5. Conclusie en aanbevelingen
5.1 Verschillen in broeikasgasvoetafdruk tussen huishoudens
De resultaten laten duidelijke verschillen zien in de broeikasgasvoetafdruk tussen huishoudens. Het sterkste verband is met het besteedbaar inkomen: hogere inkomens hebben doorgaans een grotere voetafdruk. Huishoudens in de hoogste groep hebben een ruim twee keer zo grote voetafdruk als huishoudens in de laagste groep (116 procent groter). Als we de uitstoot standaardiseren naar huishoudgrootte, neemt het verschil af tot ongeveer 64 procent.
Verschillen tussen provincies zijn aanwezig, maar minder uitgesproken dan die tussen inkomensgroepen. Kenmerken zoals leeftijd, huishoudsamenstelling en regio zijn met inkomen verweven, waardoor hun effecten moeilijk los van elkaar te onderscheiden zijn en de onafhankelijke bijdrage van elk kenmerk lastig te kwantificeren is. Wel zien we dat ook factoren als levensstijl, verstedelijking en aanwezigheid van openbaar vervoer invloed hebben. Noord-Holland heeft bijvoorbeeld een hoog mediaan inkomen, maar wel een lage broeikasgasvoetafdruk.
Daarnaast blijkt dat de herkomst van de emissies sterk varieert tussen consumptiecategorieën. Voor basisbehoeften zoals energie en vervoer ontstaan de meeste emissies in Nederland zelf, terwijl bij goederen zoals kleding, elektronica en meubels het grootste deel van de uitstoot juist in het buitenland plaatsvindt. Ongeveer 43 procent van de gemiddelde broeikasgasvoetafdruk van huishoudens wordt buiten de landsgrenzen veroorzaakt.
5.2 Beperkingen en onzekerheden in de analyse
In deze studie is ervoor gekozen om vier kenmerken van huishoudens als verklarende variabelen te gebruiken. Andere kenmerken, zoals opleidingsniveau of arbeidssituatie, zijn niet meegenomen vanwege capaciteitsbeperkingen. Voor vervolgonderzoek zou het interessant zijn om aanvullende gegevens te gebruiken, bijvoorbeeld uit de Woonbase van het CBS. Daarmee kan dieper worden ingegaan op woninggerelateerde factoren, zoals type woning, isolatie, energieverbruik en andere kenmerken die de broeikasgasvoetafdruk van huishoudens beïnvloeden.
Daarnaast moet rekening worden gehouden met onzekerheden in de onderliggende data. Steekproefmarges zijn nog niet expliciet gekwantificeerd, en prijs- en kwaliteitsverschillen tussen producten (bijvoorbeeld goedkoop versus duur brood, of regulier versus biologisch) blijven onzichtbaar in de bestedingsgegevens door het beperkte detailniveau van de brondata. Hierdoor geven uitgaven niet altijd een direct beeld van fysieke consumptie of productieprocessen. Hogere uitgaven aan een product zijn in de praktijk niet altijd gekoppeld aan een grotere hoeveelheid, maar kunnen ook het gevolg zijn van hogere kwaliteit of duurzame varianten. Dit effect wordt in de huidige aanpak niet volledig meegenomen.
Voor sommige goederengroepen is de huidige benadering te grof om nauwkeurige emissies te berekenen. Een hybride methode kan hier uitkomst bieden, bijvoorbeeld door voedingsmiddelen verder te differentiëren met externe bronnen zoals de RIVM-database Milieubelasting Voedingsmiddelen (RIVM, 2024). Dit levert meer gedetailleerde emissies, maar gaat ten koste van eenvoudiger onderhoud van het proces. Validatie kan plaatsvinden met externe gegevens over fysieke consumptie, zoals kilogram per persoon uit de RIVM-database. Door deze te koppelen aan prijsinformatie kan worden getoetst op uitgaven en toegepaste prijsconversies, waardoor mogelijke vertekeningen door prijs- of kwaliteitsverschillen of fouten in koppeltabellen worden opgespoord. Mogelijke vervolgstappen zijn het selecteren van belangrijke productgroepen voor fijnmazige disaggregatie, het toepassen van specifieke emissiecoëfficiënten en het uitvoeren van verdere sensitiviteitsanalyses om de robuustheid van de resultaten te beoordelen.
5.3 Vergelijking met andere studies en databronnen
Een veelgebruikte bron voor voetafdrukberekeningen in Nederland is de Environmental Analysis Program (EAP) van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG, 2021). Hoewel de EAP uitblinkt in productdetail en een volledige levenscyclusbenadering, is de gebruikte hybride dataset verouderd. Bovendien is de gebruikte IOA-data beperkt tot nationale rekeningen met circa 80 Nederlandse sectoren, waarbij wordt aangenomen dat buitenlandse sectoren dezelfde intensiteiten hebben. Onze methode, gebaseerd op de multiregionale SAMCA–PBL–FIGARO-gegevens, maakt daarentegen onderscheid tussen binnenlandse en buitenlandse emissies en sluit beter aan bij recente data en nationale voetafdrukstatistieken. Daarmee biedt deze studie een actueler en internationaal inzicht in de herkomst van de klimaatimpact van huishoudelijke consumptie, zij het met minder detail op productniveau.
Andere studies, zoals recente onderzoeken van Milieu Centraal en TNO, tonen vergelijkbare bevindingen over de broeikasgasvoetafdruk van Nederlandse huishoudens. Milieu Centraal schat de voetafdruk op 18,5 ton CO2-equivalenten, terwijl TNO en dit onderzoek een voetafdruk van ongeveer 17 ton CO2-equivalenten berekenen (TNO, 2024; Milieu Centraal, 2024). Hoewel de resultaten vergelijkbaar zijn, zijn er belangrijke methodologische verschillen. Zowel TNO als dit onderzoek tonen aan dat besteedbaar inkomen en huishoudgrootte belangrijke bepalende factoren zijn en dat grotere huishoudens efficiënter zijn doordat ze gedeelde voorzieningen zoals energie en vervoer benutten, wat resulteert in een lagere voetafdruk per persoon. TNO gebruikt de EAP-methode, terwijl ons onderzoek de SAMCA-PBL-FIGARO-methode hanteert, waarmee we binnenlandse en buitenlandse ketenemissies explicieter inzichtelijker kunnen maken. Dit biedt ons een breder inzicht in de impact van internationale productieketens. Daarnaast maakt TNO gebruik van gegevens uit het Budgetonderzoek 2015 en Woonbase 2019, terwijl ons onderzoek het meest recente Budgetonderzoek 2020 gebruikt. Vanwege capaciteitsbeperkingen hebben wij ervoor gekozen om de Woonbase-gegevens niet te integreren in ons onderzoek. Verder richt TNO zich in zijn analyse op segmenten van de samenleving, terwijl ons onderzoek zich meer richt op individuele kenmerken en het standaardiseren van de voetafdruk, zodat we de rol van verschillende factoren los van elkaar kunnen analyseren. Het gebruik van de SAMCA-PBL-FIGARO-methode biedt ons de mogelijkheid om trends over tijd te volgen en de bredere rol van buitenlandse emissies beter te begrijpen, iets wat met de EAP in mindere mate mogelijk is.
5.4 Aansluiting op de Nationale Rekeningen
Een vergelijking tussen de consumptiegegevens uit dit onderzoek en de nationale rekeningen biedt een nuttige validatiemethode om te controleren of de cijfers aansluiten bij het nationale rekeningsysteem. Op het eerste oog zien we een verschil van ongeveer 25 procent tussen de totale consumptie van huishoudens in dit onderzoek en die uit de nationale rekeningen. Dit verschil is deels te verklaren doordat de nationale rekeningen een bredere definitie hanteert. Zo zijn bijvoorbeeld pensioenen en schade- en levensverzekeringen niet in dit onderzoek meegenomen.
Na correcties voor deze verschillen komen de cijfers dichter bij elkaar, maar er blijft een discrepantie. De belangrijkste reden voor dit blijvende verschil is dat beide cijfers met verschillende bronnen en methoden zijn ontwikkeld. De nationale rekeningen gebruiken het Budgetonderzoek om consumptie te verdelen over COICOP-groepen, terwijl andere bronnen worden gebruikt om de absolute waarden te bepalen. Dit onderzoek gebruikt direct de absolute consumptiewaarden uit het budgetonderzoek om de connectie te leggen met huishoudkenmerken.
Een bijkomende factor voor het lagere cijfer in het huishoudbudgetonderzoek kan onderrapportage zijn, zoals het bewust lager opgeven van uitgaven voor alcohol, tabak, gokken en informele/illegale diensten. Ook kunnen huishoudens onbewust kleine uitgaven vergeten op te geven, vooral als deze contant zijn of als ze als onbelangrijk worden beschouwd. Dit leidt mogelijk tot een onderschatting van de werkelijke consumptie.
Het ophogen van de resultaten naar de nationale rekeningen totalen is geen eenvoudige taak, aangezien voor elke COICOP-groep moet worden onderzocht welke elementen zijn meegenomen en hoe de totalen zijn berekend. Met name in de groepen energie, wonen, zorg en verzekeringen is dit complex. Ter illustratie, in de zorg zit het verschil in de manier waarop zorgkosten worden geregistreerd. In de nationale rekeningen worden alleen vergoedingen voor aanvullende zorgverzekeringen en niet-voorgeschreven producten als uiteindelijke consumptie gezien, terwijl in het huishoudbudgetonderzoek ook premies voor zorgverzekeringen en niet-vergoede medische kosten als zorguitgaven worden meegenomen. Voor andere productgroepen zijn er vergelijkbare uitdagingen die buiten de capaciteit van dit onderzoek vallen. Het is een belangrijke eerste vervolgstap om in toekomstig onderzoek deze verschillen verder te analyseren en de cijfers af te stemmen op de nationale rekeningen.
5.5 Tijdreeksen
Het zou waardevol kunnen zijn om deze analyse ook voor meerdere jaren uit te voeren. Op die manier kunnen trends in de broeikasgasvoetafdruk van huishoudens worden onderzocht, bijvoorbeeld het effect van de energiecrisis of de coronapandemie op consumptiepatronen en uitstoot. Meerdere jaargangen maken het bovendien mogelijk om veranderingen in huishoudkenmerken en bestedingsgedrag in de tijd beter te begrijpen.
5.6 Andere milieueffecten
Naast broeikasgasemissies kan de analyse eenvoudig worden uitgebreid naar andere milieueffecten, zoals landgebruik, biodiversiteitsverlies en materiaalgebruik (biomassa, mineralen, metalen en fossiele brandstoffen). De gebruikte SAMCA–PBL–FIGARO-dataset bevat hiervoor al de benodigde milieudata, waardoor deze uitbreidingen zonder grote aanpassingen in de methode kunnen worden uitgevoerd. Een dergelijke verbreding maakt de analyse relevanter in het bredere kader van de circulaire economie en het monitoren van de druk op planetaire grenzen.
5.7 Conclusie
Dit onderzoek combineert bestaande CBS-gegevens op een nieuwe manier en biedt daarmee aanvullende inzichten in de broeikasgasvoetafdruk van Nederlandse huishoudens. De resultaten sluiten goed aan bij bevindingen uit eerder onderzoek, wat de uitkomsten ondersteunt en een eerste vorm van validatie biedt.
De huidige onderzoeksopzet biedt duidelijke mogelijkheden voor uitbreiding. De set van huishoudkenmerken kan worden uitgebreid met variabelen zoals opleidingsniveau en arbeidssituatie. Ook kan een koppeling met andere CBS-databronnen meer inzicht geven in woninggerelateerde factoren. Bovendien kunnen de tijdreeksen relatief eenvoudig worden uitgebreid en kunnen andere milieudrukindicatoren, zoals de grondstofvoetafdruk en landgebruik, worden toegevoegd.
Vervolgonderzoek is noodzakelijk om beter te corrigeren voor prijseffecten en om de keuze voor relatief ‘groene’ alternatieven binnen productgroepen duidelijker zichtbaar te maken in de voetafdrukresultaten. Daarnaast is verdere harmonisatie met de nationale rekeningen gewenst om de consistentie met andere CBS-statistieken te versterken.
Tot slot is in dit onderzoek beperkte aandacht besteed aan de vormgeving en ontsluiting van de resultaten. De uitkomsten lenen zich goed voor een toegankelijke en interactieve presentatie van de cijfers, wat zowel beleid als een breder publiek beter kan bereiken.