3. Uitgaven overheid 6 procent hoger
In 2025 gaf de overheid 529,1 miljard euro uit, 6 procent meer dan in het voorgaande jaar. De overheidsuitgaven stegen, net als de laatste jaren, sneller dan het bbp. Uitgedrukt als percentage van het bbp namen de overheidsuitgaven toe van 44,6 procent in 2024 naar 45,2 procent in 2025.
De absolute stijging van de overheidsuitgaven is voor ruim 40 procent toe te schrijven aan de sociale uitkeringen, waartoe ook de zorguitgaven van de overheid worden gerekend. De sociale uitkeringen zijn goed voor bijna de helft van de overheidsuitgaven en zijn daarmee verreweg de grootste kostenpost van de overheid. Ook de apparaatskosten (beloning van werknemers plus aanschaf van goederen en diensten) en investeringen, met name in militaire goederen, stuwden de overheidsuitgaven.
| 2021 | 2022 | 2023 | 2024 | 2025* | |
|---|---|---|---|---|---|
| Sociale uitkeringen | 188,0 | 196,1 | 217,0 | 235,8 | 249,8 |
| Beloning van werknemers | 75,5 | 82,0 | 89,2 | 97,6 | 103,9 |
| Intermediair verbruik | 56,9 | 60,6 | 67,4 | 74,3 | 76,7 |
| Investeringen | 30,4 | 31,6 | 34,7 | 36,7 | 41,0 |
| Subsidies | 30,5 | 19,2 | 17,8 | 15,2 | 15,6 |
| Rente | 4,8 | 5,7 | 7,1 | 7,9 | 8,5 |
| Afdrachten aan de Europese Unie | 6,8 | 6,5 | 5,6 | 5,4 | 6,8 |
| Overige uitgaven | 16,3 | 28,4 | 23,3 | 24,7 | 26,8 |
| Totaal | 409,3 | 430,0 | 462,2 | 497,5 | 529,1 |
| * Voorlopige cijfers Bron: CBS | |||||
3.1 Uitkeringslasten naar 250 miljard euro
De lasten van de sociale uitkeringen kwamen in 2025 uit op 249,8 miljard euro, 6 procent meer dan in 2024. Hiermee is de toename kleiner dan in de voorgaande twee jaren.
De toename is voor ongeveer een derde toe te schrijven aan verder stijgende zorgkosten via de Zvw en Wlz. De uitgaven aan de Zvw stegen met 2,9 miljard euro tot 59,6 miljard euro. De uitgaven aan de Wlz bedroegen 35,6 miljard euro, tegenover 33,8 miljard euro een jaar eerder. Onder de Zvw worden medische kosten vanuit het basispakket van de zorgverzekering vergoed, terwijl de Wlz betrekking heeft op langdurige zorg zoals verblijf in een verzorgings- of verpleegtehuis.
Naast de zorgkosten groeiden ook de uitkeringslasten van de AOW gestaag door. Deze namen met 6 procent toe tot 55,2 miljard euro. De stijging komt zowel door een toename van het aantal AOW-uitkeringen als door indexatie van de hoogte van de AOW-uitkeringen. In 2025 ontvingen gemiddeld 3.660 duizend mensen een AOW-uitkering, 68 duizend meer dan in 2024.
Daarnaast droegen de uitgaven in het kader van de wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) bij aan de stijgende uitgaven aan sociale uitkeringen. De WIA-uitkeringen, een inkomensondersteuning bij (gedeeltelijk) arbeidsongeschiktheid, stegen met 11 procent toe tot 13,6 miljard euro. Zowel het aantal uitkeringen als de hoogte van de uitkering nam in 2025 toe.
Met een toename van 15 procent, van 4,7 miljard euro in 2024 naar 5,4 miljard euro in 2025, namen ook de uitkeringen voor kinderopvang flink toe. Dit komt voornamelijk door een hogere gemiddelde tegemoetkoming in de kosten voor kinderopvang.
Ten slotte kenden ook de uitgaven voor WW-uitkeringen een relatief sterke stijging. De overheid keerde in 2025 voor 4,7 miljard euro aan WW-uitkeringen uit, 0,6 miljard euro meer dan in 2024. Hier speelt mee dat de werkloosheid in 2025 iets hoger was dan in 2024. In 2025 ontvingen gemiddeld 188 duizend mensen een WW-uitkering, tegenover 171 duizend in het voorgaande jaar. Daarnaast lag de gemiddelde WW-uitkering hoger.
3.2 Hogere apparaatskosten en meer geld naar het buitenland
De apparaatskosten van de overheid namen in 2025 met 5 procent toe tot 180,6 miljard euro. Hiermee is de stijging kleiner dan voorgaand jaar, toen deze uitgaven met 10 procent stegen. Dit kwam onder andere door nieuw afgesloten cao’s, waardoor de loonkosten toen relatief veel toenamen. Daarnaast speelt de laatste jaren mee dat de relatief hoge inflatie doorwerkt in de kosten voor aankopen van goederen en diensten. De apparaatskosten vormen ongeveer een derde van het totaal van de overheidsuitgaven.
Daarnaast stegen de overheidsuitgaven door hogere overdrachten aan het buitenland. Deze namen met bijna 40 procent toe tot 18 miljard euro, vooral door hogere afdrachten aan de Europese Commissie en steun aan Oekraïne.
Hogere uitgaven aan militair materieel stuwden de investeringen. Daarnaast investeerden gemeenten meer in gebouwen en gww werken. De overheid investeerde in 2025 voor 41,0 miljard euro in vaste activa, tegenover 36,7 miljard euro in 2024.
Net als in voorgaande jaren namen ook de rentelasten verder toe. In 2025 betaalde de overheid 8,5 miljard euro rente over haar schuld, 0,6 miljard euro meer dan in 2024 . Na een jarenlange daling nemen de rentelasten sinds 2022 weer toe. Dit komt doordat de rentetarieven sindsdien zijn toegenomen, terwijl daarnaast de overheidsschuld de afgelopen vier jaar met ruim 70 miljard euro opliep.
De stijging van de overheidsuitgaven wordt enigszins gedempt door een incidentele uitgave in 2024. In dat jaar had de overheid 4,3 miljard euro hogere lasten door de uitspraak van de Hoge Raad over box 3. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het inkomen uit vermogen (box 3) moet worden berekend op basis van het werkelijke rendement in plaats van een door de Belastingdienst verondersteld fictief rendement, ook wel het forfaitair rendement genoemd. Vanaf de zomer van 2025 kunnen huishoudens voor bepaalde voorgaande jaren hun werkelijke rendement opgeven en eventueel terugbetaling aanvragen. Deze zijn geregistreerd in het jaar van de rechterlijke uitspraak, in dit geval 2024. Aangezien de daadwerkelijke terugbetalingen nog niet hebben plaatsgevonden, is de bovengenoemde 4,3 miljard euro een schatting op basis van informatie van het ministerie van Financiën.