Samenvatting
Dit onderzoek richt zich op het effect van huishoudkenmerken, zoals besteedbaar inkomen, huishoudgrootte, leeftijd van de hoofdkostwinnaar en regio, op het consumptiegedrag van huishoudens en de daarmee samenhangende broeikasgasvoetafdruk. Het biedt waardevolle inzichten voor het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen, in lijn met de doelstellingen van het Klimaatakkoord van Parijs, en benadrukt de steeds belangrijker wordende rol van huishoudelijke consumptie in klimaatbeleid en verduurzaming.
De broeikasgasemissies worden onderscheiden in directe emissies (bijvoorbeeld door brandstofgebruik en verwarming) en indirecte emissies, die ontstaan in de wereldwijde productieketen van consumptiegoederen. Deze indirecte emissies worden berekend aan de hand van de SAMCA-methode (Single and Multi-regional Consolidated Approach) en de multiregionale PBL-FIGARO MRIO-tabel, die emissiecoëfficiënten per euro consumptie gebruiken. Hiermee worden emissies gekoppeld aan productie in verschillende landen, waardoor de voetafdruk van huishoudens kan worden uitgesplitst op basis van de genoemde kenmerken van huishoudens en de herkomst van de emissies (binnen of buiten Nederland).
De resultaten laten zien dat de grootste emissies in Nederland samenhangen met basisbehoeften zoals energie en vervoer, terwijl consumptiegoederen zoals voedingsmiddelen, kleding, elektronica en meubels voornamelijk bijdragen aan buitenlandse emissies. Huishoudens met een hoger inkomen hebben een grotere CO2-voetafdruk. De groep met het hoogste besteedbaar inkomen heeft zelfs 116 procent hogere emissies dan de laagste 10 procent van de huishoudens. Na correctie voor huishoudgrootte blijft dit verschil aanzienlijk, zij het kleiner (ongeveer 64 procent). Dit benadrukt de invloed van het inkomen op de voetafdruk, maar toont ook aan dat huishoudsamenstelling een duidelijke rol speelt.
Ook de regio heeft impact op de voetafdruk. Een opvallend resultaat is het lage gemiddelde van de voetafdruk in Noord-Holland, ondanks het relatief hoge mediane inkomen. Dit kan grotendeels worden toegeschreven aan efficiënter energie- en vervoergebruik in de provincie, wat aantoont dat regionale factoren, zoals infrastructuur en de beschikbaarheid van duurzame technologieën, ook van grote invloed zijn.
Daarnaast blijkt dat grotere huishoudens, ondanks hun hogere absolute verbruik, per persoon vaak een lagere voetafdruk hebben dan alleenstaanden. Dit komt doordat ze gedeelde voorzieningen, zoals warmte en vervoer, efficiënter kunnen gebruiken. Ook laat het onderzoek zien dat het verkleinen van de broeikasgasvoetafdruk van huishoudens zowel verduurzaming van internationale productieketens als veranderingen in het gedrag en de technologie van huishoudens vereist. Vooral op het gebied van energie en vervoer liggen er kansen voor vermindering van de uitstoot.
Dit onderzoek laat zien dat met bestaande CBS-gegevens, gecombineerd in een nieuwe methode, gedetailleerde en beleidsrelevante inzichten kunnen worden verkregen in de broeikasgasvoetafdruk van verschillende typen huishoudens. De resultaten sluiten aan bij eerder onderzoek en vormen daarmee een eerste validatie. De opzet leent zich goed voor uitbreiding naar meerdere jaren, andere milieudrukindicatoren (zoals grondstofgebruik en landgebruik) en extra huishoudkenmerken, bijvoorbeeld rond inkomen, woning en arbeidssituatie. Verder onderzoek naar prijseffecten en een betere aansluiting op de Nationale Rekeningen kan de interpretatie en vergelijkbaarheid van de cijfers versterken. Tot slot kan in vervolgonderzoek ook worden ingezet op een meer toegankelijke en interactieve presentatie van de cijfers, zodat zowel beleid als een breder publiek beter wordt bereikt.