Verschillen in de broeikasgasvoetafdruk van Nederlandse huishoudens

4. Resultaten

In dit hoofdstuk worden de resultaten gepresenteerd van de analyse van de broeikasgasvoetafdruk van huishoudens in Nederland. Eerst wordt de totale voetafdruk van huishoudens bekeken, vervolgens wordt dieper ingegaan op vier belangrijke kenmerken van huishoudens: inkomen, regio, huishoudsamenstelling en de leeftijd van de hoofdkostwinnaar. Daarnaast wordt apart aandacht besteed aan de rol van de invoer, waarmee we bepalen welk deel van de voetafdruk in het buitenland wordt gegenereerd en welk deel binnen Nederland. Ook de invloed van directe en indirecte emissies wordt meegenomen in de analyse.

Het is belangrijk om te benadrukken dat de resultaten van deze voetafdruk kunnen afwijken van andere berekeningen van voetafdrukken die door het CBS zijn uitgevoerd. De belangrijkste is de consumptievoetafdruk van Nederland (CBS, 2025c). Deze richt zich op de totale consumptie en is gebaseerd op de nationale finale bestedingen, zoals gedefinieerd in de nationale rekeningen. Dit omvat de uitgaven van zowel huishoudens als de overheid, evenals de bruto-investeringen in vaste activa (zoals gebouwen en machines) door sectoren, de overheid en huishoudens. De voetafdruk die in dit onderzoek wordt gepresenteerd, richt zich echter specifiek op de consumptie van huishoudens en maakt gebruik van andere bronnen en methoden om dit zo zorgvuldig mogelijk te berekenen. Meer informatie hierover is te vinden in hoofdstuk 5.3.

4.1 Gemiddelde broeikasgasvoetafdruk van Nederlandse huishoudens

De gemiddelde broeikasgasvoetafdruk van Nederlandse huishoudens wordt weergegeven in twee varianten: de niet-gestandaardiseerde voetafdruk, gebaseerd op de absolute gemiddelde uitstoot per huishouden, en de gestandaardiseerde voetafdruk, aangepast aan de huishoudgrootte volgens OESO-equivalenten (zie hoofdstuk 3.4). De niet-gestandaardiseerde voetafdruk bedraagt gemiddeld 17 ton CO2-equivalenten per huishouden. Deze versie geeft de totale voetafdruk van een huishouden weer, ongeacht het aantal mensen in het huishouden. De grootste bijdragen aan de totale voetafdruk komen van energie, huisvesting en vervoer, terwijl andere categorieën, zoals kleding en horeca, relatief minder bijdragen. 

De gestandaardiseerde voetafdruk bedraagt gemiddeld 11,4 ton CO2-equivalenten per huishouden. Deze versie is gecorrigeerd voor de huishoudgrootte, zodat huishoudens van verschillende grootte eerlijk met elkaar kunnen worden vergeleken. Grotere huishoudens hebben vaak gemeenschappelijke voorzieningen, zoals verwarming en apparatuur, die door meerdere leden van het huishouden worden gedeeld. Hierdoor wordt de gemiddelde voetafdruk per huishoudgrootte lager in grotere huishoudens. De gestandaardiseerde voetafdruk maakt het mogelijk om huishoudens op basis van hun consumptie-eenheden te vergelijken, in plaats van alleen de totale uitstoot per huishouden. Dit biedt een nauwkeuriger beeld van de voetafdruk van huishoudens van verschillende grootte, door het effect van gedeelde consumptie te corrigeren.

4.1.1: Gemiddelde broeikasgasvoetafdruk per huishouden in kg CO₂-equivalenten, 2020
 Energie (kg CO₂-equivalenten)Voedingsmidd. en alc.vrije dranken (kg CO₂-equivalenten)Vervoer (kg CO₂-equivalenten)Huisvesting en water (kg CO₂-equivalenten)Recreatie en cultuur (kg CO₂-equivalenten)Stoffering en huish. apparaten (kg CO₂-equivalenten)Hotels, cafes en restaurants (kg CO₂-equivalenten)Kleding en schoeisel (kg CO₂-equivalenten)Overig (kg CO₂-equivalenten)
Gestandaardiseerd513719431813660456433331195439
Niet gestandaardiseerd742629722824926699667513310655

4.2 Voetafdruk naar inkomen

De broeikasgasvoetafdruk van huishoudens is verdeeld over 10 inkomensgroepen (decielen). Deciel 1 bevat de 10 procent huishoudens met het laagste inkomen, en deciel 10 de 10 procent met het hoogste inkomen. Zoals te verwachten is, hebben huishoudens met een hoger inkomen een grotere voetafdruk. Huishoudens in de hoogste inkomensgroep hebben een voetafdruk die meer dan twee keer zo groot is als die van de laagste groep (116 procent groter). De belangrijkste oorzaken hiervan zijn de uitgaven aan energie, vervoer en voedingsmiddelen.

Huishoudens met een lager inkomen geven een groter deel van hun uitgaven aan energie uit, wat zorgt voor een relatief groter aandeel energie in hun totale voetafdruk. Bij hogere inkomens is het aandeel energie kleiner, ondanks dat het energieverbruik in absolute zin groter is. Naarmate het inkomen stijgt, verschuift het aandeel van andere uitgaven, zoals vervoer, recreatie en horeca, in de totale voetafdruk. Bij uitgaven aan huisvesting en energie stijgt de totale uitstoot wel, maar het aandeel van deze categorieën in de totale voetafdruk wordt kleiner. Dit komt doordat hogere inkomens relatief meer uitgeven aan andere dingen, zoals vervoer, uit eten gaan en duurzame consumptiegoederen. Voor vervoer geldt juist het omgekeerde: hoe hoger het inkomen, hoe groter de bijdrage van vervoer aan de voetafdruk, zowel in absolute als procentuele zin, vooral door meer vliegreizen en autokilometers. 

Opvallend is dat de laagste inkomensgroep (deciel 1) in sommige categorieën, zoals alcohol en tabak, recreatie en cultuur, en uit eten gaan, een hogere voetafdruk heeft dan de groep net daarboven (deciel 2). Dit zou deels verklaard kunnen worden door het feit dat studenten vaak in de laagste inkomensgroep vallen.

4.2.1: Gemiddelde broeikasgasvoetafdruk per huishouden naar besteedbaar inkomensdeciel in kg CO₂-equivalenten, 2020
 Energie (kg CO₂-equivalenten)Voedingsmidd. en alc.vrije dranken (kg CO₂-equivalenten)Vervoer (kg CO₂-equivalenten)Huisvesting en water (kg CO₂-equivalenten)Recreatie en cultuur (kg CO₂-equivalenten)Stoffering en huish. apparaten (kg CO₂-equivalenten)Hotels, cafes en restaurants (kg CO₂-equivalenten)Kleding en schoeisel (kg CO₂-equivalenten)Overig (kg CO₂-equivalenten)
156831637851703331262214129420
2580817971072790309293169152399
3642120921313826363353248186467
4650123122045897442503325197520
5690125892527880599512408213573
6739230172919936684562481288619
7815733703345971823791557332720
88544370539781012967934690423777
9894242704596105610591015879511920
1099134927559211851413144411626651137

4.2.2 Besteedbaar jaarinkomen per deciel, 2020
DecielgroepInkomensbereik
1Tot € 16 700
2€ 16 701 – € 21 900
3€ 21 901 – € 26 900
4€ 26 901 – € 32 000
5€ 32 001 – € 38 100
6€ 38 101 – € 45 800
7€ 45 801 – € 54 400
8€ 54 401 – € 64 700
9€ 64 701 – € 81 200
10Vanaf € 81 201

Na standaardisatie van zowel het besteedbaar inkomen als de uitstoot, worden de verschillen tussen de inkomensgroepen kleiner, maar het hoogste deciel blijft 64 procent hoger dan het laagste deciel. Opvallend is dat dit verschil nu een stuk minder door energie wordt bepaald, maar vooral door vervoer en voedingsmiddelen. Dit komt doordat energieverbruik sterk afhankelijk is van de huishoudgrootte; het verwarmen van een huis of het gebruik van warm water is een gedeelde voorziening die door alle leden van het huishouden wordt benut, waardoor de voetafdruk per persoon in grotere huishoudens relatief lager is. In tegenstelling tot energie, worden voedingsmiddelen en vervoer in mindere mate beïnvloed door de huishoudgrootte. Hoewel je bij voedingsmiddelen efficiënter kunt koken voor meerdere mensen en er schaalvoordelen zijn, heb je nog steeds meer voedsel nodig voor een groter huishouden. Vervoer is ook deels gedeeld, bijvoorbeeld bij gedeeld gebruik van een auto of gezamenlijke ritten, maar wordt bijvoorbeeld een vliegticket per persoon gekocht, en woon-werkverkeer betreft vaak alleen de werkende leden van het huishouden. Hierdoor spelen deze categorieën een grotere rol in het verschil tussen inkomensgroepen in deze analyse.

4.2.3: Gemiddelde broeikasgasvoetafdruk per huishouden naar besteedbaar inkomensdeciel in kg CO₂-equivalenten, gestandaardiseerd, 2020
 Energie (kg CO₂-equivalenten)Voedingsmidd. en alc.vrije dranken (kg CO₂-equivalenten)Vervoer (kg CO₂-equivalenten)Huisvesting en water (kg CO₂-equivalenten)Recreatie en cultuur (kg CO₂-equivalenten)Stoffering en huish. apparaten (kg CO₂-equivalenten)Hotels, cafes en restaurants (kg CO₂-equivalenten)Kleding en schoeisel (kg CO₂-equivalenten)Overig (kg CO₂-equivalenten)
150991457817593288217202119384
250171643838674241252141122335
3501318061316675301328190159377
4500317731435661370328240154391
5509519011762644448393288184408
6506519591904656425435328188426
7515820352111629502466352214470
8510921602292649602490427252473
9513922102550667648629513265545
10567424863101750739797626299578

4.2.4 Gestandaardiseerd besteedbaar jaarinkomen per deciel, 2020
DecielgroepInkomensbereik
1Tot € 15 400
2€ 15 401 – € 19 000
3€ 19 001 – € 22 000
4€ 22 001 – € 25 300
5€ 25 301 – € 28 700
6€ 28 701 – € 32 200
7€ 32 201 – € 36 200
8€ 36 201 – € 41 300
9€ 41 301 – € 49 800
10Vanaf € 49 801

4.3 Voetafdruk naar regio

Er bestaat een duidelijke relatie tussen het inkomen en de broeikasgasvoetafdruk van huishoudens per provincie. Provincies met een hoger gemiddeld inkomen vertonen doorgaans een grotere voetafdruk. Zo hebben huishoudens in Groningen de laagste voetafdruk van Nederland, terwijl het mediane besteedbare inkomen in deze provincie ook het laagste is. Dit suggereert dat huishoudens met een lager inkomen vaak minder consumeren, wat leidt tot een lagere voetafdruk.

In tegenstelling tot deze trend heeft Noord-Holland, ondanks een relatief hoog mediane inkomen, een opvallend lage gemiddelde voetafdruk per huishouden. Deze lagere voetafdruk kan grotendeels worden toegeschreven aan het efficiëntere gebruik van energie en vervoer in de provincie. De uitgaven aan energie in Noord-Holland zijn relatief laag, wat onder andere te verklaren is door de verstedelijking, de aanwezigheid van compacte woningen, stadsverwarming, zonnepanelen en goede woningisolatie. Daarnaast speelt het gebruik van openbaar vervoer een grotere rol in Noord-Holland dan in andere provincies, waardoor de uitstoot door vervoer relatief lager is. Dit benadrukt dat, hoewel inkomen een belangrijke rol speelt in het bepalen van de voetafdruk, andere regionale factoren, zoals de beschikbaarheid van infrastructuur, energie-efficiëntie en het gebruik van duurzame technologieën, eveneens een significante invloed hebben.

Verder vertonen de randstedelijke provincies, net als Limburg en Noord-Brabant relatief hogere uitgaven aan horeca, wat bijdraagt aan een grotere voetafdruk vanuit deze sector. In deze provincies geven huishoudens meer uit aan restaurants, cafés en andere eet- en drinkgelegenheden, wat resulteert in een hogere uitstoot in vergelijking met provincies met lagere uitgaven aan horeca. Deze trend is deels te verklaren door de grotere concentratie van horeca-aanbieders en de nabijheid van stedelijke voorzieningen in de Randstad, Limburg en Noord-Brabant.

Tot slot wordt het grootste deel van de uitstoot door vliegverkeer gegenereerd in provincies als Utrecht en Noord-Brabant, terwijl Groningen en Overijssel juist de laagste uitstoot uit vliegreizen vertonen. Dit verschil is waarschijnlijk te verklaren door inkomensverschillen, reisgedrag en de nabijheid van luchthavens zoals Schiphol en Eindhoven Airport, die gemakkelijker bereikbaar zijn voor bewoners van de Randstad.  

4.3.1: Gemiddelde broeikasgasvoetafdruk per huishouden naar provincie in kg CO₂-equivalenten, niet-gestandaardiseerd, 2020
 Energie (kg CO₂-equivalenten)Vervoer (kg CO₂-equivalenten)Voedingsmidd. en alc.vrije dranken (kg CO₂-equivalenten)Huisvesting en water (kg CO₂-equivalenten)Recreatie en cultuur (kg CO₂-equivalenten)Stoffering en huish. apparaten (kg CO₂-equivalenten)Hotels, cafes en restaurants (kg CO₂-equivalenten)Kleding en schoeisel (kg CO₂-equivalenten)Overig (kg CO₂-equivalenten)
Groningen725626912609853628577472324590
Noord-Holland6910249730011004695652580301685
Zuid-Holland699726513038932671672544309684
Utrecht727730012815950621711540297661
Fryslan768231592863843646705394306545
Limburg801726342866924669639546327615
Gelderland771730052882891715650484306638
Drenthe794929173012928697612372286581
Zeeland744130283181864764865353262633
Noord-Brabant790929413010915769665518306659
Overijssel771933253179871738656437354649
Flevoland797231493097908845744463347726

4.4 Voetafdruk naar leeftijd hoofdkostwinnaar

De huishoudelijke voetafdruk verschilt ook tussen verschillende leeftijdsgroepen, ingedeeld naar de leeftijd van de hoofdkostwinner. Vooral de groepen van 35 tot 45 jaar en 45 tot 55 jaar vertonen een opvallende verschuiving. In de niet-gestandaardiseerde cijfers hebben deze huishoudens een hoge voetafdruk, maar na standaardisatie blijkt hun uitstoot relatief laag. Dit duidt erop dat de hoge voetafdruk in deze groep vooral samenhangt met de grotere huishoudens, aangezien deze vaak ook een groter aantal bewoners en daarmee een hogere gezamenlijke consumptie en uitstoot hebben. Huishoudens onder de 25 jaar hebben in beide gevallen de laagste voetafdruk.

De categorie voedingsmiddelen laat de hoogste voetafdruk zien bij de groep van 55 tot 65 jaar. Dit kan wijzen op hogere consumptiepatronen en een grotere koopkracht in deze levensfase, wanneer veel mensen op hun hoogtepunt in hun carrière zitten en minder lasten hebben (zoals kinderen die uit huis zijn). Daarentegen vertoont de groep van 25 tot 35 jaar de hoogste uitstoot in de categorie hotels, cafés en restaurants, wat aansluit bij de leefstijl- en recreatiepatronen die vaak geassocieerd worden met jongvolwassenen.

Na standaardisatie voor huishoudgrootte verdwijnt het verschil tussen de groepen 25 tot 35 jaar en 35 tot 45 jaar. Dit is te verklaren door de verandering in levensfase: de 35- tot 45-jarigen hebben vaak grotere huishoudens door het nemen van kinderen, wat hun totale uitgaven en uitstoot verhoogt. Zonder standaardisatie leidt dit tot een hogere voetafdruk, maar na correctie voor huishoudgrootte blijkt dat de uitstoot per persoon lager is. Wel blijft de voetafdruk in de categorie voedingsmiddelen relatief hoog, terwijl andere categorieën, zoals alcoholhoudende dranken, meubilering en horeca, juist lager uitvallen. Dit kan duiden op een verandering in levensstijl, mogelijk gerelateerd aan het uitbreiden van het huishouden, waarbij de focus meer op essentiële uitgaven, zoals voedsel, komt te liggen, en minder op luxere uitgaven zoals horeca en meubels.

Het is belangrijk te benadrukken dat deze analyse uitsluitend kijkt naar de leeftijd van de hoofdkostwinner, en niet naar de leeftijd van andere leden van het huishouden. Dit betekent dat de waargenomen verschillen in voetafdruk niet direct iets zeggen over de leeftijdssamenstelling van het gehele huishouden, maar vooral inzicht bieden in hoe de levensfase van de kostwinner samenhangt met consumptiepatronen en de huishoudelijke uitstoot.

4.4.1 Gemiddelde broeikasgasvoetafdruk per huishouden naar leeftijd hoofdkostwinnaar in kg CO₂-equivalenten, 2020
 Gestandaardiseerd (kg CO₂-equivalenten)Niet gestandaardiseerd (kg CO₂-equivalenten)
tot 25 jaar979811856
25 tot 35 jaar1086615158
35 tot 45 jaar1066518627
45 tot 55 jaar1158020330
55 tot 65 jaar1222618141
65 tot 75 jaar1195115504
75 jaar en ouder1101613585

4.5 Voetafdruk naar gezinssamenstelling

In de grafiek valt op dat huishoudens met kinderen (zoals paren met kinderen) en eenoudergezinnen de hoogste totale voetafdrukken hebben. Dit komt doordat meer bewoners automatisch meer consumptie en dus meer uitstoot veroorzaken. Alleenstaanden hebben juist de laagste totale voetafdruk, wat logisch is gezien hun kleinere huishoudgrootte. Alleenstaande mannen hebben een iets hogere voetafdruk dan alleenstaande vrouwen, wat vooral te maken heeft met een hoger energieverbruik, met name door het gebruik van benzine voor vervoer. Vliegvervoer draagt ook iets bij aan hun hogere voetafdruk, maar dit effect is minder groot. Alleenstaande vrouwen hebben een relatief hogere voetafdruk op het gebied van bestedingen aan kleding en voedingsmiddelen, hoewel deze effecten kleiner zijn dan die van vervoer.

De grafiek toont aan dat na standaardisatie de verschillen tussen huishoudens aanzienlijk afnemen: een paar met kinderen heeft niet langer een grotere voetafdruk dan een paar zonder kinderen, of zelfs dan een alleenstaande man. Ook eenoudergezinnen scoren nu lager dan voorheen. Dit laat zien dat een groot deel van de hogere totale voetafdruk van grotere huishoudens te verklaren is door hun omvang en het gedeelde verbruik van middelen, zoals energie en woonruimte, en niet uitsluitend door hun consumptiepatroon. Met deze methode kunnen we huishoudens met verschillende grootte op een eerlijker manier vergelijken.

Bij de voetafdruk per persoon wordt de totale uitstoot van het huishouden gedeeld door het aantal bewoners, waardoor de bijdrage van elk individu aan de totale uitstoot zichtbaar wordt. Deze benadering is vooral nuttig om individuen binnen een huishouden te vergelijken. De grafiek laat zien dat alleenstaanden de hoogste voetafdruk per persoon hebben, terwijl grotere huishoudens relatief lager scoren. Dit verschil komt doordat grotere huishoudens schaalvoordelen ervaren: de kosten voor energie, woonruimte en andere consumptiegoederen worden over meerdere leden verdeeld, waardoor de voetafdruk per persoon lager uitvalt. Het resultaat is dat grotere huishoudens, door hun gezamenlijke verbruik van middelen, efficiënter omgaan met deze middelen, wat leidt tot een lagere uitstoot per individu.

4.5.1 Gemiddelde broeikasgasvoetafdruk per huishouden naar gezinssamenstelling in kg CO₂-equivalenten, 2020
 Gestandaardiseerd (kg CO₂-equivalenten)Niet gestandaardiseerd (kg CO₂-equivalenten)Per persoon (kg CO₂-equivalenten)
Alleenstaande man120631206312063
Alleenstaande vrouw112211122311223
Paar zonder kinderen10033163026698
Paar met kinderen10619234849227
Eenoudergezinnen12286184536239

4.6 Voetafdruk binnen en buiten Nederland

De broeikasgasvoetafdruk van huishoudens bestaat uit directe emissies (zoals aardgas voor verwarming en brandstof voor vervoer), indirecte emissies binnen Nederland (uitstoot die vrijkomt bij de productie van goederen en diensten die (deels) in Nederland worden gemaakt), en indirecte emissies in het buitenland (uitstoot in internationale productieketens voor producten die we hier consumeren, maar (deels) elders worden geproduceerd). Deze drie componenten laten samen zien waar in de keten emissies ontstaan: bij het huishouden zelf, in de Nederlandse economie of in het buitenland.

4.6.1: Gemiddelde broeikasgasvoetafdruk per huishouden, uitgesplitst naar binnenlandse en buitenlandse emissies, 2020
 Indirecte emissies buitenland (kg CO₂-equivalenten)Indirecte emissies Nederland (kg CO₂-equivalenten)Directe emissies (kg CO₂-equivalenten)
Energie995,2200194512,5952681918,488183
Voedingsmidd. en alc.vrije dranken2343,419924628,10817520
Vervoer999,5519221392,36653211431,957135
Huisvesting en water629,3454159296,18063530
Recreatie en cultuur508,3034407190,68506890
Stoffering en huish. apparaten620,765048346,032963470
Hotels, cafes en restaurants305,0855486208,32674390
Kleding en schoeisel306,02612813,5129118020
Overig531,9914344123,15873070

Uit eerdere analyses bleek al dat energie de grootste categorie vormt. De resultaten tonen aan dat de energievoetafdruk grotendeels bestaat uit directe emissies en een significant aandeel binnenlandse ketenemissies. Vervoer valt eveneens op door de hoge directe uitstoot, voornamelijk veroorzaakt door het brandstofgebruik in het wegverkeer, wat direct verband houdt met de verbranding van benzine en diesel. In de meeste andere categorieën spelen buitenlandse emissies echter de belangrijkste rol. Vooral bij kleding en schoeisel is dit goed zichtbaar: de voetafdruk bestaat vrijwel volledig uit buitenlandse ketenemissies. Dit weerspiegelt de verschuiving van productie naar lagelonenlanden, waar het merendeel van de kleding wordt vervaardigd. Ook bij andere consumptiegoederen zoals voedingsmiddelen, meubels en apparaten is het aandeel buitenlandse emissies opvallend groot. Dit sluit aan bij de trend dat Nederland steeds meer een diensteneconomie wordt, waarin relatief weinig industriële productie plaatsvindt. Hierdoor liggen de emissies van veel consumptiegoederen structureel buiten de landsgrenzen. Tegelijkertijd maakt de uitsplitsing duidelijk dat het verkleinen van de voetafdruk zowel vraagt om verduurzaming van (internationale) ketens als om veranderingen in gedrag en technologie aan de kant van huishoudens, met name op het gebied van energie en vervoer.