Impactmonitor aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling 2022

6. Verbetering outcome

Outcome-indicatoren geven aan of het beoogde resultaat is bereikt, bijvoorbeeld of het geweld is gestopt en of het welzijn is verbeterd. De uitkomsten in dit hoofdstuk zijn verkregen uit drie onderzoeken van het Verwey-Jonker Instituut naar het effect van de aanpak van kindermishandeling en huiselijk geweld:

  • 2e cohortonderzoek
    In de periode 2016 tot en met 2020 voerde het Verwey-Jonker Instituut een grootschalig cohortonderzoek uit in 13 van de 26 Veilig Thuis-regio’s in Nederland20). In het cohortonderzoek zijn anderhalf jaar lang gezinnen met kinderen gevolgd, waar (ex-) partnergeweld en/of kindermishandeling speelde. Dit gebeurde vanaf het moment van melding bij Veilig Thuis. Tijdens het onderzoek hebben drie meetmomenten plaatsgevonden, één kort na de melding bij Veilig Thuis, de tweede meting een jaar na de eerste meting en de derde meting een half jaar na de tweede meting.
  • 3e cohortonderzoek
    Het Verwey-Jonker Instituut voert op dit moment een herhaling van het 2e cohortonderzoek uit, nu in de andere 13 Veilig Thuis regio’s21). Ten tijde van publicatie van deze rapportage is in dit 3e cohortonderzoek alleen het eerste meetmoment uitgevoerd.
  • Een longitudinaal onderzoek naar de meerwaarde van de jeugdbescherming in gezinnen waar sprake is van kindermishandeling.
    In het onderzoek zijn in de periode 2018 tot en met 2021 480 gezinnen, waar sprake is van kindermishandeling en waar een kinderbeschermingsmaatregel is opgelegd, anderhalf jaar gevolgd. Dit na de start van de uitvoering van de maatregel door de gecertificeerde instellingen (GI’s). Ook in dit onderzoek hebben dezelfde drie meetmomenten plaatsgevonden in een periode van anderhalf jaar na start van de uitvoering van de maatregel.

In dit hoofdstuk worden uitkomsten uit deze drie onderzoeken naast elkaar gepresenteerd, zodat de uitkomsten ook met elkaar vergeleken kunnen worden.

Afname of stoppen van geweld

Een belangrijke vraag in deze onderzoeken van het Verwey-Jonker Instituut is of de kindermishandeling en het partnergeweld in het gezin daadwerkelijk zijn gestopt of verminderd. In zowel de 2e cohortstudie als in het jeugdbeschermingsonderzoek is een afname te zien van het geweld. Bij de eerste meting waren er in beide onderzoeken gemiddeld ruim 70 incidenten (van kindermishandeling en/of partnergeweld) per gezin in de 12 maanden voorafgaand aan de meting, zie figuur 6.1a en 6.1b. Bij de tweede meting is het gemiddelde aantal incidenten meer dan gehalveerd ten opzichte van de 1e meting. In de 3e meting is het gemiddelde aantal incidenten nog verder gedaald. Zowel het aantal incidenten partnergeweld (exclusief coercive control22)), als het aantal incidenten directe kindermishandeling nam af. Bij directe kindermishandeling wordt kindermishandeling in de vorm van getuige van partnergeweld buiten beschouwing gelaten.

6.1a Gemiddeld aantal incidenten in afgelopen 12 maanden, 2e cohortonderzoek
Categories11e meting2e meting (jaar na eerste meting)3e meting (1/2 jaar na tweede meting)
aantal incidenten totaal793620
aantal incidenten partnergeweld (excl coercive control)712915
aantal incidenten (directe) kindermishandeling11107
Bron: Verwey-Jonker Instituut

6.1b Gemiddeld aantal incidenten in afgelopen 12 maanden, jeugdbeschermingsonderzoek
Categories11e meting2e meting (jaar na eerste meting)3e meting (1/2 jaar na tweede meting)
aantal incidenten totaal723015
aantal incidenten partnergeweld (excl coercive control)602511
aantal incidenten (directe) kindermishandeling1685
Bron: Verwey-Jonker Instituut

Onder deze daling van het gemiddelde aantal incidenten ligt een gevarieerder beeld per gezin. Tussen de eerste en de tweede meting was er in de 2e cohortstudie bij 21 procent van de gezinnen sprake van een toename van het geweld en bij 62 procent van een afname. Uit het jeugdbeschermingsonderzoek komt een vergelijkbaar beeld.
Tussen de tweede en derde meting was in de 2e cohortstudie in 17 procent van de gezinnen meer geweld en in 53 procent minder geweld. In het jeugdbeschermingsonderzoek was er tussen de tweede en derde meting meer geweld in 14 procent van de gezinnen en minder geweld in 51 procent van de gezinnen.

Ervaren veiligheid bij ouders en kinderen

Het veiligheidsgevoel dat ouders ervaren is in alle drie de onderzoeken gemeten met behulp van een vragenlijst naar de kwaliteit van leven23). Het veiligheidsgevoel is uitgedrukt in een rapportcijfer tussen de 1 en 10. In zowel de 2e cohortstudie als het jeugdbeschermingsonderzoek is te zien dat het veiligheidsgevoel verbeterd van ongeveer 7,5 naar 8 (figuur 6.2). Gezien het geweld dat toch nog een rol speelt in de meeste gezinnen zijn deze rapportcijfers opmerkelijk hoog. De toename over de drie metingen is (statistisch) significant.

6.2 Ervaren veiligheidsgevoel bij ouders
Categories11e meting2e meting (jaar na eerste meting)3e meting (1/2 jaar na tweede meting)
2e cohortonderzoek7,57,88,1
jeugdbeschermingsonderzoek7,688
3e cohortonderzoek7,6
Bron: Verwey-Jonker Instituut

Voor de ervaren veiligheid van de kinderen is gekeken naar vier onderdelen van emotionele veiligheid: openlijk bemoeien, openlijk vermijden, gedragsdisregulatie en emotionele reactiviteit24). In figuur 6.3 is te zien dat het percentage emotioneel onveilige kinderen bij de tweede en derde meting lager ligt dan bij de eerste meting, maar nog wel hoger blijft dan bij kinderen in gezinnen waar geen sprake is van geweld (de referentiegroep).

6.3 Percentage emotioneel onveilige kinderen 1)
Categories11e meting (%)2e meting (jaar na eerste meting) (%)3e meting (1/2 jaar na tweede meting) (%)
2e cohortonderzoek45,73327,3
jeugdbeschermingsonderzoek42,831,124,5
3e cohortonderzoek41,400
1) In een referentiegroep is 14,7% van de kinderen emotioneel onveilig (zie grijze lijn in grafiek). Bron: Verwey-Jonker Instituut

Beoordeling welzijn

Voor de beoordeling van het welzijn van ouders en kinderen in deze gezinnen is zowel gekeken naar de ervaren kwaliteit van leven als naar de mate waarin ouders en kinderen last hebben van klinische traumaklachten.

Het rapportcijfer dat de ouders in het 2e cohortonderzoek geven voor de kwaliteit van leven25) stijgt licht van 7,0 bij de eerste meting naar 7,3 bij de derde meting. In het jeugdbeschermingsonderzoek is de stijging iets groter (van 7,0 naar 7,4). In het 3e cohortonderzoek geven ouders een 7,0 voor de kwaliteit van leven bij de eerste meting.

De kwaliteit van leven van kinderen is gemeten aan de hand van vragen op verschillende deelgebieden van hun leven (lichamelijk welzijn, psychisch welbevinden, relatie met ouders, relatie met vrienden, school). De uitkomst wordt weergegeven in een T-score, waarbij de gemiddelde score van een referentiegroep van Nederlandse jongeren 54 is. Hoe hoger de score, hoe hoger de ervaren kwaliteit van leven. In het 2e cohortonderzoek scoorden kinderen bij de eerste meting 48,8. Dit stijgt licht naar 50,1 bij de tweede meting en 50,9 bij de derde meeting, maar blijft dus lager dan de score van de referentiegroep26). In het 3e cohortonderzoek en het jeugdbeschermingsonderzoek zijn de scores vergelijkbaar en liggen dus ook lager dan de referentiegroep (figuur 6.4).

6.4 Kwaliteit van leven kinderen 1)
Categories11e meting2e meting (jaar na eerste meting)3e meting (1/2 jaar na tweede meting)
2e cohortonderzoek48,850,150,9
jeugdbeschermingsonderzoek48,850,850,4
3e cohortonderzoek51,9
1) In een referentiegroep is de gemiddelde score voor kwaliteit van leven 54 (zie grijze lijn in grafiek). Bron: Verwey-Jonker Instituut

Ten tijde van de eerste meting had in het 2e cohortonderzoek en het jeugdbeschermingsonderzoek ongeveer 15 procent van de ouders last van klinische traumaklachten27) (15,5 procent respectievelijk 14,3 procent). Dit nam bij de tweede meting af tot ongeveer 11 procent (11,6 procent respectievelijk 10,6 procent). Alhoewel er ook een kleine verdere afname gemeten is tussen het tweede en derde meetmoment, was dit verschil statistisch niet significant. In de eerste meting van het 3e cohortonderzoek had 14,3 procent van de ouders last van klinische traumaklachten. De percentages zijn op alle meetmomenten hoger dan in een steekproef onder de algemene Nederlandse bevolking (6,7 procent).

De mate waarin er bij de betrokken kinderen sprake is van een klinisch trauma is zowel aan de ouders gevraagd (over kinderen tot 12 jaar) als aan de kinderen zelf (vanaf 8 jaar)28). In figuur 6.5 is te zien dat het percentage kinderen met trauma in alle drie de onderzoeken op alle meetmomenten hoger ligt dan bij kinderen waar geen sprake is van geweld (de referentiegroep). De verschillen tussen het tweede en derde meetmoment zijn in het 2e cohortonderzoek statistisch niet significant. In het jeugdbeschermingsonderzoek is het percentage kinderen met traumaklachten op het eerste meetmoment hoger dan in het 2e (en 3e) cohortonderzoek, maar na anderhalf jaar later bevindt het percentage zich op een meer vergelijkbaar niveau.

6.5 Percentage kinderen met klinisch trauma1)
Categories11e meting (%)2e meting (jaar na eerste meting) (%)3e meting (1/2 jaar na tweede meting) (%)
2e cohortonderzoek31,525,622,8
jeugdbeschermingsonderzoek37,235,924,6
3e cohortonderzoek33,1
1) In een referentiegroep heeft 6,8 % van de kinderen een klinisch trauma (zie grijze lijn in grafiek). Bron: Verwey-Jonker Instituut

Opvoedingsrelatie tussen ouders en kinderen

De opvoedstress zoals ouders die ervaren, is gemeten aan de hand van de NOSI-K vragenlijst29). In een referentiegroep voor heel Nederland is het percentage kinderen waarvan ouders aangeven veel opvoedstress te ervaren 13,1 procent. In alle drie de onderzoeken is het percentage kinderen waarbij ouders veel opvoedstress ervaren hoger dan in de referentiegroep en neemt dit percentage af bij de opeenvolgende meetmomenten (waarbij in het 2e cohortonderzoek het verschil tussen het tweede en derde meetmoment niet significant is). Opvallend is dat in het jeugdbeschermingsonderzoek het percentage op alle meetmomenten hoger ligt dan in het 2e cohortonderzoek (figuur 6.6). Dit duidt erop dat jeugdbeschermingsmaatregelen worden ingezet in gezinnen waar (onder andere) meer opvoedstress aanwezig is.

6.6 Percentage kinderen waarvan ouders aangeven veel opvoedstress te ervaren1)
Categories11e meting (%)2e meting (jaar na eerste meting) (%)3e meting (1/2 jaar na tweede meting) (%)
2e cohortonderzoek30,325,623
jeugdbeschermingsonderzoek38,233,430,1
3e cohortonderzoek30,6
1) In een referentiegroep is het percentage kinderen waarvan ouders aangeven veel opvoedstress te ervaren 13,1% (zie grijze lijn in grafiek). Bron: Verwey-Jonker Instituut

Ook de veiligheid in de hechting tussen ouders en kinderen is in kaart gebracht. Zowel ouders als kinderen (vanaf 8 jaar) hebben hiervoor een vragenlijst30) ingevuld. De verschillen tussen de scores op de drie meetmomenten zijn statistisch niet significant. In het 2e cohortonderzoek was op het eerste meetmoment 35 procent van de kinderen onveilig gehecht. In het 3e cohortonderzoek was dat 30 procent en in het jeugdbeschermingsonderzoek 40 procent. Dit laatste duidt erop dat jeugdbeschermingsmaatregelen worden ingezet in gezinnen waar (onder andere) kinderen vaker onveilig gehecht zijn. Er is geen percentage bekend voor een referentiegroep van gezinnen waarin geen geweld speelt.

Tevredenheid cliënten over de ontvangen hulp

Voor gezinnen in de drie onderzoeken zal doorgaans een hulpverleningstraject zijn ingezet, alle gezinnen zijn immers gemeld bij Veilig Thuis en/of hebben te maken met een jeugdbeschermingsmaatregel. In het 2e cohortonderzoek heeft 79,5 procent van de gezinnen formele hulp ontvangen in de anderhalf jaar na melding bij Veilig Thuis en 83 procent van de gezinnen heeft informele hulp ontvangen. In het jeugdbeschermingsonderzoek heeft 95 procent van de gezinnen waar een jeugdbeschermingsmaatregel is ingezet formele hulp ontvangen (anders dan de hulp die zij ontvangen vanuit de jeugdbescherming) en 87 procent informele hulp.

Op basis van het oordeel dat ouders gaven over nut en belang van de geboden hulp, is in kaart gebracht hoe tevreden zij waren over die hulp. Op dezelfde wijze is de tevredenheid van de kinderen over de door hen ontvangen ggz-hulp en jeugdhulp in beeld gebracht (figuur 6.7 en 6.8). In beide onderzoeken is de tevredenheid over de informele hulp hoger dan over de formele hulp. In het jeugdbeschermingsonderzoek zijn kinderen ontevredener over de door hen ontvangen ggz- en jeugdhulp dan in het 2e cohortonderzoek. Ook ouders zijn in het jeugdbeschermingsonderzoek iets minder tevreden over de door kun kinderen ontvangen formele hulp dan in het 2e cohortonderzoek.

6.7 Tevredenheid ouders en kinderen over ontvangen hulp (2e cohortonderzoek)
 (heel) tevreden (%)meer tevreden dan ontevreden (%)meer ontevreden dan tevreden (%)(heel) ontevreden (%)
Ouders over door hen ontvangen formele hulp64,528,75,21,6
Ouders over door hen ontvangen informele hulp83,316,10,60
Ouders over door kinderen ontvangen formele hulp5832,45,64
Ouders over door kinderen ontvangen informele hulp75,720,43,50,4
Kinderen over door hen ontvangen ggz- en jeugdhulp49,126,413,211,3
Bron: Verwey-Jonker Instituut

6.8 Tevredenheid ouders en kinderen over ontvangen hulp (jeugdbeschermingsonderzoek)
 (heel) tevreden (%)meer tevreden dan ontevreden (%)meer ontevreden dan tevreden (%)(heel) ontevreden (%)
Ouders over door hen ontvangen formele hulp65,727,74,12,5
Ouders over door hen ontvangen informele hulp85,314,30,40
Ouders over door kinderen ontvangen formele hulp55,229114,8
Ouders over door kinderen ontvangen informele hulp7324,12,80
Kinderen over door hen ontvangen ggz- en jeugdhulp34,325,72020
Bron: Verwey-Jonker Instituut

In het 2e cohortonderzoek hebben ouders gemiddeld van 3,2 instellingen formele hulp ontvangen met een maximum van 14 verschillende instellingen. Kinderen hebben gemiddeld van 2,2 instellingen formele hulp ontvangen, met een maximum van 12 instellingen. In het jeugdbeschermingsonderzoek hebben ouders gemiddeld van iets minder instellingen formele hulp gehad, namelijk 2,7 instellingen met een maximum van 13. Voor kinderen is het gemiddelde en het maximale aantal vergelijkbaar met het 2e cohortonderzoek. In het jeugdbeschermingsonderzoek wordt de gecertificeerde instelling die de jeugdbeschermingsmaatregel uitvoert niet meegeteld in het aantal instellingen waarvan formele hulp is ontvangen.

Recidive daders huiselijk geweld

De informatie over recidive onder daders van huiselijk geweld is gebaseerd op recidiveonderzoek van het WODC (T.W.Piersma e.a. (2021) en de WODC recidivemonitor), waarbij gekeken is naar recidive in termen van strafzaken31). Zoals eerder vermeld, vormt de onderzoeksgroep slechts een klein deel van de totale populatie van daders van huiselijk geweld in Nederland (namelijk de veroordeelde daders), waarbij het vermoedelijk gaat om het zwaardere segment van daders van huiselijk geweld.

In figuur 6.9 hieronder wordt de tweejarige recidiveprevalentie van daders van huiselijk geweld afgezet tegen de gehele populatie van personen die in 2017 zijn veroordeeld. Hieruit valt op te maken dat 29,3 procent van de 6 318 daders van huiselijk geweld binnen twee jaar na 2017 een nieuwe strafzaak heeft voor een misdrijf (algemene recidive). Dit is iets hoger dan de algemene recidiveprevalentie onder alle 117 duizend veroordeelde daders in 2017 (27 procent). Van de daders van huiselijk geweld heeft 14,4 procent binnen twee jaar een nieuwe geweldstrafzaak op zijn naam staan. Voor de gehele populatie ligt dit op 7,5 procent. Tot slot heeft 8,2 procent van de personen die in 2017 werden veroordeeld voor huiselijk geweld binnen twee jaar een nieuwe strafzaak in verband met het plegen van huiselijk geweld (specifieke huiselijk-geweld-recidive). Gekeken naar de recidiveontwikkeling over de tijd, laat de tweejarige algemene recidive onder daders van huiselijk geweld een fluctuerende maar geleidelijk dalende trend zien, van 34 procent in 2008 tot 29 procent in 2017. De tweejarige huiselijk-geweldsrecidive blijft gedurende de periode 2008 tot en met 2017 ongeveer gelijk, met lichte fluctuaties tussen 9 procent in 2008 en 8 procent in 2017.

In 95 procent van de huiselijk geweld strafzaken is ook geregistreerd welk soort huiselijk geweld het betrof (partnermishandeling, oudermishandeling of kindermishandeling). In deze zaken kan de speciale recidive bekeken worden. Hiermee wordt recidive bedoeld van hetzelfde soort huiselijk geweld. 5 procent van de veroordeelde daders van partnermishandeling heeft binnen twee jaar een nieuwe strafzaak vanwege partnermishandeling. Bij oudermishandeling is de speciale recidive 0,7 procent en bij kindermishandeling 0,3 procent. Deze cijfers zullen een onderschatting betreffen, omdat in 5 procent van de huiselijk geweld strafzaken niet geregistreerd is welk soort huiselijk geweld het betrof.

6.9 Percentage feitelijke tweejarige recidive van veroordeelden in 2017
 Algemene recidive (%)Geweldsrecidive (%)Huiselijk gewelds-recidive (%)Speciale recidive (%)
Alle daders (N=134 434)277,5
Daders huiselijkgeweld (N=7 716)29,314,48,2
Partnermishandeling (N=3 149)4,6
Oudermishandeling (N=484)0,7
Kindermishandeling (N=377)0,3
Bron: Recidive-onderzoek WODC

20) Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Flevoland, Gooi en Vechtstreek, Groningen, IJsselland, Kennemerland, Noordoost-Brabant, Midden-Brabant, Twente en Zaanstreek-Waterland.
21) Drenthe, Friesland, Gelderland-Midden, Gelderland-Zuid, Noord- en Midden Limburg, Noord- en Oost-Gelderland, Noord-Holland Noord, West-Brabant, Hollands-Midden, Zeeland, Zuid-Holland-Zuid, Zuid-Limburg, Zuidoost Brabant
22) Coercive control, dwingende controle, is een vorm van huiselijk geweld waarbij één persoon de ander sterk domineert. Het slachtoffer kan daarbij bepaalde vrijheden worden ontzegd door de ander, zoals het onderhouden van sociale contacten of het hebben van eigen geld en zelf te bepalen waaraan dit uit te geven. Ook kan de pleger dreigen zichzelf, het slachtoffer, of haar of zijn geliefden iets aan te doen. Het kan daarbij gaan om zowel fysiek als psychisch geweld. Alle vormen van dwingende controle hebben een zich herhalend, structureel karakter.
23) Manchester Short Assessment of quality of life (MANSA). 
24) Op basis van een uitvraag onder kinderen op basis van de Security in the Interparental Subsystem Scale Child Report methodiek (SIS) en ouders op basis van de Security in the Marital Subsystem Parent Report methodiek (SIS-PR). De score door ouders is alleen gebruikt als er geen score door het kind beschikbaar was.
25) Op basis van de Manchester Short Assessment of quality of life vragenlijst (MANSA).
26) Kidscreen-10 methodiek. Uitkomsten uit het 2e cohortonderzoek zijn gebaseerd op gegevens van 214 kinderen, die zelf de Kidscreen vragenlijst hebben ingevuld. In het 3e cohortonderzoek zijn gegevens over 1412 kinderen beschikbaar, waarbij de vragenlijst ofwel door kind is ingevuld ofwel door ouder. De door de ouder ingevulde vragenlijst is alleen gebruikt als het kind zelf geen vragenlijst heeft ingevuld. In het jeugdbeschermingsonderzoek zijn gegevens van 94 kinderen beschikbaar, die zelf de vragenlijst hebben ingevuld. De stijging tussen de tweede en derde meting is in zowel 2e cohortonderzoek als jeugdbeschermingsonderzoek niet significant.
27) Met klinisch trauma wordt een (medisch) gediagnosticeerd trauma bedoeld. Vastgesteld op basis van Trauma Symptoms Inventory lijst. 
28) Ouders vulden de Trauma Symptom Checklist for Young Children (TSCYC) in, kinderen de Trauma Symptom Checklist for Children (TSCC).In 2021 heeft het Verwey-Jonker instituut de TSCC voor Nederland genormeerd, waardoor er nu voor zowel TSCC als TSCYC een Nederlandse normering is. In de voorgaande rapportages van de impactmonitor gebruikte het Verwey-Jonker Instituut voor de TSCC noodgedwongen nog de Amerikaanse normering. Aangezien Nederlanders gemiddeld behoorlijk lager scoren dan Amerikaanse tieners, betekende dit met de oude normen een sterke onderschatting van het aantal getraumatiseerde kinderen. In deze editie van de impactmonitor zijn voor alle drie de onderzoeken de uitkomsten volgens de nieuwe Nederlandse normering weergeven. De uitkomsten uit het 2e cohortonderzoek wijken daardoor af van de eerder gepubliceerde uitkomsten uit het 2e cohortonderzoek.
29) Nijmeegse Ouderlijke Stress Index - verkorte versie.
30) Security Scale vragenlijst.
31) Het begrip recidive is in de gehele keten van betrokken organisaties uiteraard veel breder (bijvoorbeeld gezinnen waarover opnieuw een melding bij Veilig Thuis wordt gedaan na een periode zonder geweld). Om te komen tot een zinvolle definitie van deze bredere vorm van recidive is nadere afstemming nodig tussen de betrokken partijen in deze keten.