Verschillen in de broeikasgasvoetafdruk van Nederlandse huishoudens

Over deze publicatie

Deze publicatie biedt inzicht in de broeikasgasvoetafdruk van Nederlandse huishoudens in 2020. De resultaten zijn uitgesplitst naar verschillende huishoudkenmerken, waaronder besteedbaar inkomen, huishoudsamenstelling, leeftijd van de hoofdkostwinnaar en provincie. Voor het onderzoek is gebruikgemaakt van het Budgetonderzoek van het CBS, dat gedetailleerde informatie bevat over de bestedingen van huishoudens, en van de SAMCA–PBL–FIGARO-methode voor het berekenen van voetafdrukken. Daarmee wordt zichtbaar welke huishoudkenmerken samenhangen met verschillen in de klimaatimpact van consumptie.

Samenvatting

Dit onderzoek richt zich op het effect van huishoudkenmerken, zoals besteedbaar inkomen, huishoudgrootte, leeftijd van de hoofdkostwinnaar en regio, op het consumptiegedrag van huishoudens en de daarmee samenhangende broeikasgasvoetafdruk. Het biedt waardevolle inzichten voor het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen, in lijn met de doelstellingen van het Klimaatakkoord van Parijs, en benadrukt de steeds belangrijker wordende rol van huishoudelijke consumptie in klimaatbeleid en verduurzaming.

De broeikasgasemissies worden onderscheiden in directe emissies (bijvoorbeeld door brandstofgebruik en verwarming) en indirecte emissies, die ontstaan in de wereldwijde productieketen van consumptiegoederen. Deze indirecte emissies worden berekend aan de hand van de SAMCA-methode (Single and Multi-regional Consolidated Approach) en de multiregionale PBL-FIGARO MRIO-tabel, die emissiecoëfficiënten per euro consumptie gebruiken. Hiermee worden emissies gekoppeld aan productie in verschillende landen, waardoor de voetafdruk van huishoudens kan worden uitgesplitst op basis van de genoemde kenmerken van huishoudens en de herkomst van de emissies (binnen of buiten Nederland).

De resultaten laten zien dat de grootste emissies in Nederland samenhangen met basisbehoeften zoals energie en vervoer, terwijl consumptiegoederen zoals voedingsmiddelen, kleding, elektronica en meubels voornamelijk bijdragen aan buitenlandse emissies. Huishoudens met een hoger inkomen hebben een grotere CO2-voetafdruk. De groep met het hoogste besteedbaar inkomen heeft zelfs 116 procent hogere emissies dan de laagste 10 procent van de huishoudens. Na correctie voor huishoudgrootte blijft dit verschil aanzienlijk, zij het kleiner (ongeveer 64 procent). Dit benadrukt de invloed van het inkomen op de voetafdruk, maar toont ook aan dat huishoudsamenstelling een duidelijke rol speelt.

Ook de regio heeft impact op de voetafdruk. Een opvallend resultaat is het lage gemiddelde van de voetafdruk in Noord-Holland, ondanks het relatief hoge mediane inkomen. Dit kan grotendeels worden toegeschreven aan efficiënter energie- en vervoergebruik in de provincie, wat aantoont dat regionale factoren, zoals infrastructuur en de beschikbaarheid van duurzame technologieën, ook van grote invloed zijn.

Daarnaast blijkt dat grotere huishoudens, ondanks hun hogere absolute verbruik, per persoon vaak een lagere voetafdruk hebben dan alleenstaanden. Dit komt doordat ze gedeelde voorzieningen, zoals warmte en vervoer, efficiënter kunnen gebruiken. Ook laat het onderzoek zien dat het verkleinen van de broeikasgasvoetafdruk van huishoudens zowel verduurzaming van internationale productieketens als veranderingen in het gedrag en de technologie van huishoudens vereist. Vooral op het gebied van energie en vervoer liggen er kansen voor vermindering van de uitstoot.

Dit onderzoek laat zien dat met bestaande CBS-gegevens, gecombineerd in een nieuwe methode, gedetailleerde en beleidsrelevante inzichten kunnen worden verkregen in de broeikasgasvoetafdruk van verschillende typen huishoudens. De resultaten sluiten aan bij eerder onderzoek en vormen daarmee een eerste validatie. De opzet leent zich goed voor uitbreiding naar meerdere jaren, andere milieudrukindicatoren (zoals grondstofgebruik en landgebruik) en extra huishoudkenmerken, bijvoorbeeld rond inkomen, woning en arbeidssituatie. Verder onderzoek naar prijseffecten en een betere aansluiting op de Nationale Rekeningen kan de interpretatie en vergelijkbaarheid van de cijfers versterken. Tot slot kan in vervolgonderzoek ook worden ingezet op een meer toegankelijke en interactieve presentatie van de cijfers, zodat zowel beleid als een breder publiek beter wordt bereikt.

1. Inleiding

Om de opwarming van de aarde binnen de doelstellingen van het Klimaatakkoord van Parijs te houden — waarbij 1,5 °C en 2 °C als referentiepunten gelden — is wereldwijd de ambitie gericht op een substantiële vermindering van broeikasgasemissies. De consumptie van huishoudens speelt daarin een belangrijke rol. Huishoudens stoten direct broeikasgassen uit, bijvoorbeeld door het verbruik van aardgas voor verwarming of het gebruik van motorbrandstoffen voor verkeer, maar ook indirect door de aankoop van goederen en diensten waar bedrijven, om die te produceren, veel emissies voor veroorzaken.  Recentelijk heeft CE Delft, in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, onderzocht of een Europees doel kan worden gesteld dat emissies koppelt aan consumptie (CE Delft, 2025).

Binnen deze context is het van belang inzicht te krijgen in de wijze waarop huishoudens via hun consumptie bijdragen aan broeikasgasemissies. Daarbij is niet alleen de totale directe en indirecte uitstoot relevant, maar ook hoe deze verschilt tussen typen huishoudens. Verschillen in inkomen, de samenstelling van huishoudens, leeftijd en regio kunnen immers leiden tot uiteenlopende consumptiepatronen en dus tot verschillen in klimaatimpact. 

Het CBS voerde in 2010 een eerste analyse uit naar de broeikasgasvoetafdruk van huishoudens naar huishoudenstype (CBS, 2010). Sindsdien zijn zowel de beschikbare data als de methodologieën voor voetafdrukberekeningen aanzienlijk verbeterd. Belangrijke ontwikkelingen zijn onder meer de beschikbaarheid van gedetailleerdere Multi-Regionale Input-Output (MRIO) tabellen (bijv. Exiobase, Gloria, FIGARO) en de ontwikkeling van de SAMCA-voetafdrukmethode (Single and Multi-regional Consolidated Approach, in de literatuur ook wel ‘simplified SNAC’ genoemd) (CBS, 2023). De SAMCA-methode combineert wereldwijde MRIO-tabellen met CBS-gegevens over invoer en de Nederlandse input-outputtabel, waardoor berekeningen consistenter en beter toepasbaar zijn op de Nederlandse context.

In samenwerking met het Planbureau voor de Leefomgeving worden sinds 2024 consumptievoetafdrukken gepubliceerd op basis van PBL-FIGARO met de SAMCA-methode. Deze combinatie van internationale en nationale databronnen vormt een belangrijke stap vooruit, omdat ze een beter inzicht biedt in waar emissies optreden binnen mondiale waardeketens die samenhangen met Nederlandse consumptie.

Dit onderzoek bouwt voort op deze ontwikkelingen en vormt een update en herziening van de eerdere CBS-analyse over de broeikasgasvoetafdrukken van huishoudens, met specifieke aandacht voor verschillen naar besteedbaar inkomen, huishoudsamenstelling, leeftijd van de hoofdkostwinnaar en provincie. Ook wordt bepaald waar in de productieketen de emissies plaatsvinden, binnen of buiten Nederland. Daarmee biedt dit onderzoek een gedetailleerd beeld van de consumptiegerelateerde emissies en hoe deze verdeeld zijn over uiteenlopende groepen huishoudens in Nederland.

2. Bronnen

In dit hoofdstuk worden de databronnen beschreven die ten grondslag liggen aan de berekening van de broeikasgasvoetafdruk van Nederlandse huishoudens. 

2.1 CBS-budgetonderzoek

Het Budgetonderzoek is een vijfjaarlijks onderzoek van het CBS waarin gedetailleerde informatie wordt verzameld over de uitgaven van particuliere huishoudens in Nederland. Het onderzoek is gebaseerd op een representatieve steekproef van huishoudens, waarbij deelnemers een uitgebreide enquête invullen over hun consumptie van goederen en diensten. De uitgaven worden gecategoriseerd volgens de COICOP-indeling (Classification of Individual Consumption by Purpose; CBS, 2024a).

De steekproef omvat duizenden huishoudens en wordt opgeschaald naar het totale aantal Nederlandse huishoudens om een representatief beeld te krijgen van consumptiepatronen op nationaal niveau. Het onderzoek bevat daarnaast achtergrondkenmerken zoals besteedbaar inkomen, huishoudsamenstelling, leeftijd van de hoofdkostwinnaar, regio en eigendomstype van de woning. Voor dit onderzoek is het meest recente budgetonderzoek over het verslagjaar 2020 gebruikt (CBS, 2025a).

2.2 Nederlandse input-outputtabellen 

De Nederlandse economie, inclusief invoer en uitvoer, wordt weergegeven in input-output (IO) tabellen, die laten zien hoe bedrijfstakken met elkaar verbonden zijn via de aan- en verkoop van goederen en diensten (CBS, 2024b). Ze tonen hoeveel euro er van welke aanbieder (output) naar welke gebruiker (input) stroomt, waardoor de relaties tussen bedrijfstakken en de onderliggende productieketens inzichtelijk worden.

De IO-tabellen worden opgesteld op basis van zogenaamde aanbod- en gebruiktabellen (AGT’s), waarin staat welke producten een bedrijfstak aanbiedt en gebruikt. De tabellen laten zien welke bedrijfstakken met elkaar handelen, maar geven geen details per individuele leverancier of afnemer. Wel worden de tabellen per productgroep opgebouwd vanuit de AGT’s, waardoor er voor eigen analyses een IO-tabel per product beschikbaar is, ook al publiceert het CBS alleen de totalen.

2.3 PBL-FIGARO

PBL-FIGARO is een uitgebreidere versie van de FIGARO Multi-Regional Input-Output (MRIO)-tabel van Eurostat. Deze is ontwikkeld door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). FIGARO (Eurostat, 2025) laat zien hoe landen met elkaar handelen en welke milieueffecten daarbij horen. Zo kan worden berekend hoeveel broeikasgassen vrijkomen bij productie en handel in verschillende landen. PBL-FIGARO gebruikt daarnaast extra gegevens uit GLORIA (Global Resource Input Output Assessment). GLORIA is een andere multi-regionale input-output database, ontwikkeld door de Universiteit van Sydney voor het UN International Resource Panel ter ondersteuning van materiaalvoetafdrukken (IELAB, 2021). Daardoor zijn de tabellen gedetailleerder voor de indeling naar sectoren. Hiermee ontstaat een beter beeld van de milieu-impact van Nederlandse consumptie, vooral van de emissies die ontstaan in buitenlandse productieketens.

2.6 SAMCA-PBL-FIGARO

SAMCA-PBL-FIGARO combineert de PBL-FIGARO MRIO-tabellen met de SAMCA-methodiek (Single and Multi-Regional Consolidated Approach) van het CBS (CBS, 2023). Hierbij worden de Nederlandse gegevens in FIGARO vervangen door CBS-data over binnenlandse productie, milieueffecten en import, inclusief toewijzing naar land en sector van herkomst. Door deze combinatie kan de impact van consumptie zowel binnen Nederland als in buitenlandse productieketens nauwkeurig worden berekend. Met andere woorden: PBL-FIGARO levert de internationale context en emissie-intensiteiten per sector, terwijl SAMCA deze gegevens koppelt aan de CBS-gegevens over de Nederlandse economie, waaronder de consumptie van huishoudens en internationale handel.

2.7 Overige bronnen

Om de emissiecoëfficiënten van de directe emissies te berekenen, maken we gebruik van de volgende bronnen. 

2.7.1 CO2-emissiefactoren

De website CO2emissiefactoren.nl biedt betrouwbare CO2-emissiefactoren voor de Nederlandse markt voor energiedragers zoals benzine, diesel en lpg. Het is opgezet door Milieu Centraal, Stichting Stimular, SKAO, Connekt en de Rijksoverheid. De emissiefactoren worden aangegeven per liter brandstof (CO2emissiefactoren.nl, z.d.).

2.7.2 Literprijzen brandstoffen

Daarnaast gebruiken we CBS-gegevens over brandstofprijzen. Voor benzine, diesel en LPG worden de jaarlijkse pompprijzen weergegeven, die nodig zijn om de totale emissies op basis van het verbruik te berekenen (CBS, 2025).

2.7.3 Luchtemissierekeningen 

Voor het totale aardgasverbruik van huishoudens voor de verwarming van woningen gebruiken we gegevens uit de Luchtemissierekeningen van het CBS. Deze maken deel uit van de Milieurekeningen en geven cijfers over emissies naar de lucht die samenhangen met economische activiteiten in Nederland (CBS, 2024c).

3. Methode

In dit hoofdstuk wordt de methode toegelicht voor het berekenen van de broeikasgasvoetafdruk van Nederlandse huishoudens. Hierbij wordt de volledige uitstoot meegenomen die samenhangt met hun consumptie, zowel in Nederland als in het buitenland, waar de geproduceerde en vervoerde goederen een bijdrage leveren aan de emissies.

De berekening verloopt in vier stappen:

  1. Uitstoot per euro consumptie voor indirecte emissies: bepalen hoeveel broeikasgassen vrijkomen per bestede euro per product in de productieketen.
  2. Uitstoot per euro consumptie voor directe emissies: hierbij wordt berekend hoeveel broeikasgassen vrijkomen per bestede euro aan producten die directe emissies veroorzaken, zoals het verbranden van brandstoffen in het wegverkeer of het gebruik van energie voor woningverwarming.
  3. Koppeling aan bestedingen: verbinden van deze emissiecoëfficiënten met de uitgaven van huishoudens uit het CBS Budgetonderzoek 2020.
  4. Analyse van huishoudtypes: uitsplitsing van de voetafdruk naar directe en indirecte emissies, zowel voor het binnenland als het buitenland, en naar kenmerken zoals besteedbaar inkomen, huishoudsamenstelling, leeftijd van de hoofdkostwinnaar en provincie.

Annex 1 geeft aanvullend een schematische weergave van het berekenen van de emissiecoëfficiënten per euro per product voor zowel indirecte emissies (stap 1) als voor directe emissies (stap 2).

3.1 Indirecte uitstoot per euro consumptie

Deze paragraaf richt zich op de indirecte emissies die samenhangen met consumptie. Deze omvatten de uitstoot die ontstaat in de productieketen van goederen en diensten die huishoudens kopen, vaak ook buiten Nederland. Bijvoorbeeld, bij kleding afkomstig uit het buitenland ontstaan emissies tijdens de productie van grondstoffen (energiegebruik in fabrieken), verwerking (verven en afwerken van stoffen), transport (uitstoot van schepen, vrachtwagens of vliegtuigen) en verpakking (materialen en energie voor dozen en zakken). De eerste stap is het bepalen van de uitstoot per euro product te bepalen, oftewel de emissiecoëfficiënten per product (ook wel multipliers of intensiteiten genoemd).

1a Berekenen emissiecoëfficiënten per bedrijfstak in basisprijzen

Bij het berekenen van de emissiecoëfficiënten per product wordt onderscheid gemaakt naar waar de consumptiegoederen vandaan komen. Wordt een product direct geïmporteerd, dan nemen we de uitstoot mee die in de buitenlandse productieketen is ontstaan tot het moment van binnenkomst in Nederland. Zijn de producten in Nederland geproduceerd, dan nemen we ook de emissies uit de Nederlandse productieketen mee. Vaak is een Nederlands product het resultaat van bewerkingen in meerdere landen; in dat geval wordt de uitstoot in Nederland en in het buitenland apart berekend en bij elkaar opgeteld.

Op basis van de eerder toegelichte SAMCA-methode en de MRIO-tabel PBL-FIGARO worden de emissiecoëfficiënten berekend voor de indirecte uitstoot van broeikasgassen. Op het meest gedetailleerde niveau is de emissiecoëfficiënt bepaald per combinatie van land en bedrijfstak. Met de SAMCA-methode berekenen we per Nederlandse bedrijfstak de uitstoot die in Nederland zelf ontstaat én de uitstoot in het buitenland die samenhangt met ingevoerde goederen en diensten. 

Voor de invoer kan gebruik worden gemaakt van gedetailleerde internationale handelsdata van het CBS, waarin de import is uitgesplitst naar goederengroepen en naar producerend land en bedrijfstak. Deze gegevens worden gebruikt om de herkomstverhouding van de invoer voor huishoudconsumptie te bepalen: per geïmporteerde goederengroep is bekend welk aandeel afkomstig is uit de verschillende land en bedrijfstak-combinaties. Op basis daarvan kan een gewogen gemiddelde impact per geïmporteerde euro worden berekend. 

De emissiecoëfficiënten worden bepaald aan de hand van drie berekeningen, dit wordt gedaan met behulp van de SAMCA-methode. De berekeningen en het resultaat worden hieronder beschreven:

Berekening 1. Emissies in Nederland door Nederlandse productie

  • Voor de Nederlandse bedrijfstakken (133 in totaal, volgens de CBS IO-indeling) is berekend wat de totale ketenemissies zijn per euro productiewaarde. Daarbij is ook in kaart gebracht bij welke (andere) Nederlandse bedrijfstakken de emissies plaatsvinden, wat resulteert in een matrix van dimensie 133 × 133. 
  • Voorbeeld: Bij een Nederlandse koffiebranderij ontstaat uitstoot in Nederland, bijvoorbeeld door elektriciteitsverbruik en verwarming van de branderij.

Berekening 2. Emissies in het buitenland door Nederlandse productie

  • Voor dezelfde 133 Nederlandse bedrijfstakken is berekend wat de ketenemissies zijn per euro productiewaarde in het buitenland, ten behoeve van intermediaire goederen en diensten voor Nederland. De emissies zijn uitgesplitst naar alle land*bedrijfstak-combinaties (6.302 volgens de PBL-FIGARO-indeling). Soms vindt een klein deel van de emissies ook in Nederland plaats, bijvoorbeeld bij verpakking of distributie.
  • Voorbeeld: Voor de koffiebranderij in Nederland ontstaan veel emissies in Brazilië bij de teelt en verwerking van koffiebonen.

Berekening 3. Emissies van direct geïmporteerde producten voor huishoudens

  • Voor iedere goederengroep (231 goederengroepen, volgens de CBS IO-indeling) zijn de ketenemissies per euro import berekend. De emissies zijn eveneens uitgesplitst naar 6.302 land*bedrijfstak-combinaties. Het grootste deel van deze emissies vinden plaats in het buitenland; alleen een heel klein deel van deze emissies vinden plaats in Nederland omdat Nederland ook weer producten voor intermediair gebruik aan het buitenland levert. 
  • Voorbeeld: Bij geïmporteerde koffiebonen ontstaat de meeste uitstoot in Brazilië (teelt en verwerking), en een heel klein deel in Nederland door transport en verkoop, maar er vinden verder geen bewerkingen meer plaats in Nederland.
Resultaat 1a:
  1. De totale indirecte uitstoot per euro productie per Nederlandse bedrijfstak, uitgesplitst naar het land en de bedrijfstak waar de uitstoot plaatsvindt (combinatie van berekeningen 1 en 2).
  2. De totale indirecte uitstoot per euro van geïmporteerde goederengroepen, eveneens uitgesplitst naar land en bedrijfstak van de fysieke uitstoot (uitkomst van berekening 3).

1b Bepalen door welke bedrijfstakken de goederen worden geleverd aan huishoudens

Na het bepalen van de uitstoot per euro productiewaarde voor alle bedrijfstakken wereldwijd, is de volgende stap te kijken welke bedrijfstakken goederen leveren aan Nederlandse huishoudens, zowel in Nederland als in het buitenland. Deze informatie komt uit de input-outputtabellen per productgroep, die aangeven welke bedrijfstakken welke goederen en diensten aan wie leveren. Zo kan worden vastgesteld welk deel van de consumptie van huishoudens afkomstig is van Nederlandse bedrijfstakken en welk deel uit het buitenland wordt geïmporteerd. De Nederlandse IO-tabel omvat 133 bedrijfstakken (volgens de interne CBS-indeling), aangevuld met invoer uitgesplitst naar intra- en extra-EU.

Voorbeeld: Bij melkproducten wordt 40% geleverd door de binnenlandse veehouderij, 20% door de zuivelverwerkende industrie (bijvoorbeeld kaas- en yoghurtfabrieken), 25% geïmporteerd uit andere EU-landen (intra-EU) en 15% uit landen buiten de EU (extra-EU).

De input-outputtabellen maken hierbij onderscheid tussen Nederlandse productie en twee invoercategorieën (intra- en extra-EU), maar geeft nog niet aan uit welk land en welke bedrijfstak uit dat land de goederen precies komen. Voor het toepassen van de juiste emissiecoëfficiënten is deze detailinformatie nodig. Daarom wordt informatie uit de SAMCA-PBL-FIGARO aanpak gebruikt, die gedetailleerde internationale handelsdata bevat. Hiermee kan precies worden bepaald hoeveel euro uit welk land en welke bedrijfstak afkomstig is en bestemd is voor finaal gebruik door Nederlandse huishoudens. 

Resultaat 1b:

De verdeling (%) per goederengroep naar producerende bedrijfstakken. Een goederengroep kan zowel door Nederlandse als buitenlandse bedrijfstakken worden geleverd.

1c Basisprijs omrekenen naar aankoopprijs

Voor iedere goederengroep is bekend welke bedrijfstakken deze leveren en hoeveel uitstoot per euro productie plaatsvindt (emissiecoëfficiënt). Deze coëfficiënten zijn berekend op basis van de IO-tabellen in basisprijzen (het bedrag dat de producent ontvangt). Het CBS Budgetonderzoek rapporteert uitgaven in aankoopprijzen (de prijs die huishoudens betalen, inclusief belastingen en handels- en vervoersmarges).

Om de uitstoot per euro consumptie correct te koppelen aan huishoudelijke uitgaven, moeten de prijzen gelijk worden gemaakt.

  • Basisprijs: prijs die de producent ontvangt, exclusief belastingen en marges, inclusief subsidies.
  • Aankoopprijs: prijs die de consument betaalt, inclusief belastingen en marges.

Per goederengroep is de verhouding tussen aankoop- en basisprijs berekend en toegepast, zodat de emissiecoëfficiënten consistent kunnen worden toegepast op het Budgetonderzoek.

Resultaat 1c:

De verhouding tussen basisprijs en aankoopprijs per goederengroep.

1d Koppelen COICOP-indeling aan goederengroepindeling (GGIO)

De laatste stap is het koppelen van de productengroepen uit het Budgetonderzoek (COICOP-indeling) aan de goederengroepen van de input-outputtabellen (GGIO). Deze koppeling is nodig om de uitgaven van huishoudens correct te vertalen naar de relevante productgroepen voor de uitstootberekening. Tijdens de koppeling zijn we op een aantal uitdagingen en keuzes gestuit waarvan we hier een aantal belangrijke kort toelichten.

  • Tweedehands goederen: Voor voertuigen bestaat onderscheid tussen nieuw en tweedehands; voor andere productgroepen is dat niet beschikbaar. Voor voertuigen is dit meegenomen, voor de rest is aangenomen dat het nieuwe producten betreft.
  • Productgebonden belastingen en uitgaven die niet direct te herleiden zijn tot individuele consumptie door huishoudens zijn buiten beschouwing gelaten. Dit betreft onder andere de COICOP-categorieën boven categorie 12 en onder categorie 19, zoals sociale bescherming, religieuze activiteiten, bijdragen aan politieke of maatschappelijke organisaties, onderzoek en ontwikkeling en milieubescherming. Deze categorieën hebben vooral betrekking op collectieve of institutionele uitgaven, of op overdrachten (zoals belastingen en giften), en worden daarom niet tot de daadwerkelijke consumptieve bestedingen van huishoudens gerekend.
  • Duurzame consumptiegoederen: Producten met een lange gebruiksduur, zoals meubels, witgoed en elektronische apparaten, zijn meegenomen. De productie-emissies worden verdeeld over meerdere jaren, aangenomen dat elk jaar een vergelijkbaar aandeel duurzame goederen wordt aangeschaft. Zo blijven de jaarlijkse berekeningen consistent en vergelijkbaar met andere categorieën.
  • Vakantie-uitgaven van huishoudens: In lijn met de aanpak van Kilian et al. (2023) voor het Verenigd Koninkrijk worden in dit onderzoek geen locatieverschillen gemaakt: buitenlandse vakantie-uitgaven worden toegerekend aan de overeenkomstige binnenlandse categorie. Zo worden horeca uitgaven tijdens vakanties in het buitenland beschouwd als bestedingen aan Nederlandse horeca. Met andere woorden, een euro uitgegeven aan horeca in het buitenland heeft dezelfde impact als een euro uitgegeven aan horeca in Nederland. Het budgetonderzoek bevat geen data over de bestemmingen van vakanties, waardoor er niet gecorrigeerd kan worden voor het prijspeil in het desbetreffende land.

Door deze aanpak is een volledige koppeling tot stand gebracht tussen huishoudelijke uitgaven en GGIO-goederengroepen, waarmee de emissiecoëfficiënten correct kunnen worden toegepast.

Output 1d:

Brugtabel COICOP productgroepen uit het Budgetonderzoek en de IO-goederengroepen

3.2 Directe uitstoot per euro consumptie

De directe emissies zijn niet opgenomen in de emissiecoëfficiënten van stap 1d en worden daarom apart meegenomen. Ze hebben betrekking op twee belangrijke bronnen:

  • Verkeer: verbranding van benzine, diesel en LPG in het wegverkeer van huishoudens.
  • Verwarming van woningen: de verbranding van aardgas door huishoudens voor het verwarmen van hun woningen.

Voor het wegverkeer zijn emissiefactoren beschikbaar in kilogram CO2-equivalent per liter brandstof. Door deze te combineren met de gemiddelde literprijs per brandstof, wordt de uitstoot omgerekend naar impact per euro (CBS, 2025b).

Voor aardgas wordt de totale uitstoot van broeikasgassen uit de Luchtemissierekeningen van het CBS gedeeld door de totale uitgaven aan aardgas door huishoudens uit het Budgetonderzoek, zodat ook hier een impact per euro ontstaat.

Emissies die ontstaan in de afvalketen (zoals bij inzameling, verwerking, verbranding of storting van huishoudelijk afval) zijn niet meegenomen in deze berekeningen. Omdat dit onderzoek zich richt op de emissies die plaatsvinden tijdens de productie, levering en het gebruik van goederen en diensten, vallen de emissies die optreden na gebruik – in de afvalfase – buiten de scope.

Resultaat 2:

Directe impact per euro in aankoopprijzen, uitgesplitst naar COICOP-goederengroepen uit het Budgetonderzoek.

3.3 Koppeling van de emissiecoëfficiënten met het budgetonderzoek

De resultaten van de indirecte uitstoot (H3.1) en directe uitstoot (H3.2) worden samengevoegd. Daarbij blijft onderscheid bestaan tussen uitstoot in Nederland en uitstoot in het buitenland. Deze gecombineerde resultaten worden gekoppeld aan de uitgaven van huishoudens uit het CBS Budgetonderzoek. 

3.4 Analysemethode 

Na het samenvoegen van directe en indirecte emissies tot de totale voetafdruk per productcategorie, begint de analyse met een overzicht van de totale voetafdruk van huishoudens in Nederland en de samenstelling daarvan. Hierbij wordt gekeken naar de bijdrage van verschillende productgroepen, zoals voeding, energie, vervoer en diensten. 

Vervolgens wordt de voetafdruk uitgesplitst naar vier kenmerken van huishoudens:

  • Besteedbaar inkomen
  • Regio (provincie)
  • Huishoudsamenstelling (alleenstaand, paar zonder kinderen, gezin, etc.)
  • Leeftijd van de referentiepersoon

Voor elke indeling worden de huishoudens uit het Budgetonderzoek gegroepeerd op het gekozen kenmerk, en per groep wordt de gemiddelde voetafdruk berekend. Zo kunnen verschillen tussen verschillende typen huishoudens worden geanalyseerd.

Bij het analyseren van de voetafdruk van huishoudens kan rekening worden gehouden met verschillen in huishoudensgrootte. Dit gebeurt door de voetafdruk te standaardiseren volgens de OESO-equivalentieschaal: het eerste volwassen lid krijgt een wegingsfactor van 1, de tweede volwassene 0,5 en elk kind 0,3. Op die manier worden huishoudens van verschillende grootte beter vergelijkbaar, omdat grotere huishoudens bepaalde voorzieningen en uitgaven delen en daardoor relatief efficiënter kunnen zijn. De gestandaardiseerde voetafdruk zegt dan iets over de milieubelasting per ‘consumptie-eenheid’ en maakt zichtbaar hoe duurzaam huishoudens leven, los van hun omvang.

De keuze om de voetafdruk al dan niet te standaardiseren bepaalt dus wat het cijfer precies betekent. Een niet-gestandaardiseerde voetafdruk geeft de totale milieu-impact van het gehele huishouden weer – hoeveel uitstoot of grondstoffenverbruik het huishouden gezamenlijk veroorzaakt. Een gestandaardiseerde voetafdruk daarentegen laat de milieubelasting per equivalente eenheid zien, wat een beter beeld geeft van de relatieve efficiëntie of leefstijl van het huishouden. Beide cijfers zijn waardevol, maar ze beantwoorden elk een andere vraag: de één richt zich op de absolute impact, de ander op de impact per gedeelde consumptie-eenheid.

Tot slot wordt ook gekeken naar het verschil tussen binnenlandse en buitenlandse uitstoot. Dit maakt zichtbaar welk deel van de voetafdruk afkomstig is uit de eigen Nederlandse productieketen en welk deel uit buitenlandse ketens, bijvoorbeeld bij geïmporteerde goederen, diensten en halffabricaten.

4. Resultaten

In dit hoofdstuk worden de resultaten gepresenteerd van de analyse van de broeikasgasvoetafdruk van huishoudens in Nederland. Eerst wordt de totale voetafdruk van huishoudens bekeken, vervolgens wordt dieper ingegaan op vier belangrijke kenmerken van huishoudens: inkomen, regio, huishoudsamenstelling en de leeftijd van de hoofdkostwinnaar. Daarnaast wordt apart aandacht besteed aan de rol van de invoer, waarmee we bepalen welk deel van de voetafdruk in het buitenland wordt gegenereerd en welk deel binnen Nederland. Ook de invloed van directe en indirecte emissies wordt meegenomen in de analyse.

Het is belangrijk om te benadrukken dat de resultaten van deze voetafdruk kunnen afwijken van andere berekeningen van voetafdrukken die door het CBS zijn uitgevoerd. De belangrijkste is de consumptievoetafdruk van Nederland (CBS, 2025c). Deze richt zich op de totale consumptie en is gebaseerd op de nationale finale bestedingen, zoals gedefinieerd in de nationale rekeningen. Dit omvat de uitgaven van zowel huishoudens als de overheid, evenals de bruto-investeringen in vaste activa (zoals gebouwen en machines) door sectoren, de overheid en huishoudens. De voetafdruk die in dit onderzoek wordt gepresenteerd, richt zich echter specifiek op de consumptie van huishoudens en maakt gebruik van andere bronnen en methoden om dit zo zorgvuldig mogelijk te berekenen. Meer informatie hierover is te vinden in hoofdstuk 5.3.

4.1 Gemiddelde broeikasgasvoetafdruk van Nederlandse huishoudens

De gemiddelde broeikasgasvoetafdruk van Nederlandse huishoudens wordt weergegeven in twee varianten: de niet-gestandaardiseerde voetafdruk, gebaseerd op de absolute gemiddelde uitstoot per huishouden, en de gestandaardiseerde voetafdruk, aangepast aan de huishoudgrootte volgens OESO-equivalenten (zie hoofdstuk 3.4). De niet-gestandaardiseerde voetafdruk bedraagt gemiddeld 17 ton CO2-equivalenten per huishouden. Deze versie geeft de totale voetafdruk van een huishouden weer, ongeacht het aantal mensen in het huishouden. De grootste bijdragen aan de totale voetafdruk komen van energie, huisvesting en vervoer, terwijl andere categorieën, zoals kleding en horeca, relatief minder bijdragen. 

De gestandaardiseerde voetafdruk bedraagt gemiddeld 11,4 ton CO2-equivalenten per huishouden. Deze versie is gecorrigeerd voor de huishoudgrootte, zodat huishoudens van verschillende grootte eerlijk met elkaar kunnen worden vergeleken. Grotere huishoudens hebben vaak gemeenschappelijke voorzieningen, zoals verwarming en apparatuur, die door meerdere leden van het huishouden worden gedeeld. Hierdoor wordt de gemiddelde voetafdruk per huishoudgrootte lager in grotere huishoudens. De gestandaardiseerde voetafdruk maakt het mogelijk om huishoudens op basis van hun consumptie-eenheden te vergelijken, in plaats van alleen de totale uitstoot per huishouden. Dit biedt een nauwkeuriger beeld van de voetafdruk van huishoudens van verschillende grootte, door het effect van gedeelde consumptie te corrigeren.

4.1.1: Gemiddelde broeikasgasvoetafdruk per huishouden in kg CO₂-equivalenten, 2020
 Energie (kg CO₂-equivalenten)Voedingsmidd. en alc.vrije dranken (kg CO₂-equivalenten)Vervoer (kg CO₂-equivalenten)Huisvesting en water (kg CO₂-equivalenten)Recreatie en cultuur (kg CO₂-equivalenten)Stoffering en huish. apparaten (kg CO₂-equivalenten)Hotels, cafes en restaurants (kg CO₂-equivalenten)Kleding en schoeisel (kg CO₂-equivalenten)Overig (kg CO₂-equivalenten)
Gestandaardiseerd513719431813660456433331195439
Niet gestandaardiseerd742629722824926699667513310655

4.2 Voetafdruk naar inkomen

De broeikasgasvoetafdruk van huishoudens is verdeeld over 10 inkomensgroepen (decielen). Deciel 1 bevat de 10 procent huishoudens met het laagste inkomen, en deciel 10 de 10 procent met het hoogste inkomen. Zoals te verwachten is, hebben huishoudens met een hoger inkomen een grotere voetafdruk. Huishoudens in de hoogste inkomensgroep hebben een voetafdruk die meer dan twee keer zo groot is als die van de laagste groep (116 procent groter). De belangrijkste oorzaken hiervan zijn de uitgaven aan energie, vervoer en voedingsmiddelen.

Huishoudens met een lager inkomen geven een groter deel van hun uitgaven aan energie uit, wat zorgt voor een relatief groter aandeel energie in hun totale voetafdruk. Bij hogere inkomens is het aandeel energie kleiner, ondanks dat het energieverbruik in absolute zin groter is. Naarmate het inkomen stijgt, verschuift het aandeel van andere uitgaven, zoals vervoer, recreatie en horeca, in de totale voetafdruk. Bij uitgaven aan huisvesting en energie stijgt de totale uitstoot wel, maar het aandeel van deze categorieën in de totale voetafdruk wordt kleiner. Dit komt doordat hogere inkomens relatief meer uitgeven aan andere dingen, zoals vervoer, uit eten gaan en duurzame consumptiegoederen. Voor vervoer geldt juist het omgekeerde: hoe hoger het inkomen, hoe groter de bijdrage van vervoer aan de voetafdruk, zowel in absolute als procentuele zin, vooral door meer vliegreizen en autokilometers. 

Opvallend is dat de laagste inkomensgroep (deciel 1) in sommige categorieën, zoals alcohol en tabak, recreatie en cultuur, en uit eten gaan, een hogere voetafdruk heeft dan de groep net daarboven (deciel 2). Dit zou deels verklaard kunnen worden door het feit dat studenten vaak in de laagste inkomensgroep vallen.

4.2.1: Gemiddelde broeikasgasvoetafdruk per huishouden naar besteedbaar inkomensdeciel in kg CO₂-equivalenten, 2020
 Energie (kg CO₂-equivalenten)Voedingsmidd. en alc.vrije dranken (kg CO₂-equivalenten)Vervoer (kg CO₂-equivalenten)Huisvesting en water (kg CO₂-equivalenten)Recreatie en cultuur (kg CO₂-equivalenten)Stoffering en huish. apparaten (kg CO₂-equivalenten)Hotels, cafes en restaurants (kg CO₂-equivalenten)Kleding en schoeisel (kg CO₂-equivalenten)Overig (kg CO₂-equivalenten)
156831637851703331262214129420
2580817971072790309293169152399
3642120921313826363353248186467
4650123122045897442503325197520
5690125892527880599512408213573
6739230172919936684562481288619
7815733703345971823791557332720
88544370539781012967934690423777
9894242704596105610591015879511920
1099134927559211851413144411626651137

4.2.2 Besteedbaar jaarinkomen per deciel, 2020
DecielgroepInkomensbereik
1Tot € 16 700
2€ 16 701 – € 21 900
3€ 21 901 – € 26 900
4€ 26 901 – € 32 000
5€ 32 001 – € 38 100
6€ 38 101 – € 45 800
7€ 45 801 – € 54 400
8€ 54 401 – € 64 700
9€ 64 701 – € 81 200
10Vanaf € 81 201

Na standaardisatie van zowel het besteedbaar inkomen als de uitstoot, worden de verschillen tussen de inkomensgroepen kleiner, maar het hoogste deciel blijft 64 procent hoger dan het laagste deciel. Opvallend is dat dit verschil nu een stuk minder door energie wordt bepaald, maar vooral door vervoer en voedingsmiddelen. Dit komt doordat energieverbruik sterk afhankelijk is van de huishoudgrootte; het verwarmen van een huis of het gebruik van warm water is een gedeelde voorziening die door alle leden van het huishouden wordt benut, waardoor de voetafdruk per persoon in grotere huishoudens relatief lager is. In tegenstelling tot energie, worden voedingsmiddelen en vervoer in mindere mate beïnvloed door de huishoudgrootte. Hoewel je bij voedingsmiddelen efficiënter kunt koken voor meerdere mensen en er schaalvoordelen zijn, heb je nog steeds meer voedsel nodig voor een groter huishouden. Vervoer is ook deels gedeeld, bijvoorbeeld bij gedeeld gebruik van een auto of gezamenlijke ritten, maar wordt bijvoorbeeld een vliegticket per persoon gekocht, en woon-werkverkeer betreft vaak alleen de werkende leden van het huishouden. Hierdoor spelen deze categorieën een grotere rol in het verschil tussen inkomensgroepen in deze analyse.

4.2.3: Gemiddelde broeikasgasvoetafdruk per huishouden naar besteedbaar inkomensdeciel in kg CO₂-equivalenten, gestandaardiseerd, 2020
 Energie (kg CO₂-equivalenten)Voedingsmidd. en alc.vrije dranken (kg CO₂-equivalenten)Vervoer (kg CO₂-equivalenten)Huisvesting en water (kg CO₂-equivalenten)Recreatie en cultuur (kg CO₂-equivalenten)Stoffering en huish. apparaten (kg CO₂-equivalenten)Hotels, cafes en restaurants (kg CO₂-equivalenten)Kleding en schoeisel (kg CO₂-equivalenten)Overig (kg CO₂-equivalenten)
150991457817593288217202119384
250171643838674241252141122335
3501318061316675301328190159377
4500317731435661370328240154391
5509519011762644448393288184408
6506519591904656425435328188426
7515820352111629502466352214470
8510921602292649602490427252473
9513922102550667648629513265545
10567424863101750739797626299578

4.2.4 Gestandaardiseerd besteedbaar jaarinkomen per deciel, 2020
DecielgroepInkomensbereik
1Tot € 15 400
2€ 15 401 – € 19 000
3€ 19 001 – € 22 000
4€ 22 001 – € 25 300
5€ 25 301 – € 28 700
6€ 28 701 – € 32 200
7€ 32 201 – € 36 200
8€ 36 201 – € 41 300
9€ 41 301 – € 49 800
10Vanaf € 49 801

4.3 Voetafdruk naar regio

Er bestaat een duidelijke relatie tussen het inkomen en de broeikasgasvoetafdruk van huishoudens per provincie. Provincies met een hoger gemiddeld inkomen vertonen doorgaans een grotere voetafdruk. Zo hebben huishoudens in Groningen de laagste voetafdruk van Nederland, terwijl het mediane besteedbare inkomen in deze provincie ook het laagste is. Dit suggereert dat huishoudens met een lager inkomen vaak minder consumeren, wat leidt tot een lagere voetafdruk.

In tegenstelling tot deze trend heeft Noord-Holland, ondanks een relatief hoog mediane inkomen, een opvallend lage gemiddelde voetafdruk per huishouden. Deze lagere voetafdruk kan grotendeels worden toegeschreven aan het efficiëntere gebruik van energie en vervoer in de provincie. De uitgaven aan energie in Noord-Holland zijn relatief laag, wat onder andere te verklaren is door de verstedelijking, de aanwezigheid van compacte woningen, stadsverwarming, zonnepanelen en goede woningisolatie. Daarnaast speelt het gebruik van openbaar vervoer een grotere rol in Noord-Holland dan in andere provincies, waardoor de uitstoot door vervoer relatief lager is. Dit benadrukt dat, hoewel inkomen een belangrijke rol speelt in het bepalen van de voetafdruk, andere regionale factoren, zoals de beschikbaarheid van infrastructuur, energie-efficiëntie en het gebruik van duurzame technologieën, eveneens een significante invloed hebben.

Verder vertonen de randstedelijke provincies, net als Limburg en Noord-Brabant relatief hogere uitgaven aan horeca, wat bijdraagt aan een grotere voetafdruk vanuit deze sector. In deze provincies geven huishoudens meer uit aan restaurants, cafés en andere eet- en drinkgelegenheden, wat resulteert in een hogere uitstoot in vergelijking met provincies met lagere uitgaven aan horeca. Deze trend is deels te verklaren door de grotere concentratie van horeca-aanbieders en de nabijheid van stedelijke voorzieningen in de Randstad, Limburg en Noord-Brabant.

Tot slot wordt het grootste deel van de uitstoot door vliegverkeer gegenereerd in provincies als Utrecht en Noord-Brabant, terwijl Groningen en Overijssel juist de laagste uitstoot uit vliegreizen vertonen. Dit verschil is waarschijnlijk te verklaren door inkomensverschillen, reisgedrag en de nabijheid van luchthavens zoals Schiphol en Eindhoven Airport, die gemakkelijker bereikbaar zijn voor bewoners van de Randstad.  

4.3.1: Gemiddelde broeikasgasvoetafdruk per huishouden naar provincie in kg CO₂-equivalenten, niet-gestandaardiseerd, 2020
 Energie (kg CO₂-equivalenten)Vervoer (kg CO₂-equivalenten)Voedingsmidd. en alc.vrije dranken (kg CO₂-equivalenten)Huisvesting en water (kg CO₂-equivalenten)Recreatie en cultuur (kg CO₂-equivalenten)Stoffering en huish. apparaten (kg CO₂-equivalenten)Hotels, cafes en restaurants (kg CO₂-equivalenten)Kleding en schoeisel (kg CO₂-equivalenten)Overig (kg CO₂-equivalenten)
Groningen725626912609853628577472324590
Noord-Holland6910249730011004695652580301685
Zuid-Holland699726513038932671672544309684
Utrecht727730012815950621711540297661
Fryslan768231592863843646705394306545
Limburg801726342866924669639546327615
Gelderland771730052882891715650484306638
Drenthe794929173012928697612372286581
Zeeland744130283181864764865353262633
Noord-Brabant790929413010915769665518306659
Overijssel771933253179871738656437354649
Flevoland797231493097908845744463347726

4.4 Voetafdruk naar leeftijd hoofdkostwinnaar

De huishoudelijke voetafdruk verschilt ook tussen verschillende leeftijdsgroepen, ingedeeld naar de leeftijd van de hoofdkostwinner. Vooral de groepen van 35 tot 45 jaar en 45 tot 55 jaar vertonen een opvallende verschuiving. In de niet-gestandaardiseerde cijfers hebben deze huishoudens een hoge voetafdruk, maar na standaardisatie blijkt hun uitstoot relatief laag. Dit duidt erop dat de hoge voetafdruk in deze groep vooral samenhangt met de grotere huishoudens, aangezien deze vaak ook een groter aantal bewoners en daarmee een hogere gezamenlijke consumptie en uitstoot hebben. Huishoudens onder de 25 jaar hebben in beide gevallen de laagste voetafdruk.

De categorie voedingsmiddelen laat de hoogste voetafdruk zien bij de groep van 55 tot 65 jaar. Dit kan wijzen op hogere consumptiepatronen en een grotere koopkracht in deze levensfase, wanneer veel mensen op hun hoogtepunt in hun carrière zitten en minder lasten hebben (zoals kinderen die uit huis zijn). Daarentegen vertoont de groep van 25 tot 35 jaar de hoogste uitstoot in de categorie hotels, cafés en restaurants, wat aansluit bij de leefstijl- en recreatiepatronen die vaak geassocieerd worden met jongvolwassenen.

Na standaardisatie voor huishoudgrootte verdwijnt het verschil tussen de groepen 25 tot 35 jaar en 35 tot 45 jaar. Dit is te verklaren door de verandering in levensfase: de 35- tot 45-jarigen hebben vaak grotere huishoudens door het nemen van kinderen, wat hun totale uitgaven en uitstoot verhoogt. Zonder standaardisatie leidt dit tot een hogere voetafdruk, maar na correctie voor huishoudgrootte blijkt dat de uitstoot per persoon lager is. Wel blijft de voetafdruk in de categorie voedingsmiddelen relatief hoog, terwijl andere categorieën, zoals alcoholhoudende dranken, meubilering en horeca, juist lager uitvallen. Dit kan duiden op een verandering in levensstijl, mogelijk gerelateerd aan het uitbreiden van het huishouden, waarbij de focus meer op essentiële uitgaven, zoals voedsel, komt te liggen, en minder op luxere uitgaven zoals horeca en meubels.

Het is belangrijk te benadrukken dat deze analyse uitsluitend kijkt naar de leeftijd van de hoofdkostwinner, en niet naar de leeftijd van andere leden van het huishouden. Dit betekent dat de waargenomen verschillen in voetafdruk niet direct iets zeggen over de leeftijdssamenstelling van het gehele huishouden, maar vooral inzicht bieden in hoe de levensfase van de kostwinner samenhangt met consumptiepatronen en de huishoudelijke uitstoot.

4.4.1 Gemiddelde broeikasgasvoetafdruk per huishouden naar leeftijd hoofdkostwinnaar in kg CO₂-equivalenten, 2020
 Gestandaardiseerd (kg CO₂-equivalenten)Niet gestandaardiseerd (kg CO₂-equivalenten)
tot 25 jaar979811856
25 tot 35 jaar1086615158
35 tot 45 jaar1066518627
45 tot 55 jaar1158020330
55 tot 65 jaar1222618141
65 tot 75 jaar1195115504
75 jaar en ouder1101613585

4.5 Voetafdruk naar gezinssamenstelling

In de grafiek valt op dat huishoudens met kinderen (zoals paren met kinderen) en eenoudergezinnen de hoogste totale voetafdrukken hebben. Dit komt doordat meer bewoners automatisch meer consumptie en dus meer uitstoot veroorzaken. Alleenstaanden hebben juist de laagste totale voetafdruk, wat logisch is gezien hun kleinere huishoudgrootte. Alleenstaande mannen hebben een iets hogere voetafdruk dan alleenstaande vrouwen, wat vooral te maken heeft met een hoger energieverbruik, met name door het gebruik van benzine voor vervoer. Vliegvervoer draagt ook iets bij aan hun hogere voetafdruk, maar dit effect is minder groot. Alleenstaande vrouwen hebben een relatief hogere voetafdruk op het gebied van bestedingen aan kleding en voedingsmiddelen, hoewel deze effecten kleiner zijn dan die van vervoer.

De grafiek toont aan dat na standaardisatie de verschillen tussen huishoudens aanzienlijk afnemen: een paar met kinderen heeft niet langer een grotere voetafdruk dan een paar zonder kinderen, of zelfs dan een alleenstaande man. Ook eenoudergezinnen scoren nu lager dan voorheen. Dit laat zien dat een groot deel van de hogere totale voetafdruk van grotere huishoudens te verklaren is door hun omvang en het gedeelde verbruik van middelen, zoals energie en woonruimte, en niet uitsluitend door hun consumptiepatroon. Met deze methode kunnen we huishoudens met verschillende grootte op een eerlijker manier vergelijken.

Bij de voetafdruk per persoon wordt de totale uitstoot van het huishouden gedeeld door het aantal bewoners, waardoor de bijdrage van elk individu aan de totale uitstoot zichtbaar wordt. Deze benadering is vooral nuttig om individuen binnen een huishouden te vergelijken. De grafiek laat zien dat alleenstaanden de hoogste voetafdruk per persoon hebben, terwijl grotere huishoudens relatief lager scoren. Dit verschil komt doordat grotere huishoudens schaalvoordelen ervaren: de kosten voor energie, woonruimte en andere consumptiegoederen worden over meerdere leden verdeeld, waardoor de voetafdruk per persoon lager uitvalt. Het resultaat is dat grotere huishoudens, door hun gezamenlijke verbruik van middelen, efficiënter omgaan met deze middelen, wat leidt tot een lagere uitstoot per individu.

4.5.1 Gemiddelde broeikasgasvoetafdruk per huishouden naar gezinssamenstelling in kg CO₂-equivalenten, 2020
 Gestandaardiseerd (kg CO₂-equivalenten)Niet gestandaardiseerd (kg CO₂-equivalenten)Per persoon (kg CO₂-equivalenten)
Alleenstaande man120631206312063
Alleenstaande vrouw112211122311223
Paar zonder kinderen10033163026698
Paar met kinderen10619234849227
Eenoudergezinnen12286184536239

4.6 Voetafdruk binnen en buiten Nederland

De broeikasgasvoetafdruk van huishoudens bestaat uit directe emissies (zoals aardgas voor verwarming en brandstof voor vervoer), indirecte emissies binnen Nederland (uitstoot die vrijkomt bij de productie van goederen en diensten die (deels) in Nederland worden gemaakt), en indirecte emissies in het buitenland (uitstoot in internationale productieketens voor producten die we hier consumeren, maar (deels) elders worden geproduceerd). Deze drie componenten laten samen zien waar in de keten emissies ontstaan: bij het huishouden zelf, in de Nederlandse economie of in het buitenland.

4.6.1: Gemiddelde broeikasgasvoetafdruk per huishouden, uitgesplitst naar binnenlandse en buitenlandse emissies, 2020
 Indirecte emissies buitenland (kg CO₂-equivalenten)Indirecte emissies Nederland (kg CO₂-equivalenten)Directe emissies (kg CO₂-equivalenten)
Energie995,2200194512,5952681918,488183
Voedingsmidd. en alc.vrije dranken2343,419924628,10817520
Vervoer999,5519221392,36653211431,957135
Huisvesting en water629,3454159296,18063530
Recreatie en cultuur508,3034407190,68506890
Stoffering en huish. apparaten620,765048346,032963470
Hotels, cafes en restaurants305,0855486208,32674390
Kleding en schoeisel306,02612813,5129118020
Overig531,9914344123,15873070

Uit eerdere analyses bleek al dat energie de grootste categorie vormt. De resultaten tonen aan dat de energievoetafdruk grotendeels bestaat uit directe emissies en een significant aandeel binnenlandse ketenemissies. Vervoer valt eveneens op door de hoge directe uitstoot, voornamelijk veroorzaakt door het brandstofgebruik in het wegverkeer, wat direct verband houdt met de verbranding van benzine en diesel. In de meeste andere categorieën spelen buitenlandse emissies echter de belangrijkste rol. Vooral bij kleding en schoeisel is dit goed zichtbaar: de voetafdruk bestaat vrijwel volledig uit buitenlandse ketenemissies. Dit weerspiegelt de verschuiving van productie naar lagelonenlanden, waar het merendeel van de kleding wordt vervaardigd. Ook bij andere consumptiegoederen zoals voedingsmiddelen, meubels en apparaten is het aandeel buitenlandse emissies opvallend groot. Dit sluit aan bij de trend dat Nederland steeds meer een diensteneconomie wordt, waarin relatief weinig industriële productie plaatsvindt. Hierdoor liggen de emissies van veel consumptiegoederen structureel buiten de landsgrenzen. Tegelijkertijd maakt de uitsplitsing duidelijk dat het verkleinen van de voetafdruk zowel vraagt om verduurzaming van (internationale) ketens als om veranderingen in gedrag en technologie aan de kant van huishoudens, met name op het gebied van energie en vervoer.

5. Conclusie en aanbevelingen

5.1 Verschillen in broeikasgasvoetafdruk tussen huishoudens

De resultaten laten duidelijke verschillen zien in de broeikasgasvoetafdruk tussen huishoudens. Het sterkste verband is met het besteedbaar inkomen: hogere inkomens hebben doorgaans een grotere voetafdruk. Huishoudens in de hoogste groep hebben een ruim twee keer zo grote voetafdruk als huishoudens in de laagste groep (116 procent groter). Als we de uitstoot standaardiseren naar huishoudgrootte, neemt het verschil af tot ongeveer 64 procent. 

Verschillen tussen provincies zijn aanwezig, maar minder uitgesproken dan die tussen inkomensgroepen. Kenmerken zoals leeftijd, huishoudsamenstelling en regio zijn met inkomen verweven, waardoor hun effecten moeilijk los van elkaar te onderscheiden zijn en de onafhankelijke bijdrage van elk kenmerk lastig te kwantificeren is. Wel zien we dat ook factoren als levensstijl, verstedelijking en aanwezigheid van openbaar vervoer invloed hebben. Noord-Holland heeft bijvoorbeeld een hoog mediaan inkomen, maar wel een lage broeikasgasvoetafdruk. 

Daarnaast blijkt dat de herkomst van de emissies sterk varieert tussen consumptiecategorieën. Voor basisbehoeften zoals energie en vervoer ontstaan de meeste emissies in Nederland zelf, terwijl bij goederen zoals kleding, elektronica en meubels het grootste deel van de uitstoot juist in het buitenland plaatsvindt. Ongeveer 43 procent van de gemiddelde broeikasgasvoetafdruk van huishoudens wordt buiten de landsgrenzen veroorzaakt. 

5.2 Beperkingen en onzekerheden in de analyse

In deze studie is ervoor gekozen om vier kenmerken van huishoudens als verklarende variabelen te gebruiken. Andere kenmerken, zoals opleidingsniveau of arbeidssituatie, zijn niet meegenomen vanwege capaciteitsbeperkingen. Voor vervolgonderzoek zou het interessant zijn om aanvullende gegevens te gebruiken, bijvoorbeeld uit de Woonbase van het CBS. Daarmee kan dieper worden ingegaan op woninggerelateerde factoren, zoals type woning, isolatie, energieverbruik en andere kenmerken die de broeikasgasvoetafdruk van huishoudens beïnvloeden.

Daarnaast moet rekening worden gehouden met onzekerheden in de onderliggende data. Steekproefmarges zijn nog niet expliciet gekwantificeerd, en prijs- en kwaliteitsverschillen tussen producten (bijvoorbeeld goedkoop versus duur brood, of regulier versus biologisch) blijven onzichtbaar in de bestedingsgegevens door het beperkte detailniveau van de brondata. Hierdoor geven uitgaven niet altijd een direct beeld van fysieke consumptie of productieprocessen. Hogere uitgaven aan een product zijn in de praktijk niet altijd gekoppeld aan een grotere hoeveelheid, maar kunnen ook het gevolg zijn van hogere kwaliteit of duurzame varianten. Dit effect wordt in de huidige aanpak niet volledig meegenomen.

Voor sommige goederengroepen is de huidige benadering te grof om nauwkeurige emissies te berekenen. Een hybride methode kan hier uitkomst bieden, bijvoorbeeld door voedingsmiddelen verder te differentiëren met externe bronnen zoals de RIVM-database Milieubelasting Voedingsmiddelen (RIVM, 2024). Dit levert meer gedetailleerde emissies, maar gaat ten koste van eenvoudiger onderhoud van het proces. Validatie kan plaatsvinden met externe gegevens over fysieke consumptie, zoals kilogram per persoon uit de RIVM-database. Door deze te koppelen aan prijsinformatie kan worden getoetst op uitgaven en toegepaste prijsconversies, waardoor mogelijke vertekeningen door prijs- of kwaliteitsverschillen of fouten in koppeltabellen worden opgespoord. Mogelijke vervolgstappen zijn het selecteren van belangrijke productgroepen voor fijnmazige disaggregatie, het toepassen van specifieke emissiecoëfficiënten en het uitvoeren van verdere sensitiviteitsanalyses om de robuustheid van de resultaten te beoordelen.

5.3 Vergelijking met andere studies en databronnen

Een veelgebruikte bron voor voetafdrukberekeningen in Nederland is de Environmental Analysis Program (EAP) van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG, 2021). Hoewel de EAP uitblinkt in productdetail en een volledige levenscyclusbenadering, is de gebruikte hybride dataset verouderd. Bovendien is de gebruikte IOA-data beperkt tot nationale rekeningen met circa 80 Nederlandse sectoren, waarbij wordt aangenomen dat buitenlandse sectoren dezelfde intensiteiten hebben. Onze methode, gebaseerd op de multiregionale SAMCA–PBL–FIGARO-gegevens, maakt daarentegen onderscheid tussen binnenlandse en buitenlandse emissies en sluit beter aan bij recente data en nationale voetafdrukstatistieken. Daarmee biedt deze studie een actueler en internationaal inzicht in de herkomst van de klimaatimpact van huishoudelijke consumptie, zij het met minder detail op productniveau.

Andere studies, zoals recente onderzoeken van Milieu Centraal en TNO, tonen vergelijkbare bevindingen over de broeikasgasvoetafdruk van Nederlandse huishoudens. Milieu Centraal schat de voetafdruk op 18,5 ton CO2-equivalenten, terwijl TNO en dit onderzoek een voetafdruk van ongeveer 17 ton CO2-equivalenten berekenen (TNO, 2024; Milieu Centraal, 2024). Hoewel de resultaten vergelijkbaar zijn, zijn er belangrijke methodologische verschillen. Zowel TNO als dit onderzoek tonen aan dat besteedbaar inkomen en huishoudgrootte belangrijke bepalende factoren zijn en dat grotere huishoudens efficiënter zijn doordat ze gedeelde voorzieningen zoals energie en vervoer benutten, wat resulteert in een lagere voetafdruk per persoon. TNO gebruikt de EAP-methode, terwijl ons onderzoek de SAMCA-PBL-FIGARO-methode hanteert, waarmee we binnenlandse en buitenlandse ketenemissies explicieter inzichtelijker kunnen maken. Dit biedt ons een breder inzicht in de impact van internationale productieketens. Daarnaast maakt TNO gebruik van gegevens uit het Budgetonderzoek 2015 en Woonbase 2019, terwijl ons onderzoek het meest recente Budgetonderzoek 2020 gebruikt. Vanwege capaciteitsbeperkingen hebben wij ervoor gekozen om de Woonbase-gegevens niet te integreren in ons onderzoek. Verder richt TNO zich in zijn analyse op segmenten van de samenleving, terwijl ons onderzoek zich meer richt op individuele kenmerken en het standaardiseren van de voetafdruk, zodat we de rol van verschillende factoren los van elkaar kunnen analyseren. Het gebruik van de SAMCA-PBL-FIGARO-methode biedt ons de mogelijkheid om trends over tijd te volgen en de bredere rol van buitenlandse emissies beter te begrijpen, iets wat met de EAP in mindere mate mogelijk is.

5.4 Aansluiting op de Nationale Rekeningen

Een vergelijking tussen de consumptiegegevens uit dit onderzoek en de nationale rekeningen biedt een nuttige validatiemethode om te controleren of de cijfers aansluiten bij het nationale rekeningsysteem. Op het eerste oog zien we een verschil van ongeveer 25 procent tussen de totale consumptie van huishoudens in dit onderzoek en die uit de nationale rekeningen. Dit verschil is deels te verklaren doordat de nationale rekeningen een bredere definitie hanteert. Zo zijn bijvoorbeeld pensioenen en schade- en levensverzekeringen niet in dit onderzoek meegenomen.

Na correcties voor deze verschillen komen de cijfers dichter bij elkaar, maar er blijft een discrepantie. De belangrijkste reden voor dit blijvende verschil is dat beide cijfers met verschillende bronnen en methoden zijn ontwikkeld. De nationale rekeningen gebruiken het Budgetonderzoek om consumptie te verdelen over COICOP-groepen, terwijl andere bronnen worden gebruikt om de absolute waarden te bepalen. Dit onderzoek gebruikt direct de absolute consumptiewaarden uit het budgetonderzoek om de connectie te leggen met huishoudkenmerken.

Een bijkomende factor voor het lagere cijfer in het huishoudbudgetonderzoek kan onderrapportage zijn, zoals het bewust lager opgeven van uitgaven voor alcohol, tabak, gokken en informele/illegale diensten. Ook kunnen huishoudens onbewust kleine uitgaven vergeten op te geven, vooral als deze contant zijn of als ze als onbelangrijk worden beschouwd. Dit leidt mogelijk tot een onderschatting van de werkelijke consumptie.

Het ophogen van de resultaten naar de nationale rekeningen totalen is geen eenvoudige taak, aangezien voor elke COICOP-groep moet worden onderzocht welke elementen zijn meegenomen en hoe de totalen zijn berekend. Met name in de groepen energie, wonen, zorg en verzekeringen is dit complex. Ter illustratie, in de zorg zit het verschil in de manier waarop zorgkosten worden geregistreerd. In de nationale rekeningen worden alleen vergoedingen voor aanvullende zorgverzekeringen en niet-voorgeschreven producten als uiteindelijke consumptie gezien, terwijl in het huishoudbudgetonderzoek ook premies voor zorgverzekeringen en niet-vergoede medische kosten als zorguitgaven worden meegenomen. Voor andere productgroepen zijn er vergelijkbare uitdagingen die buiten de capaciteit van dit onderzoek vallen. Het is een belangrijke eerste vervolgstap om in toekomstig onderzoek deze verschillen verder te analyseren en de cijfers af te stemmen op de nationale rekeningen.

5.5 Tijdreeksen

Het zou waardevol kunnen zijn om deze analyse ook voor meerdere jaren uit te voeren. Op die manier kunnen trends in de broeikasgasvoetafdruk van huishoudens worden onderzocht, bijvoorbeeld het effect van de energiecrisis of de coronapandemie op consumptiepatronen en uitstoot. Meerdere jaargangen maken het bovendien mogelijk om veranderingen in huishoudkenmerken en bestedingsgedrag in de tijd beter te begrijpen.

5.6 Andere milieueffecten

Naast broeikasgasemissies kan de analyse eenvoudig worden uitgebreid naar andere milieueffecten, zoals landgebruik, biodiversiteitsverlies en materiaalgebruik (biomassa, mineralen, metalen en fossiele brandstoffen). De gebruikte SAMCA–PBL–FIGARO-dataset bevat hiervoor al de benodigde milieudata, waardoor deze uitbreidingen zonder grote aanpassingen in de methode kunnen worden uitgevoerd. Een dergelijke verbreding maakt de analyse relevanter in het bredere kader van de circulaire economie en het monitoren van de druk op planetaire grenzen.

5.7 Conclusie

Dit onderzoek combineert bestaande CBS-gegevens op een nieuwe manier en biedt daarmee aanvullende inzichten in de broeikasgasvoetafdruk van Nederlandse huishoudens. De resultaten sluiten goed aan bij bevindingen uit eerder onderzoek, wat de uitkomsten ondersteunt en een eerste vorm van validatie biedt.

De huidige onderzoeksopzet biedt duidelijke mogelijkheden voor uitbreiding. De set van huishoudkenmerken kan worden uitgebreid met variabelen zoals opleidingsniveau en arbeidssituatie. Ook kan een koppeling met andere CBS-databronnen meer inzicht geven in woninggerelateerde factoren. Bovendien kunnen de tijdreeksen relatief eenvoudig worden uitgebreid en kunnen andere milieudrukindicatoren, zoals de grondstofvoetafdruk en landgebruik, worden toegevoegd.

Vervolgonderzoek is noodzakelijk om beter te corrigeren voor prijseffecten en om de keuze voor relatief ‘groene’ alternatieven binnen productgroepen duidelijker zichtbaar te maken in de voetafdrukresultaten. Daarnaast is verdere harmonisatie met de nationale rekeningen gewenst om de consistentie met andere CBS-statistieken te versterken.

Tot slot is in dit onderzoek beperkte aandacht besteed aan de vormgeving en ontsluiting van de resultaten. De uitkomsten lenen zich goed voor een toegankelijke en interactieve presentatie van de cijfers, wat zowel beleid als een breder publiek beter kan bereiken.

Annex 1: Procesdiagram berekenen emissiecoëfficiënten

Annex 1: Procesdiagram berekenen emissiecoëfficiënten Annex 1: Procesdiagram berekenen emissiecoëfficiënten Indirecte emissies Directe emissies NL-IOT Literprijzen BO LER PBL-FIGARO IHG SAMCA-PBL-FIGARO Stap 1a. 1-2 Stap 1a. 3 Stap 1b Stap 1c Stap 2a Stap 2b Stap 1d Stap 3 Annex 1: Procesdiagram berekenen emissiecoëfficiënten Indirecte emissies Directe emissies NL-IOT Literprijzen BO LER PBL-FIGARO IHG SAMCA-PBL-FIGARO Stap 1a. 1-2 Stap 1a. 3 Stap 1b Stap 1c Stap 2a Stap 2b Stap 1d Stap 3

Referenties

CBS (2010). Rijkere huishoudens veroorzaken meer emissies van broeikasgassen. Archief. Den Haag

CBS (2023). Plan van aanpak voor een vervanger voor het SNAC-proces. Den Haag.  

CBS (2024a). COICOP2018: De Nederlandse vertaling van de classificatie: Classification of Individual Consumption according to Purpose, editie 2018.

CBS (2024b). Tabellenset Nationale rekeningen 2024. Tabellensets Nationale rekeningen 2024 | CBS

CBS (2024c). Emissies naar lucht door de Nederlandse economie; nationale rekeningen (dataset). Geraadpleegd op 7 oktober 2025.

CBS (2025a). Budgetonderzoek 2020. Centraal Bureau voor de Statistiek. Geraadpleegd op 24 november 2025.

CBS (2025b). Pompprijzen motorbrandstoffen; locatie tankstation, brandstofsoort (dataset 81567NED). Geraadpleegd op 7 oktober 2025.

CBS (2025c). Wat is onze voetafdruk op de aarde? Centraal Bureau voor de Statistiek. Geraadpleegd op 5 december 2025.

CE Delft (2025). EU-broeikasgasvoetafdrukdoel: Verkenning naar effectiviteit en implementatie.

CO2-emissiefactoren.nl. (z.d.). CO2-emissiefactoren. Geraadpleegd op 7 oktober 2025.

Eurostat (2025). FIGARO. Database - ESA supply, use and input-output tables - Eurostat

IELAB (2021). GLORIA: Global Resource Input-Output Assessment. Industrial Ecology Lab. Geraadpleegd op 7 oktober 2025.

Milieu Centraal (2024, augustus). Factsheet CO2-voetafdruk huishoudens.

RIVM (2024). Database Milieubelasting Voedingsmiddelen. Milieubelasting van voedingsmiddelen | RIVM

RUG (2021). Milieudruk van het consumptiepatroon: EAP versie 4.

TNO (2024). TNO brengt broeikasgasvoetafdruk voor groepen in de samenleving in kaart.