4. Conclusie
De groep overige zelfstandigen in zorg en welzijn is een zeer diverse groep. Tot deze groep behoren bijvoorbeeld personen die zorg verlenen aan bekenden via een PGB, gastouders die niet in loondienst zijn en niet voldoen aan de ondernemerscriteria, of personen die (incidenteel) inkomsten ontvangen als huishoudelijke hulp, gastspreker, docent, of auteur. Centraal in dit artikel stond de vraag: wie zijn de overige zelfstandigen in zorg en welzijn? Daarvoor is op basis van het IIV en de EBB een beeld geschetst voor de periode 2021-2023.
De resultaten laten zien dat de groep overige zelfstandigen in zorg en welzijn met 74 duizend (32 procent van alle zelfstandigen in zorg en welzijn) relatief groot is. Wel is voor het merendeel van hen de inkomsten als overige zelfstandige een neveninkomst; in 2021-2023 ging het om 71 procent. Op jaarbasis was het doorsnee inkomen in deze groep 2 duizend euro. Voor de resterende 29 procent van de overige zelfstandigen in zorg en welzijn was het inkomen als overige zelfstandige de voornaamste inkomensbron. Het doorsnee inkomen in deze groep was 13 duizend euro op jaarbasis.
De meerderheid van de overige zelfstandigen in zorg en welzijn in 2021-2023 was vrouw (80 procent) en de gemiddelde leeftijd was 49 jaar. Overige zelfstandigen in zorg en welzijn werkten vooral in de branche verpleging, verzorging en thuiszorg (40 duizend), dat is 68 procent van alle zelfstandigen in deze branche. Na de verpleging, verzorging en thuiszorg, werkten de meeste overige zelfstandigen in de branches overige zorg en welzijn (12 duizend), kinderopvang (7 duizend) en sociaal werk (6 duizend).
Om een beter beeld te krijgen van de werkzaamheden van overige zelfstandigen in zorg en welzijn is gekeken naar de omschrijving van de werkzaamheden van het resultaat uit overige werkzaamheden bij de belastingaangifte. Daaruit blijkt dat in 2021-2023 “pgb” (40 procent) en “gastouder” (11 procent) de meest gebruikte termen zijn door overige zelfstandigen in zorg en welzijn om hun werkzaamheden te beschrijven. Deze percentages betreffen een ondergrens van het percentage personen dat deze werkzaamheden daadwerkelijk uitvoert, omdat hiervoor alleen letterlijk deze termen gebruikt zijn en er dus geen rekening is gehouden met andere termen of spelfouten. In nader onderzoek kan deze typering worden uitgebreid.
Door middel van een koppeling tussen gegevens van het IIV en de EBB is verder onderzocht hoe overige zelfstandigen deze werkzaamheden opgeven in de EBB. Van de overige zelfstandigen in zorg en welzijn in 2021-2023, waarvan dit de voornaamste inkomensbron was, werkte 50 procent de meeste uren als zelfstandige op basis van de EBB. De overige personen waren werknemer (35 procent) of niet-werkzaam (15 procent). Van degenen met inkomen als overige zelfstandige als voornaamste inkomensbron in zorg en welzijn die aangeven werknemer te zijn in de EBB, werkte 84 procent in de beroepen leidsters kinderopvang en onderwijsassistenten, sociaal werkers, groeps- en woonbegeleiders, schoonmakers en verzorgenden. Voor de meerderheid van hen past de omschrijving van werkzaamheden als overige zelfstandige op basis van het IIV bij dit beroep. Bij deze resultaten moet rekening gehouden worden met de verschillen tussen deze bronnen. In het IIV wordt op basis van informatie van de Belastingdienst bepaalt of iemand overige zelfstandige is over een heel jaar, in de EBB wordt de positie in de werkkring bepaald op basis van wat iemand opgeeft op het moment van enquêteren.