen moeten worden uitgesloten. Hoewel dit niet betekent dat alle marktonderzoeken of beleidsstudies worden opgegeven in de vragenlijst, omdat deze meestal niet aan de brede R&D-definities zullen voldoen, is het toch mogelijk dat er meer aan R&D wordt opgegeven dan noodzakelijk volgens het voorbeeld van de Frascati manual. Hetzelfde geldt (in mindere mate) voor het bouwen van een pilot-plant welke later mogelijk commerciële betekenis kan hebben: de vragenlijst gaat niet in op de mogelijke restrictie van latere commerciële betekenis, terwijl volgens de Frascati manual het gebruik van de pilot-plant uitdrukkelijk niet meer onder R&D mag vallen zodra de het primaire doel commercieel is geworden. In de vragenlijst is deze restrictie hooguit impliciet.

Verschillen tussen de vragenlijst van het CBS en de Frascati manual – kosten en uitgaven

Een verschil tussen de enquête en de Frascati manual is dat de laatste specificeert dat vaste activa voor R&D naar rato van het gebruik voor R&D moeten worden opgegeven, met de kanttekening dat dit in de praktijk vaak lastig is voor berichtgevers. Hetzelfde geldt voor kosten voor overige middelen noodzakelijk voor het realiseren van R&D: ook deze kosten moeten naar rato van het gebruik voor R&D worden meegerekend volgens de Frascati manual. In de enquête wordt dit onderscheid niet apart benoemd, waardoor berichtgevers mogelijk meer kosten en uitgaven toebedelen aan R&D dan volgens de Frascati manual noodzakelijk zou zijn. Als advies wordt in de Frascati manual aangeraden om rekenmiddelen te hanteren voor het naar rato gebruik van investeringen/uitgaven aan vaste activa, bijvoorbeeld op basis van het aandeel R&D-personeel dat van de bedrijfsmiddelen gebruikmaakt, of in het geval van investeringen in gebouwen het aantal m2 wat voor R&D-werkzaamheden ingezet zal worden. Voor kosten voor overige middelen is het naar rato gebruik voor R&D vaak sterk contextafhankelijk: de Frascati manual voorziet daarom ook niet van specifieke rekenvoorbeelden wat kosten voor overige middelen betreft. In de praktijk is het voor invullers van de vragenlijst mogelijk lastig om de kosten en uitgaven naar rato te berekenen en op te geven, waardoor dit niet als vereiste wordt gesteld op de vragenlijst. Naast dit verschil zijn er wat kosten en uitgaven betreft geen specifieke posten die duidelijk afwijken tussen de R&D-definitie op de vragenlijst en de definitie in de Frascati manual.

Verschillen tussen de vragenlijst van het CBS en de Frascati manual – buitenlandse R&D-activiteiten

Volgens de Frascati manual is de R&D-statistiek opgebouwd uit R&D-activiteiten uitgevoerd door statistische eenheden die gevestigd zijn binnen het territorium van het betreffende land (zie pagina 124 van de Frascati manual). De activiteiten kunnen bij uitzondering in het buitenland hebben plaatsgevonden en toch voor het nationale totaal van eigen (intramural) R&D meetellen, zoals bijvoorbeeld het detacheren van onderzoekers naar het buitenland op korte termijn, maar die op de loonlijst staan van de binnenlandse vestiging. Een vuistregel is dat het R&D-project onder de verantwoordelijkheid moet vallen van de berichtgever (uitgevoerd met eigen middelen en personeel): anders betreft het R&D uitbesteed aan derden in het buitenland, al dan niet bij eigen concernonderdelen. In de handleiding wordt echter erkend dat een dergelijk theoretisch onderscheid tussen R&D onder eigen verantwoordelijkheid in het buitenland en uitbestede R&D vaak niet makkelijk te maken is voor berichtgevers, zoals bij veel multinationals het geval is, en dat in dergelijke gevallen de structuur van de organisatie prioriteit heeft boven waar de R&D-activiteit fysiek heeft plaatsgevonden. 

Het CBS noemt niet direct op de vragenlijst dat de R&D-activiteiten in Nederland moeten zijn uitgevoerd (mede vanwege de verschillende uitzonderingen op deze regel), maar in plaats daarvan wordt er om een provinciale verdeling gevraagd van het R&D-personeel dat de eigen R&D-werkzaamheden heeft uitgevoerd. Op deze manier kan de berichtgever afleiden dat het personeel dus ook in Nederland op de loonlijst moet staan. Ook wordt er duidelijk benadrukt dat de opgegeven eigen R&D-activiteiten binnen het aangeschreven bedrijf of de aangeschreven instelling moeten plaatsvinden. Er bestaat echter nog steeds ruimte tot eigen interpretatie bij de berichtgever, maar het is lastig te stellen wat in dit geval de “juiste” interpretatie is gezien de open definitie en afbakening van buitenlandse R&D-activiteiten uit de Frascati manual.

2.2 Research & Development – Statistisch proces

De R&D-statistiek is deels gebaseerd op een vragenlijst die wordt toegezonden aan een steekproef van bedrijven en deels op het gebruik van externe bronnen (WBSO). Een zorgvuldig samengestelde benaderstrategie gecombineerd met zowel handmatig als automatisch uitgevoerde gaafmaak- en analysewerkzaamheden vormen de basis voor een betrouwbare statistiek. Hieronder worden de verschillende stappen toegelicht.

2.2.1 Steekproef

De R&D-enquête wordt jaarlijks uitgezonden aan een steekproef van bedrijven. Door middel van deze enquête worden gegevens verzameld over R&D-activiteiten van in Nederland gevestigde bedrijven en instellingen. Bedrijven en instellingen met 10 of meer werkzame personen worden geselecteerd middels een gestratificeerde steekproef. De strata van de steekproef worden ingedeeld naar SBI, bedrijfsgrootte, ontvangen WBSO (ja of nee, met ingang van statistiekjaar 2022) en voor enkele SBI’s een indeling naar bedrijf of instelling. Kleinere bedrijven met minder dan 10 werkzame personen worden niet in de steekproef meegenomen en worden in plaats daarvan bijgeschat op basis van de WBSO gegevens die het CBS van RVO ontvangt (zie 2.2.2 Gaafmaken, bijschatten en analyseren). Bedrijven en instellingen met 500 of meer werkzame personen vallen integraal in de steekproef en ontvangen allemaal een vragenlijst. Binnen de overige strata wordt een random sample getrokken waarbij wel een gedeeltelijke paneloverlap tussen jaren wordt geforceerd.

De doelvariabelen van de R&D statistiek zijn de uitgaven voor eigen R&D en het aantal werkzame personen/FTE voor eigen R&D. Met eigen R&D worden de R&D-activiteiten bedoeld die binnen de bevraagde bedrijven of instellingen plaatsvinden. Deze activiteiten kunnen ook worden verricht door personeel dat hiervoor is ingeleend, zoals bijvoorbeeld uitzendkrachten (zie 2.1.2 Definitie van R&D – Vragenlijst CBS).

De netto steekproefomvang bedroeg in 2023 in totaal een kleine 9.000 eenheden. Bij sommige eenheden is er sprake van ondernemingengroepen met een dusdanig grote en complexe structuur dat het ingewikkeld wordt om voor alle ondernemingen binnen de betreffende groep afzonderlijk de R&D-gegevens in te vullen in de vragenlijst. Daarom is er voor dergelijke ondernemingen de mogelijkheid om de opgave centraal in te dienen. Op deze manier komt de vragenlijst bij de inhoudelijk meest relevante afdeling van de ondernemingengroep terecht, worden mogelijke dubbeltellingen zoveel mogelijk voorkomen, en worden de administratieve lasten van de ondernemingengroep beperkt. Rekening houdend met deze centrale opgaves was het voor ongeveer 8.500 eenheden mogelijk om te responderen. In 2023 heeft uiteindelijk ongeveer 87% van deze eenheden gerespondeerd met bruikbare gegevens; de rest van de gegevens zijn geïmputeerd.

Het steekproefontwerp is lange tijd gelijk gebleven, maar in 2022 heeft er een herontwerp met enkele verbeteringen plaatsgevonden. In de voorgaande jaren werd de steekproef gestratificeerd naar SBI en bedrijfsgrootte; in 2022 werd daar een indicator “WBSO ja of nee” aan toegevoegd en is voor enkele SBI’s een scheiding tussen bedrijven en instellingen toegevoegd. Het doel van dit herontwerp was om gerichter bedrijven te trekken in de steekproef waarvan bekend is dat in de betreffende strata onderzoek heeft plaatsgevonden. Of een bedrijf in het voorgaande jaar WBSO heeft ontvangen is daar een geschikte maatstaf voor. Om het effect van dit herontwerp goed te evalueren wil het CBS minimaal 3 jaar aan data vanuit het nieuwe ontwerp in samenhang kunnen analyseren alvorens de gepubliceerde cijfers definitief te maken. Medio 2027 zullen er definitieve cijfers over 2022 tot en met 2025 beschikbaar zijn.

2.2.2 Benaderstrategie

De steekproef wordt getrokken in maart van het jaar T+1 op de decemberstand van het ABR van statistiekjaar T. Waarneming vindt plaats op het niveau van de bedrijfseenheid en alle bedrijven die op 1 december van jaar T actief waren kunnen potentieel in de steekproef terechtkomen.

De geselecteerde eenheden worden na de steekproeftrekking per brief benaderd met het verzoek om de vragenlijst in te vullen. Dat invullen gebeurt online en in principe hebben bedrijven hier 60 dagen de tijd voor. Bedrijven die niet tijdig reageren krijgen ruim 1 week voor het verstrijken van de retourdatum een appelbrief. Direct na het verstrijken van de retourdatum krijgen non-respondenten een herinnering toegezonden in de vorm van een rappelbrief.  Als laatste (vrijblijvende) stimulans om de vragenlijst in te vullen worden een week of twee daarna nog zo’n 750 non-respondenten gebeld en verzocht om alsnog in te zenden.

Als bedrijven hierna echter nog steeds niet responderen treedt het handhavingstraject in werking, waarbij non-respondenten een dwangsom of boete kunnen krijgen opgelegd. Het CBS levert met statistische informatie inzicht in maatschappelijke en economische vraagstukken. Voor deze informatie verzamelt het CBS zoveel mogelijk de benodigde gegevens bij andere (overheids)instanties, zoals de Belastingdienst of de Kamer van Koophandel. Wanneer de benodigde informatie bij deze instanties (nog) niet verkrijgbaar is, onvolledig of onbetrouwbaar is, mag het CBS bedrijven wettig verplichten gegevens aan te leveren. Dit staat in de CBS-wet. Het betalen van de dwangsom of boete ontslaat bedrijven dan ook niet van de verplichting de gegevens aan te leveren.

Deze laatste stap (handhaving) is ingevoerd met ingang van statistiekjaar 2015, het jaar waarin het invullen van de R&D-enquête ook voor het eerst verplicht is geweest voor berichtgevers.

2.2.3 Gaafmaken, bijschatten en analyseren

Alvorens jaarlijks de R&D-cijfers worden gepubliceerd, worden deze eerst uitvoerig geanalyseerd. Het doel hiervan is de kwaliteit van de cijfers zo hoog mogelijk te maken om zowel een goede niveauschatting als een reële ontwikkeling te beschrijven. Tijdens verschillende fases in het productieproces vinden analyses plaats. Initieel wordt alle respons waarvan via een scorefunctie is bepaald dat deze een significante bijdrage aan R&D bevatten in het jaar T of T-1 handmatig bekeken. Dit gaafmaakproces richt zich op het beoordelen van een specifiek record. Bij deze beoordeling wordt ook gekeken naar de opgaves van eerdere jaren en eventuele externe hulpinformatie (werkzame personen, omzet, WBSO). Daarnaast is, indien van toepassing, voor eerdere jaren ook zichtbaar of er sprake is van een imputatie (handmatig, tmin1 of stratumgemiddelde).

Tijdens het beoordelen van de plausibiliteit van een record voor jaar t, is het op basis van voorgenoemde informatiebronnen mogelijk dat een responsrecord van dezelfde berichtgever van een eerder jaar wordt aangepast of voorzien van een handmatige imputatie. Hierbij wordt meestal contact gezocht met de berichtgever om te bevestigen of de R&D-opgave inderdaad correct is ingevuld. Hierdoor kan ook de kwaliteit van de data van het eerdere jaar worden verbeterd. Deze werkzaamheden vinden volledig op microniveau plaats.

Nadat een substantiële hoeveelheid respons is ontvangen en gaafgemaakt, wordt het kleinbedrijf bijgeschat op basis van de WBSO gegevens die het CBS van RVO ontvangt en vervolgens koppelt aan het Algemeen Bedrijvenregister (ABR). RVO levert de WBSO gegevens op kvk-nummer, welke vervolgens aan de meest passende bedrijfseenheid worden gekoppeld door het CBS. Alle bedrijfseenheden met minder dan 10 werkzame personen worden als bron gebruikt voor de bijschatting: onbruikbare waardes of koppelingen worden buiten beschouwing gelaten. Selecte criteria worden gehanteerd om extreme waardes verder uit te sluiten. De totale R&D-loonsom vanuit de WBSO wordt berekend aan de hand van de opgegeven uurlonen en S&O-uren, de R&D-inkomsten worden herleid uit de WBSO afdrachtvermindering, en de provinciale verdeling van het R&D-personeel wordt bepaald via de gekoppelde bedrijfseenheden. Deze waardes worden per combinatie SBI tweede digit en grootteklasse gevuld voor het kleinbedrijf. De rest van de variabelen worden herleid uit de R&D-totalen van het middenbedrijf: de verhouding tussen de loonsom uit S&O en de totale loonsom uit het middenbedrijf worden per SBI tweede digit berekend, en deze verhoudingen worden over de resterende variabelen die niet vanuit de WBSO gegevens kunnen worden herleid heen gelegd (per SBI tweede digit). Op deze manier zijn alle R&D-variabelen voor het kleinbedrijf bijgeschat.
Wanneer alle gegevens gaafgemaakt en compleet zijn wordt de analysefase gestart. Deze fase richt zich op het beoordelen van de actuele geaggregeerde cijfers. Er wordt per combinatie SBI tweede digit en grootteklasse beoordeeld of het niveau en de jaar-op-jaar ontwikkelingen van R&D plausibel zijn. Indien noodzakelijk worden er opnieuw aanpassingen doorgevoerd in de onderliggende microdata. Een record kan opnieuw worden gaafgemaakt (bijvoorbeeld door contact te zoeken met de berichtgever). Indien het record weliswaar correct is, maar niet representatief is voor de rest van de SBI2xGK1 groep, kan deze op uitschieter worden gezet. De weging van het betreffende record wordt dan overschreven met een waarde van 1, waardoor deze minder zwaar meetelt in het opgehoogde totaal (welke representatief is voor de gehele populatie).

2.2.4 Berekenen en publiceren kerncijfers

Nadat de analysefase is voltooid wordt het publicatiebestand samengesteld. Het CBS hanteert hiervoor vaste berekeningen voor alle benodigde kernvariabelen die op Europees niveau vastgesteld zijn. Ten eerste wordt het totaal aan eigen (“intramural”) R&D berekend, wat bestaat uit R&D-werkzaamheden verricht door zowel eigen als ingeleend personeel . Dit wordt gedaan voor zowel het aantal en fte eigen medewerkers (onderzoekers en overig R&D-personeel) plus ingeleende medewerkers, als uitgaven voor eigen plus ingeleende R&D. De cijfers worden lineair opgehoogd; dat wil zeggen dat de eenheden in de microdata gewogen zijn naar het populatietotaal van het betreffende stratum uit de steekproef.

De kerncijfers die voor R&D uiteindelijk worden gepubliceerd bestaan uit eigen R&D-personeel (werkzame personen en fte), uitgaven voor eigen R&D-activiteiten en de R&D-intensiteit. De R&D-intensiteit is gedefinieerd als de R&D-uitgaven gedeeld door het bruto binnenlands product (bbp), en drukt zo de omvang van de R&D-uitgaven uit als percentage van de totale economie. Daardoor geeft dit cijfer aan in hoeverre de R&D-uitgaven gelijke tred houden met de economie. Daarnaast maakt de R&D intensiteit het mogelijk de R&D-uitgaven van verschillende landen onderling te vergelijken.

Naast de voorgenoemde kerncijfers werd in het verleden ook het aantal R&D-bedrijven gepubliceerd. Door de aard van deze variabele is dit echter het minst betrouwbare cijfer wat volgt uit de vragenlijst van het CBS. Bij variabelen als uitgaven en personeel leggen grote bedrijven het meeste gewicht in de schaal, bij de vraag of er wel of geen R&D is zijn alle bedrijven gelijk. Bij een ja/nee vraag (wel of geen R&D) is naar verhouding een grotere onzekerheidsmarge aan de orde dan bij vragen over uitgaven en personeel doordat elke respondent (groot of klein) evenveel invloed op het cijfer heeft. Dit is dan ook de reden dat het CBS momenteel geen cijfers meer publiceert over het aantal R&D-bedrijven in Nederland.  

3. WBSO – Speur- en Ontwikkelingswerk (RVO)

4. Vergelijking R&D – S&O definities

5. Conclusie en aanbevelingen vervolgonderzoek

Literatuur