Verschillen tussen Research & Development en Speur- en Ontwikkelingswerk
Een kwalitatieve analyse van de definities van R&D zoals het CBS deze hanteert, en S&O binnen de WBSO die wordt uitgevoerd door RVO.Over deze publicatie
Dit rapport is een coproductie van het CBS en RVO.
In deze rapportage beschrijven we de verschillen tussen de definities van Research & Development (R&D) zoals het CBS deze hanteert, en Speur- en Ontwikkelingswerk (S&O) binnen de WBSO die wordt uitgevoerd door RVO. Het CBS en RVO hebben de definities naast elkaar gelegd en met elkaar vergeleken in een kwalitatieve analyse. Zo is onderzocht op welke punten de definities overeenkomen en op welke punten ze verschillen. De resultaten van deze vergelijking staan in deze rapportage.
Er zijn zowel overeenkomsten als verschillen tussen R&D en S&O. Over het algemeen geldt dat alles wat binnen de gehanteerde definitie van S&O valt ook als R&D kan worden opgegeven in de vragenlijst van het CBS. Daarmee kan worden gesteld dat de definitie van S&O in feite een ondergrens vormt voor de definitie van R&D.
Managementsamenvatting
Aanleiding
De beleidsevaluatie van de WBSO (2018–2022) door SEO en Dialogic constateerde dat er een toenemende discrepantie bestaat tussen het aantal bedrijven met eigen Research & Development (R&D)-activiteiten en het aantal bedrijven dat gebruikmaakt van de WBSO. Hierdoor is er een toenemende “wig” tussen de jaarlijkse omvang van Research & Development (R&D) en de jaarlijkse omvang van Speur- en Ontwikkelingswerk (S&O). In opdracht van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) hebben CBS en RVO onderzoek gedaan om mogelijke oorzaken van deze “wig” te verklaren.
Aanpak
CBS en RVO beschrijven in deze rapportage de verschillen tussen de definitie van R&D zoals het CBS deze hanteert in de CBS-vragenlijst (volgens de Frascati manual uit 2015), en de definitie van S&O binnen de WBSO-regeling die wordt uitgevoerd door RVO. Het CBS en RVO hebben de definities naast elkaar gelegd en met elkaar vergeleken in een kwalitatieve analyse. In totaal zijn er 48 deeldefinities van werkzaamheden en 11 categorieën kosten/uitgaven systematisch vergeleken en getoetst aan de Frascati manual. Zo is onderzocht op welke punten de definities overeenkomen en op welke punten ze verschillen. De resultaten van deze vergelijking staan in deze rapportage.
Kernconclusie
Over het algemeen geldt dat alles wat onder de S&O-definitie valt, ook als R&D kan worden opgegeven in de CBS-vragenlijst. De S&O-definitie vormt daarmee in feite een ondergrens voor de R&D-definitie. Slechts een beperkt deel van de definities komt één-op-één overeen; de grootste categorie betreft activiteiten die geen S&O zijn, maar onder bepaalde voorwaarden (en afhankelijk van interpretatie van de berichtgever) wel als R&D meetellen. Of de definitiewijzigingen tussen 2016 en 2025 de divergentie tussen de omvang van R&D versus S&O kunnen verklaren, zal nader onderzocht moeten worden. De 2 grootste vaste definitieverschillen zijn dat (1) door een onderneming ingeleend personeel meetelt als eigen R&D bij CBS, maar is uitgesloten voor WBSO en (2) niet-ondernemingen en publieke kennisinstellingen wel in de R&D-populatie van de CBS-vragenlijst zitten, maar niet voor WBSO in aanmerking komen.
Belangrijkste inhoudelijke verschillen
De belangrijkste verschillen tussen S&O en R&D zijn weergegeven in onderstaande tabel:
| Thema | S&O (WBSO) | R&D (CBS) |
|---|---|---|
| Diensten & concepten (niet-fysiek) | Uitgesloten | Onderdeel van vragenlijst |
| Sociaal/maatschappelijk/ cultureel onderzoek (niet-technisch) | Uitgesloten | Onderdeel van vragenlijst |
| Prototypes en pilot plants met latere commerciële betekenis | Uitgesloten | Niet uitgesloten op vragenlijst, kan worden opgegeven |
| Bouwen van systemen (programmatuur) | Uitgesloten | Niet uitgesloten op vragenlijst, kan worden opgegeven |
| Kosten (niet-loonkosten) | Moeten uitsluitend dienstbaar zijn aan S&O | Geen vaste dienstbaarheidseis op de vragenlijst |
| Grondverwerving/-verbetering | Categorisch uitgesloten | Onderdeel van vragenlijst |
| Tweedehands apparatuur | Uitgesloten | Niet uitgesloten op vragenlijst, kan worden opgegeven |
Conclusie
De groeiende discrepantie tussen de jaarlijkse omvang van Research & Development (R&D) en de jaarlijkse omvang van Speur- en Ontwikkelingswerk (S&O) kan niet direct worden verklaard door de definitieverschillen tussen R&D en S&O. Echter kan deze wig wel groter worden als bepaalde thema's in gewicht toenemen.
1. Aanleiding en plan van aanpak
“Het doelgroepbereik van de WBSO blijft aanzienlijk, wel wordt een groeiend aandeel van de bedrijven met eigen R&D-activiteiten niet bereikt. … We constateren echter ook een toenemende discrepantie tussen de populatie van bedrijven met eigen R&D-activiteiten en het aantal bedrijven dat gebruik maakt van de WBSO”. Aanbeveling 3 van de onderzoekers (pag. 171) luidt: “Onderzoek de gepercipieerde groeiende “wig” tussen bedrijven met R&D en bedrijven die gebruikmaken van de WBSO.”
In de kabinetsreactie2) van 3 april op het evaluatierapport is aangegeven dat hier in overleg met CBS nader onderzoek naar zal plaatsvinden. Op 26 mei 2025 hebben vertegenwoordigers van EZK, BAT-Lab, CBS en RVO hierover een eerste overleg gevoerd (voor gebruikte afkortingen zie de begrippenlijst). CBS en RVO hebben een plan van aanpak opgesteld hoe nader onderzoek te verrichten naar deze conclusie uit het evaluatierapport. In de WBSO Kamerbrief van Prinsjesdag 2025 is de Tweede Kamer over dit onderzoek geïnformeerd.
Fase 1 van het projectplan betreft het kwalitatief in kaart brengen van de verschillen tussen de definities van Research & Development (R&D) zoals CBS deze hanteert enerzijds en Speur- en Ontwikkelingswerk (S&O) zoals deze geldt voor de WBSO, die door RVO wordt uitgevoerd, anderzijds. Deze rapportage betreft de uitkomsten van fase 1 van het onderzoek dat CBS en RVO in nauwe samenwerking tot stand hebben gebracht.
1) Rijksoverheid: Evaluatie Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO) 2018-2022
2) Zie: Kabinetsreactie WBSO-evaluatie 2025
2. R&D-statistiek - Research & Development (CBS)
Het CBS publiceert jaarlijks cijfers over Research & Development (R&D) in Nederland. De huidige gepubliceerde reeks op StatLine (de databank van het CBS) loopt vanaf het verslagjaar 2013 tot en met 2023. De uitkomsten voor een verslagjaar worden twee keer gepubliceerd. In november volgend op het verslagjaar krijgt Eurostat voorlopige R&D-cijfers ten behoeve van de Europese verordening. In de maand juli van het daaropvolgende jaar worden definitieve cijfers op StatLine gepubliceerd en ook aan Eurostat geleverd.
2.1 Research & Development – Definitie en kaders
Het CBS heeft een verplichting tot het leveren van gegevens over R&D in Nederland aan Eurostat. Dat is vastgelegd in een verordening van de Europese Commissie. Wat er moet worden geleverd, welke variabelen, uitsplitsingen en met welke frequentie is ook vastgelegd in een Europese verordening. Daarnaast is er een zeer uitgebreide handleiding beschikbaar, geschreven door de OESO, waarin de aanbevolen methoden voor het produceren van deze statistiek staan beschreven. De taak van het CBS is om dit alles te vertalen naar een vragenlijst die de juiste gegevens jaarlijks ophaalt bij berichtgevers (bedrijven of instellingen die de vragenlijst moeten invullen en zo gegevens aanleveren aan het CBS). Omdat de definitie van R&D van invloed is op de gepubliceerde R&D-cijfers wordt de gehanteerde definitie in het kader van dit onderzoek in detail omschreven.
2.1.1 Definitie van R&D – Vragenlijst CBS
Internationaal wordt de Frascati manual (2015) beschouwd als de belangrijkste handleiding voor statistiekproductie over R&D. Deze handleiding is oorspronkelijk meer dan 50 jaar geleden samengesteld door experts van de OESO, en de meest recente editie uit 2015 geldt als het huidige uitgangspunt voor het verzamelen, verwerken en interpreteren van R&D-gegevens om statistiek te kunnen produceren. De definities in de Frascati manual zijn door veel landen overgenomen en dienen als gemeenschappelijke taal voor discussies over wetenschaps- en technologiebeleid en economisch beleid. Oorspronkelijk was de gehanteerde R&D-definitie een OESO-norm, maar inmiddels is het een erkende wereldwijde norm geworden in R&D-onderzoeken en worden de definities en methodes ook gebruikt door organisaties die verbonden zijn aan de Verenigde Naties en de Europese Unie, zoals Eurostat.
De Frascati manual uit 2015 telt 400 pagina’s en bevat naast een uitgebreide definitie van R&D ook voorbeelden van randgevallen (wel of geen R&D), best practices in dataverzameling van R&D-gegevens, methodes om R&D te meten in verschillende sectoren (bedrijven, overheid, hoger onderwijs), en meetmethodes voor de financiering van R&D. Uit deze handleiding heeft het CBS een beknopte definitie van R&D gedestilleerd welke voor berichtgevers gemakkelijk leesbaar en te interpreteren is. Daarbij is erop gelet om de genoemde definitie zo allesomvattend mogelijk te houden met zo weinig mogelijk informatieverlies, zonder dat dit teveel leeswerk en lastendruk oplevert voor invullers van de vragenlijst. Het CBS dient de lastendruk voor bedrijven zoveel mogelijk in te perken en heeft tegelijk baat bij een zo hoog mogelijk responsgehalte, wat de kwaliteit van de cijfers ten goede komt. Het CBS hanteert momenteel de volgende definitie, welke sinds het begin van de reeks wordt vermeld op de jaarlijkse vragenlijst:
In de kern kan worden gesteld dat een activiteit aan R&D voldoet, wanneer er op een creatieve, systematische en planmatige wijze wordt gezocht naar de oplossing van een praktisch probleem, of bestaande en/of nieuwe ideeën worden doorontwikkeld/uitgewerkt tot operationele producten of processen. “Creatief” duidt erop dat er op een manier te werk wordt gegaan waarbij gebruik wordt gemaakt van unieke methodes die bijvoorbeeld geen deel uitmaken van een regulier productieproces. “Systematisch en planmatig” houdt in dat de activiteit budgetteerbaar en navolgbaar is, en op projectmatige wijze ingericht en uitgevoerd kan worden. Via deze definitie stelt het CBS dat het voor berichtgevers die de vragenlijst invullen in het algemeen helder genoeg moet zijn, zonder dat de omschrijving als te complex wordt ervaren. De voorbeelden van activiteiten die moeten worden uitgesloten van R&D kunnen hierbij helpen.
In de jaarlijkse vragenlijst wordt eerst aan de berichtgever gevraagd of er binnen het bedrijf of de instelling sprake is geweest van R&D-werkzaamheden. Deze vraag is als volgt geformuleerd:
“Heeft uw bedrijf of instelling in jaar YYYY binnen uw bedrijf of instelling R&D- werkzaamheden verricht met eigen medewerkers en/of ingeleend personeel?”
Wanneer deze vraag met “ja” wordt beantwoord, worden vervolgvragen getoond welke zijn gericht op R&D-personeel, FTE, uitgaven en inkomsten. Indien de berichtgever “nee” heeft geantwoord, dan wordt er nog steeds gevraagd of er uitgaven zijn gedaan voor uitbestede R&D en of er inkomsten uit R&D zijn verkregen in het betreffende jaar. Als hier uitgaven en/of inkomsten worden opgegeven, dan moet de berichtgever aan de hand van een procentuele verdeling aangeven aan welke instanties de opgegeven uitgaven zijn uitbesteed en van welke instanties de opgegeven inkomsten zijn verkregen. Alle berichtgevers krijgen de vragen over uitbestede R&D en R&D-inkomsten te zien, ongeacht of zij hebben opgegeven of er wel of geen sprake is geweest van eigen R&D-activiteiten.
Wanneer de berichtgever heeft opgegeven dat er eigen R&D is verricht in het bedrijf of de instelling, wordt er gevraagd om het eigen R&D personeel in headcount en fte te verdelen naar onderzoekers en overig R&D-personeel. Ook wordt er naar eventueel ingeleend R&D-personeel gevraagd, wat ook meetelt als eigen R&D-personeel. De definities luiden als volgt:
- Onderzoekers – Wetenschappelijk geschoold personeel of leidinggevenden over R&D in uw bedrijf of instelling.
- Overig R&D-personeel – Technische assistenten op hoog niveau meewerkend onder supervisie van onderzoekers, onderhouds-, secretariaats-, bibliotheekpersoneel direct werkzaam voor R&D.
- Ingeleend personeel – Uitzendkrachten en ander gedetacheerd personeel, aangetrokken van uitzend-, detacheringsbureaus e.d., ingeleend personeel van andere bedrijven en zelfstandigen zonder personeel (ZZP’ers). Er is géén sprake van het inlenen van personeel bij het ontbreken van een gezagsverhouding met uw bedrijf, zoals externe functionarissen die (tijdelijk) in het bedrijf bijvoorbeeld accountants- of automatiseringsdiensten verrichten.
Dit opgegeven personeel wordt vervolgens procentueel verdeeld naar geslacht, provincie en wetenschapsgebied (technisch, natuur, sociaal, medisch, landbouw, en taal/kunst/cultuur).
Uitgaven voor R&D-werkzaamheden moeten worden gespecificeerd naar:
- R&D-werkzaamheden verricht door eigen personeel
- R&D-werkzaamheden verricht door ingeleend personeel
- R&D-werkzaamheden verricht door derden in Nederland – Kosten van R&D-werkzaamheden uitbesteed aan andere bedrijven behorend tot uw concern of aan andere ondernemingen, universiteiten, researchinstellingen (zoals TNO, ECN, RIVM, MARIN, etc.) in Nederland.
- R&D-werkzaamheden verricht door derden in het buitenland – Kosten van R&D-werkzaamheden uitbesteed aan andere bedrijven behorend tot uw concern of aan andere ondernemingen, universiteiten, researchinstellingen in het buitenland.
De R&D-werkzaamheden verricht door eigen personeel moet procentueel worden verdeeld over bruto lonen (van het aantal FTE besteed aan de R&D-werkzaamheden), R&D-investeringen in gebouwen/laboratoria/grond, andere R&D-investeringen in apparatuur/andere duurzame activa voor R&D, en overige uitgaven voor R&D-activiteiten. Verder moeten de totale R&D-uitgaven worden verdeeld onder fundamenteel onderzoek, toegepast onderzoek en experimentele ontwikkeling.
Een volledige versie van de vragenlijst is in bijlage 1 opgenomen ter referentie.
2.1.2 Definitie van R&D – Frascati manual
Zoals eerder genoemd is de gehanteerde R&D-definitie uit de Frascati manual (2015) de internationale standaard voor R&D-statistieken. Bovengenoemde definitie uit de vragenlijst van het CBS is hier een beknopte afgeleide van. In het onderstaande kader is het eerste deel van de volledige definitie uit de Frascati manual opgenomen:
Volgens de Frascati manual dient elke R&D-activiteit minimaal aan de 5 genoemde criteria te voldoen om als R&D te mogen tellen. De definitie op de vragenlijst van het CBS wijkt hier vanaf en benoemt enkel de criteria creatief, systematisch/planmatig en vernieuwend. De rest van de criteria kan worden afgeleid uit de tekst of is impliciet meegenomen in de definitie: een planmatig project is meestal reproduceerbaar, en onzekerheid komt voort uit het “zoeken naar oplossingen” en het “(uit)ontwikkelen van ideeën”. Ook de verschillende soorten onderzoek (fundamenteel, toegepast, experimenteel) komen later in de vragenlijst specifiek aan bod.
Hoewel de definitie op de vragenlijst grotendeels aansluit op de definitie in de Frascati manual, is het altijd mogelijk dat de berichtgever de definitie anders interpreteert. In de Frascati manual is een uitgebreide afbakening van R&D-werkzaamheden opgenomen, maar het is onmogelijk om deze volledig te tonen aan de berichtgever zonder de vragenlijst nog complexer te maken. Desondanks hanteert de Frascati manual een relatief brede definitie van R&D, waarbij bijvoorbeeld sociaal/maatschappelijk/cultureel onderzoek ook als R&D gerekend mag worden indien aan de 5 criteria wordt voldaan. Er worden geen eisen gesteld aan fysieke tastbaarheid of technische vernieuwingen. Een belangrijk onderscheid is dat de werkzaamheden geen betrekking moeten hebben op (reguliere) productie, in welk geval ook niet aan de 5 criteria voldaan kan worden.
De Frascati manual noemt voorbeelden bij de 5 criteria die kunnen helpen bij het toetsen of werkzaamheden aan de R&D-definitie voldoen, maar een exacte afbakening van de definitie bestaat niet. Daarom kunnen sommige werkzaamheden in een grijs gebied vallen wat de 5 criteria betreft. “Vernieuwend” (novelty) in het bijzonder kan veel van dit soort randgevallen opleveren. In de Frascati manual wordt gespecificeerd dat vernieuwing sterk afhankelijk kan zijn van de context, en daarom ook op basis van de context geëvalueerd moet worden. Daarbij kunnen twee belangrijke vuistregels worden gehanteerd die ook in een bredere context relevant zijn. Ten eerste moet de kennis die wordt verkregen als gevolg van de werkzaamheden volledig nieuw zijn voor de zowel de uitvoerder van de werkzaamheden als de sector waarin de uitvoerder actief is. Activiteiten die enkel kennis nieuw voor de uitvoerder opleveren zijn daarom niet voldoende, omdat het al bestaande kennis betreft. Ten tweede moet de nadruk liggen op de nieuw vervaardigde kennis zelf, en niet zozeer het product of proces dat wordt ontwikkeld op basis van deze kennis. Op deze manier worden marginale verbeteringen uitgesloten, maar wordt nieuwe kennis die niet expliciet tot uiting komt in het eindresultaat (maar daarbij wel een cruciaal onderdeel vormt) wel meegenomen.
De vragenlijst van het CBS benoemt in de definitie dat er bij R&D gestreefd wordt naar zowel oorspronkelijkheid als vernieuwing, waarbij met name de term “oorspronkelijkheid” betrekking heeft op de eerste vuistregel: indien hieraan wordt voldaan is er sprake van nieuw vervaardigde kennis voor zowel de uitvoerder als voor de sector waarin deze actief is. Het is echter geen garantie dat een berichtgever deze impliciete aanname ook daadwerkelijk zo interpreteert. Daarnaast wordt in de vragenlijst van het CBS gesteld dat het “verkrijgen van achtergrondkennis en het vergroten van de (puur) wetenschappelijke kennis” tot R&D telt, waarmee de tweede vuistregel van de Frascati manual wordt nageleefd en het vervaardigen van de kennis op zichzelf als vernieuwend wordt gekenmerkt. Ook hier betreft het een impliciete verwoording die afhankelijk blijft van de kennis van de berichtgever.
Naast de definitie van R&D-werkzaamheden specificeert de Frascati manual ook welke soort kosten/uitgaven onder eigen (“intramural”) R&D vallen. De volgende soorten kosten/uitgaven worden in hoofdstuk 4.2 omschreven:
- Current R&D expenditures – Onder te verdelen in “labour costs” (loonkosten) en “other current costs” (middelen en diensten benodigd voor de R&D-werkzaamheden die in hetzelfde jaar volledig worden gebruikt).
- Capital R&D expenditures – Uitgaven voor het verkrijgen van middelen die langdurig (meer dan een jaar) voor R&D-werkzaamheden worden gebruikt. In feite zijn dit investeringen in vaste activa welke worden ingezet voor R&D.
In de vragenlijst van het CBS wordt aan de berichtgever gevraagd om de uitgaven voor R&D-werkzaamheden verricht met eigen personeel procentueel te verdelen over bruto loonkosten, overige uitgaven voor R&D-activiteiten, R&D-investeringen in gebouwen/laboratoria/grond, en andere R&D-investeringen in apparatuur en andere duurzame activa voor R&D. Deze verdeling sluit aan op de specificaties in de Frascati manual.
Verschillen tussen de vragenlijst van het CBS en de Frascati manual – werkzaamheden
Hoewel de definities van R&D op de vragenlijst en in de Frascati manual over het algemeen goed op elkaar aansluiten, zijn er ook verschillen die opvallen. Deze verschillen zorgen niet voor grote afwijkingen, maar zijn belangrijk genoeg om hier benoemd te worden. Het betreft ten eerste een aantal posten gerelateerd aan werkzaamheden, welke zijn opgenomen in tabel 2.1.2.1. Daarnaast zijn er verschillen die te maken hebben met kosten en uitgaven voor R&D, welke hierna worden uitgelicht.
Het verrichten van marktonderzoek wordt in de vragenlijst alleen uitgesloten binnen de context van het gebruiken of marginaal verbeteren van bestaande methoden/modellen voor marktonderzoek, terwijl dit in zijn geheel wordt uitgesloten in de Frascati manual. Daarnaast wordt het verrichten van beleidsstudies of strategische studies niet genoemd op de vragenlijst en daarom niet expliciet uitgesloten, terwijl ze volgens de Frascati manual in veel gevallen moeten worden uitgesloten. Hoewel dit niet betekent dat alle marktonderzoeken of beleidsstudies worden opgegeven in de vragenlijst, omdat deze meestal niet aan de brede R&D-definities zullen voldoen, is het toch mogelijk dat er meer aan R&D wordt opgegeven dan noodzakelijk volgens het voorbeeld van de Frascati manual. Hetzelfde geldt (in mindere mate) voor het bouwen van een pilot-plant welke later mogelijk commerciële betekenis kan hebben: de vragenlijst gaat niet in op de mogelijke restrictie van latere commerciële betekenis, terwijl volgens de Frascati manual het gebruik van de pilot-plant uitdrukkelijk niet meer onder R&D mag vallen zodra de het primaire doel commercieel is geworden. In de vragenlijst is deze restrictie hooguit impliciet.
| Genoemd in vragenlijst? | Frascati | |
|---|---|---|
| Het verrichten van marktonderzoek. | Indien het onderzoek voldoet aan de R&D-definitie (mits creatief, vernieuwend, systematisch etc.) mag de berichtgever dit meetellen. Het gebruik of marginaal verbeteren van bestaande methoden/modellen voor marktonderzoek, sociaaldemografische vraagstukken e.d. wordt wel expliciet uitgesloten. | Het verrichten van marktonderzoek wordt specifiek uitgesloten op p.60 en p.215. In de toekomst zou dit explicieter kunnen worden uitgesloten in de vragenlijst van het CBS. |
| Het verrichten van beleidsstudies en strategische studies. | Indien de berichtgever de studie onder de R&D-definitie (creatief, vernieuwend, systematisch etc.) vindt vallen zal deze waarschijnlijk worden meegeteld. Aangezien dit soort studies niet expliciet worden genoemd is het aan de interpretatie van de invuller onderhevig. | In sommige gevallen kunnen beleidsstudies volgens Frascati onder R&D vallen, echter worden ze in het algemeen uitgesloten (p.77, 78). In de toekomst zou dit explicieter kunnen worden uitgesloten in de vragenlijst van het CBS. |
| Het bouwen van een pilot-plant op productieschaal, dan wel een prototype, zijnde een realisatie van het werkingsprincipe, waarvan aannemelijk is dat het een productieve of commerciële betekenis kan hebben. | Het bouwen van een pilot-plant wordt genoemd in de vorm vanhet (uit)ontwikkelen van ideeën of prototypes tot bruikbare processen en productierijpe producten. De productieve of commerciële betekenis van een dergelijke pilot-plant wordt niet expliciet genoemd als reden tot uitsluiting. | In Frascati wordt expliciet genoemd dat een pilot-plant of prototype onder R&D valt, zo lang het primaire doel hiervan een R&D-project is. Zodra het primaire doel commercieel is geworden mag het gebruik van de pilot-plant/prototype niet meer onder R&D vallen (p.61 en 62). In de toekomst zou dit explicieter kunnen worden uitgesloten in de vragenlijst van het CBS. |
Verschillen tussen de vragenlijst van het CBS en de Frascati manual – kosten en uitgaven
Een verschil tussen de vragenlijst en de Frascati manual is dat de laatste specificeert dat vaste activa voor R&D naar rato van het gebruik voor R&D moeten worden opgegeven, met de kanttekening dat dit in de praktijk vaak lastig is voor berichtgevers. Hetzelfde geldt voor kosten voor overige middelen noodzakelijk voor het realiseren van R&D: ook deze kosten moeten naar rato van het gebruik voor R&D worden meegerekend volgens de Frascati manual. In de vragenlijst wordt dit onderscheid niet apart benoemd, waardoor berichtgevers mogelijk meer kosten en uitgaven toebedelen aan R&D dan volgens de Frascati manual noodzakelijk zou zijn. Als advies wordt in de Frascati manual aangeraden om rekenmiddelen te hanteren voor het naar rato gebruik van investeringen/uitgaven aan vaste activa, bijvoorbeeld op basis van het aandeel R&D-personeel dat van de bedrijfsmiddelen gebruikmaakt, of in het geval van investeringen in gebouwen het aantal m2 wat voor R&D-werkzaamheden ingezet zal worden. Voor kosten voor overige middelen is het naar rato gebruik voor R&D vaak sterk contextafhankelijk: de Frascati manual voorziet daarom ook niet van specifieke rekenvoorbeelden wat kosten voor overige middelen betreft. In de praktijk is het voor invullers van de vragenlijst mogelijk lastig om de kosten en uitgaven naar rato te berekenen en op te geven, waardoor dit niet als vereiste wordt gesteld op de vragenlijst. Naast dit verschil zijn er wat kosten en uitgaven betreft geen specifieke posten die duidelijk afwijken tussen de R&D-definitie op de vragenlijst en de definitie in de Frascati manual.
Verschillen tussen de vragenlijst van het CBS en de Frascati manual – buitenlandse R&D-activiteiten
Volgens de Frascati manual is de R&D-statistiek opgebouwd uit R&D-activiteiten uitgevoerd door statistische eenheden die gevestigd zijn binnen het territorium van het betreffende land (zie pagina 124 van de Frascati manual). De activiteiten kunnen bij uitzondering in het buitenland hebben plaatsgevonden en toch voor het nationale totaal van eigen (“intramural” volgens de Frascati manual) R&D meetellen, zoals bijvoorbeeld het detacheren van onderzoekers naar het buitenland op korte termijn, maar die op de loonlijst staan van de binnenlandse vestiging. Een vuistregel is dat het R&D-project onder de verantwoordelijkheid moet vallen van de berichtgever (uitgevoerd met eigen middelen en personeel). Anders betreft het R&D uitbesteed aan derden in het buitenland, al dan niet bij eigen concernonderdelen. In de handleiding wordt echter erkend dat een dergelijk theoretisch onderscheid tussen R&D onder eigen verantwoordelijkheid in het buitenland en uitbestede R&D vaak niet makkelijk te maken is voor berichtgevers, zoals bij veel multinationals het geval is, en dat in dergelijke gevallen de structuur van de organisatie prioriteit heeft boven waar de R&D-activiteit fysiek heeft plaatsgevonden.
Het CBS noemt niet direct op de vragenlijst dat de R&D-activiteiten in Nederland moeten zijn uitgevoerd (mede vanwege de verschillende uitzonderingen op deze regel), maar in plaats daarvan wordt er om een provinciale verdeling gevraagd van het R&D-personeel dat de eigen R&D-werkzaamheden heeft uitgevoerd. Op deze manier kan de berichtgever afleiden dat het personeel dus ook in Nederland op de loonlijst moet staan. Ook wordt er duidelijk benadrukt dat de opgegeven eigen R&D-activiteiten binnen het aangeschreven bedrijf of de aangeschreven instelling moeten plaatsvinden. Er bestaat echter nog steeds ruimte tot eigen interpretatie bij de berichtgever, maar het is lastig te stellen wat in dit geval de “juiste” interpretatie is gezien de open definitie en afbakening van buitenlandse R&D-activiteiten uit de Frascati manual.
2.2 Research & Development – Statistisch proces
De R&D-statistiek is deels gebaseerd op een vragenlijst die wordt toegezonden aan een steekproef van bedrijven en deels op het gebruik van externe bronnen (zoals de WBSO voor het bijschatten van het kleinbedrijf, zie 2.2.3). Omdat het statistisch proces van invloed is op de gepubliceerde R&D-cijfers wordt het proces in het kader van dit onderzoek in detail omschreven. Een zorgvuldig samengestelde benaderstrategie gecombineerd met zowel handmatig als automatisch uitgevoerde gaafmaak- en analysewerkzaamheden vormen de basis voor een betrouwbare statistiek. Hieronder worden de verschillende stappen toegelicht.
2.2.1 Steekproef
De R&D-vragenlijst wordt jaarlijks uitgezonden aan een steekproef van bedrijven. Door middel van deze vragenlijst worden gegevens verzameld over R&D-activiteiten van in Nederland gevestigde bedrijven en instellingen. Bedrijven en instellingen met 10 of meer werkzame personen worden geselecteerd middels een gestratificeerde steekproef. De strata van de steekproef worden ingedeeld naar SBI (Standaard Bedrijfsindeling), bedrijfsgrootte, ontvangen WBSO (ja of nee, met ingang van statistiekjaar 2022) en voor enkele SBI’s een indeling naar bedrijf of instelling. Kleinere bedrijven met minder dan 10 werkzame personen worden niet in de steekproef meegenomen en worden in plaats daarvan bijgeschat op basis van de WBSO-gegevens die het CBS van RVO ontvangt (zie 2.2.3 Gaafmaken, bijschatten en analyseren). Bedrijven en instellingen met 500 of meer werkzame personen vallen integraal in de steekproef en ontvangen allemaal een vragenlijst. Binnen de overige strata wordt een random sample getrokken waarbij wel een gedeeltelijke paneloverlap tussen jaren wordt geforceerd.
De doelvariabelen van de R&D statistiek zijn de uitgaven voor eigen R&D en het aantal werkzame personen/FTE voor eigen R&D. Met eigen R&D worden de R&D-activiteiten bedoeld die binnen de bevraagde bedrijven of instellingen plaatsvinden. Deze activiteiten kunnen ook worden verricht door personeel dat hiervoor is ingeleend, zoals bijvoorbeeld uitzendkrachten (zie 2.1.1 Definitie van R&D – Vragenlijst CBS).
De netto steekproefomvang bedroeg in 2023 in totaal een kleine 9.000 eenheden. Bij sommige eenheden is er sprake van ondernemingengroepen met een dusdanig grote en complexe structuur dat het ingewikkeld wordt om voor alle ondernemingen binnen de betreffende groep afzonderlijk de R&D-gegevens in te vullen in de vragenlijst. Daarom is er voor dergelijke ondernemingen de mogelijkheid om de opgave centraal in te dienen. Op deze manier komt de vragenlijst bij de inhoudelijk meest relevante afdeling van de ondernemingengroep terecht, worden mogelijke dubbeltellingen zoveel mogelijk voorkomen, en worden de administratieve lasten van de ondernemingengroep beperkt. Rekening houdend met deze centrale opgaves was het voor ongeveer 8.500 eenheden mogelijk om te responderen. In 2023 heeft uiteindelijk ongeveer 87% van deze eenheden gerespondeerd met bruikbare gegevens; de rest van de gegevens zijn geïmputeerd.
Het steekproefontwerp is lange tijd gelijk gebleven, maar in 2022 heeft er een herontwerp met enkele verbeteringen plaatsgevonden. In de voorgaande jaren werd de steekproef gestratificeerd naar SBI en bedrijfsgrootte; in 2022 werd daar een indicator “WBSO ja of nee” aan toegevoegd en is voor enkele SBI’s een scheiding tussen bedrijven en instellingen toegevoegd. Het doel van dit herontwerp was om gerichter bedrijven te trekken in de steekproef waarvan bekend is dat in de betreffende strata onderzoek heeft plaatsgevonden. Of een bedrijf in het voorgaande jaar WBSO heeft ontvangen is daar een geschikte maatstaf voor. Om het effect van dit herontwerp goed te evalueren wil het CBS minimaal 3 jaar aan data vanuit het nieuwe ontwerp in samenhang kunnen analyseren alvorens de gepubliceerde cijfers definitief te maken. Medio 2027 zullen er definitieve cijfers over 2022 tot en met 2025 beschikbaar zijn.
2.2.2 Benaderstrategie
De steekproef wordt getrokken in maart van het jaar T+1 op de decemberstand van het Algemeen Bedrijvenregister (ABR) van statistiekjaar T. Waarneming vindt plaats op het niveau van de bedrijfseenheid en alle bedrijven die op 1 december van jaar T actief waren kunnen potentieel in de steekproef terechtkomen.
De geselecteerde eenheden worden na de steekproeftrekking per brief benaderd met het verzoek om de vragenlijst in te vullen. Dat invullen gebeurt online en in principe hebben bedrijven hier 60 dagen de tijd voor. Bedrijven die niet tijdig reageren krijgen ruim 1 week voor het verstrijken van de retourdatum een appelbrief. Direct na het verstrijken van de retourdatum krijgen non-respondenten een herinnering toegezonden in de vorm van een rappelbrief. Als laatste (vrijblijvende) stimulans om de vragenlijst in te vullen worden een week of 2 daarna nog zo’n 750 non-respondenten gebeld en verzocht om alsnog in te zenden.
Als bedrijven hierna echter nog steeds niet responderen treedt het handhavingstraject in werking, waarbij non-respondenten een dwangsom of boete kunnen krijgen opgelegd. Het CBS levert met statistische informatie inzicht in maatschappelijke en economische vraagstukken. Voor deze informatie verzamelt het CBS zoveel mogelijk de benodigde gegevens bij andere (overheids)instanties, zoals de Belastingdienst of de Kamer van Koophandel. Wanneer de benodigde informatie bij deze instanties (nog) niet verkrijgbaar is, onvolledig of onbetrouwbaar is, mag het CBS bedrijven wettig verplichten gegevens aan te leveren. Dit staat in de CBS-wet. Het betalen van de dwangsom of boete ontslaat bedrijven dan ook niet van de verplichting de gegevens aan te leveren.
Deze laatste stap (handhaving) is ingevoerd met ingang van statistiekjaar 2015, het jaar waarin het invullen van de R&D-vragenlijst ook voor het eerst verplicht is geweest voor berichtgevers.
2.2.3 Gaafmaken, bijschatten en analyseren
Alvorens jaarlijks de R&D-cijfers worden gepubliceerd, worden deze eerst uitvoerig geanalyseerd. Het doel hiervan is de kwaliteit van de cijfers zo hoog mogelijk te maken om zowel een goede niveauschatting als een reële ontwikkeling te beschrijven. Tijdens verschillende fases in het productieproces vinden analyses plaats. Initieel wordt alle respons waarvan via een scorefunctie is bepaald dat deze een significante bijdrage aan R&D bevatten in het jaar T of T-1 handmatig bekeken. Dit gaafmaakproces richt zich op het beoordelen van een specifiek record. Bij deze beoordeling wordt ook gekeken naar de opgaves van eerdere jaren en eventuele externe hulpinformatie (werkzame personen, omzet, WBSO). Daarnaast is, indien van toepassing, voor eerdere jaren ook zichtbaar of er sprake is van een imputatie (handmatig, tmin1 of stratumgemiddelde).
Tijdens het beoordelen van de plausibiliteit van een record voor jaar T, is het op basis van voorgenoemde informatiebronnen mogelijk dat een responsrecord van dezelfde berichtgever van een eerder jaar wordt aangepast of voorzien van een handmatige imputatie. Hierbij wordt meestal contact gezocht met de berichtgever om te bevestigen of de R&D-opgave inderdaad correct is ingevuld. Hierdoor kan ook de kwaliteit van de data van het eerdere jaar worden verbeterd. Deze werkzaamheden vinden volledig op microniveau plaats.
Nadat een substantiële hoeveelheid respons is ontvangen en gaafgemaakt, wordt het kleinbedrijf bijgeschat op basis van de WBSO gegevens die het CBS van RVO ontvangt en vervolgens koppelt aan het Algemeen Bedrijvenregister (ABR). RVO levert de WBSO gegevens op kvk-nummer, welke vervolgens aan de meest passende bedrijfseenheid worden gekoppeld door het CBS. Alle bedrijfseenheden met minder dan 10 werkzame personen worden als bron gebruikt voor de bijschatting: onbruikbare waardes of koppelingen worden buiten beschouwing gelaten. Selecte criteria worden gehanteerd om extreme waardes verder uit te sluiten. De totale R&D-loonsom vanuit de WBSO wordt berekend aan de hand van de opgegeven uurlonen en S&O-uren, de R&D-inkomsten worden herleid uit de WBSO afdrachtvermindering, en de provinciale verdeling van het R&D-personeel wordt bepaald via de gekoppelde bedrijfseenheden. Deze waardes worden per combinatie SBI tweede digit en grootteklasse gevuld voor het kleinbedrijf. De rest van de variabelen worden herleid uit de R&D-totalen van het middenbedrijf: de verhouding tussen de loonsom uit S&O en de totale loonsom uit het middenbedrijf worden per SBI tweede digit berekend, en deze verhoudingen worden over de resterende variabelen die niet vanuit de WBSO gegevens kunnen worden herleid heen gelegd (per SBI tweede digit). Op deze manier zijn alle R&D-variabelen voor het kleinbedrijf bijgeschat.
Wanneer alle gegevens gaafgemaakt en compleet zijn wordt de analysefase gestart. Deze fase richt zich op het beoordelen van de actuele geaggregeerde cijfers. Er wordt per combinatie SBI tweede digit en grootteklasse beoordeeld of het niveau en de jaar-op-jaar ontwikkelingen van R&D plausibel zijn. Indien noodzakelijk worden er opnieuw aanpassingen doorgevoerd in de onderliggende microdata. Een record kan opnieuw worden gaafgemaakt (bijvoorbeeld door contact te zoeken met de berichtgever). Indien het record weliswaar correct is, maar niet representatief is voor de rest van de SBI2xGK1 groep, kan deze op uitschieter worden gezet. De weging van het betreffende record wordt dan overschreven met een waarde van 1, waardoor deze minder zwaar meetelt in het opgehoogde totaal (welke representatief is voor de gehele populatie).
2.2.4 Berekenen en publiceren kerncijfers
Nadat de analysefase is voltooid wordt het publicatiebestand samengesteld. Het CBS hanteert hiervoor vaste berekeningen voor alle benodigde kernvariabelen die op Europees niveau vastgesteld zijn. Ten eerste wordt het totaal aan eigen (“intramural” volgens de Frascati manual, 2015) R&D berekend, wat bestaat uit R&D-werkzaamheden verricht door zowel eigen als ingeleend personeel3). Dit wordt gedaan voor zowel het aantal en fte eigen medewerkers (onderzoekers en overig R&D-personeel) plus ingeleende medewerkers, als uitgaven voor eigen plus ingeleende R&D. De cijfers worden lineair opgehoogd; dat wil zeggen dat de eenheden in de microdata gewogen zijn naar het populatietotaal van het betreffende stratum uit de steekproef.
De kerncijfers die voor R&D uiteindelijk worden gepubliceerd bestaan uit eigen R&D-personeel (werkzame personen en fte), uitgaven voor eigen R&D-activiteiten en de R&D-intensiteit. De R&D-intensiteit is gedefinieerd als de R&D-uitgaven gedeeld door het bruto binnenlands product (bbp), en drukt zo de omvang van de R&D-uitgaven uit als percentage van de totale economie. Daardoor geeft dit cijfer aan in hoeverre de R&D-uitgaven gelijke tred houden met de economie. Daarnaast maakt de R&D-intensiteit het mogelijk de R&D-uitgaven van verschillende landen onderling te vergelijken.
Naast de voorgenoemde kerncijfers werd in het verleden ook het aantal R&D-bedrijven gepubliceerd. Door de aard van deze variabele is dit echter het minst betrouwbare cijfer wat volgt uit de vragenlijst van het CBS. Bij variabelen als uitgaven en personeel leggen grote bedrijven het meeste gewicht in de schaal, terwijl bij de vraag of er wel of geen R&D is alle bedrijven gelijk zijn. Bij een ja/nee vraag (wel of geen R&D) is naar verhouding een grotere onzekerheidsmarge aan de orde dan bij vragen over uitgaven en personeel doordat elke berichtgever (groot of klein) evenveel invloed op het cijfer heeft. Dit is dan ook de reden dat het CBS momenteel geen cijfers meer publiceert over het aantal R&D-bedrijven in Nederland.
3. WBSO – Speur- en Ontwikkelingswerk (RVO)
De Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk trad in 1994 in werking. Deze wet in formele zin bestaat niet meer maar de handelsnaam “WBSO” is gebleven. De wettelijke grondslag voor de WBSO is de WVA: Wet Vermindering Afdracht Loonbelasting & Premie voor de Volksverzekeringen, Hoofdstuk VIII, S&O-afdrachtvermindering. De definitie van speur- en ontwikkelingswerk S&O is net als de definitie van R&D van het CBS ook geënt op Frascati maar kent eigen kaders. In dit hoofdstuk lichten we allereerst het aanvraagregime van de WBSO toe. Vervolgens diepen we het begrip S&O uit (3.2). Naast de werkzaamheden ondersteunt de WBSO vanaf 2016 ook de niet-loonkosten en uitgaven van aanvragers voor S&O; dit behandelen we in 3.3. In 3.4 leggen we uit hoe het S&O-loon per aanvrager wordt berekend. Paragraaf 3.5 beschrijft hoe de totale S&O-grondslag in enig jaar wordt berekend. De verplichte mededeling en verzilvering worden in 3.6 besproken. Paragraaf 3.7 gaat in op samenwerking tussen bedrijven bij S&O-projecten binnen of buiten een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Paragraaf 3.8 beschrijft ten slotte de ontwikkeling van de WBSO-grondslag en de kaders daarvan in de periode 2016 tot en met 2025.
3.1 Aanvraagregime WBSO
Voor S&O-inhoudingsplichtigen4), dat wil zeggen werkgevers die loonheffing inhouden voor personeel dat S&O verricht en daarvoor gebruikmaken van de WBSO, geldt dat een WBSO-aanvraag voorafgaand aan de periode waarvoor de ondernemer van plan is S&O te gaan verrichten moet worden ingediend. Een WBSO-aanvraag met betrekking tot een periode die per 1 januari van jaar (T) start, kan vanaf het moment van openstelling van het aanvraagportaal van RVO, doorgaans in de eerste week van november, tot uiterlijk 20 december van het jaar (T-1) worden ingediend. Een aanvraag kan ook eerst pro forma worden ingediend maar moet dan binnen de door RVO geboden termijn worden aangevuld tot een volledige aanvraag.
Een WBSO-aanvraag betreft naast de nodige algemene gegevens van aanvrager en eventuele tussenpersoon een beschrijving van de voorgenomen S&O-werkzaamheden. Deze worden beschreven in de vorm van projecten. Per project wordt ook het aantal S&O-uren opgegeven dat de aanvrager (of diens medewerkers) voornemens is aan het project te besteden. Per project wordt ook een opgave gedaan van het aantal benodigde S&O-uren die (de medewerkers van) aanvrager aan het project voornemens zijn te gaan besteden. Als aanvrager kiest voor het regime van werkelijke kosten & uitgaven (K/U) dan beschrijft aanvrager ook per project de voorgenomen K/U en de bedragen daarvan. Op grond van het totaal aantal aangevraagde S&O-uren en eventueel de aangevraagde K/U wordt na beoordeling van de aanvraag het WBSO-voordeel, zijnde het bedrag aan S&O-afdrachtvermindering, bepaald. Dit wordt in paragraaf 3.5 verder toegelicht.
Een aanvraag en S&O-verklaring beslaat een periode van minimaal 3 maanden en maximaal een jaar. Op aanvragen met startmaand januari na, is de uiterste indieningsdatum voor een aanvraag de laatste dag van de maand ervoor. De einddatum van een aanvraag is altijd 31 december van dat jaar. Een aanvrager kan jaarlijks maximaal 4 aanvragen5) indienen. De laatste mogelijkheid om een aanvraag in te dienen is 30 september; deze aanvraag heeft betrekking op de laatste 3 maanden van dat kalenderjaar. Voor het jaar erop dient aanvrager weer opnieuw aan te vragen, ook al gaat het om louter doorlopende projecten. Een aanvrager mag de uren en eventuele K/U meetellen voor de WBSO vanaf de startmaand van de periode waarvoor de aanvraag betrekking heeft. Het toepassen van het WBSO-voordeel mag, zo nodig met terugwerkende kracht over alle aangiftetijdvakken binnen het kalenderjaar, vanaf de maand waarin RVO het besluit op de aanvraag heeft genomen.
3.2 Speur- en ontwikkelingswerk – definitie en kaders
Speur- en Ontwikkelingswerk (S&O) is in de WVA gedefinieerd als:
Een S&O-inhoudingsplichtige is een inhoudingsplichtige die tevens een onderneming drijft. Een publieke kennisinstelling is uitgesloten van deze definitie. Onder publieke kennisinstelling wordt verstaan:
- Een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in de onderdelen a, b, c, g, h en i van de bijlage behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en een academisch ziekenhuis als bedoeld in onderdeel j van die bijlage;
- Een geheel of gedeeltelijk, meerjarig door de overheid gefinancierde onderzoeksorganisatie die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke of technische kennis uit te breiden;
- Een geheel of gedeeltelijk, meerjarig door een andere lidstaat van de Europese Unie gefinancierde openbare instelling voor hoger onderwijs, ziekenhuis of onderzoeksorganisatie die gelijkwaardig is aan een publieke kennisinstelling als bedoeld onder 1) of 2).
Alleen ondernemingen kunnen dus WBSO aanvragen voor werkzaamheden van het eigen personeel die als S&O zijn aan te merken en binnen de EU worden uitgevoerd. Naast de definitie van S&O in de WVA en een tweetal specifieke uitsluitingen van het S&O-begrip in de WVA (artikel 1, 4e lid, onderdelen a en b) wordt voor een nadere inperking van het S&O-begrip verwezen naar de Regeling S&O-afdrachtvermindering. In artikel 2 van deze regeling zijn een aantal activiteiten beschreven die niet tot S&O worden gerekend.
3.2.1 Technisch-wetenschappelijk onderzoek
Voor technisch-wetenschappelijk onderzoek, afgekort TWO, ofwel “speuren” (equivalent van “Research” in de R&D-definitie) moet het gaan om verklarend onderzoek en is de algehele stand der (kennis van) techniek de maatstaf waaraan ingediende projecten door RVO worden getoetst:
- Technisch betekent dat het onderzoek betrekking heeft op gebieden zoals fysica, chemie, biotechnologie, productietechnologie of informatie- en communicatietechnologie (geen limitatieve opsomming). De resultaten van het onderzoek hoeven niet per se te kunnen worden toegepast in een technisch nieuw fysiek product of productieproces. Economisch, sociaal of psychologisch onderzoek valt niet onder de reikwijdte van het TWO-begrip in de WBSO.
- Wetenschappelijk heeft te maken met het doel en de resultaten van het onderzoek en de manier waarop aanvrager het onderzoek opzet en uitvoert. Het doel is om een verklaring voor een verschijnsel te vinden die aanvrager niet kan geven op basis van algemeen toegankelijke kennis. Er bestaat dus een risico dat de verklaring niet gevonden kan worden. Onderzoek dat louter constaterend, beschrijvend, inventariserend, coderend en/of vertalend is valt niet onder de TWO-definitie. Het onderzoek moet theoretische of praktische kennis opleveren en de resultaten worden vastgesteld op basis van feiten. Een aanvrager moet de systematische en planmatige onderzoeksopzet kunnen beschrijven in diens WBSO-aanvraag. Het betreft niet-routinematig onderzoek waarvan het onderzoekstraject zelf en de resultaten daarvan moeten worden vastgelegd.
Voor een nadere uitleg van het begrip TWO, wordt verwezen naar de Beleidsregel TWO. Deze gewijzigde beleidsregel ging per 2020 in. Het betrof geen inhoudelijke wijziging wat betreft de kaders voor TWO maar een update waarbij de (verouderde) voorbeelden van mogelijke TWO-projecten zijn verwijderd, naast de bestendiging van de uitleg van het begrip TWO in de WBSO zoals deze al vanaf 2005 gold.
3.2.2 Ontwikkeling (product, proces of programmatuur)
Ontwikkeling (equivalent van “Development” in de R&D-definitie) in de zin van de WBSO moet fysieke zaken (producten of productieprocessen) of programmatuur betreffen, of onderdelen daarvan. Het enkel ontwikkelen van niet-fysieke zaken als diensten of modellen of concepten kwalificeert niet. Er is sprake van een ontwikkelingsproject als een aanvrager voornemens is iets te gaan ontwikkelen en daarbij tegen technische knelpunten of problemen aanloopt. Daarbij werkt aanvrager aan een oplossing die voor aanvrager zelf technisch nieuw is. Leidend hierbij zijn de eigen technische vaardigheden en kennis van aanvrager. Aanvrager dient zelf te bewijzen of en hoe de oplossing werkt, bijvoorbeeld aan de hand van een prototype. Ergo, om voor WBSO te kunnen kwalificeren moeten er binnen ontwikkelingsprojecten technische risico’s of onzekerheden zijn over het bereiken van de oplossing c.q. het beoogde eindresultaat. Maatstaf daarbij is de technische nieuwheid voor de ondernemer van hetgeen ontwikkeld wordt. Er is een verschil tussen ‘nieuw’ en ‘technisch nieuw’. Als aanvrager binnen een project de oplossing van de technische knelpunten kan bereiken door technieken of werkingsprincipes te gebruiken die nog niet bestaan of nog niet algemeen bekend zijn, dan kan er sprake zijn van een ontwikkelingsproject in de zin van de WBSO.
Naast de ontwikkeling van fysieke (tastbare) producten of productieprocessen valt ook het ontwikkelen van technisch nieuwe programmatuur onder de WBSO. Daarbij dient het
oplossen van een technisch knelpunt of probleem op het gebied van informatietechnologie centraal te staan binnen een project. Programmatuur is in de WVA gedefinieerd als “het niet-fysieke, logische deelsysteem van een informatiesysteem dat de structuur van de gegevens en de verwerkingsprocessen bepaalt voor zover dat deelsysteem is vastgelegd in een formele programmeertaal”. Er moet bij programmatuurontwikkeling sprake zijn van een nieuw informatietechnologisch principe waarbij aanvrager zelf knelpunten oplost. Het S&O-traject eindigt zodra aanvrager een nieuw informatietechnologisch werkingsprincipe heeft aangetoond. Het beschrijven van modellen of een architectuur, het formuleren van algoritmen, alsmede het toepassen, samenstellen of implementeren van programmatuur, is onvoldoende om voor de WBSO te kwalificeren. Het enkel ontwerpen en realiseren van een nieuwe functionaliteit (zoals bouwstenen, modulen en pakketten) op basis van beschikbare of verkrijgbare technologie (programmatuur en technieken) of het bouwen van systemen komt evenmin voor de WBSO in aanmerking.
3.3 Niet-loonkosten in de WBSO
Van oudsher ondersteunde de WBSO voor S&O-inhoudingsplichtigen alleen de S&O-loonkosten. Dat wil zeggen de loonkosten van de eigen medewerkers van aanvrager die de werkzaamheden (projecten) uitvoeren zoals deze binnen de kaders van de wet (nu: WVA) en regelgeving (nu: Regeling S&O-afdrachtvermindering) vallen.
In 2012 trad de Research & Development Aftrek (RDA) in werking, een regeling die fiscaal voordeel gaf voor S&O-niet-loonkosten. Een aanvraag voor de RDA was niet verplicht maar kon aanvullend op een WBSO-aanvraag worden ingediend. De RDA heeft als separaat instrument tot en met 2015 bestaan. Verrekening van het RDA-voordeel vond plaats via de vennootschapsbelasting.
Met ingang van 2016 is de RDA geïntegreerd in de WVA. De bepalingen vanuit de RDA zijn daarbij, en waar mogelijk ongewijzigd, overgenomen. Vanaf 2016 ondersteunt de WBSO dus zowel de S&O-loonkosten als de S&O-niet loonkosten van ondernemers die S&O verrichten.
Wat betreft de niet-loonkosten heeft een aanvrager elk jaar de keuze uit twee regimes die dan voor het gehele jaar gelden. Dit betreft:
- Werkelijke kosten & uitgaven (K/U): Naast de eigen S&O-loonkosten vraagt de ondernemer de werkelijke kosten en uitgaven aan die ten behoeve van diens S&O voorzien zijn in het (deel van het) jaar waarop diens aanvraag betrekking heeft.
- Forfaitair bedrag voor kosten & uitgaven: Er geldt een forfaitaire opslag van €10 per S&O-uur voor de eerste 1.800 S&O-uren in het jaar waarop de aanvraag/aanvragen betrekking heeft/hebben en €4 per S&O-uur voor het surplus aan S&O-uren. De werkelijke niet-loonkosten zijn hierbij niet relevant.
Binnen regime 1) wordt onderscheid gemaakt tussen kosten en uitgaven:
- Uitgaven zijn de voorgenomen aanschaf van nieuw vervaardigde bedrijfsmiddelen die aanvrager voornemens is te gaan inzetten om de eigen S&O-werkzaamheden/projecten te kunnen uitvoeren. Dit zijn dus investeringen, maar kennen een ander regime dan wat gangbaar is in de fiscaliteit. Uitgaven moeten direct toerekenbaar en dienstbaar zijn aan het S&O van aanvrager. Denk aan het investeren in nieuwe onderzoeksfaciliteiten of testapparatuur.
- Kosten zijn alle andere zaken die aanvrager van plan is aan te schaffen voor het uitvoeren van het eigen S&O. Hiervoor geldt dat deze zaken direct toerekenbaar en uitsluitend dienstbaar moeten zijn aan de S&O-werkzaamheden van aanvrager. Denk aan het aanschaffen van onderdelen en materialen om prototypes te vervaardigen.
Bij (werkelijke) kosten in de WBSO gaat het om de kosten die een aanvrager zelf betaalt en die betrekking hebben op de eigen S&O-werkzaamheden. Hetgeen wordt aangeschaft dient direct toerekenbaar en uitsluitend dienstbaar te zijn aan het S&O van aanvrager.
Naast de eigen loonkosten zijn er nog 3 arbeids-gerelateerde kostensoorten te onderscheiden die al dan niet als kosten van aanvrager in aanmerking komen:
- Kosten voor uitbesteed onderzoek, dat wil zeggen werkzaamheden met een S&O-karakter die aanvrager uitbesteedt aan een derde, komen niet in aanmerking voor WBSO. Als de partij aan wie e.e.a. wordt uitbesteed een Nederlands bedrijf is dan zou men daarvoor zelf WBSO kunnen aanvragen. Met deze uitsluiting wordt dubbele ondersteuning voor dezelfde kosten voorkomen.
- Kosten voor inhuur van arbeid, bijvoorbeeld uitzendkrachten die via een uitzendbureau door aanvrager worden ingeleend (en dus niet op de eigen loonlijst staan) en binnen de eigen S&O-projecten worden ingezet, komen evenmin in aanmerking voor WBSO.
- Kosten voor uitbesteed werk kunnen wel in aanmerking komen als niet-loonkosten in de WBSO-aanvraag van aanvrager. Het gaat hierbij om aan een derde uitbestede activiteiten die als geheel geen op zichzelf staand S&O-werk zijn, omdat anders sprake zou zijn van uitbesteed onderzoek. Voor de uitvoerende derde hebben de activiteiten een meer routinematig karakter die wél nodig zijn voor het S&O van aanvrager zelf. Denk daarbij aan het laten bouwen van een zelf ontwikkeld prototype door een bedrijf met geschikte machines en tools of het door een laboratorium laten testen van monsters van een zelf ontwikkelde coating.
Voor uitgaven groter dan €1.000.000 geldt dat deze niet in één aanvraag mogen worden opgevoerd. In plaats daarvan mag voor een periode van maximaal 5 jaar jaarlijks maximaal 20% van het uitgavebedrag worden aangevraagd.
3.4 Berekening S&O-loonkosten
Om vanuit de S&O-uren de S&O-loonkosten te bepalen is het S&O-uurloon van aanvrager relevant. Per aanvrager wordt daartoe jaarlijks een S&O-uurloon bepaald. Voor nieuwe aanvragers geldt in de eerste twee jaren waarin WBSO wordt aangevraagd een forfaitair uurloon van €29. Vanaf het derde aanvraagjaar wordt een S&O-uurloon berekend op grond van de loongegevens de voorgaande twee referentiejaren. Voor jaar (T) betekent dit dat aanvrager voorafgaand aan de aanvraag eerst de burgerservicenummers van de medewerkers die in jaar (T-2) S&O hebben verricht meldt bij RVO. RVO vraagt met die BSN’s uit de Polisadministratie van UWV del oongegevens van die medewerkers bij UWV op en berekent daarmee conform de daarvoor geldende wettelijke formule het S&O-uurloon voor dat aanvraagjaar. De gedachte achter deze systematiek is dat het berekende S&O-uurloon zo goed mogelijk aansluit bij de werkelijke loonkosten van aanvrager en op basis van beschikbare en juiste (door de Belastingdienst gecontroleerde) data bepaald kan worden.
3.5 Berekening S&O-grondslag voor WBSO-voordeel
RVO beoordeelt elke WBSO-aanvraag op grond van de wet- en regelgeving. Naast de nodige formele checks toetsen de RVO-medewerkers middels het vier ogen principe of de aangevraagde S&O-werkzaamheden en, indien van toepassing, de aangevraagde K/U voldoen aan alle wettelijke kaders. Zo nodig worden er eerst vragen gesteld als op grond van de aanvraag nog geen besluit kan worden genomen.
Als (een deel van) de aangevraagde werkzaamheden en/of de K/U niet kwalificeren dan worden deze afgewezen. RVO communiceert de beslissing op een aanvraag via een digitaal besluit. Indien (een deel van) de aanvraag wordt toegekend dan wordt als bijlage bij de beschikking de zogenaamde S&O-verklaring gevoegd. Hierop staat het bedrag aan S&O-afdrachtvermindering (WBSO-voordeel) dat aan aanvrager wordt toegekend.
De grondslag voor het WBSO-voordeel wordt, afhankelijk van het gekozen regime voor de niet-loonkosten, als volgt berekend (met # S&O-uren, zijnde de som van de goedgekeurde S&O-uren per project):
- (# S&O-uren * S&O-uurloon) + (Σ van alle K+U) OF
- (# S&O-uren * S&O-uurloon) + (forfaitaire toeslag o.b.v. # uren)
Het daadwerkelijke WBSO-voordeel, de S&O-afdrachtvermindering, wordt als volgt berekend (parameters 2026):
- Eerste schijf: 36 % van de eerste € 380.000 aan S&O-grondslag in het kalenderjaar.
- Tweede schijf: 16 % van over de S&O-grondslag > € 391.020.
- Voor starters geldt in de eerste schijf een percentage van 50%.
De percentages en schijfgrens worden jaarlijks opnieuw en voorafgaand aan het nieuwe aanvraagjaar vastgesteld en op Prinsjesdag gecommuniceerd.
| 2016 | 2017 | 2018 | 2019 | 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | 2024 | 2025 | 2026 | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Schijf 1, regulier (%) | 32 | 32 | 32 | 32 | 32 | 40 | 32 | 32 | 32 | 36 | 36 |
| Schijf 1, starter (%) | 40 | 40 | 40 | 40 | 40 | 50 | 40 | 40 | 40 | 50 | 50 |
| Drempel (euro) | 350 000 | 350 000 | 350 000 | 350 000 | 350 000 | 350 000 | 350 000 | 350 000 | 350 000 | 380 000 | 391 020 |
| Schijf 2 (%) | 16 | 16 | 14 | 16 | 16 | 16 | 16 | 16 | 16 | 16 | 16 |
| Forfait drempel | 1 800 | 1 800 | 1 800 | 1 800 | 1 800 | 1 800 | 1 800 | 1 800 | 1 800 | 1 800 | 1 800 |
| Forfait onder drempel | 10 | 10 | 10 | 10 | 10 | 10 | 10 | 10 | 10 | 10 | 10 |
| Forfait boven drempel | 4 | 4 | 4 | 4 | 4 | 4 | 4 | 4 | 4 | 4 | 10 |
| S&O-aftrek zelfstandige, regulier (euro) | 12 484 | 12 522 | 12 623 | 12 775 | 12 980 | 13 188 | 13 360 | 14 202 | 15 551 | 15 738 | 15 979 |
| S&O-aftrek Zelfstandige, starter (euro) | 18 729 | 18 786 | 18 938 | 19 166 | 19 474 | 19 786 | 20 044 | 21 308 | 23 332 | 23 613 | 23 975 |
| Uren criterium zelfstandige | 500 | 500 | 500 | 500 | 500 | 500 | 500 | 500 | 500 | 500 | 500 |
3.6 Verplichte mededeling, verzilvering & controle achteraf
Een aanvrager die in/voor jaar (T) een S&O-verklaring heeft ontvangen, dient binnen 3 maanden na afloop van het jaar (T) een mededeling te doen van de gerealiseerde S&O-uren en, indien van toepassing, de gerealiseerde werkelijke kosten en uitgaven (K/U). Is de realisatie lager dan de toekenning dan wordt middels een correctie S&O-verklaring het recht op S&O-afdrachtvermindering naar beneden bijgesteld op grond van hetgeen aanvrager als de gemelde totalen (gerealiseerde uren, kosten en uitgaven) heeft gemeld. Eventueel teveel geclaimde S&O-afdrachtvermindering dient aanvrager dan via de aangiftes loonheffingen terug te betalen. Naast RVO heeft ook de Belastingdienst een rol in de uitvoering van de WBSO. De Belastingdienst controleert de juiste toepassing/verrekening van de S&O-afdrachtvermindering. RVO levert daartoe periodiek de gegevens van de verstrekte S&O-verklaringen aan. RVO ontvangt van de Belastingdienst periodiek per inhoudingsplichtige de geclaimde bedragen aan S&O-afdrachtvermindering.
RVO voert na afloop van het jaar controles uit bij een deel van de aanvragers. Dit kan via een bezoek ter plekke of door middel van een deskcontrole. Er wordt dan getoetst wordt of aanvragers aan alle voorwaarden die de WBSO stelt hebben voldaan. Bij omissies kan (een deel van) de toegekende S&O-afdrachtvermindering worden gecorrigeerd en een boete worden opgelegd. Correctiebedragen en eventuele boetes dient aanvrager ook via de aangifte loonheffingen te voldoen. Een correctie kan ook worden opgelegd vanwege een administratieve omissie; dat betekent dus niet altijd dat desbetreffend speur- en ontwikkelingswerk of de daaraan gerelateerde K/U niet zijn gerealiseerd. De correctie- en boetebedragen worden ook daarom in het kader van dit onderzoek buiten beschouwing gelaten. Ze zijn immers niet relevant in het kader van de verschillen tussen de totale omvang van S&O versus R&D.
3.7 Samenwerking tussen bedrijven en fiscale eenheden
Bij een samenwerking tussen meerdere bedrijven is het uitgangspunt dat elke partij WBSO aanvraagt voor de S&O-werkzaamheden die de medewerkers van het bedrijf zelf uitvoeren en de K/U die dat bedrijf zelf maakt. Voor elke partij toetst RVO of de werkzaamheden van (de medewerkers van) dat bedrijf als S&O kwalificeren en of de eventueel aangevraagde K/U daaraan (uitsluitend) dienstbaar zijn. Het kan zijn dat in een samenwerking binnen een project het aandeel van de ene deelnemer wel kwalificeert voor de WBSO en de inbreng van een ander niet. Of er wel/geen sprake is van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting (FE) is daarbij bepalend. Een voorbeeld illustreert dit het beste:
Voorbeeld: Twee BV’s werken samen in een ontwikkelingsproject. BV A is de ontwikkelaar. BV B bouwt het prototype van hetgeen BV A heeft ontwikkeld. BV A test vervolgens het prototype en past het ontwerp aan zodat het beoogde werkingsprincipe wel wordt gerealiseerd.
Als een aanvrager zelf de ontwikkeling doet dan kunnen bouwwerkzaamheden om het prototype (mits dat geen gebruikerswaarde kan hebben) te realiseren wél als S&O-uren “meetellen”voor de WBSO. Het enkel bouwen van een prototype is op zichzelf niet als zelfstandig S&O aan te merken. Afhankelijk van of er wel/geen sprake is van een FE wordt e.e.a. als volgt beoordeeld:
- Is er wel sprake van een FE? Dan kwalificeren zowel de werkzaamheden van BV A als BV B als S&O. BV A en BV B dienen wel elk een WBSO-aanvraag in voor hun eigen werkzaamheden.
- Is er geen sprake van een FE? Dan kwalificeren de bouwwerkzaamheden van BV B niet als S&O. Alleen de aanvraag van BV A slaagt, een eventuele aanvraag van BV B wordt afgewezen.
- Als BV A het bouwen van het prototype uitbesteedt aan een derde partij (hier: BV C) buiten de FE dan kan BV A de kosten daarvan als niet-loonkosten in de eigen WBSO-aanvraag meenemen. Er is geen sprake van uitbesteed onderzoek want het enkel bouwen van een prototype (in dit geval door BV C) is op zichzelf geen S&O.
- BV C kan niet zelf WBSO aanvragen voor het bouwen van het prototype want het enkel bouwen van een prototype is op zichzelf geen S&O.
Bij 2 of meer bedrijven binnen de FE is het uitgangspunt dat elke BV de eigen werkzaamheden aanvraagt en de keuze kan maken tussen het forfaitaire regime van kosten/uitgaven of de werkelijke K/U. De WBSO biedt binnen de FE aanvragers enige flexibiliteit.
Het gaat voor de scope van dit onderzoek te ver om hier dieper op in te gaan. Hoofdregel is dat voor het samenwerken binnen S&O-projecten het wel/niet sprake zijn van een fiscale eenheid (VpB) gevolgen heeft voor de (beoordeling van) S&O-werkzaamheden, kosten en uitgaven.
3.8 Ontwikkeling kaders & grondslag in periode 2016-2025
De wet- en regelgeving van de WBSO is vanaf 2016 grotendeels stabiel gebleven wat betreft de definitie van speur- en ontwikkelingswerk. Beleidsmatig uitgangspunt voor de WBSO zijn stabiele voorwaarden, zowel wat betreft wet- en regelgeving als parameters. Per 2016 zijn enkele belangrijke aanpassingen aan de WBSO-kaders doorgevoerd. Naast de integratie van de RDA in de WVA, waarmee ook de S&O-niet-loonkosten of de forfaitaire variant daarvan tot de WBSO-grondslag behoorden, zijn per 2016 de volgende aanpassingen doorgevoerd:
- Verduidelijking van het begrip “S&O-inhoudingsplichtige”, waardoor publieke kennisinstellingen geen WBSO meer kunnen aanvragen (N.B.: de contractresearch-faciliteit voor niet-ondernemers was al per 2015 geschrapt).
- Verduidelijking van het begrip “programmatuur” in de WVA. Dit is nader toegelicht in de beleidsregel “Uitleg technisch nieuwe programmatuur”.
- Afschaffen van de projectcategorieën “technisch onderzoek” en “analyse technische haalbaarheid” waarmee de S&O-definitie is geworden tot de huidige definitie zoals beschreven in paragraaf 3.1.
Per 2022 is de aanvraagsystematiek verder geflexibiliseerd en zijn de verzilveringsmogelijkheden verruimd. Na deze flexibilisering is het aantal WBSO-aanvragen en projecten teruggelopen, maar is de S&O-grondslag stabiel gebleven. Bedrijven kunnen volstaan met één aanvraag per jaar en deze aanvullen waar nodig. Hierdoor zijn de administratieve lasten voor het aanvragen van WBSO verminderd. Daarnaast is de verruiming van de verzilveringsmogelijkheden vooral bedoeld om bedrijven meer mogelijkheden te geven hun S&O-afdrachtvermindering volledig te kunnen verzilveren, een knelpunt dat vooral bij startende bedrijven speelde (en nog kan spelen).
Sindsdien heeft enkel per 2022 een aanpassing in de wettelijke kaders voor de S&O-grondslag plaatsgevonden. Naar aanleiding van een tussenuitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven is toen in de WVA geregeld dat een aanvrager alleen kosten en uitgaven mag opvoeren die zijn beschreven in diens aanvraag. De rechter had eerder geoordeeld dat de wet toestond dat een aanvrager ook kosten en uitgaven kan opvoeren die anders zijn dan de genoemde kosten en uitgaven in de aanvraag, maar die wel (uitsluitend) dienstbaar en direct toerekenbaar zijn aan het S&O.
In de WBSO-systematiek kennen we feitelijk drie jaarcijfers wat betreft de totale omvang van S&O:
- Totaal toegekende S&O-grondslag (op grond van hetgeen is aangevraagd en beoordeeld door RVO) en daarmee het totaalbedrag aan toegekende S&O-afdrachtvermindering;
- Totaal vastgestelde S&O-grondslag (op grond van hetgeen door aanvragers via de verplichte mededeling is gemeld) en daarmee het totaal gerealiseerde bedrag aan S&O-afdrachtvermindering;
- Totaal verzilverde S&O-afdrachtvermindering (op grond van wat aanvragers daadwerkelijk in hun aangiftes loonheffingen hebben toegepast; gegevens van de Belastingdienst)
De vastgestelde S&O-grondslag is de meest zuivere maat voor de totale omvang van jaarlijks door Nederlandse ondernemingen verrichte S&O. Deze vastgestelde S&O-grondslag bedraagt 80% (2024) van hetgeen is toegekend. Daarnaast is de verruiming van de verzilveringsmogelijkheden vooral bedoeld om bedrijven meer mogelijkheden te geven hun S&O-afdrachtvermindering volledig te kunnen toepassen. Een knelpunt dat vooral bij startende bedrijven speelde (en nog kan spelen).
RVO levert jaarlijks aan het CBS per inhoudingsplichtige en zelfstandige de vastgestelde S&O (uren, loonkosten, niet-loonkosten en S&O-afdrachtvermindering/aftrek). Het bedrag en percentage vaststelling in 2025 waren ten tijde van het opstellen van dit rapport nog niet bekend.
| Toegekend (euro) | Vastgesteld (euro) | Vaststelling (%) | |
|---|---|---|---|
| 2016 | 6 717 | 5 471 | 81 |
| 2017 | 6 694 | 5 495 | 82 |
| 2018 | 6 788 | 5 470 | 81 |
| 2019 | 7 122 | 5 812 | 82 |
| 2020 | 7 253 | 5 987 | 83 |
| 2021 | 7 761 | 6 137 | 79 |
| 2022 | 8 221 | 6 463 | 79 |
| 2023 | 8 706 | 6 775 | 78 |
| 2024 | 8 367 | 6 660 | 80 |
5) Zie ook voetnoot 4.
6) De WBSO geldt voor S&O-inhoudingsplichtigen en S&O-belastingplichtigen. Voor belastingplichtigen, zelfstandige ondernemers voor de inkomstenbelasting, geldt een ander regime. Zij krijgen een vast bedrag aan S&O-aftrek voor de inkomstenbelasting indien er in het jaar van aanvraag tenminste 500 S&O-uren worden gemaakt. Deze faciliteit ziet bovendien niet op de overige kosten en uitgaven. Omdat S&O-inhoudingsplichtigen verreweg de grootste groep aanvragers betreft (circa 95%) en het overgrote deel van het WBSO-budget opsouperen en omvang van S&O bepalen én voor hen hetzelfde kader voor S&O geldt, zijn de S&O-belastingplichtigen hier verder buiten beschouwing gelaten.
4. Vergelijking R&D – S&O definities
Om uit te zoeken waar de definities van R&D (zoals gehanteerd door het CBS in de vragenlijst) en S&O (zoals gehanteerd door RVO voor het bepalen en toetsen van de S&O-afdrachtvermindering in het kader van de WBSO) met elkaar overeenkomen en waar deze van elkaar verschillen, zijn beide definities naast elkaar gelegd en gezamenlijk door het CBS en RVO met elkaar vergeleken in een kwalitatieve analyse. Een gedetailleerde lijst is opgesteld voor zowel werkzaamheden als voor kosten/uitgaven met items die mogelijkerwijs onder een van beide definities kunnen vallen. Alle criteria voor S&O en R&D zijn op deze manier met elkaar vergeleken.
Er is geëvalueerd of de afzonderlijke items voldoen aan de toetsingscriteria van RVO, of ze genoemd worden in de vragenlijst van het CBS (en daardoor als eigen R&D kunnen worden opgegeven door een berichtgever) en of ze terug te vinden zijn in de Frascati manual (2015). Dit laatste wordt gedaan om te beoordelen of het betreffende item volgens de internationale definitie onder R&D zou moeten vallen, ongeacht of dit direct van de vragenlijst valt af te leiden.
4.1 Methodiek
RVO heeft de definitie van S&O en (apart) K/U uitgewerkt. Per onderwerp is aangegeven of dit wel of niet tot S&O behoort, waar de relevante passages in wet- en regelgeving te vinden zijn en zijn, waar nodig, nog inhoudelijke toelichtingen geplaatst. Het CBS heeft dit overzicht vervolgens aangevuld vanuit het perspectief van de R&D-vragenlijst en de Frascati manual (2015). In totaal gaat het om 48 deeldefinities van S&O/R&D-werkzaamheden en 11 algemene definities van S&O/R&D kosten/uitgaven met daarin 104 onderliggende definities.
Op basis van gezamenlijk inhoudelijke expertise en het bovengenoemde werkdocument is een inschatting gemaakt van de meest impactvolle verschillen tussen R&D en S&O. In hoofdstuk 4.2 beschrijven we de belangrijkste uitkomsten van dit onderzoek en zijn de meest impactvolle verschillen in tabelvorm samengevat.
4.2 Uitkomsten
Er zijn zowel overeenkomsten als verschillen tussen R&D en S&O. Over het algemeen geldt dat alles wat binnen de gehanteerde definitie van S&O valt ook als R&D kan worden opgegeven in de vragenlijst van het CBS. Daarmee kan worden gesteld dat de definitie van S&O in feite een ondergrens vormt voor de definitie van R&D. In gevallen waarin de benoemde werkzaamheden binnen de S&O-definitie vallen zullen deze vrijwel altijd als R&D geclassificeerd kunnen worden. Het is ook mogelijk dat de werkzaamheden niet voldoen aan de S&O-criteria (en dus worden uitgesloten van WBSO), terwijl deze wel binnen de scope van R&D vallen en dus mogelijk worden opgegeven door de berichtgever die de vragenlijst invult.
Overzichtelijk kunnen de volgende soorten verschillen zich voordoen wanneer R&D met S&O wordt vergeleken:
- Geen S&O, wel (eigen) R&D. Mogelijke oorzaken:
- Duidelijk definitieverschil, waarbij een activiteit expliciet wordt uitgesloten van S&O maar wel wordt genoemd op de R&D-vragenlijst.
- Het is ook mogelijk dat een activiteit in specifieke context wordt uitgesloten van S&O, maar in bredere context wordt genoemd als voorbeeld van R&D op de R&D-vragenlijst.
- Voorbeeld: Werkzaamheden verricht door medewerkers die niet op de loonlijst staan van aanvrager.
- Voorbeeld: Het verrichten van onderzoeks- of ontwikkelingswerkzaamheden door niet-ondernemingen of publieke kennisinstellingen.
- Geen S&O, waarschijnlijk wel (eigen) R&D. Mogelijke oorzaken:
- De activiteit wordt expliciet uitgesloten van S&O, maar wordt niet benoemd in de R&D-vragenlijst. De omschreven activiteit kan waarschijnlijk aan de criteria van R&D voldoen die op de vragenlijst zijn vermeld. Afhankelijk van de interpretatie van de berichtgever die de vragenlijst invult, kan de activiteit worden opgegeven als R&D. Er bestaat dus geen garantie dat dergelijke activiteiten altijd als R&D zullen worden opgegeven.
- Voorbeeld: Het verrichten van sociaal of maatschappelijk onderzoek.
- Deze verschillen zijn in de tabellen in dit hoofdstuk te herkennen aan “ja, mits” voor R&D.
- Geen S&O, in uitzonderlijke gevallen wel (eigen) R&D. Mogelijke oorzaken:
- De activiteit wordt expliciet uitgesloten van S&O, maar wordt niet benoemd in de R&D-vragenlijst. De kans dat de omschreven activiteit aan de criteria van R&D voldoet die op de vragenlijst zijn vermeld is zeer klein, waardoor de activiteit in de meeste gevallen niet tot R&D gerekend kan worden. Omdat echter niet kan worden uitgesloten dat de berichtgever dit toch interpreteert en opgeeft als R&D, kunnen deze in uitzonderlijke gevallen toch meetellen als R&D. Naar verwachting leidt dit niet tot de grootste verschillen tussen R&D en S&O.
- Voorbeeld: Hoewel het niet de bedoeling is dat berichtgevers BTW opgeven als onderdeel van R&D, wordt dit niet genoemd in de R&D vragenlijst.
- Deze verschillen zijn in de tabellen in dit hoofdstuk te herkennen aan “nee, tenzij“ voor R&D.
- (Mogelijk) zowel S&O als (eigen) R&D, waarbij de scope van R&D relatief groter is. Mogelijke oorzaken:
- De activiteit wordt onder specifieke voorwaarden gerekend tot S&O, maar wordt zonder deze voorwaarden genoemd als R&D op de vragenlijst.
- De activiteit wordt onder specifieke voorwaarden gerekend tot S&O, maar wordt in een bredere context genoemd als R&D op de vragenlijst.
- De activiteit wordt onder specifieke voorwaarden gerekend tot S&O, maar wordt niet benoemd in de R&D-vragenlijst. De omschreven activiteit kan waarschijnlijk aan de criteria van R&D voldoen die op de vragenlijst zijn vermeld. Afhankelijk van de interpretatie van de berichtgever die de vragenlijst invult, kan de activiteit worden opgegeven als R&D, waarbij de scope van de opgegeven R&D dus groter kan zijn dan de afgebakende voorwaarden voor S&O.
- Voorbeeld: Het ontwikkelen van (onderdelen van) technisch nieuwe fysieke producten, waarbij in de R&D-vragenlijst niet specifiek technisch en/of fysiek als vereiste wordt genoemd.
- Geen S&O, onduidelijk of er sprake is van (eigen) R&D. Mogelijke oorzaken:
- Sommige activiteiten vallen in een dusdanig grijs gebied wat de R&D-definitie betreft, dat er niet kan worden bepaald of de activiteit per definitie kan voldoen aan de criteria van R&D die op de vragenlijst zijn vermeld. Het betreft bijvoorbeeld activiteiten die afhankelijk van de context als routinematig kunnen worden bestempeld of niet. Naar verwachting leidt dit niet tot de grootste verschillen tussen R&D en S&O.
- Voorbeeld: Onderzoek naar de aanwezigheid van delfstoffen.
| Werkzaamheden | Kosten/Uitgaven (algemeen) | Potentieel grote impact | |
|---|---|---|---|
| Totaal | 48 | 11 | 15 |
| S&O = ja, R&D = ja | 7 | 1 | 4 |
| S&O = ja, R&D = nee | 0 | 0 | 0 |
| S&O = nee, R&D = ja | 3 | 1 | 3 |
| S&O = nee, R&D = ja, mits | 16 | 6 | 8 |
| S&O = nee, R&D = nee | 14 | 0 | 0 |
| Overig | 8 | 3 | 0 |
- Alles wat S&O betreft valt ook onder R&D.
- Slechts een beperkt deel van de onderliggende definities komt één-op-één met elkaar overeen.
- De grootste categorie betreft niet-S&O, maar wel R&D onder bepaalde voorwaarden.
- Onder werkzaamheden zijn ook een aanzienlijk aantal categorieën aanwezig die zowel onder S&O als R&D uitgesloten worden.
- Zowel bij de nee/ja, mits als nee/nee categorie is voor het R&D deel een sterke afhankelijkheid van de interpretatie van de berichtgever.
- Voor de niet-loonkosten (kosten en uitgaven) voor S&O is de mate van dienstbaarheid aan dat S&O bepalend of desbetreffende kosten- of uitgavenpost wel of niet in aanmerking komt. Kosten moeten zelfs uitsluitend dienstbaar zijn aan S&O om voor WBSO te kwalificeren. Dat betekent dat kosten qua aard niet zijn uitgesloten maar die niet volledig toerekenbaar en dienstbaar zijn aan het S&O van aanvrager in het geheel niet in aanmerking genomen mogen worden.
- In 4.2.1 worden de overkoepelende verschillen tussen R&D en S&O beschreven die voor verschillen in de cijfers zorgen.
- In 4.2.2 en 4.2.3 worden specifieke belangrijke verschillen tussen de definities uitgelicht. Samenvattend zijn de vereisten voor S&O dat de ontwikkelde producten of productieprocessen fysiek en technisch van aard zijn vaak een belangrijke factor: ontwikkelde producten hoeven niet fysiek te zijn voor R&D en het ontwikkelen van diensten/concepten of maatschappelijk/sociaal/cultureel onderzoek telt ook als R&D. Daarnaast zorgt de WBSO-vereiste dat kosten wederom uitsluitend dienstbaar zijn voor S&O en de vereiste dat bedrijfsmiddelen nieuw vervaardigd zijn voor S&O potentieel ook voor grote verschillen in kosten en uitgaven. Tot slot zijn er andere opvallende verschillen: zo valt bijvoorbeeld het bouwen van een nieuw systeem (programmatuur) niet onder S&O-werkzaamheden maar wel onder R&D-werkzaamheden, en vallen kosten van grondverwerving of grondverbetering volledig onder R&D maar worden deze uitgesloten van S&O.
Uit de definitievergelijking komt naar voren dat in de periode 2016 t/m 2025 er op 2 onderdelen een wijziging heeft plaatsgevonden in relatie tot de S&O-grondslag: Op 28 oktober 2019 is beleidsregel nr. WJZ/ 19200370, omtrent de uitleg van het begrip ’technisch wetenschappelijk onderzoek’ bij de behandeling van aanvragen van een S&O-verklaring gewijzigd. Deze wijziging per 2020 heeft echter geen gevolgen (gehad) voor de reikwijdte van het begrip TWO in de WBSO. De wetswijziging per 2022 met betrekking tot de definities van kosten & uitgaven is gedaan om de uitvoeringslijn die RVO voorheen al hanteerde en heeft uitgedragen expliciet in de wettelijke kaders te verankeren.
Er kan dus worden geconcludeerd dat wijzigingen in definities niet het verschil kunnen verklaren van de omvang van respectievelijk R&D en S&O die door de jaren heen verder uit elkaar zijn gaan lopen. Het is wel mogelijk dat definities die tussen R&D en S&O verschillen invloed hebben op het toenemende verschil als zo’n definitieverschil door de tijd steeds belangrijker is geworden. Bijvoorbeeld als er relatief meer R&D wordt uitgevoerd door personeel dat niet op de loonlijst staat of als er relatief meer R&D wordt uitgevoerd door niet-ondernemingen.
Alle beoordeelde criteria zijn ook getoetst aan de Frascati manual (2015), waarin de definitie en scope van R&D is vastgesteld op Europees niveau in het kader van dataverzameling door statistiekbureaus. In veel gevallen konden de criteria worden getraceerd in de Frascati manual. Over het algemeen kon worden geconcludeerd dat de definitie van werkzaamheden, kosten en investeringen voor R&D zoals deze zijn vermeld op de vragenlijst grotendeels aansluiten op de definities in de Frascati manual, waarbij de handleiding in sommige gevallen specifiekere afbakeningen vermeldt ten opzichte van de vragenlijst.
4.2.1 Overkoepelende verschillen
De meeste verschillen tussen R&D en S&O vinden we terug in de gehanteerde definities van (eigen) R&D en S&O. Daarnaast zijn echter nog 2 andere randvoorwaarden van belang die ook voor verschillen in de cijfers zorgen. Ten eerste worden werkzaamheden van ingeleende arbeidskrachten (werkzaamheden verricht door medewerkers die niet op de loonlijst staan) volledig uitgesloten van WBSO, terwijl dit wel onderdeel uitmaakt van eigen (“intramural”) R&D. Ten tweede wordt het verrichten van onderzoeks- of ontwikkelingswerkzaamheden door niet-ondernemingen of publieke kennisinstellingen ook volledig uitgesloten van WBSO, terwijl deze groep wel is opgenomen in de R&D-cijfers van het CBS. Niet-ondernemingen en publieke kennisinstellingen vallen binnen de R&D-populatie en kunnen dus in de steekproef getrokken worden. Voor een correcte vergelijking tussen S&O en R&D moet dus ingeleende R&D en R&D verricht door niet-ondernemingen buiten beschouwing worden gelaten. Het ingeleende personeel alsmede de uitgaven die gemoeid zijn met R&D door ingeleend personeel zijn als aparte posten beschikbaar bij het CBS en kunnen dus worden uitgesloten. Voor het uitsluiten van niet-ondernemingen of publieke kennisinstellingen zou in een vervolgonderzoek een lijst kunnen worden opgesteld van eenheden die hieronder worden geschaard, eveneens met als doel uitsluiting van de R&D-cijfers.
4.2.2 Belangrijkste verschillen onder Werkzaamheden
Vervolgens blijven er 2 categorieën over: werkzaamheden die niet voldoen aan de S&O-definitie maar (mogelijk) wel tot R&D tellen, en werkzaamheden die zowel aan de S&O-definitie als R&D-definitie voldoen maar waarbij de scope van R&D groter is. Tabel 4.2.2.1 toont alle verschillen uit de eerste categorie. Tabel 4.2.2.2 die uit de tweede categorie.
Het ontwikkelen van diensten/concepten: Om in aanmerking te komen voor WBSO dient hetgeen wat door de aanvrager wordt ontwikkeld betrekking te hebben op fysieke zaken (producten of productieprocessen) of programmatuur, of onderdelen daarvan. Het enkel ontwikkelen van niet-fysieke zaken als diensten of concepten kwalificeert niet voor WBSO, maar een dergelijke restrictie wordt niet gemaakt voor R&D op de vragenlijst van het CBS. In deze definitie wordt namelijk niet vermeld of een product of productieproces ook daadwerkelijk fysiek moet zijn, wat betekent dat diensten of concepten ook als product kunnen worden gerekend. Het ontwikkelen van nieuwe diensten, mits deze aan de definitie van R&D voldoen (creatief, vernieuwend, systematisch etc.) valt daarom dus onder R&D. Goederen en diensten worden echter niet specifiek genoemd in de vragenlijst, waardoor de invulling 'product' aan de interpretatie van de invuller onderhevig is. Het onderscheid fysiek/niet-fysiek wat door RVO wel wordt gemaakt en niet door het CBS zal ertoe leiden dat relatief meer zaken als R&D worden gerapporteerd dan wat in aanmerking komt voor WBSO. RVO en het CBS schatten in dat de impact van dit verschil relatief groot kan zijn.
Volgens de Frascati manual (2015) tellen diensten en concepten die door middel van R&D worden ontwikkeld mee als producten. Door diensten en concepten niet uit te sluiten van R&D sluit de vragenlijst aan op de internationale definitie.
Het verrichten van sociaal of maatschappelijk/cultureel onderzoek: Zoals genoemd in hoofdstuk 3 valt economisch, sociaal of psychologisch onderzoek niet onder de reikwijdte van het TWO-begrip in de WBSO. Deze soorten onderzoek vallen echter wel binnen de definitie van R&D, en worden ook specifiek uitgevraagd op de vragenlijst van het CBS. Indien het onderzoek voldoet aan de R&D-definitie (mits creatief, vernieuwend, systematisch etc.) mag de berichtgever dit dus meetellen. Het gebruik of marginaal verbeteren van bestaande methoden/modellen voor marktonderzoek, sociaal-demografische vraagstukken e.d. wordt echter wel expliciet uitgesloten. RVO en het CBS schatten in dat de impact van dit verschil duidelijk zichtbaar zal zijn in een directe vergelijking, omdat een significant deel van de respondenten uit de R&D-vragenlijst aangeeft dat het verrichte onderzoek van sociale of culturele aard is. Het overgrote deel van R&D blijft echter nog altijd van technische aard, dus dit verschil zal lang niet de volledige “wig” tussen R&D en S&O (en de ontwikkeling hiervan) kunnen verklaren.
De Frascati manual noemt ook maatschappelijk/sociaal/cultureel onderzoek als onderdeel van R&D, waarbij verschillende voorbeelden worden gegeven. Belangrijk is daarbij wel dat het onderzoek blijft voldoen aan de R&D-definitie; bij veel onderzoeken op dit vlak, zoals beleidsstudies, is dit lang niet altijd het geval.
Het bouwen van een pilot-plant op productieschaal, dan wel een prototype, zijnde een realisatie van het werkingsprincipe, waarvan aannemelijk is dat het een productieve of commerciële betekenis kan hebben: Dergelijke activiteiten zijn uitgesloten van WBSO vanwege de mogelijk productieve of commerciële betekenis. Het bouwen van een pilot-plant wordt in de vragenlijst van het CBS genoemd in de vorm van "het (uit)ontwikkelen van ideeën of prototypes tot bruikbare processen en productierijpe producten". De productieve of commerciële betekenis van een dergelijke pilot-plant wordt daarbij niet expliciet genoemd als reden tot uitsluiting. Dit betekent dat een berichtgever de productie van bijvoorbeeld een pilot-plant op productieschaal volledig mag opgeven als R&D, ook als deze later voor reguliere productie kan worden gebruikt. Uiteraard valt het gebruik van de pilot-plant op dat moment niet meer onder R&D. RVO en het CBS schatten in dat bij grote ondernemingen dit een rol zou kunnen spelen voor het wel opgeven van R&D, maar het niet aanvragen van WBSO. Wat de grootte van dit verschil ongeveer is valt nog niet te bepalen enkel aan de hand van de definities.
In de Frascati manual wordt expliciet genoemd dat een pilot-plant of prototype onder R&D valt, zo lang het primaire doel hiervan een R&D-project is. Zodra het primaire doel commercieel is geworden mag het gebruik van de pilot-plant/prototype niet meer onder R&D vallen. In de toekomst zou dit explicieter kunnen worden uitgesloten in de vragenlijst van het CBS.
Het ontwerpen of bouwen van een nieuw systeem (programmatuur): Hoewel de ontwikkeling van technisch nieuwe programmatuur in aanmerking komt voor WBSO, is dat voor het bouwen van nieuwe systemen niet het geval. De vereiste is dat er bij programmatuurontwikkeling sprake moet zijn van een nieuw informatietechnologisch principe waarbij de WBSO-aanvrager zelf knelpunten oplost; bij het bouwen van systemen is meestal sprake van bestaande informatietechnologische principes. Een voorbeeld is het realiseren van een nieuw softwaresysteem met louter bestaande “ICT-bouwblokken” zoals open source software. Deze restricties zijn niet aanwezig onder de R&D-definitie op de vragenlijst van het CBS: indien de werkzaamheden van de berichtgever worden uitgevoerd t.b.v. R&D mag dit worden meegeteld. Enkel het herschrijven van bestaande software en/of klantspecifiek maken van al op de markt gebrachte software wordt expliciet uitgesloten van R&D. Het is nog onduidelijk hoe groot de rol is van het ontwerpen of bouwen van programmatuur op het verschil tussen S&O en R&D. Omdat de vereisten voor programmatuur relatief specifiek zijn voor WBSO en juist relatief open tot interpretatie op de vragenlijst van het CBS, kan hier sprake zijn van een significant verschil tussen beide. Bovendien is het algemeen bekend dat de ontwikkeling en toepassing van programmatuur steeds belangrijker is geworden. Het bouwen van systemen wordt in de Frascati manual wel genoemd als voorbeeld van R&D.
| Werkzaamheden | S&O? | Eigen (intramural) R&D? |
|---|---|---|
| Het ontwikkelen van diensten | Nee | Ja, mits |
| Het ontwikkelen van concepten | Nee | Ja, mits |
| Het verrichten van sociaal of maatschappelijk onderzoek | Nee | Ja, mits |
| Het verrichten van cultureel onderzoek | Nee | Ja, mits |
| Het bouwen van een pilot-plant op productieschaal, dan wel een prototype, zijnde een realisatie van het werkingsprincipe, waarvan aannemelijk is dat het een productieve of commerciële betekenis kan hebben | Nee | Ja |
| Het ontwerpen of bouwen van een nieuw systeem (programmatuur) | Nee | Ja, mits |
Tabel 4.2.2.2 toont werkzaamheden die zowel aan de S&O-definitie als R&D-definitie voldoen, maar waarbij de scope van R&D groter is. Naar verwachting kan dit verschil in scope ook leiden tot het zichtbare niveauverschil tussen S&O en R&D.
Hoewel alle werkzaamheden aan beide definities voldoen, en ook volgens de Frascati manual geclassificeerd kunnen worden als R&D, zijn de vereisten “fysiek” en “technisch (nieuw)” voor WBSO geen criteria die op de vragenlijst van het CBS worden genoemd. Ten eerste hoeven volgens de vragenlijst de ontwikkelde producten of productieprocessen niet alleen fysiek te zijn, zoals al werd benoemd bij tabel 4.2.2.1. Daarnaast mogen er op de vragenlijst meerdere soorten onderzoek worden opgegeven naast technisch onderzoek, zoals ook is besproken bij tabel 4.2.2.1. Concreet betekent dit dat de scope van de R&D-vragenlijst door het CBS en RVO als veel breder wordt ingeschat wat deze werkzaamheden betreft, wat voor een mogelijk significant deel het niveauverschil tussen R&D en S&O zou kunnen verklaren.
| Werkzaamheden | S&O? | Eigen (intramural) R&D? |
|---|---|---|
| Het verrichten van technisch-wetenschappelijk onderzoek | Ja | Ja |
| Het ontwikkelen van (onderdelen van) technisch nieuwe fysieke producten | Ja | Ja |
| Het ontwikkelen van (onderdelen van) technisch nieuwe fysieke productieprocessen | Ja | Ja |
| Het ontwikkelen van (onderdelen van) technisch nieuwe programmatuur | Ja | Ja |
4.2.3 Belangrijkste verschillen onder Kosten/Uitgaven
Voor kosten en uitgaven is het van belang om naast de overkoepelende verschillen die betrekking hebben op de randvoorwaarden van S&O en R&D ook de kosten van uitbesteed onderzoek specifiek te benoemen. Kosten voor uitbesteed onderzoek worden uitgesloten van S&O. Hoewel deze kosten wel kunnen worden opgegeven in de R&D-vragenlijst, vormen deze geen onderdeel van eigen (“intramural”) R&D en dus ook geen beperking bij het vergelijken van R&D en S&O.
Net zoals bij de werkzaamheden zijn er 2 categorieën van verschillen die hier worden belicht, waarbij enkel de verschillen met mogelijk de grootste impact worden benoemd. Het betreft ook hier kosten/uitgaven die niet voldoen aan de S&O-definitie maar (mogelijk) wel tot R&D tellen, en kosten/uitgaven die zowel aan de S&O-definitie als R&D-definitie voldoen maar waarbij de scope van R&D groter is. Tabel 4.2.3.1 toont alle verschillen uit de eerste categorie, waarbij een onderscheid is gemaakt tussen algemene kosten/uitgaven en specifieke kosten/uitgaven. Tabel 4.2.3.2 toont alle verschillen uit de tweede categorie.
Het verschil tussen S&O en R&D valt meestal te verklaren door de vereiste “uitsluitend dienstbaar” welke wordt gesteld aan kwalificerende kosten voor een WBSO-aanvraag. Kosten moeten zowel uitsluitend dienstbaar als direct toerekenbaar zijn aan de S&O-werkzaamheden, en uitgaven moeten dienstbaar (niet uitsluitend) en direct toerekenbaar zijn aan deze werkzaamheden. Kosten en uitgaven voor R&D vallen binnen de vragenlijst van het CBS onder "Uitgaven voor R&D-werkzaamheden verricht met eigen personeel". Hoewel er in de vragenlijst geen expliciet onderscheid wordt gemaakt tussen kosten en uitgaven, vallen betalingen voor de realisatie van R&D-werkzaamheden (geen loonkosten of investeringen) in de vragenlijst in principe onder "Overige uitgaven van R&D-activiteiten". Betalingen voor de verwerving van bedrijfsmiddelen voor het uitvoeren van R&D-werkzaamheden (geen loonkosten of overige R&D-uitgaven) vallen in de vragenlijst in principe onder "R&D-investeringen in gebouwen, laboratoria of grond voor R&D" of "Andere R&D-investeringen in apparatuur en andere duurzame activa voor R&D". Omdat het een procentuele verdeling van de opgegeven totale uitgaven voor eigen R&D betreft, wordt er hierbij van uitgegaan dat de (overige) kosten direct toerekenbaar zijn aan het uitvoeren van de R&D-activiteit(en). Of deze uitsluitend dienstbaar moeten zijn voor de eigen R&D-werkzaamheden wordt echter niet vermeld. Dit laatste kan ertoe leiden dat bepaalde kosten die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van onderzoek en ontwikkeling, maar niet hiervoor uitsluitend dienstbaar zijn, wel worden opgegeven voor R&D maar uitgesloten zijn van S&O. Een voorbeeld hiervan is de aanschaf van reageerbuisjes voor het laboratorium van aanvrager. Deze worden deels voor S&O en deels voor kwaliteitstesten voor de productie ingezet, waarbij het onderscheid welk deel voor welke activiteit niet kan worden gemaakt.
Kosten van grondverwerving of grondverbetering komen niet in aanmerking voor WBSO, maar worden specifiek als voorbeeld genoemd van R&D. Kosten voor grondverwerving hangen volgens de S&O-definitie in het algemeen te weinig direct samen met S&O-werkzaamheden en worden daarom categorisch uitgesloten. Grondverwerving of grondverbetering kan ook niet worden opgevoerd als S&O-uitgave omdat het hier niet gaat om nieuw vervaardigde bedrijfsmiddelen. Daarbij komt dat de WBSO-regeling vooral beoogt uitgaven te stimuleren in bedrijfsmiddelen die na betaling in waarde afnemen. Dat is bij grondverwerving of grondverbetering doorgaans niet aan de orde. Deze kosten zijn wel volledig onderdeel van de R&D-definitie (en tellen ook mee volgens de Frascati manual, 2015), wat volgens het CBS en RVO een mogelijk belangrijke bron kan zijn van het niveauverschil tussen R&D en S&O.
Uitgaven die niet in het kalenderjaar in gebruik worden genomen mogen niet in de mededeling van de realisatie voor dat jaar worden meegeteld voor S&O. Niet in gebruik nemen betekent immers volgens de S&O-definitie dat de middelen (nog) niet dienstbaar zijn (geweest) aan speur- en ontwikkelingswerk. De uitgave kan in het volgende jaar wel opnieuw worden aangevraagd. Voor R&D gelden deze restricties niet: er worden geen eisen gesteld aan de ingebruikname van de bedrijfsmiddelen, zo lang deze uitgaven zijn gedaan in het betreffende jaar. Ook dit is afhankelijk van de interpretatie van de berichtgever, welke ervoor kan kiezen om toch alleen uitgaven voor in gebruik genomen bedrijfsmiddelen op te geven. Volgens de Frascati manual is de economische transactie relevant voor bedrijfsmiddelen, en niet wanneer de bedrijfsmiddelen in gebruik zijn genomen.
Uitgaven van meer dan 1 miljoen euro voor de WBSO moeten daarnaast over 5 jaar worden “uitgesmeerd”. Dit kan er dus toe leiden dat bij de R&D-statistiek in één jaar uitgaven van 1 miljoen (of meer) worden opgegeven, terwijl in de WBSO-data vijf jaar lang posten van het vijfde deel worden geregistreerd.
Aanschaf gereviseerde of tweedehands apparatuur: Dit telt niet mee voor S&O vanwege de vereiste dat bedrijfsmiddelen voor R&D nieuw vervaardigd moeten zijn. Of bedrijfsmiddelen nieuw vervaardigd zijn is geen vereiste die op de vragenlijst van het CBS wordt vermeld. Ook in de Frascati manual wordt niks genoemd over tweedehands apparatuur. Volgens het CBS en RVO kan deze post een rol spelen in het niveauverschil tussen S&O en R&D, maar de precieze grootte van deze bijdrage is onduidelijk.
Van alle overige kosten in tabel 4.2.3.1, zoals (facilitaire) servicekosten, financieringskosten en verzekeringskosten, zijn het de laatste welke specifiek als voorbeeld van R&D worden genoemd op de vragenlijst van het CBS. Van (facilitaire) servicekosten worden enkele voorbeelden zoals energie en water genoemd, en financieringskosten worden nergens uitgesloten. Deze kosten worden echter wel allemaal uitgesloten van S&O omdat deze meestal niet (servicekosten) of helemaal niet (facilitaire servicekosten en verzekeringskosten) uitsluitend dienstbaar zijn voor S&O-werkzaamheden; financieringskosten komen niet in aanmerking, omdat de regeling niet het gebruik van vreemd vermogen bij het doen van S&O wil bevoordelen boven de inzet van eigen vermogen. Zoals boven vermeld is de uitsluitende dienstbaarheid hier dus meestal de doorslaggevende factor. Dergelijke kosten worden mogelijk vaak opgegeven voor R&D en kunnen dus ook een belangrijke verklaring zijn voor het niveauverschil.
| Kosten/uitgaven | Kosten van grondverwerving of grondverbetering | Nee | Ja |
|---|---|---|---|
| Kosten/uitgaven | Uitgaven die niet in gebruik zijn genomen in het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft | Nee | Ja, mits |
| Specifieke kosten/uitgaven: | Aanschaf gereviseerde of tweedehands apparatuur (Uitgaven) | Nee | Ja |
| Specifieke kosten/uitgaven: | Servicekosten | Nee, tenzij | Ja, mits |
| Specifieke kosten/uitgaven: | Facilitaire servicekosten | Nee | Ja, mits |
| Specifieke kosten/uitgaven: | Verzekeringskosten | Nee | Ja |
| Specifieke kosten/uitgaven: | Financieringskosten | Nee | Ja, mits |
Tabel 4.2.3.2 toont de kosten en uitgaven die zowel aan de S&O-definitie als R&D-definitie voldoen, maar waarbij de scope van R&D wederom groter is. Enkel specifieke kosten en uitgaven vallen binnen deze categorie.
Nieuwbouw en verbouwing zijn posten die potentieel een relatief grote impact kunnen hebben op het verschil tussen S&O en R&D. Deze posten vallen in de vragenlijst van het CBS onder "R&D-investeringen in gebouwen, laboratoria of grond voor R&D". Een verdere splitsing naar aanleiding van de verrichte werkzaamheden in het pand (wel of geen R&D) wordt niet genoemd in de vragenlijst: welk deel een berichtgever uiteindelijk opgeeft is afhankelijk van de interpretatie, maar er worden geen eisen gesteld. Voor WBSO mag de aanvrager echter alleen dat deel opgeven wat voor S&O wordt gebruikt. RVO hanteert rekenformules om dit te bepalen in het geval van nieuwbouw. Overigens worden deze posten in de Frascati manual ook als voorbeeld genoemd van "capital expenditures" voor R&D-activiteiten. Uitgaven aan vaste activa die mede worden ingezet voor de realisatie van R&D moeten volgens de Frascati manual naar rato van gebruik voor R&D (indien mogelijk) worden meegeteld: dit wordt vooralsnog niet vereist in de vragenlijst van het CBS.
Voor alle andere kosten die worden getoond in tabel 4.2.3.2 geldt ook steeds dat uitsluitende dienstbaarheid de doorslaggevende factor is om tot S&O te mogen worden gerekend, terwijl dit soort restricties niet genoemd worden voor R&D op de vragenlijst. Voor huurkosten en GWE zijn objectieve berekeningen bovendien noodzakelijk voor S&O. De genoemde kosten zijn echter wel relevant voor de meeste projecten die te maken hebben met onderzoek en ontwikkeling, waardoor de scope van R&D ook hier veel breder kan zijn.
| Specifieke kosten/uitgaven | S&O? | Eigen (intramural) R&D? |
|---|---|---|
| Nieuwbouw van panden (deels) voor S&O (o.a. architect, omgevingsvergunning etc.) (Uitgaven) | Ja, mits | Ja |
| Verbouwing tot (of van) S&O-ruimte (materiaal) (Uitgaven) | Ja, mits | Ja |
| Huur van ruimtes / gebouwen ten behoeve van het verrichten van S&O (Kosten) | Ja, mits | Ja |
| Pachtkosten | Ja, mits | Ja |
| Kosten voor Gas, Water of Elektra (GWE) | Ja, mits | Ja, mits |
| Onderhoudskosten van R&D-apparatuur | Ja, mits | Ja |
| Huur apparatuur ten behoeve van het uitvoeren van S&O, zoals het uitvoeren van prototypetesten (Kosten) | Ja, mits | Ja |
5. Conclusie en aanbevelingen vervolgonderzoek
De volgende 4 wijzigingen in het statistisch proces van de R&D-statistiek zijn in de referentieperiode vanaf 2013 doorgevoerd:
- De vragenlijst is vanaf 2015 verplicht geworden voor berichtgevers, wat via een handhavingstraject ook wordt gehandhaafd,
- Vanaf 2016 wordt apart naar ingeleend personeel (uitgaven, headcount en fte) gevraagd,
- In 2019 is de revisie van statistiekjaren van 2013-2017 afgerond, waarbij voor de jaren 2013-2015 het ingeleend personeel is bijgeschat,
- In 2022 is het steekproefontwerp aangepast, waarbij nu ook wordt gestratificeerd naar WBSO (ja of nee) en voor enkele SBI’s naar bedrijf of instelling.
Of deze wijzigingen van invloed zijn op de toename van R&D in verhouding tot S&O zal nader moeten worden onderzocht.
Over het algemeen kan worden geconcludeerd dat alles wat S&O betreft ook onder R&D valt, waarbij slechts een beperkt deel van de onderliggende definities één-op-één met elkaar overeenkomt. De grootste categorie binnen deze definities betreft niet-S&O, maar wel R&D onder bepaalde voorwaarden. Deze voorwaarden zijn meestal wel sterk afhankelijk van de interpretatie van de berichtgever die de vragenlijst invult.
De belangrijkste 2 verschillen tussen R&D en S&O hebben te maken met ingeleende arbeid en niet-ondernemingen/publieke kennisinstellingen. Ten eerste wordt ingeleende arbeid per definitie uitgesloten van S&O, terwijl dit volledig onderdeel uitmaakt van eigen (“intramural”) R&D. Ten tweede komen niet-ondernemingen/publieke kennisinstellingen niet in aanmerking voor WBSO, maar maakt het CBS aan de hand van de vragenlijst wel cijfers over deze groep. Voor een correcte vergelijking tussen R&D en S&O moet hier aan de voorkant dus al rekening mee worden gehouden.
Een gedetailleerde analyse van alle individuele verschillen brengt een aantal focuspunten naar boven. Wat S&O- en R&D-werkzaamheden betreft zullen de volgende elementen de grootste bronnen van verschillen zijn, welke in een volgende fase van het onderzoek verder moeten worden uitgediept:
- De ontwikkelde producten of productieprocessen dienen voor S&O fysiek te zijn, terwijl hier geen restrictie voor geldt wat R&D betreft. Dit zorgt voor verschillen op het vlak van het ontwikkelen van diensten en concepten.
- Onderzoek moet voor S&O van technische aard zijn, terwijl dit niet noodzakelijk is voor R&D. Dit zorgt voor verschillen op het vlak van sociaal/maatschappelijk/cultureel onderzoek.
- Pilot-plants op productieschaal mogen voor S&O geen latere commerciële betekenis hebben, terwijl dit voor R&D geen vereiste is. Eventuele latere commerciële betekenis kan dus van invloed zijn op de verschillen tussen R&D en S&O.
Wat kosten en uitgaven voor S&O en R&D betreft vallen de volgende elementen voornamelijk op:
- Kosten moeten voor S&O uitsluitend dienstbaar zijn aan het speur- en ontwikkelingswerk, maar dit is geen vereiste voor R&D. Er zijn veel verschillende soorten kosten die daardoor wel als R&D kunnen worden opgegeven maar niet onder S&O kunnen vallen.
- Bedrijfsmiddelen moeten voor S&O nieuw vervaardigd zijn, maar dit is geen vereiste voor R&D. Tweedehands apparatuur kan daardoor bijvoorbeeld wel worden opgegeven voor R&D, terwijl dit uitgesloten is voor S&O.
- Kosten van grondverwerving of grondverbetering worden volledig uitgesloten van S&O maar worden wel meegerekend voor R&D, wat potentieel tot grote verschillen kan leiden.
- Nieuwbouw en verbouwing van panden mogen deels worden meegerekend voor S&O, maar kunnen voor R&D volledig worden meegerekend, afhankelijk van de interpretatie van de berichtgever die de vragenlijst van het CBS invult.
- Uitgaven die niet in gebruik zijn genomen in het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft tellen niet mee voor S&O maar wel voor R&D. Dit kan binnen hetzelfde jaar tot grote verschillen leiden; of dit over de jaren heen ook zorgt voor blijvende verschillen moet nader worden onderzocht.
Een deel van deze verschillen valt vanuit microdata van RVO en het CBS af te pellen, maar een deel hangt ook sterk af van de invulling van de vragenlijst door de berichtgever, waardoor het perspectief van de bevraagde ondernemingen ook van belang zal zijn in een vervolgonderzoek.
Literatuur
SEO/Dialogic (2025). Evaluatie Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO) 2018 – 2022, Amsterdam/Utrecht.
Kamerbrief Kabinetsreactie WBSO-evaluatie 2025 (2025).
Begrippenlijst
ABR
Algemeen Bedrijvenregister
BAT-lab
Beleidsanalyselaboratorium van het Directoraat Generaal voor Bedrijfsleven en Innovatie (DG B&I) van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK)
Berichtgever
Persoon die namens een bedrijf of instelling een vragenlijst van het CBS invult en daarmee gegevens aanlevert aan het CBS, in dit geval voor het jaarlijkse onderzoek over R&D (Research & Development)
CBS
Centraal Bureau voor de Statistiek
Eurostat
Het Bureau voor de Statistiek van de Europese Unie
EZK
Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat
OESO
Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling
RVO
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland
R&D
Research and Development
SBI
De Nederlandse hiërarchische indeling van economische activiteiten die vanaf 2008 door het CBS wordt gebruikt om bedrijfseenheden in te delen naar hun hoofdactiviteit.
StatLine
Online databank van het CBS
S&O
Speur- en Ontwikkelingswerk
UWV
Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen
WBSO
Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk