Verschillen in de broeikasgasvoetafdruk van Nederlandse huishoudens

3. Methode

In dit hoofdstuk wordt de methode toegelicht voor het berekenen van de broeikasgasvoetafdruk van Nederlandse huishoudens. Hierbij wordt de volledige uitstoot meegenomen die samenhangt met hun consumptie, zowel in Nederland als in het buitenland, waar de geproduceerde en vervoerde goederen een bijdrage leveren aan de emissies.

De berekening verloopt in vier stappen:

  1. Uitstoot per euro consumptie voor indirecte emissies: bepalen hoeveel broeikasgassen vrijkomen per bestede euro per product in de productieketen.
  2. Uitstoot per euro consumptie voor directe emissies: hierbij wordt berekend hoeveel broeikasgassen vrijkomen per bestede euro aan producten die directe emissies veroorzaken, zoals het verbranden van brandstoffen in het wegverkeer of het gebruik van energie voor woningverwarming.
  3. Koppeling aan bestedingen: verbinden van deze emissiecoëfficiënten met de uitgaven van huishoudens uit het CBS Budgetonderzoek 2020.
  4. Analyse van huishoudtypes: uitsplitsing van de voetafdruk naar directe en indirecte emissies, zowel voor het binnenland als het buitenland, en naar kenmerken zoals besteedbaar inkomen, huishoudsamenstelling, leeftijd van de hoofdkostwinnaar en provincie.

Annex 1 geeft aanvullend een schematische weergave van het berekenen van de emissiecoëfficiënten per euro per product voor zowel indirecte emissies (stap 1) als voor directe emissies (stap 2).

3.1 Indirecte uitstoot per euro consumptie

Deze paragraaf richt zich op de indirecte emissies die samenhangen met consumptie. Deze omvatten de uitstoot die ontstaat in de productieketen van goederen en diensten die huishoudens kopen, vaak ook buiten Nederland. Bijvoorbeeld, bij kleding afkomstig uit het buitenland ontstaan emissies tijdens de productie van grondstoffen (energiegebruik in fabrieken), verwerking (verven en afwerken van stoffen), transport (uitstoot van schepen, vrachtwagens of vliegtuigen) en verpakking (materialen en energie voor dozen en zakken). De eerste stap is het bepalen van de uitstoot per euro product te bepalen, oftewel de emissiecoëfficiënten per product (ook wel multipliers of intensiteiten genoemd).

1a Berekenen emissiecoëfficiënten per bedrijfstak in basisprijzen

Bij het berekenen van de emissiecoëfficiënten per product wordt onderscheid gemaakt naar waar de consumptiegoederen vandaan komen. Wordt een product direct geïmporteerd, dan nemen we de uitstoot mee die in de buitenlandse productieketen is ontstaan tot het moment van binnenkomst in Nederland. Zijn de producten in Nederland geproduceerd, dan nemen we ook de emissies uit de Nederlandse productieketen mee. Vaak is een Nederlands product het resultaat van bewerkingen in meerdere landen; in dat geval wordt de uitstoot in Nederland en in het buitenland apart berekend en bij elkaar opgeteld.

Op basis van de eerder toegelichte SAMCA-methode en de MRIO-tabel PBL-FIGARO worden de emissiecoëfficiënten berekend voor de indirecte uitstoot van broeikasgassen. Op het meest gedetailleerde niveau is de emissiecoëfficiënt bepaald per combinatie van land en bedrijfstak. Met de SAMCA-methode berekenen we per Nederlandse bedrijfstak de uitstoot die in Nederland zelf ontstaat én de uitstoot in het buitenland die samenhangt met ingevoerde goederen en diensten. 

Voor de invoer kan gebruik worden gemaakt van gedetailleerde internationale handelsdata van het CBS, waarin de import is uitgesplitst naar goederengroepen en naar producerend land en bedrijfstak. Deze gegevens worden gebruikt om de herkomstverhouding van de invoer voor huishoudconsumptie te bepalen: per geïmporteerde goederengroep is bekend welk aandeel afkomstig is uit de verschillende land en bedrijfstak-combinaties. Op basis daarvan kan een gewogen gemiddelde impact per geïmporteerde euro worden berekend. 

De emissiecoëfficiënten worden bepaald aan de hand van drie berekeningen, dit wordt gedaan met behulp van de SAMCA-methode. De berekeningen en het resultaat worden hieronder beschreven:

Berekening 1. Emissies in Nederland door Nederlandse productie

  • Voor de Nederlandse bedrijfstakken (133 in totaal, volgens de CBS IO-indeling) is berekend wat de totale ketenemissies zijn per euro productiewaarde. Daarbij is ook in kaart gebracht bij welke (andere) Nederlandse bedrijfstakken de emissies plaatsvinden, wat resulteert in een matrix van dimensie 133 × 133. 
  • Voorbeeld: Bij een Nederlandse koffiebranderij ontstaat uitstoot in Nederland, bijvoorbeeld door elektriciteitsverbruik en verwarming van de branderij.

Berekening 2. Emissies in het buitenland door Nederlandse productie

  • Voor dezelfde 133 Nederlandse bedrijfstakken is berekend wat de ketenemissies zijn per euro productiewaarde in het buitenland, ten behoeve van intermediaire goederen en diensten voor Nederland. De emissies zijn uitgesplitst naar alle land*bedrijfstak-combinaties (6.302 volgens de PBL-FIGARO-indeling). Soms vindt een klein deel van de emissies ook in Nederland plaats, bijvoorbeeld bij verpakking of distributie.
  • Voorbeeld: Voor de koffiebranderij in Nederland ontstaan veel emissies in Brazilië bij de teelt en verwerking van koffiebonen.

Berekening 3. Emissies van direct geïmporteerde producten voor huishoudens

  • Voor iedere goederengroep (231 goederengroepen, volgens de CBS IO-indeling) zijn de ketenemissies per euro import berekend. De emissies zijn eveneens uitgesplitst naar 6.302 land*bedrijfstak-combinaties. Het grootste deel van deze emissies vinden plaats in het buitenland; alleen een heel klein deel van deze emissies vinden plaats in Nederland omdat Nederland ook weer producten voor intermediair gebruik aan het buitenland levert. 
  • Voorbeeld: Bij geïmporteerde koffiebonen ontstaat de meeste uitstoot in Brazilië (teelt en verwerking), en een heel klein deel in Nederland door transport en verkoop, maar er vinden verder geen bewerkingen meer plaats in Nederland.

Resultaat 1a:

  1. De totale indirecte uitstoot per euro productie per Nederlandse bedrijfstak, uitgesplitst naar het land en de bedrijfstak waar de uitstoot plaatsvindt (combinatie van berekeningen 1 en 2).
  2. De totale indirecte uitstoot per euro van geïmporteerde goederengroepen, eveneens uitgesplitst naar land en bedrijfstak van de fysieke uitstoot (uitkomst van berekening 3).

1b Bepalen door welke bedrijfstakken de goederen worden geleverd aan huishoudens

Na het bepalen van de uitstoot per euro productiewaarde voor alle bedrijfstakken wereldwijd, is de volgende stap te kijken welke bedrijfstakken goederen leveren aan Nederlandse huishoudens, zowel in Nederland als in het buitenland. Deze informatie komt uit de input-outputtabellen per productgroep, die aangeven welke bedrijfstakken welke goederen en diensten aan wie leveren. Zo kan worden vastgesteld welk deel van de consumptie van huishoudens afkomstig is van Nederlandse bedrijfstakken en welk deel uit het buitenland wordt geïmporteerd. De Nederlandse IO-tabel omvat 133 bedrijfstakken (volgens de interne CBS-indeling), aangevuld met invoer uitgesplitst naar intra- en extra-EU.

Voorbeeld: Bij melkproducten wordt 40% geleverd door de binnenlandse veehouderij, 20% door de zuivelverwerkende industrie (bijvoorbeeld kaas- en yoghurtfabrieken), 25% geïmporteerd uit andere EU-landen (intra-EU) en 15% uit landen buiten de EU (extra-EU).

De input-outputtabellen maken hierbij onderscheid tussen Nederlandse productie en twee invoercategorieën (intra- en extra-EU), maar geeft nog niet aan uit welk land en welke bedrijfstak uit dat land de goederen precies komen. Voor het toepassen van de juiste emissiecoëfficiënten is deze detailinformatie nodig. Daarom wordt informatie uit de SAMCA-PBL-FIGARO aanpak gebruikt, die gedetailleerde internationale handelsdata bevat. Hiermee kan precies worden bepaald hoeveel euro uit welk land en welke bedrijfstak afkomstig is en bestemd is voor finaal gebruik door Nederlandse huishoudens. 

Resultaat 1b:

De verdeling (%) per goederengroep naar producerende bedrijfstakken. Een goederengroep kan zowel door Nederlandse als buitenlandse bedrijfstakken worden geleverd.

1c Basisprijs omrekenen naar aankoopprijs

Voor iedere goederengroep is bekend welke bedrijfstakken deze leveren en hoeveel uitstoot per euro productie plaatsvindt (emissiecoëfficiënt). Deze coëfficiënten zijn berekend op basis van de IO-tabellen in basisprijzen (het bedrag dat de producent ontvangt). Het CBS Budgetonderzoek rapporteert uitgaven in aankoopprijzen (de prijs die huishoudens betalen, inclusief belastingen en handels- en vervoersmarges).

Om de uitstoot per euro consumptie correct te koppelen aan huishoudelijke uitgaven, moeten de prijzen gelijk worden gemaakt.

  • Basisprijs: prijs die de producent ontvangt, exclusief belastingen en marges, inclusief subsidies.
  • Aankoopprijs: prijs die de consument betaalt, inclusief belastingen en marges.

Per goederengroep is de verhouding tussen aankoop- en basisprijs berekend en toegepast, zodat de emissiecoëfficiënten consistent kunnen worden toegepast op het Budgetonderzoek.

Resultaat 1c:

De verhouding tussen basisprijs en aankoopprijs per goederengroep.

1d Koppelen COICOP-indeling aan goederengroepindeling (GGIO)

De laatste stap is het koppelen van de productengroepen uit het Budgetonderzoek (COICOP-indeling) aan de goederengroepen van de input-outputtabellen (GGIO). Deze koppeling is nodig om de uitgaven van huishoudens correct te vertalen naar de relevante productgroepen voor de uitstootberekening. Tijdens de koppeling zijn we op een aantal uitdagingen en keuzes gestuit waarvan we hier een aantal belangrijke kort toelichten.

  • Tweedehands goederen: Voor voertuigen bestaat onderscheid tussen nieuw en tweedehands; voor andere productgroepen is dat niet beschikbaar. Voor voertuigen is dit meegenomen, voor de rest is aangenomen dat het nieuwe producten betreft.
  • Productgebonden belastingen en uitgaven die niet direct te herleiden zijn tot individuele consumptie door huishoudens zijn buiten beschouwing gelaten. Dit betreft onder andere de COICOP-categorieën boven categorie 12 en onder categorie 19, zoals sociale bescherming, religieuze activiteiten, bijdragen aan politieke of maatschappelijke organisaties, onderzoek en ontwikkeling en milieubescherming. Deze categorieën hebben vooral betrekking op collectieve of institutionele uitgaven, of op overdrachten (zoals belastingen en giften), en worden daarom niet tot de daadwerkelijke consumptieve bestedingen van huishoudens gerekend.
  • Duurzame consumptiegoederen: Producten met een lange gebruiksduur, zoals meubels, witgoed en elektronische apparaten, zijn meegenomen. De productie-emissies worden verdeeld over meerdere jaren, aangenomen dat elk jaar een vergelijkbaar aandeel duurzame goederen wordt aangeschaft. Zo blijven de jaarlijkse berekeningen consistent en vergelijkbaar met andere categorieën.
  • Vakantie-uitgaven van huishoudens: In lijn met de aanpak van Kilian et al. (2023) voor het Verenigd Koninkrijk worden in dit onderzoek geen locatieverschillen gemaakt: buitenlandse vakantie-uitgaven worden toegerekend aan de overeenkomstige binnenlandse categorie. Zo worden horeca uitgaven tijdens vakanties in het buitenland beschouwd als bestedingen aan Nederlandse horeca. Met andere woorden, een euro uitgegeven aan horeca in het buitenland heeft dezelfde impact als een euro uitgegeven aan horeca in Nederland. Het budgetonderzoek bevat geen data over de bestemmingen van vakanties, waardoor er niet gecorrigeerd kan worden voor het prijspeil in het desbetreffende land.

Door deze aanpak is een volledige koppeling tot stand gebracht tussen huishoudelijke uitgaven en GGIO-goederengroepen, waarmee de emissiecoëfficiënten correct kunnen worden toegepast.

Output 1d:

Brugtabel COICOP productgroepen uit het Budgetonderzoek en de IO-goederengroepen

3.2 Directe uitstoot per euro consumptie

De directe emissies zijn niet opgenomen in de emissiecoëfficiënten van stap 1d en worden daarom apart meegenomen. Ze hebben betrekking op twee belangrijke bronnen:

  • Verkeer: verbranding van benzine, diesel en LPG in het wegverkeer van huishoudens.
  • Verwarming van woningen: de verbranding van aardgas door huishoudens voor het verwarmen van hun woningen.

Voor het wegverkeer zijn emissiefactoren beschikbaar in kilogram CO2-equivalent per liter brandstof. Door deze te combineren met de gemiddelde literprijs per brandstof, wordt de uitstoot omgerekend naar impact per euro (CBS, 2025b).

Voor aardgas wordt de totale uitstoot van broeikasgassen uit de Luchtemissierekeningen van het CBS gedeeld door de totale uitgaven aan aardgas door huishoudens uit het Budgetonderzoek, zodat ook hier een impact per euro ontstaat.

Emissies die ontstaan in de afvalketen (zoals bij inzameling, verwerking, verbranding of storting van huishoudelijk afval) zijn niet meegenomen in deze berekeningen. Omdat dit onderzoek zich richt op de emissies die plaatsvinden tijdens de productie, levering en het gebruik van goederen en diensten, vallen de emissies die optreden na gebruik – in de afvalfase – buiten de scope.

Resultaat 2:

Directe impact per euro in aankoopprijzen, uitgesplitst naar COICOP-goederengroepen uit het Budgetonderzoek.

3.3 Koppeling van de emissiecoëfficiënten met het budgetonderzoek

De resultaten van de indirecte uitstoot (H3.1) en directe uitstoot (H3.2) worden samengevoegd. Daarbij blijft onderscheid bestaan tussen uitstoot in Nederland en uitstoot in het buitenland. Deze gecombineerde resultaten worden gekoppeld aan de uitgaven van huishoudens uit het CBS Budgetonderzoek. 

3.4 Analysemethode 

Na het samenvoegen van directe en indirecte emissies tot de totale voetafdruk per productcategorie, begint de analyse met een overzicht van de totale voetafdruk van huishoudens in Nederland en de samenstelling daarvan. Hierbij wordt gekeken naar de bijdrage van verschillende productgroepen, zoals voeding, energie, vervoer en diensten. 

Vervolgens wordt de voetafdruk uitgesplitst naar vier kenmerken van huishoudens:

  • Besteedbaar inkomen
  • Regio (provincie)
  • Huishoudsamenstelling (alleenstaand, paar zonder kinderen, gezin, etc.)
  • Leeftijd van de referentiepersoon

Voor elke indeling worden de huishoudens uit het Budgetonderzoek gegroepeerd op het gekozen kenmerk, en per groep wordt de gemiddelde voetafdruk berekend. Zo kunnen verschillen tussen verschillende typen huishoudens worden geanalyseerd.

Bij het analyseren van de voetafdruk van huishoudens kan rekening worden gehouden met verschillen in huishoudensgrootte. Dit gebeurt door de voetafdruk te standaardiseren volgens de OESO-equivalentieschaal: het eerste volwassen lid krijgt een wegingsfactor van 1, de tweede volwassene 0,5 en elk kind 0,3. Op die manier worden huishoudens van verschillende grootte beter vergelijkbaar, omdat grotere huishoudens bepaalde voorzieningen en uitgaven delen en daardoor relatief efficiënter kunnen zijn. De gestandaardiseerde voetafdruk zegt dan iets over de milieubelasting per ‘consumptie-eenheid’ en maakt zichtbaar hoe duurzaam huishoudens leven, los van hun omvang.

De keuze om de voetafdruk al dan niet te standaardiseren bepaalt dus wat het cijfer precies betekent. Een niet-gestandaardiseerde voetafdruk geeft de totale milieu-impact van het gehele huishouden weer – hoeveel uitstoot of grondstoffenverbruik het huishouden gezamenlijk veroorzaakt. Een gestandaardiseerde voetafdruk daarentegen laat de milieubelasting per equivalente eenheid zien, wat een beter beeld geeft van de relatieve efficiëntie of leefstijl van het huishouden. Beide cijfers zijn waardevol, maar ze beantwoorden elk een andere vraag: de één richt zich op de absolute impact, de ander op de impact per gedeelde consumptie-eenheid.

Tot slot wordt ook gekeken naar het verschil tussen binnenlandse en buitenlandse uitstoot. Dit maakt zichtbaar welk deel van de voetafdruk afkomstig is uit de eigen Nederlandse productieketen en welk deel uit buitenlandse ketens, bijvoorbeeld bij geïmporteerde goederen, diensten en halffabricaten.