5. Conclusies en vervolgonderzoek
5.1 Conclusies
Het verdiepen van de overheidsfinanciënstatistieken met informatie over de energietransitie blijkt voor wat betreft het Rijk haalbaar. Gebleken is dat bestaande databronnen daarvoor voldoende aanknopingspunten bieden. Hopelijk biedt de ORET ook bij de gebruikers tot bruikbare inzichten. Terugkoppeling daarover wordt zeer op prijs gesteld.
Het statistisch benutten van de administratieve data over de verantwoording van specifieke uitkeringen (SiSa) in deze studie is een primeur. Aangevuld met de bronnen van het Rijk geeft deze administratieve bron inzicht in hoe financiële middelen vanuit het Rijk door lokale overheden worden ingezet voor energiebeleid. Afgemeten aan de bestedingen neemt de rol van gemeenten en provincies in de energietransitie in de laatste jaren fors toe. De verwachting is dat het belang van de SiSa als databron daardoor ook zal toenemen.
Het gelijktrekken van een gemeenschappelijk beeld in de ORET, Klimaatnota en andere publicaties over dit onderwerp is een punt van aandacht. Deze zorg is eerder gesignaleerd, bijvoorbeeld in het haalbaarheidsonderzoek van het CBS naar de Klimaatrekening Overheid, en ook met collega’s van het ministerie van KGG besproken. Het ideale vooruitzicht is uiteraard een gemeenschappelijk statistisch beeld op de overheidsuitgaven aan de energietransitie waaraan gebruikers niet hoeven te twijfelen.
Een specifieke invalshoek van de ORET is de ESR-conforme transactieregistratie in plaats van de en kasboekhouding die bij het Rijk wordt gevolgd. Het belang daarvan laat zich vooral gelden bij instrumenten zoals de SDE en de SPUKs waarbij kasstromen en daadwerkelijke uitgaven niet synchroon lopen.
Bij het in kaart brengen van de CO2-belasting die via het ETS in rekening worden gebracht zijn de huidige ESR-richtlijnen lastig toepasbaar op de ORET. In een eerdere CBS-publicatie over de effective carbon rates is hierover uitleg gegeven. De ESR richtlijnen sluiten niet goed aan op de kosten zoals die bij CO2-emitenten onder het emissieplafond in rekening worden gebracht. Voor de ORET is gebruikgemaakt van afwijkende berekeningen die aansluiten op de ecr-methodologie.
Ook de SDE-registratie als een productgebonden subsidie is vanuit het perspectief van de ORET een ongelukkige keuze omdat deze als zodanig wordt toegerekend aan de energieverbruiker en niet aan de producent. Dit vertekent het algemeen aanvaarde beeld van de SDE als een stimulerende maatregel voor opwekking van duurzame energie en niet voor het gebruik ervan.
Vervolgens wordt de ISDE in de nationale rekeningen geboekt als een subsidie. Omdat deze regeling vooral bedoeld is voor het verduurzamen van woningen zou ook kunnen worden gedacht aan een kapitaaloverdracht.
Wellicht kan ten opzichte van de Nederlandse nationale rekeningen in toekomstige publicaties van de ORET een voorsprong worden genomen op een verbeterde classificatie van elk van deze regelingen. Voor de ETS is dit al gedaan, voor de ISDE nog niet.
Voor de lokale overheden zijn uitsluitend de uitgaven in beeld gebracht die verband houden met SPUKs. Het is niet uitgesloten dat aanvullende uitgaven worden gefinancierd via andere middelen. Bij een aantal gemeenten is nagevraagd of zij een totaalbeeld kunnen schetsen van hun uitgaven aan klimaatbeleid. Het blijkt niet vanzelfsprekend dat gemeenten zulke overzichten kunnen geven. De taakvelden in de Iv3 voorschriften voor gemeenten bieden onvoldoende aansluiting.
Door gebrek aan achtergrondinformatie is de huidige classificatie van uitgaven naar klimaatsectoren voor verbetering vatbaar. Meer algemeen verdient het aanbeveling om de classificaties die gangbaar zijn binnen het domein van de statistiek (bedrijfstakken) op uniforme wijze binnen het EIK-programma te schakelen naar classificaties die gangbaar zijn in het energiebeleid zoals klimaatsectoren. Hetzelfde geldt voor de relatie tussen de zogenaamde goederengroepen in de nationale rekeningen en de energiedragers in de energiebalans.
5.2 Vervolgonderzoek
In de tweede helft van 2026 zullen de ORET-uitkomsten voor het verslagjaar 2024 worden geactualiseerd en het verslagjaar 2025 worden toegevoegd.
De financiering van de energietransitie heeft nog weinig aandacht gekregen. In nauwe samenhang met EIK - werkpakket 7, dat zich hierover buigt, zullen energietransitie relevante financieringsstromen vanuit de overheid en overheidsbezittingen in kaart worden gebracht. Hierbij kan het gaan om deelnemingen in overheidsbedrijven, revolverende fondsen (InvestNL, Groenfonds, ROMs) maar ook om andere financiële beleidsinstrumenten zoals garantstellingen.
In 2025 zijn de inkomsten en uitgaven van het Rijk en de lokale overheden, deze laatste voor zover het de specifieke uitkeringen vanuit het Rijk betreft, in kaart gebracht. Mede op basis van het overheidsregister is aanvullend onderzoek voorzien naar andere instellingen binnen de overheid die een rol vervullen in de energietransitie.
De wenselijkheid van het verfijnen van de tegensectorinformatie, waaronder de klimaatsectoren, zal met (potentiële) gebruikers worden verkend.
In dit rapport zijn de eerste berekening gepresenteerd van de belastingen per energiedrager, de etr’s. Deze ratio’s zijn voor Nederland als geheel berekend maar kunnen ook voor afzonderlijke bedrijfstakken en huishoudens (als consumenten) worden bepaald. Via die weg ontstaat er zicht op de verdeling van de belastingdruk over verschillende groepen. Illustratief is het eerdere onderzoek naar Effective Carbon Rates. Relevant onderzoek in dit opzicht is tevens de CBS-publicatie over het energiegebruik per belastingschijf.
In dit rapport ontbreken de uitgaven aan de verduurzaming van het overheidsapparaat zelf. De productie van de overheid is niet bijzonder energie-intensief, maar als in bestek van EIK deze kosten voor producenten en consumenten in beeld worden gebracht dan kan worden overwogen om hierbij ook de overheid als producent te betrekken. Mogelijk kan op dit vlak worden aangesloten op de resultaten uit het werkpakket 4 van EIK.