Auteur(s): Daniëlle Groffen

Vrijwilligerswerk 2025

Over deze publicatie

In dit rapport staat het verrichten van vrijwilligerswerk door de Nederlandse bevolking van 15 jaar of ouder centraal. In 2025 gaf 47 procent aan zich in de afgelopen twaalf maanden ten minste één keer als vrijwilliger te hebben ingezet voor een organisatie of vereniging. Hiermee is het aandeel vrijwilligers terug op het niveau van 2019, vóór de coronapandemie, maar wel 3 procentpunt lager dan in 2024 en 2023. Vooral 15- tot 35-jarigen doen minder vaak vrijwilligerswerk in 2025. Het percentage dat regelmatig (wekelijks of maandelijks) vrijwilligerswerk doet, is met 60 procent gelijk gebleven. Alleen voor scholen zijn mensen minder vaak regelmatig actief, zij doen dit nu vaker ‘af en toe’. Het gemiddeld aantal bestede uren per week (3,9 uur) is gelijk gebleven. Vrijwilligers zijn nog even tevreden met hun vrijwilligerswerk als in 2021: zij gaven in 2025 een gemiddeld rapportcijfer van een 7,7.

1. Inleiding

Dit rapport gaat in op het verrichten van vrijwilligerswerk door de Nederlandse bevolking van 15 jaar of ouder in 2025.

Een samenleving draait op de inzet van vrijwilligers. Talloze verenigingen en organisaties steunen op hun inzet. Het gaat hierbij om werkzaamheden die ‘in enig georganiseerd verband onverplicht en onbetaald worden verricht ten behoeve van anderen of de samenleving’ (CRM, 1980). Dat zijn bijvoorbeeld activiteiten voor een school, de sportvereniging, de kerk, de muziek- of de buurtvereniging, en in de verzorging.

Vrijwilligerswerk is om diverse redenen belangrijk. Met het doen van vrijwillige activiteiten tonen burgers verbondenheid met de samenleving en betrokkenheid bij de maatschappij. Het is een vorm van geven aan anderen, zonder dat daar een materiële beloning tegenover staat en een manier om bij te dragen aan de samenleving. Vrijwilligerswerk heeft ook een sociale functie. Door het verrichten van activiteiten voor een organisatie kunnen sociale contacten en daarmee sociale netwerken ontstaan die van belang zijn voor de sociale cohesie in de samenleving (Arts & te Riele, 2010). Vrijwilligerswerk is een essentieel onderdeel van sociale netwerken in de samenleving met gemeenschappelijke waarden, ook wel aangeduid als ‘sociaal kapitaal’ (Van Beuningen & Schmeets, 2013). Dit sociaal kapitaal is van belang voor het goed functioneren van de samenleving: het is de smeerolie die de samenleving draaiende houdt. Sociaal kapitaal heeft niet alleen een positief effect op de economie, maar ook op het welzijn van de bevolking (Kroll, 2011; Portela et al., 2013; Matsushima & Matsunaga, 2015; Schmeets & Arends, 2020).

Naast het meedoen, is ook het vertrouwen in de samenleving een graadmeter voor de mate van sociaal kapitaal en sociale samenhang. In een samenleving waarin mensen veel vertrouwen hebben, zowel in elkaar als in instituties, zullen meer sociale netwerken met gemeenschappelijke waarden bestaan dan in een samenleving waarin dat vertrouwen laag is (Schmeets, 2026). Hoewel het vertrouwen in andere mensen en in publieke en private instituties al jaren hoog is in Nederland (Schmeets, 2026), is het politiek vertrouwen de laatste jaren gedaald (Janssen & van Montfort, 2026). Mensen die vrijwilligerswerk doen, hebben mogelijk meer vertrouwen in de samenleving omdat ze actief betrokken zijn bij hun omgeving en betere kennis hebben van de samenleving en haar doelstellingen. De omvang van het vrijwilligerscorps (ook wel directe solidariteit genoemd) kan daardoor functioneren als harde ondergrens voor het vertrouwen in de politiek en de opkomst bij verkiezingen (ook wel indirecte solidariteit genoemd) (de Rond, 2026). Aan de andere kant blijkt uit onderzoek dat voor het creëren van vertrouwen meer nodig is dan meedoen in de samenleving alleen (Bisschops, 2022).

Dit rapport gaat in op de mate waarin mensen in Nederland vrijwilligerswerk verrichten voor organisaties. Dit wordt bekeken voor verschillende bevolkingsgroepen, zoals op basis van leeftijd, geslacht, herkomst en sociaaleconomische categorie. Ook beschrijft dit rapport de samenhang tussen het doen van vrijwilligerswerk en het sociaal en institutioneel vertrouwen. Vrijwilligerswerk is sinds 2012 een onderdeel van het CBS-onderzoek Sociale samenhang en welzijn (SSW). Jaarlijks wordt informatie verzameld over het aandeel vrijwilligers in 13 soorten organisaties en de hoeveelheid tijd die ze daaraan besteden. Daarnaast is in 2025 op verzoek van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), in overleg met de Vereniging VrijwilligerswerkNL (voorheen NOV) een aantal verdiepende vragen aan het SSW-onderzoek toegevoegd. Aan degenen die vrijwilligerswerk deden, is gevraagd in hoeverre zij tevreden zijn met het vrijwilligerswerk, of zij hiervoor activiteiten online doen en of zij bestuurswerk doen voor de vrijwilligerswerkorganisatie. Ook is aan alle deelnemers van het onderzoek een vraag gesteld over de mogelijke invloed van het doen van vrijwilligerswerk op het inkomen.

2. Vrijwilligerswerk het reguliere deel

2.1 Ontwikkelingen in vrijwilligerswerk

In 2025 namen 7 881 personen van 15 jaar of ouder deel aan het onderzoek Sociale samenhang en welzijn (SSW). Van deze deelnemers gaf 47 procent aan in de afgelopen twaalf maanden vrijwilligerswerk te hebben verricht voor één of meerdere organisaties of verenigingen. Hiermee is het percentage vrijwilligers terug op het niveau van 2019, vóór de coronapandemie, maar wel 3 procentpunt lager dan in de periode 2023 - 2024, toen dit nog gemiddeld 50 procent was (Groffen & Schmeets, 2025). Tijdens de coronajaren 2020, 2021 en 2022 was het gemiddelde percentage vrijwilligerswerk 41 procent. Tussen 2012 en 2016 deed gemiddeld 49 procent vrijwilligerswerk. Vanaf 2017 daalde het percentage licht tot 47 procent in 2019.

In 2025 gaf 29 procent van de Nederlandse bevolking van 15 jaar of ouder aan zich in de vier weken voorafgaand aan het interview ingezet te hebben als vrijwilliger voor een organisatie of vereniging. Dit aandeel bleef vrij stabiel in de periode 2012-2019 (30 procent), maar daalde wel fors in 2020 en 2021 (naar respectievelijk 21 en 22 procent). Vanaf 2022 steeg dit aandeel weer naar 31 procent in 2024.

2.1.1 Vrijwilligers
 Afgelopen 12 maanden (% van mensen van 15 jaar of ouder)Afgelopen 4 weken (% van mensen van 15 jaar of ouder)
201250,530,7
201349,130,0
201448,029,5
201548,731,1
201649,730,3
201748,529,8
201847,629,9
201946,730,5
202043,820,9
202138,922,3
202241,226,7
202348,729,9
202449,531,2
202547,029,4

In 2025 hebben zich, net als in voorgaande jaren, relatief veel mensen ingezet als vrijwilliger bij sportverenigingen (15 procent). Iets minder groot is de vrijwillige inzet voor hobby- en gezelligheidsverenigingen, scholen, buurten (10 procent), en voor organisaties die zich richten op verzorging of gezondheidszorg en voor levensbeschouwelijke organisaties (7 à 8 procent). Vrijwilligerswerk voor culturele verenigingen en voor jeugd- of buurthuiswerk doet 6 procent. Voor milieu-, natuur of dierenbescherming was in 2025 5 procent actief. Voor arbeids- en politieke organisaties, sociale hulpverlening en voor vluchtelingenwerk is 2 à 3 procent actief. Vrijwilligerswerk voor een ‘andere organisatie’, zoals de vrijwillige brandweer, collecteren, of vrijwillig werken in een winkel, de horeca of toerisme, doet 9 procent.

2.1.2 Percentage personen van 15 jaar of ouder die vrijwilligerswerk doen voor een organisatie, 2022-20251)
2022202320242025
Sportvereniging13,415,716,215,1
School7,410,59,89,7
Buurt7,110,510,09,8
Verzorging of gezondheidszorg6,88,79,08,2
Levensbeschouwelijke organisatie6,47,58,37,4
Hobby- of gezelligheidsvereniging6,410,510,910,1
Culturele vereniging5,26,16,55,8
Jeugd- of buurthuiswerk4,44,47,05,6
Sociale hulpverlening3,44,23,73,4
Milieu, natuur of dierenbescherming3,54,75,14,6
Vluchtelingenwerk, mensenrechten2,72,92,42,1
Arbeids- of politieke organisatie1,82,32,22,2
Andere organisatie8,911,110,39,4
1) Percentages voor de jaren 2012-2021 zijn terug te vinden in de vorige jaargangen van dit rapport (Groffen & Schmeets, 2025)

Mensen kunnen voor één of meer organisaties of verenigingen vrijwilligerswerk doen. In 2025 deed 23 procent van alle 15-plussers vrijwilligerswerk voor één organisatie of vereniging, 13 procent voor twee, en 6 procent voor drie organisaties of verenigingen. Dit verschilt niet met vorig jaar. Voor vier of meer organisaties of verenigingen is 5 procent actief. Dit is lager dan in 2024, toen dit nog 7 procent was.

Er is ook variatie in de mate waarin mensen vrijwilligerswerk doen voor specifieke organisaties of verenigingen in de vier weken voorafgaand aan het interview. In 2025 heeft 8 procent van de bevolking zich in de vier weken voorafgaand aan het interview ingezet als vrijwilliger voor sportverenigingen. Minder vaak, met zo’n 4 tot 5 procent, is men als vrijwilliger actief voor hobbyverenigingen, verzorging en gezondheidszorg, levensbeschouwelijke organisaties, buurt- of wijkverenigingen, jeugd- of buurthuiswerk, en scholen. Voor culturele verenigingen is 3 procent in de afgelopen vier weken actief geweest, en voor milieu-, natuur en dierenbescherming, sociale hulpverlening en arbeids- en politieke organisaties is dat 1 à 2 procent. Daarnaast is nog in totaal 6 procent actief voor ‘andere organisaties’. Hierin zijn geen statistisch significante verschillen gevonden ten opzichte van vorig jaar.

2.1.3 Vrijwilligerswerk per organisatie, 2025
 Afgelopen 12 maanden (% van mensen van 15 jaar of ouder)Afgelopen 4 weken (% van mensen van 15 jaar of ouder)
Sportvereniging15,17,7
Hobby- of gezelligheidsvereniging10,15,0
Buurt9,84,4
School9,73,5
Verzorging of gezondheidszorg8,24,9
Levensbeschouwelijke organisatie7,44,7
Culturele vereniging5,83,1
Jeugd- of buurthuiswerk5,64,4
Milieu, natuur of dierenbescherming4,61,9
Sociale hulpverlening3,41,7
Arbeids- of politieke organisatie2,21,1
Vluchtelingenwerk, mensenrechten2,10,9
Andere organisatie9,46,0

2.2 Frequentie van en tijd besteed aan het vrijwilligerswerk

Vrijwilligers onderscheiden zich in de mate waarin ze actief zijn voor organisaties. Aangezien gevraagd is naar de frequentie per soort organisatie zijn veel combinaties mogelijk. Zo kan een vrijwilliger zich wekelijks inzetten voor de sportclub, maandelijks iets doen voor de fanfare, soms meedoen met een werkzaamheid voor het buurthuis en een keer per jaar helpen bij de organisatie van een schoolfeest.

In 2025 deed 39 procent van alle vrijwilligers wekelijks vrijwilligerswerk voor minstens één organisatie. Daarnaast was 30 procent maandelijks actief voor één of meer organisaties. Verder deed 49 procent soms een activiteit voor een organisatie en 22 procent gaf aan dat dit beperkt is gebleven tot een éénmalige activiteit binnen een jaar.

Er zijn weinig verschuivingen in de frequentie zichtbaar ten opzichte van 2024 en 2023, maar wel in vergelijking met 2022. In 2022 waren de vrijwilligers nog iets actiever: 44 procent deed een wekelijkse en 30 procent een maandelijkse activiteit. Daar staat tegenover dat de groep met een lagere frequentie kleiner was: 45 procent deed soms vrijwilligerswerk en 17 procent éénmalig.

Dat valt ook af te lezen in onderstaande grafiek, waarbij de mensen zijn samengevoegd die voor ten minste één organisatie of vereniging wekelijks of maandelijks een activiteit doen (dit wordt aangeduid als ‘regelmatig’), tegenover de mensen die zich in alle gevallen soms of éénmalig hebben ingezet (aangeduid als ‘incidenteel’). Daaruit komt naar voren dat in 2025, net als in 2024 en 2023, 60 procent wekelijks of maandelijks voor minstens één organisatie vrijwilligerswerk deed. In 2022 was nog 65 procent regelmatig actief.

2.2.1 Vrijwiligerswerk: incidenteel of regelmatig?
 Regelmatig (% van vrijwilligers)Incidenteel (% van vrijwilligers)
202560,339,7
202460,339,7
202359,540,5
202265,434,6

Bij 6 van de 13 soorten vrijwilligerswerk geeft ruim de helft van de vrijwilligers aan het vrijwilligerswerk regelmatig (wekelijks of maandelijks) te doen. Dit geldt vooral voor vrijwilligerswerk in de verzorging of gezondheidszorg, waarbij 43 procent het vrijwilligerswerk wekelijks en 18 procent maandelijks doet, en voor levensbeschouwelijke organisaties (28 procent wekelijks en 33 procent maandelijks). Ook voor jeugd- en buurthuiswerk, sportverenigingen, culturele verenigingen en voor andere organisaties doen mensen vaker regelmatig dan incidenteel vrijwilligerswerk. Voor sociale hulpverlening, hobbyverenigingen, arbeids- of politieke organisaties, vluchtelingenwerk, milieu-, natuur- of dierenbescherming, school en buurt- en wijkorganisaties is de inzet vaker incidenteel (af en toe of eenmalig) dan regelmatig.

In vergelijking met 2024 zijn vrijwilligers voor levensbeschouwelijke organisaties, jeugd- en buurthuiswerk en voor de sociale hulpverlening vaker regelmatig actief. Voor school zetten mensen zich juist minder vaak regelmatig in dan in 2024. Zij doen dit nu vaker af en toe.

2.2.2 Frequentie van vrijwilligerswerk, 2025
 Wekelijks (% van vrijwilligers)Maandelijks (% van vrijwilligers)Af en toe (% van vrijwilligers)Eenmalig (% van vrijwilligers)
Verzorging of gezondheidszorg42,918,026,912,1
Sportvereniging33,118,038,110,8
Culturele vereniging33,019,734,013,3
Jeugd- of buurthuiswerk31,924,033,410,7
Levensbeschouwelijke organisatie28,332,929,09,8
Sociale hulpverlening27,820,034,417,8
Hobby- of gezelligheidsvereniging27,719,337,615,4
Vluchtelingenwerk, mensenrechten26,813,837,122,3
Arbeids- of politieke organisatie20,425,539,514,5
Milieu, natuur of dierenbescherming19,116,642,921,5
School15,218,349,317,2
Buurt14,916,049,719,4
Andere organisatie35,622,827,214,3

In 2025 besteedden vrijwilligers gemiddeld 3,9 uur per week aan vrijwilligerswerk. Dit is niet statistisch significant lager dan in 2024 en 2023, maar wel lager dan in 2022, toen vrijwilligers gemiddeld 4,8 uur per week actief waren. De grootste groep vrijwilligers, 42 procent, gaf in 2025 aan minder dan één uur per week vrijwilligerswerk te doen. Dit zijn vooral mensen die een paar uur per jaar actief zijn als vrijwilliger. Verder is 21 procent van de vrijwilligers ëén tot drie uur per week actief, 22 procent drie tot acht uur, 11 procent acht tot twintig uur en 3 procent twintig uur of meer. Ook hier zijn geen verschuivingen ten opzichte van 2024 en 2023. In 2022 deed nog 39 procent minder dan een uur vrijwilligerswerk en 61 procent minimaal een uur. De verschuiving naar meer sporadische werkzaamheden is overigens al langer zichtbaar: in de periode 2017 tot en met 2021 was 32 tot 37 procent minder dan een uur actief.

De meeste uren per week worden besteed aan vrijwilligerswerk in de verzorging of gezondheidszorg en aan de restgroep van ‘andere organisaties’ (beide gemiddeld drie uur per week). De minste uren worden verricht voor buurt- of wijkverenigingen en voor scholen. Voor milieu-, natuur- of dierenbescherming wordt relatief vaak 20 uur of meer per week besteed. Ten opzichte van 2024 zijn er geen grote verschuivingen in het aantal uren die vrijwilligers besteden per organisatie. Alleen voor jeugd- en buurthuiswerk zijn vrijwilligers vaker een uur of meer per week gaan besteden.

2.2.3 Uren per week besteed aan vrijwilligerswerk, 2025
 Minder dan 1 uur (% van vrijwilligers)1 tot 3 uur (% van vrijwilligers)3 tot 8 uur (% van vrijwilligers)8 tot 20 uur (% van vrijwilligers)20 uur of meer (% van vrijwilligers)
Verzorging of gezondheidszorg40,923,224,110,21,5
Jeugd- of buurthuiswerk43,628,120,17,11,1
Culturele vereniging52,920,720,75,00,7
Sportvereniging53,123,318,24,41,0
Levensbeschouwelijke organisatie53,724,815,44,91,2
Sociale hulpverlening55,720,515,87,30,7
Hobby- of gezelligheidsvereniging58,820,815,53,81,2
Arbeids- of politieke organisatie61,022,011,74,80,5
Vluchtelingenwerk, mensenrechten63,914,413,57,01,1
Milieu, natuur of dierenbescherming69,412,29,55,23,8
Buurt74,216,17,32,20,2
School74,617,25,81,90,4
Andere organisatie45,423,519,59,12,5

2.3 Duur vrijwilligerswerk en toekomstplannen

Er is ook gevraagd hoelang vrijwilligers al actief zijn voor een organisatie. De duur van het vrijwilligerswerk verschilt naar het soort organisatie waarvoor activiteiten worden gedaan. Het kortst durend zijn de activiteiten voor school en voor arbeids- en politieke organisaties, hiervoor zijn respectievelijk 56 procent en 57 procent van de vrijwilligers meer dan een jaar actief. Dat loopt op naar 77 procent bij de levensbeschouwelijke organisaties en 76 procent bij ‘andere organisaties’. Ten opzichte van 2024 gaven vooral vrijwilligers voor arbeids- en politieke organisaties vaker aan dat zij minder dan een maand actief zijn. Vrijwilligers voor culturele verenigingen gaven in 2025 juist minder vaak aan minder dan een maand actief te zijn.

2.3.1 Duur vrijwilligerswerk, 2025
 Meer dan een jaar (% van vrijwilligers)Minder dan een jaar (% van vrijwilligers)Minder dan een half jaar (% van vrijwilligers)Minder dan een maand (% van vrijwilligers)
Levensbeschouwelijke organisatie77,47,26,49,0
Sportvereniging69,311,77,012,0
Jeugd- of buurthuiswerk68,79,86,614,9
Culturele vereniging68,311,410,010,3
Verzorging of gezondheidszorg65,211,07,616,3
Hobby- of gezelligheidsvereniging60,413,18,218,2
Buurt60,114,07,718,2
Vluchtelingenwerk, mensenrechten60,113,211,115,6
Sociale hulpverlening58,813,88,918,6
Milieu, natuur of dierenbescherming58,012,99,219,9
Arbeids- of politieke organisatie57,413,79,719,2
School55,512,410,821,4
Andere organisatie76,310,15,87,8

Er is ook gevraagd of men van plan is om het vrijwilligerswerk voor de organisatie over een jaar nog steeds te doen. In 2025 gaf 71 procent aan dat van plan te zijn. Dit is vergelijkbaar met 2024.

De belangstelling om als vrijwilliger ook op langere termijn actief te zijn, varieert per soort organisatie. Is dat een levensbeschouwelijke organisatie of een ‘andere organisatie’, dan zegt respectievelijk 71 procent en 72 procent zich ook het volgend jaar hiervoor te willen inzetten. Dat neemt af naar 53 procent bij arbeids- en politieke organisaties. Bij hobby- of gezelligheidsverenigingen (13 procent) en bij school (12 procent) wordt het vaakst gezegd dat men dit niet van plan is. Bij arbeids- en politieke organisaties (27 procent) en buurt- en wijkverenigingen (25 procent) wordt het vaakst aangegeven al gestopt te zijn. Vrijwilligers bij vluchtelingenwerk (13 procent) en school (12 procent) geven het vaakst aan dat zij niet weten of ze dit vrijwilligerswerk volgend jaar nog doen. Ten opzichte van het voorafgaande jaar wisten alleen vrijwilligers bij arbeids- en politieke organisaties vaker niet of ze dit volgend jaar nog doen.

2.3.2 Van plan om vrijwilligerswerk over een jaar nog te doen, 2025
 Ja (% van vrijwilligers)Nee (% van vrijwilligers)Al gestopt (% van vrijwilligers)Weet niet (% van vrijwilligers)
Levensbeschouwelijke organisatie70,54,217,28,1
Culturele vereniging67,27,815,59,5
Sportvereniging67,08,315,59,3
Jeugd- of buurthuiswerk64,68,020,17,3
Milieu, natuur of dierenbescherming60,38,223,38,2
Verzorging of gezondheidszorg57,69,922,59,9
Sociale hulpverlening57,39,923,69,2
Hobby- of gezelligheidsvereniging57,212,618,511,7
Buurt56,98,824,99,3
School55,212,420,312,1
Vluchtelingenwerk, mensenrechten54,29,623,113,1
Arbeids- of politieke organisatie53,311,126,88,8
Andere organisatie72,06,813,67,6

2.4 Verschillen in vrijwilligerswerk tussen bevolkingsgroepen

Leeftijd en geslacht

Het doen van vrijwilligerswerk varieert tussen de leeftijdsgroepen. In 2025 deden 65- tot 75-jarigen (55 procent) en 35- tot 45-jarigen (53 procent) het vaakst vrijwilligerswerk, gevolgd door jongeren tussen 15 en 25 jaar (47 procent). Mensen tussen 25 en 35 jaar (39 procent) en van 75 jaar of ouder (43 procent) zetten zich het minst vaak in als vrijwilliger. Ten opzichte van 2024 deden vooral mensen tussen 15 en 35 jaar minder vaak vrijwilligerswerk.

2.4.1 Vrijwilligers, leeftijd
 2025 (% ten minste 1 keer afgelopen 12 maanden)2024 (% ten minste 1 keer afgelopen 12 maanden)2023 (% ten minste 1 keer afgelopen 12 maanden)2022 (% ten minste 1 keer afgelopen 12 maanden)
15 tot 25 jaar46,951,146,441,0
25 tot 35 jaar38,743,241,034,2
35 tot 45 jaar52,552,156,144,6
45 tot 55 jaar48,851,653,144,6
55 tot 65 jaar45,349,246,340,1
65 tot 75 jaar54,752,954,648,4
75 jaar of ouder43,246,443,034,5

Ook het soort vrijwilligerswerk waarvoor mensen actief zijn, verschilt per leeftijdsgroep. Zo zijn 15- tot 35-jarigen (gemiddeld 17 procent), en 45- tot 55-jarigen (21 procent) vooral actief bij een sportvereniging. Ook 55- tot 65- jarigen zijn vaak actief op de sportvereniging (12 procent), maar dit wordt bij hen meteen gevolgd door vrijwilligerswerk voor andere organisaties (12 procent), voor de buurt- of wijkvereniging (11 procent) en in de verzorging of gezondheidszorg (10 procent). De 35- tot 45-jarigen, met vaak schoolgaande kinderen, zijn vooral actief voor een school (28 procent). De 65- tot 75-jarigen zetten zich relatief vaak in voor de restgroep van ‘andere organisaties’ (17 procent), hobby- en gezelligheidsverenigingen en voor vrijwilligerswerk in de verzorging of gezondheidszorg (beiden 15 procent) (tabellenbijlage B.1).

Gemiddeld besteden 65-plussers die vrijwilligerswerk doen daar meer uren per week aan dan mensen jonger dan 65 jaar. De 15- tot 65-jarigen besteden gemiddeld 3,4 uur aan vrijwilligerswerk, terwijl dat bij 65-plussers gemiddeld 5,7 uur is. Ook zijn 65-plussers vaker regelmatig (wekelijks of maandelijks) actief dan 15- tot 65-jarigen. De 35- tot 45-jarigen zijn het minst vaak regelmatig actief (zie tabellenbijlage B.2 en figuur 2.4.2).

2.4.2 Vrijwilligerswerk: regelmatig of incidenteel, leeftijd, 2025
 Regelmatig (% van vrijwilligers)Incidenteel (% van vrijwilligers)
15 tot 25 jaar51,049,0
25 tot 35 jaar50,449,6
35 tot 45 jaar47,053,0
45 tot 55 jaar61,838,2
55 tot 65 jaar65,734,3
65 tot 75 jaar77,822,2
75 jaar of ouder71,029,0

Mannen en vrouwen hebben zich in 2025 even vaak ingezet als vrijwilliger. Wel zijn er verschillen tussen mannen en vrouwen naar het soort vrijwilligerswerk. Zo zijn vrouwen vaker dan mannen actief op school of in de zorg. Mannelijke vrijwilligers zijn daarentegen actiever op het gebied van sport. Mannen en vrouwen verschillen niet in de frequentie van hun vrijwilligerswerk, wel doen mannen, vaker dan vrouwen, een uur of meer vrijwilligerswerk per week (zie tabellenbijlage B.1 en B.2).

Jongeren van 15 tot 25 jaar zijn minder vaak van plan om met het vrijwilligerswerk door te gaan dan de andere leeftijdsgroepen: 53 procent is daartoe bereid. Ten opzichte van 2023 en 2024 betekent dit wel een stijging. De 45- tot 55-jarigen en 65- tot 75-jarigen zijn het vaakst van plan om het vrijwilligerswerk volgend jaar nog te doen. Mannen en vrouwen verschillen niet in hun toekomstplannen (zie tabellenbijlage B.2).

2.4.3 Van plan om volgend jaar dit vrijwilligerswerk nog te doen, leeftijd
 2025 (% van vrijwilligers)2024 (% van vrijwilligers)2023 (% van vrijwilligers)2022 (% van vrijwilligers)
15 tot 25 jaar52,650,446,551,7
25 tot 35 jaar72,168,965,365,5
35 tot 45 jaar71,973,171,073,8
45 tot 55 jaar78,073,673,375,7
55 tot 65 jaar74,772,473,277,1
65 tot 75 jaar78,479,973,381,7
75 jaar of ouder65,466,070,168,4

Onderwijsniveau en inkomen

Onderwijsniveau en inkomen zijn onderscheidend voor het doen van vrijwilligerswerk. Hbo’ers en universitair geschoolden zijn vaker vrijwilliger dan mensen met een (v)mbo-niveau of daarmee vergelijkbaar. Waar van de hbo’ers of universitair geschoolden 55 procent actief is als vrijwilliger, is dat bij mensen met een vmbo-niveau of daarmee vergelijkbaar 39 procent. Hoewel in 2024 deze laatste groep nog meer uren vrijwilligerswerk deed dan hbo’ers of universitair geschoolden, was dit verschil in 2025 niet meer statistisch significant (zie tabellenbijlage B.2).

Mensen met een hbo- of wo-diploma zetten zich vooral vaker in voor een school, een sportvereniging, culturele vereniging, arbeids- of politieke organisaties, sociale hulpverlening, natuurbehoud, vluchtelingenwerk en voor de buurt (zie tabellenbijlage B.1).

2.4.4 Vrijwilligerswerk, onderwijsniveau
 2025 (% van mensen van 15 jaar of ouder)2024 (% van mensen van 15 jaar of ouder)2023 (% van mensen van 15 jaar of ouder)2022 (% van mensen van 15 jaar of ouder)
Basisonderwijs, vmbo, mbo139,041,839,831,2
Havo, vwo, mbo2-446,749,249,140,1
Hbo, wo55,356,456,851,9

Van de vrijwilligers met een vmbo-niveau of daarmee vergelijkbaar zegt 57 procent dit regelmatig te doen, terwijl dit bij hbo’ers en universitair geschoolde vrijwilligers 63 procent is. Hbo’ers en universitair geschoolden zijn daarnaast ook vaker van plan om door te gaan met het vrijwilligerswerk dan mensen met een vmbo-niveau of daarmee vergelijkbaar (77 procent versus 60 procent) (zie tabellenbijlage B.2).

De inzet als vrijwilliger is groter naarmate het besteedbaar huishoudensinkomen hoger is. Van de groep die het minst te besteden heeft (de laagste inkomenskwartielgroep), doet 39 procent vrijwilligerswerk. Dat loopt op naar 53 procent bij de hoogste inkomenskwartielgroep. Het verschil ligt voornamelijk op het gebied van sport, oplopend van 9 procent bij laagste inkomensgroep naar 21 procent bij de hoogste inkomensgroep. Tegenover de grotere deelname onder de groepen die meer te besteden hebben, staat echter een lager aantal uren dat ze als vrijwilliger actief zijn. Van de groep die het minst te besteden heeft, is gemiddeld 5,0 uur actief, en dat loopt af naar 3,4 uur bij de groep met het hoogste inkomen (zie tabellenbijlage B.1 en B.2).

Voor inkomensgroepen zijn de verschillen in het aandeel dat regelmatig vrijwilligerswerk doet minder groot. Wel zijn de hogere inkomensgroepen vaker van plan om het vrijwilligerswerk over een jaar nog steeds te doen (76 procent versus 62 procent) (zie tabellenbijlage B.2).

2.4.5 Vrijwilligerswerk, besteedbaar huishoudensinkomen
 2025 (% van mensen van 15 jaar of ouder)2024 (% van mensen van 15 jaar of ouder)2023 (% van mensen van 15 jaar of ouder)2022 (% van mensen van 15 jaar of ouder)
Eerste (laagste) kwartiel38,840,541,434,3
Tweede kwartiel44,545,745,237,8
Derde kwartiel48,652,651,643,2
Vierde (hoogste) kwartiel52,655,054,046,7

Sociaaleconomische categorie

Of mensen betaald werk hebben, studeren, gepensioneerd zijn, afhankelijk zijn van een uitkering, of geen inkomen hebben, is ook gerelateerd aan de vrijwillige inzet. Zelfstandigen (met en zonder personeel, waaronder ook directeuren-grootaandeelhouders, freelancers en meewerkende gezinsleden in een familiebedrijf) hebben met 53 procent het vaakst in de afgelopen twaalf maanden vrijwilligerswerk gedaan, gevolgd door gepensioneerden en studenten (allebei 50 procent). Gepensioneerden en zelfstandigen doen met respectievelijk 37 en 35 procent het vaakst vrijwilligerswerk in een periode van vier weken. De laagste deelname over een periode van 4 weken is te zien bij de studenten. Dit heeft met name te maken met hun (lagere) leeftijd en hun (op dat moment) hoogst behaalde onderwijsniveau. Als daarmee in de analyse rekening wordt gehouden, dan vervalt het verschil tussen studenten en andere groepen.

Ook het aantal uren dat men als vrijwilliger actief is, varieert naar sociaaleconomische categorie. Mensen met een sociale uitkering en gepensioneerden besteden aanzienlijk meer tijd aan vrijwilligerswerk (respectievelijk 6,5 en 5,8 uur per week) dan werknemers en zelfstandigen (allebei 3,0 uur) (zie tabellenbijlage B.2).

2.4.6 Vrijwilligerswerk, sociaaleconomische categorie, 2025
 Afgelopen 12 maanden (% van mensen van 15 jaar of ouder)Afgelopen 4 weken (% van mensen van 15 jaar of ouder)
Zelfstandig53,235,1
Gepensioneerd49,937,1
Student49,922,3
Zonder inkomen47,731,4
Werknemer46,027,8
Sociale uitkering36,524,6

Vooral studenten, zelfstandigen en werknemers zijn actief voor een sportvereniging, terwijl mensen zonder inkomen zich vaker inzetten voor de buurt- of wijkvereniging of een levensbeschouwelijke organisatie. Gepensioneerden zijn het meest actief bij een hobby- of gezelligheidsvereniging, in de zorg en in de buurt. Ook geven ze vaak aan zich in te zetten voor ‘andere organisaties’ (zie tabellenbijlage B.1).

Gepensioneerde vrijwilligers doen het vaakst regelmatig (wekelijks of maandelijks) vrijwilligerswerk (76 procent), gevolgd door vrijwilligers met een sociale uitkering (72 procent). Er is ook een sterke variatie in de toekomstplannen van de vrijwilligers (tabellenbijlage B.2). Gepensioneerden denken het vaakst het vrijwilligerswerk over een jaar nog te doen (73 procent). Minder vaak denken studenten dit het volgende jaar nog te continueren (55 procent) (zie tabellenbijlage B.2).

Herkomst en kerkelijke gezindte

Van de 15-plussers die zelf geboren zijn in Nederland en beide ouders ook is 51 procent vrijwilliger. Bij degenen die geboren zijn in het buitenland (migranten) is dat 34 procent en bij mensen geboren in Nederland met minimaal één ouder geboren in het buitenland (tweede generatie) is dat 43 procent. Deze verschillen houden deels verband – maar niet volledig - met een andere samenstelling qua leeftijd, onderwijs en inkomen van deze bevolkingsgroepen. Migranten zijn vooral minder vaak vrijwilliger voor een sportvereniging dan personen met een Nederlandse herkomst en de tweede generatie. Ten opzichte van 2024 doen mensen met een Nederlandse herkomst en mensen die in een land buiten Nederland zijn geboren minder vaak vrijwilligerswerk. Als rekening wordt gehouden met veranderingen in verschillen in leeftijd, inkomen en onderwijsniveau binnen deze groepen over tijd, blijkt dat de daling bij migrantengroepen volledig samenhangt met deze factoren. Het vrijwilligerswerk binnen deze groep is daarmee stabiel gebleven ten opzichte van 2024. Bij mensen met een Nederlandse herkomst hangt de daling in het doen van vrijwilligerswerk niet volledig samen met leeftijd, inkomen en onderwijsniveau.

2.4.7 Vrijwilligers, herkomst
 2025 (% van mensen van 15 jaar of ouder)2024 (% van mensen van 15 jaar of ouder)2023 (% van mensen van 15 jaar of ouder)2022 (% van mensen van 15 jaar of ouder)
Geboren in Nederland,
2 ouders geboren in Nedelrand
50,953,251,944,7
Geboren in Nederland,
minimaal 1 ouder geboren in buitenland
43,140,142,832,5
Geboren in buitenland33,938,737,829,6

Vrijwilligers met een Nederlandse herkomst doen het vrijwilligerswerk het vaakst regelmatig (63 procent), tegenover 53 procent van de vrijwilligers die in Nederland zijn geboren maar met minstens één ouder geboren in het buitenland en 51 procent van de vrijwilligers geboren in het buitenland. Ook met betrekking tot toekomstplannen zijn er verschillen zichtbaar. Zo geeft 74 procent van de vrijwilligers met een Nederlandse herkomst te kennen dit over een jaar nog steeds te willen doen, tegenover 63 procent van de vrijwilligers geboren in Nederland met minstens één ouder geboren in het buitenland, en 61 procent van de vrijwilligers die zijn geboren in het buitenland. (zie tabellenbijlage B.2).

Personen die zichzelf rekenen tot een kerkelijke gezindte of levensbeschouwelijke groepering zijn met 51 procent vaker actief als vrijwilliger dan mensen die niet behoren tot een religieuze groep (45 procent). Mensen die wel behoren tot een religie doen vaker vrijwilligerswerk voor een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie (18 procent) maar ook zetten zij zich vaker in voor andere organisaties, zoals verzorging of gezondheidszorg dan mensen zonder religie. Andersom zetten mensen zonder religie zich vaker in als vrijwilliger voor een sportvereniging (zie tabellenbijlage B.1). Dit hangt slechts deels samen met een andere leeftijdssamenstelling bij deze groepen. Vrijwilligers die behoren bij een religieuze groep besteden gemiddeld bijna een uur meer aan hun vrijwilligerswerk dan mensen die zich niet rekenen tot een religie of een levensbeschouwelijke groep. Mensen die behoren bij een religie doen het vrijwilligerswerk ook vaker regelmatig dan mensen zonder religie (66 procent versus 55 procent). In toekomstplannen verschillen zij niet van elkaar (zie tabellenbijlage B.2).

Stedelijkheid

In zeer sterk stedelijke gebieden geeft 42 procent van de mensen aan vrijwilliger te zijn in 2025, tegen 54 procent in niet-stedelijke gebieden. Deze verbanden hangen voor een deel samen met de bevolkingssamenstelling in deze gebieden (in sterker verstedelijkte gebieden wonen over het algemeen meer jongeren en mensen met een niet-Nederlandse herkomst). Bij vrijwilligerswerk voor de buurt is het verschil het grootst: in zeer sterk stedelijke gebieden zegt 8 procent van de mensen iets voor de buurt te doen, in niet-stedelijke gebieden is dit 15 procent. Ook het verschil bij sportverenigingen is relatief groot: dit varieert van 12 procent vrijwilligers in zeer sterk stedelijke gebieden tot 17 procent vrijwilligers in de niet-stedelijke gebieden (zie tabellenbijlage B.1).

Hoewel mensen in niet-stedelijke gebieden meer uur besteden dan mensen in zeer sterk stedelijke gebieden, zijn hier de verschillen minder groot. Ook zijn er geen verschillen gevonden in de mate waarin regelmatig of incidenteel vrijwilligerswerk wordt gedaan. Wel geldt dat hoe minder stedelijk iemand woont, hoe vaker iemand van plan is om over een jaar het vrijwilligerswerk nog te doen (zie tabellenbijlage B.2).

2.4.8 Vrijwilligers, stedelijkheid, 2025
Stedelijkheid van de woonomgevingAfgelopen 12 maanden (% van mensen van 15 jaar of ouder)
Zeer sterk stedelijk42,1
Sterk stedelijk45,2
Matig stedelijk49,7
Weinig stedelijk52,1
Niet stedelijk54,1

2.5 Sociaal en institutioneel vertrouwen en vrijwilligerswerk

Het meedoen in de samenleving hangt samen met zowel het sociaal als het institutioneel vertrouwen. Vrijwilligers vinden, met 71 procent, vaker dat de meeste mensen wel te vertrouwen zijn dan mensen die de afgelopen twaalf maanden geen vrijwilligerswerk hebben gedaan (57 procent). Dit hangt slechts deels samen met andere kenmerken waarop vrijwilligers en niet-vrijwilligers van elkaar verschillen, bijvoorbeeld met leeftijd, inkomen en onderwijsniveau (zie hoofdstuk 2.4). Er is geen verschil in het vertrouwen in private instituties (banken en grote bedrijven) tussen mensen die vrijwilligerswerk doen en zij die dat niet doen. Van alle 15-plussers heeft 60 procent vertrouwen in private instituties. Vrijwilligers hebben met 82 procent wel meer vertrouwen in publieke instituties (rechters, politie en het leger) dan mensen die geen vrijwilligerswerk doen (75 procent). Dit hangt ook slechts deels samen met de andere kenmerken van vrijwilligers. Ten slotte hebben vrijwilligers ook meer vertrouwen in de politiek (42 procent) dan mensen die geen vrijwilligerswerk hebben gedaan (37 procent). Dit verschil is minder groot dan bij het vertrouwen in andere mensen en in publieke instituties, maar blijft bestaan als rekening wordt gehouden met leeftijd, inkomen en onderwijs.

2.5.1 Sociaal en institutioneel vertrouwen, vrijwilligerswerk, 2025
 Vrijwilligerswerk gedaan (% van mensen van 15 jaar of ouder)Geen vrijwilligerswerk gedaan (% van mensen van 15 jaar of ouder)
Vertrouwen in andere mensen70,756,7
Vertrouwen in private instituties60,659,6
Vertrouwen in publieke instituties82,275,2
Vertrouwen in de politiek41,837,3

3. Aanvullend deel van het onderzoek in 2025

3.1 Tevredenheid

Met een rapportcijfer is vastgesteld hoe tevreden vrijwilligers zijn met het vrijwilligerswerk dat ze het afgelopen jaar hebben gedaan. Gemiddeld geven vrijwilligers een 7,7. Dit is vergelijkbaar met 2020 en 2021 (Arends, 2021, Arends & Tummers, 2022).

Er zijn kleine verschillen tussen groepen vrijwilligers in de mate van tevredenheid. In vergelijking met 15- tot 65-jarige vrijwilligers, die een gemiddeld rapportcijfer van een 7,6 geven, zijn 65-plussers het meest tevreden met hun vrijwilligerswerk (rapportcijfer 7,9). Het minst tevreden zijn studenten (rapportcijfer 7,5). Vrijwilligers die zichzelf rekenen tot een kerkelijke gezindte of levensbeschouwelijke groepering, geven met een 7,8 een hoger rapportcijfer dan mensen die niet gelovig zijn (rapportcijfer 7,7). Er zijn geen verschillen in het rapportcijfer tussen mannen en vrouwen, inkomens-, onderwijs- en herkomstgroepen, en naar mate van stedelijkheid.

Aan respondenten die een rapportcijfer van 6 of lager geven (13 procent van de vrijwilligers), is gevraagd waarover zij niet zo tevreden zijn. Bijna de helft van de minder tevreden vrijwilligers geeft als reden dat hun ontevredenheid niet specifiek te maken heeft met de aan hen voorgelegde antwoordcategorieën, en noemt daarom 'iets anders' of 'geen van deze' als reden. Daarna volgen redenen als ‘de mensen van de organisatie’ (18 procent van de minder tevreden vrijwilligers) en ‘de taken die ik moet doen’ (17 procent). Het minst vaak wordt als reden gemeld het gevoel te hebben niet geaccepteerd te worden (3 procent) en de financiële vergoeding (7 procent).

3.1.1 Waarover zijn vrijwilligers niet zo tevreden? 1) 2025
Reden (% van vrijwilligers met een rapportcijfer van 6 of lager )
De mensen van
de organisatie
17,5
De taken die ik
moet doen
17,0
Het aantal uren
vrijwilligerswerk
15,4
Dat ik de werktijden
niet zelf kan
inplannen
11,8
De sfeer11,0
De financiële
vergoeding
6,6
Ik word niet
geaccepteerd
3,4
Iets anders26,4
Geen van deze22,7
1)meerdere antwoorden mogelijk

3.2 Online activiteiten

Respondenten die de afgelopen twaalf maanden vrijwilligerswerk hebben gedaan, is gevraagd welke online activiteiten ze hiervoor doen, zoals online vergaderen, het geven van hulp op afstand of het organiseren of bijwonen van een workshop of evenement. Hierbij waren meerdere antwoorden mogelijk. Van hen gaf in 2025 30 procent aan online activiteiten te doen. Dat is minder dan in 2022, het laatste jaar van de coronapandemie, toen dit nog 64 procent was. In 2022 werden wel meer online activiteiten uitgevraagd (zie de technische toelichting). Er bestaan geen verschillen naar leeftijd, geslacht, herkomst en inkomen in online activiteiten voor het vrijwilligerswerk. Wel doen vrijwilligers met vmbo-niveau of daarmee vergelijkbaar minder vaak online activiteiten (15 procent) dan vrijwilligers met een mbo-diploma of daarmee vergelijkbaar (28 procent) en vrijwilligers met een hbo- of wo-diploma (41 procent).

Het geven van hulp op afstand wordt door 19 procent van de vrijwilligers genoemd en online vergaderen door 15 procent. Het geven of volgen van een online workshop en het organiseren of bijwonen van een online activiteit wordt door respectievelijk 6 procent en 5 procent van de vrijwilligers genoemd. Ook noemt 5 procent ‘andere online activiteiten’. Na dit antwoord was ruimte voor een omschrijving van deze activiteit (zie kader).

3.2.1 Online activiteiten voor het vrijwilligerswerk1), 2025
 2025 (% van vrijwilligers)
Doet online activiteiten (totaal)30,3
Hulp geven op afstand18,7
Online vergaderen15,0
Een online workshop
of training organiseren
of bijwonen
5,5
Een online evenement
organiseren of bijwonen
5,3
Andere online activiteiten5,1
1)meerdere antwoorden mogelijk

Er zijn tussen groepen vrijwilligers verschillen in het soort online activiteiten. Mannelijke vrijwilligers vergaderen met 17 procent vaker online dan vrouwelijke vrijwilligers (13 procent). Voor de andere online activiteiten zijn er geen verschillen tussen mannen en vrouwen. Verder vergaderen vrijwilligers van 65 jaar of ouder (12 procent) minder vaak dan vooral de 35- tot 65-jarigen online (17 procent). Als hierbij rekening wordt gehouden met andere kenmerken, zoals een lager onderwijsniveau en inkomen, dan vergaderen 65-plussers juist vaker online dan vooral de jongeren tot 35 jaar. Bij de andere online activiteiten zijn geen leeftijdsverschillen gevonden. Mensen met een mbo-, hbo- of wo- diploma noemen met 17 procent vaker dan mensen met een vmbo-diploma of daarmee vergelijkbaar (6 procent) dat zij online vergaderen. Ook geven mbo-, hbo- of wo- geschoolden vaker aan dat zij hulp op afstand geven (22 procent versus 8 procent bij de vmbo-geschoolde vrijwilligers) of een online workshop of training geven of volgen (6 procent versus 3 procent bij de vmbo-geschoolde vrijwilligers). 8 procent van de vrijwilligers met een hbo- of wo-diploma organiseert of neemt wel eens deel aan een online evenement. Bij vrijwilligers met een vmbo- of mbo-diploma is dat 4 procent.

3.3. Bestuursfunctie vervullen

In 2025 is ook gevraagd of vrijwilligers een bestuursfunctie hebben bij de organisatie of vereniging waarvoor ze vrijwilligerswerk doen of dit zouden willen doen in de toekomst. Van de mensen die de afgelopen twaalf maanden vrijwilligerswerk hebben gedaan, zegt 17 procent een bestuursfunctie te vervullen. Dit is hoger dan in 2022, toen dit nog 12 procent was (Arends, 2023). Van de vrijwilligers die niet in het bestuur zitten, zegt 14 procent dit wel te willen doen in de toekomst. Dit is hetzelfde percentage als in 2022. Geen interesse en geen tijd zijn met respectievelijk 38 procent en 23 procent de meest gegeven redenen om niet in het bestuur te willen zitten. Dit wordt op afstand gevolgd door redenen als het niet zoveel verantwoordelijkheid willen hebben (10 procent), denken dat men hiervoor te weinig ervaring of kennis heeft (7 procent) en de wettelijke aansprakelijkheid (2 procent). Hoewel de percentages niet volledig vergelijkbaar zijn door een andere vraagstelling (zie de technische toelichting), laten de resultaten van 2025 wel dezelfde volgorde zien van redenen om niet in het bestuur te willen als die van 2022 (Arends, 2023).

Mannen die vrijwilligerswerk doen, geven met 20 procent vaker dan vrouwen (14 procent) aan al een bestuursfunctie te vervullen. Wanneer zij dat nog niet doen, dan hebben mannen (17 procent) ook vaker de intentie om in de toekomst een bestuursfunctie te gaan vervullen dan vrouwen (11 procent). Mensen van 65 tot 75 jaar oud vervullen het vaakst een bestuursfunctie (23 procent), vooral in vergelijking met 15- tot 45-jarigen (12 procent). Met 18 procent hebben mensen tussen 15 en 55 jaar oud juist vaker de intentie om in het bestuur te gaan. Bij 65-plussers is dat 5 procent.

Zelfstandigen en gepensioneerden zitten relatief vaak in het bestuur. Dit hangt echter volledig samen met respectievelijk hun behaalde onderwijsniveau en hun hogere leeftijd. Studenten willen dit het vaakst doen in de toekomst. Mensen met een hbo- of wo-diploma zitten vaker in het bestuur en hebben hiertoe vaker de intentie dan mensen met een vmbo-niveau of daarmee vergelijkbaar. Er zijn ook verschillen naar inkomensgroepen, maar die hangen volledig samen met het hogere aandeel met hbo- of wo-diploma en een hogere leeftijd. Vrijwilligers die in Nederland zijn geboren en beide ouders ook zitten, ook wanneer rekening wordt gehouden met verschillen qua leeftijd, onderwijsniveau en inkomen vaker dan mensen die in het buitenland zijn geboren in het bestuur (respectievelijk 18 procent en 10 procent), maar er zijn geen verschillen in de intentie om dit te gaan doen in de toekomst. Ten slotte zijn er verschillen naar stedelijkheid, waarbij vrijwilligers in niet-stedelijke gebieden vaker een bestuursfunctie vervullen. Aan de andere kant zouden vrijwilligers in (zeer) sterk stedelijke gebieden dit juist vaker willen doen in de toekomst. Dit hangt niet volledig samen met de andere bevolkingssamenstelling in deze gebieden (zie tabel 3.3.1).

3.3.1. Een bestuursfunctie vervullen of dit willen doen, 2025
Vervult een bestuursfunctie (% van vrijwilligers)Zou weleens in het bestuur willen zitten (% van vrijwilligers die nog geen bestuursfunctie vervullen)
Totaal 15 jaar en ouder16,713,9
Leeftijd15 tot 25 jaar9,018,7
Leeftijd25 tot 35 jaar14,918,6
Leeftijd35 tot 45 jaar13,017,2
Leeftijd45 tot 55 jaar20,017,4
Leeftijd55 tot 65 jaar18,611,5
Leeftijd65 tot 75 jaar23,27,1
Leeftijd75 jaar of ouder18,23,3
GeslachtMannen19,517,0
GeslachtVrouwen13,911,1
OnderwijsniveauBasisonderwijs, vmbo, mbo19,37,1
OnderwijsniveauHavo, vwo, mbo2-417,310,2
OnderwijsniveauHbo, wo20,421,3
HuishoudensinkomenEerste (laagste) kwartiel12,012,6
HuishoudensinkomenTweede kwartiel15,28,1
HuishoudensinkomenDerde kwartiel17,313,8
HuishoudensinkomenVierde (hoogste) kwartiel19,218,0
Sociaaleconomische
categorie
Werknemer16,716,0
Sociaaleconomische
categorie
Zelfstandige22,716,9
Sociaaleconomische
categorie
Sociale uitkering9,89,4
Sociaaleconomische
categorie
Gepensioneerd21,05,3
Sociaaleconomische
categorie
Student8,820,0
HerkomstGeboren in Nederland,
2 ouders geboren
in Nedelrand
18,313,9
HerkomstGeboren in Nederland,
minimaal 1 ouder geboren
in buitenland
12,912,7
HerkomstGeboren in buitenland10,014,9
ReligieGelovig17,312,4
ReligieNiet gelovig16,415,6
StedelijkheidZeer sterk stedelijk13,919,7
StedelijkheidSterk stedelijk16,812,8
StedelijkheidMatig stedelijk16,313,8
StedelijkheidWeinig stedelijk18,911,5
StedelijkheidNiet stedelijk19,66,8

Vrijwilligers die een bestuursfunctie vervullen bij hun organisatie of vereniging, geven hiervoor gemiddeld een 7,7 voor de tevredenheid over het bestuurswerk. De 65-plussers zijn het meest tevreden, zij geven een 7,9, vooral in vergelijking met de 35- tot 65-jarigen. Zij geven een 7,5 voor hun bestuurswerk. Naar andere kenmerken zijn er geen verschillen in het rapportcijfer.

3.4 Invloed op het inkomen

Aan alle respondenten is gevraagd of zij minder of ander vrijwilligerswerk doen dan zij zouden willen vanwege mogelijk gevolgen voor de hoogte van een (bijstands)uitkering of hun belastingaanslag. Van de mensen die in de afgelopen twaalf maanden vrijwilligerswerk hebben gedaan, zegt 3 procent dat zij om die reden minder of ander vrijwilligerswerk doen dan zij zouden willen. Een meerderheid van 55 procent zegt dat dit niet het geval is. 43 procent van de vrijwilligers zegt hier nog nooit over te hebben nagedacht. Bij mensen die geen vrijwilligerswerk doen, zegt 2 procent dat de mogelijke invloed op hun inkomen inderdaad de reden is dat zij geen vrijwilligerswerk doen. Een meerderheid van 71 procent zegt dat dit niet het geval is, en 27 procent zegt hier nog nooit over te hebben nagedacht. Mensen met een sociale uitkering zeggen vaker dan vooral werknemers dat zij minder, ander of juist geen vrijwilligerswerk doen vanwege de mogelijke effecten op hun inkomen (respectievelijk 6 procent en 2 procent). Dit hangt niet volledig samen met de hoogte van hun inkomen, onderwijsniveau of leeftijd.

4. Samenvatting en conclusie

4.1 Vrijwilligerswerk: het reguliere onderzoeksdeel

Het vrijwilligerswerk vormt een belangrijk onderdeel van het sociaal kapitaal (Van Beuningen & Schmeets, 2013), dat zorgt voor een goed functionerende samenleving. In 2025 gaf 47 procent van de bevolking van 15 jaar of ouder aan zich minstens één keer per jaar als vrijwilliger ingezet te hebben voor een organisatie of vereniging. Hiermee is het aandeel vrijwilligers terug op het niveau van 2019, vóór de coronapandemie, maar wel 3 procentpunt lager dan in 2024 en 2023, toen dit nog gemiddeld 50 procent was (Groffen & Schmeets, 2025). Net als in voorgaande jaren zetten de meeste vrijwilligers zich in bij sportverenigingen. Dit wordt gevolgd door vrijwilligerswerk voor hobbyverenigingen, buurt- of wijk verenigingen en scholen.

Mensen kunnen voor één of meer verenigingen of organisaties actief zijn. Het aandeel mensen dat actief is voor één tot vier organisaties is niet gedaald in vergelijking met 2024. Wel is het aandeel mensen dat voor vier of meer organisaties actief is afgenomen.

In 2025 deed 40 procent van de vrijwilligers dit incidenteel (af en toe of éénmalig) en 60 procent regelmatig (wekelijks of maandelijks). Dit is vergelijkbaar met 2024 en 2023. Alleen voor scholen zijn mensen minder vaak regelmatig actief, zij doen dit nu vaker ‘af en toe’. Gemiddeld besteden vrijwilligers 3,9 uur per week aan vrijwilligerswerk, waarvan de meeste uren aan (gezondheids-)zorg. Ook dit is vergelijkbaar met 2023 en 2024. Wel is er een afname zichtbaar in het regelmatig doen van vrijwilligerswerk en het aantal uren als vergeleken wordt met 2022. Deze verschuiving naar meer sporadische werkzaamheden is al langer zichtbaar (Groffen & Schmeets, 2025).

Net als vorige jaren, zijn er verschillen tussen bevolkingsgroepen. In 2025 doen mensen tussen 65 en 75 jaar en tussen 35 en 45 jaar het vaakst vrijwilligerswerk. Jongvolwassenen tussen 25 en 35 jaar en personen van 75 jaar of ouder doen het minst vaak vrijwilligerswerk. Ten opzichte van 2024 zijn vooral jongeren en jongvolwassenen tussen 15 en 35 minder vaak vrijwilliger. Vrouwen en mannen doen even vaak vrijwilligerswerk. Wel verschillen mannen en vrouwen in het soort organisatie waarvoor ze het vrijwilligerswerk doen: vrouwen zijn bijvoorbeeld bijna twee keer zo vaak als mannen actief in de verzorging of gezondheidszorg, terwijl mannen actiever zijn op het gebied van sport. Ook doet de sociaaleconomisch categorie ertoe. Zo zijn vooral vrijwilligers te vinden onder de zelfstandigen, gevolgd door gepensioneerden, studenten en werknemers. Mensen met een sociale uitkering doen het minst vaak vrijwilligerswerk. Ook neemt de vrijwillige inzet toe met het onderwijsniveau en de hoogte van het besteedbaar inkomen. Hierin zijn geen verschillen ten opzichte van 2024.

Zowel de religieuze betrokkenheid als het herkomstland zijn gerelateerd aan het vrijwilligerswerk. Ook als rekening wordt gehouden met een andere samenstelling qua leeftijd, inkomen en onderwijsniveau, zijn vooral mensen met een Nederlandse herkomst vaker vrijwilliger dan migranten. Wel zijn mensen met een Nederlandse herkomst dit, ten opzichte van 2024, minder vaak gaan doen. Ook komt duidelijk de rol van religie naar voren: mensen die zeggen bij een religie te behoren, doen vaker vrijwilligerswerk dan de groep die niet religieus is. Dit hangt slechts deels samen met een andere leeftijdssamenstelling in de groepen. Er zijn ook regionale verschillen. Zo zijn de inwoners van niet of weinig stedelijke woongemeenten vaker vrijwilliger dan degenen in (zeer) sterk stedelijke woongemeenten

Het meedoen in de samenleving hangt samen met het vertrouwen dat mensen hierin hebben. Vrijwilligers hebben vooral meer vertrouwen in andere mensen dan mensen die geen vrijwilligerswerk doen. Ook hebben zij meer vertrouwen in publieke instituties en in de politiek. Dat betekent echter niet dat het doen van vrijwilligerswerk ervoor zorgt dat het vertrouwen toeneemt. Het kan ook dat een persoon die meer vertrouwen in de samenleving heeft, eerder geneigd is om zich als vrijwilliger in te zetten. Er is niet onderzocht of de recente daling in het politiek vertrouwen (Janssen & van Montfort, 2026) bij vrijwilligers minder sterk is dan bij mensen die geen vrijwilligerswerk doen (de Rond, 2026). Hiervoor is vervolgonderzoek nodig.

Een andere richting voor vervolgonderzoek is de samenhang tussen het doen van vrijwilligerswerk en het lidmaatschap van verenigingen. Het aandeel mensen dat lid is van een of meer verenigingen is de afgelopen tien jaar geleidelijk gedaald (Groffen & Coumans, 2025). De daling in het lidmaatschap van verenigingen is het sterkst bij 25- tot 35-jarigen, mensen die zijn geboren in het buitenland, mensen die zijn geboren in Nederland maar met één of twee ouders geboren in het buitenland, en bij mensen met een lager besteedbaar inkomen. Aan de andere kant is de deelname aan activiteiten van verenigingen (ook bij niet-leden) niet afgenomen.

4.2 Vrijwilligerswerk: het aanvullende onderzoeksdeel

Met een rapportcijfer is vastgesteld hoe tevreden vrijwilligers zijn met het vrijwilligerswerk dat ze het afgelopen jaar hebben gedaan. Gemiddeld gaf men een 7,7. Dit is vergelijkbaar met 2020 en 2021, toen dit ook werd uitgevraagd. Mensen van 65 jaar of ouder zijn het meest tevreden met hun vrijwilligerswerk, net als mensen die gelovig zijn. Studenten zijn minder tevreden. Mensen die een 6 of lager gaven (13 procent van de vrijwilligers) geven hiervoor het vaakst (49 procent) een reden die niet specifiek te maken heeft met de in de vragenlijst voorgelegde categorieën. Daarna volgen redenen als ‘de mensen van de organisatie’ (18 procent) en ‘de taken die ik moet doen’ (17 procent).

Ook is in het aanvullende deel gevraagd naar de online activiteiten die mensen doen voor hun vrijwilligerswerk. De meest genoemde online activiteit is het geven van hulp op afstand, gevolgd door online vergaderen. 65 procent geeft aan dat zij geen online activiteiten doen. Dit is hoger dan in 2022, toen dit nog 35 procent was. In dat jaar was de vraagstelling echter uitgebreider. Ook kunnen de resultaten uit dat jaar deels verband houden met de coronapandemie.

In het aanvullende deel is ook gevraagd naar het doen van bestuurswerk of een eventuele intentie om dit te gaan doen. In 2025 zei 17 procent een bestuursfunctie te vervullen. Dit is hoger dan in 2022, toen dit nog 12 procent was. Voor dit bestuurswerk wordt een gemiddeld rapportcijfer van 7,7 gegeven. Van de vrijwilligers die niet in het bestuur zitten, zegt 14 procent dit in de toekomst wel te willen doen. Geen interesse en geen tijd zijn de meest genoemde redenen om dit niet te willen.

Tot slot is aan alle respondenten, ook degenen die geen vrijwilligerswerk doen, gevraagd of zij minder of ander vrijwilligerswerk doen vanwege een mogelijke invloed op inkomen of uitkering. Dit is voor vrijwilligers bij 2 procent het geval en bij mensen die geen vrijwilligerswerk hebben gedaan 3 procent. Met 6 procent zeggen vooral mensen met een sociale uitkering het vaakst dat de mogelijke invloed op hun inkomen de reden is dat zij geen, minder of ander vrijwilligerswerk doen.

Technische toelichting

Data

Voor dit rapport is gebruikgemaakt van gegevens uit het onderzoek Sociale samenhang en welzijn (SSW) 2012-2025. In dit onderzoek is onder meer gevraagd naar de sociale en maatschappelijke participatie van mensen van 15 jaar of ouder, waaronder het verrichten van vrijwilligerswerk. In totaal zijn in 2012-2025 gegevens beschikbaar van 99 219 personen (2012: 7 949, 2013: 7 384, 2014: 7 627, 2015: 7 614, 2016: 7 467, 2017: 7 654, 2018: 7 853, 2019: 7 652, 2020: 7 836, 2021: 6 690, 2022: 7 941, 2023: 7 671, 2024: 7 557, en 7 881 in 2025).

Vrijwilligerswerk

Er is aan respondenten gevraagd of zij in de twaalf maanden voorafgaand aan de enquête vrijwilligerswerk hebben gedaan voor bepaalde organisaties of verenigingen. Daarbij werden 13 typen organisaties of verenigingen onderscheiden. De vraag luidde als volgt: “De volgende vragen gaan over vrijwilligerswerk doen voor organisaties of verenigingen. Het kan daarbij gaan om bestuurlijk werk, collecteren of andere activiteiten. Heeft u in de afgelopen twaalf maanden, dus sinds <huidige datum - twaalf maanden>, weleens vrijwilligerswerk gedaan voor:

  1. (1)  jeugd- of buurthuiswerk, zoals scouting, jongerencentrum, buurt- of dorpshuis,
  2. (2)   school, zoals oudercommissie, bestuur, leesouder of hulp op school,
  3. (3)  verzorging of gezondheidszorg, zoals ouderen- of gehandicaptenzorg, kinderopvang of hulp in ziekenhuis of hospice,
  4. (4)  een sportvereniging, zoals trainer, kantinedienst, zaalbeheer of bestuur,
  5. (5)   kunst of cultuur, zoals een muziek- of toneelvereniging, bibliotheek of museum,
  6. (6)  een hobby- of gezelligheidsvereniging,
  7. (7)  een religieuze of levensbeschouwelijke groepering, zoals een kerk of moskee,
  8. (8)   een politieke partij of actiegroep of voor een vakbond of bedrijfsorganisatie
  9. (9)  sociale hulpverlening, voedselbank, rechtshulp of slachtofferhulp,
  10. (10) de wijk of de buurt,
  11. (11)  milieu, natuurbehoud of dierenbescherming,
  12. (12)   vluchtelingenwerk, mensenrechten of ontwikkelingssamenwerking,
  13. (13)  een andere vereniging of organisatie?”

Daarnaast is voor elke organisatie waarvoor vrijwilligerswerk werd gedaan een aantal vervolgvragen gesteld over de frequentie (“Hoe vaak heeft u dit vrijwilligerswerk gedaan in de afgelopen twaalf maanden?”) en over de hoeveelheid tijd die aan vrijwilligerswerk besteed wordt (“Om hoeveel uur vrijwilligerswerk ging het dan?”). Ook is gevraagd of mensen in de afgelopen vier weken vrijwilligerswerk hebben gedaan voor een organisatie (“Heeft u dit vrijwilligerswerk gedaan in de afgelopen vier weken?”), hoe lang mensen dit vrijwilligerswerk doen (“Hoe lang doet of deed u dit vrijwilligerswerk?”) en over de toekomst (“Bent u van plan dit vrijwilligerswerk over een jaar nog te doen?”).

Sociaal en institutioneel vertrouwen

Ten behoeve van de analyse van de samenhang tussen het doen van vrijwilligerswerk en het hebben van vertrouwen in de samenleving, is gekeken naar zowel het sociaal als het institutioneel vertrouwen. Het sociaal vertrouwen wordt gemeten met de vraag: ‘Vindt u over het algemeen dat de meeste mensen wel te vertrouwen zijn of vindt u dat men niet voorzichtig genoeg kan zijn in de omgang met mensen?’. Hierop zijn twee antwoorden mogelijk: 1) Meeste mensen zijn wel te vertrouwen en 2) Men kan niet voorzichtig genoeg zijn. Het vertrouwen in verschillende instituties is gemeten aan de hand van een vragenblok, geïntroduceerd met de tekst: ‘Dan nu enkele vragen over uw vertrouwen in diverse organisaties en hun functioneren. Hoeveel vertrouwen heeft u in: …?’. Dan volgt een lijst met instituties, namelijk: kerken, het leger, rechters, de pers, de politie, de Tweede Kamer, ambtenaren, politici, banken, grote bedrijven en de Europese Unie. De antwoordopties zijn 1) Heel veel vertrouwen, 2) Tamelijk veel vertrouwen, 3) Niet zo veel vertrouwen en 4) Helemaal geen vertrouwen. De categorieën ‘heel veel vertrouwen’ en ‘tamelijk veel vertrouwen’ worden samengevoegd en geven aan dat iemand vertrouwen heeft. De categorieën ‘niet zo veel vertrouwen‘ en ‘helemaal geen vertrouwen’ geven gezamenlijk aan dat iemand geen vertrouwen heeft. Een factoranalyse (Schmeets, 2026) toont dat het vertrouwen in rechters, politie en leger kan worden samengevoegd, dit wordt het publieke domein genoemd. Het vertrouwen in banken en grote bedrijven vormt gezamenlijk het private domein. Vertrouwen in ambtenaren, de Tweede Kamer, politici en in de Europese Unie vormt het politieke domein. Kerken, de pers en de gemeenteraad worden hier, net als de publicaties waarop de indeling is gebaseerd, buiten beschouwing gelaten (Schmeets, 2026, Janssen & van Montfort, 2026). Voor het publieke, private, en politieke domein worden somscores berekend en op basis van het gemiddelde van de percentages mensen met 'heel veel' of 'tamelijk veel' vertrouwen in de afzonderlijke indicatoren is een afkappunt bepaald zodat voor iedere dimensie een tweedeling ontstaat: 'wel vertrouwen' en 'geen vertrouwen' (zie voor een uitgebreide beschrijving van de methode Janssen & van Montfort, 2026).

Aanvullende vragen over vrijwilligerswerk

Tevredenheid

Aan respondenten die in 2025 hebben aangegeven in de afgelopen twaalf maanden vrijwilligerswerk te hebben gedaan, is de vraag gesteld: “Hoe tevreden bent u op een schaal van 1 tot en met 10 met het vrijwilligerswerk dat u in de afgelopen 12 maanden heeft gedaan? Een 1 staat hierbij voor ‘zeer ontevreden’ en een 10 voor ‘zeer tevreden’”. Vervolgens is aan de respondenten die een rapportcijfer van 6 of lager gaven gevraagd over welke aspecten zij niet zo tevreden zijn. Hierbij zijn 9 antwoorden voorgelegd: 1) Het aantal uren vrijwilligerswerk, 2) Dat ik de werktijden niet zelf kan inplannen, 3) De mensen van de organisatie, 4) De taken die ik moet doen, 5) De financiële vergoeding, 6) De sfeer, 7) Ik word niet geaccepteerd zoals ik ben, 8) Iets anders, 9) Geen van deze. Respondenten konden meerdere antwoorden kiezen (met uitzondering van een combinatie met 'Geen van deze'). In 2021 en 2020 is het rapportcijfer ook uitgevraagd. Echter toen is dit, anders dan in 2025, voor iedere organisatie of vereniging apart uitgevraagd. Er is in 2021 geen uitvraag gedaan naar de redenen waarom vrijwilligers minder tevreden waren (Arends, 2021, Arends & Tummers, 2022).

Online activiteiten

Aan alle vrijwilligers is gevraagd: “Doet u de volgende activiteiten weleens online voor uw vrijwilligerswerk?”. Hierbij zijn acht antwoorden voorgelegd: 1) Online vergaderen, 2) Hulp geven op afstand (bijv. via mail, videobellen of appgroep), 3) Een online workshop of training geven of volgen 4) Een online evenement organiseren of bijwonen, 5) Andere online activiteiten, 6) Ik heb geen online activiteiten bij mijn vrijwilligerswerk. Ook was het mogelijk om ‘geen antwoord’ te geven. Respondenten konden meerdere antwoorden kiezen (met uitzondering van een combinatie met het antwoord ‘ik heb geen online activiteiten gedaan’ en ‘geen antwoord’). Wanneer als antwoord ‘Andere online activiteiten’ werd gegeven, volgde een open antwoordveld om toe te lichten om wat voor soort activiteit het dan ging. In het aanvullende blok van 2022 is ook een vraag opgenomen naar online activiteiten van vrijwilligers. Toen waren de antwoordopties: 1) Vergaderen, 2) Hulp op afstand, 3) Contacten onderhouden (bijv. via een appgroep), 4) Workshops, 5) Trainingen, 6) Evenementen, 7) Nieuwsbrieven maken of sturen, 8) Anders, 9) Geen online activiteiten (Arends, 2023).

Bestuur

De volgende vraag is gesteld aan mensen die vrijwilligerswerk hebben gedaan in de afgelopen 12 maanden: “Zit of zat u in de afgelopen 12 maanden in een bestuur van een vrijwilligersorganisatie?”. Respondenten konden hierop ‘Ja’ of ‘Nee’ antwoorden. Wanneer het antwoord ‘Ja’ werd gegeven, volgde een vraag over de tevredenheid met het bestuurswerk: “Hoe tevreden bent u op een schaal van 1 tot en met 10 met het bestuurswerk dat u in de afgelopen 12 maanden heeft gedaan?”. Wanneer het antwoord ‘Nee’ werd gegeven, volgde de vraag: “Zou u weleens in het bestuur van een vrijwilligersorganisatie willen zitten?”. Hierbij zijn 6 antwoorden voorgelegd: 1) Ja, 2) Nee, ik heb er geen tijd voor, 3) Nee, ik denk dat ik hiervoor te weinig ervaring of kennis heb, 4) Nee, ik wil niet zo veel verantwoordelijkheid, 5) Nee, vanwege de wettelijke aansprakelijkheid, 6) Nee, geen interesse. Respondenten konden meerdere antwoorden kiezen (met uitzondering van een combinatie met het antwoord ‘Ja’). Ook was het mogelijk om ‘geen antwoord’ te kiezen. In het aanvullende blok van 2022 is ook gevraagd naar plannen om in het bestuur van een vrijwilligerswerkorganisatie te gaan. Dit is gedaan met de volgende vraag “Als u wordt gevraagd om in het bestuur van een vrijwilligersorganisatie te gaan, zou u dat dan doen?”. Hierbij zijn de volgende antwoord mogelijkheden voorgelegd: 1) Ja, 2) Nee, ik heb al een bestuursfunctie, 3) Nee, ik heb er geen tijd voor, 4) Nee, ik denk dat ik hiervoor te weinig ervaring of kennis heb, 5) Nee, ik wil niet zo veel verantwoordelijkheid, 6) Nee, vanwege wettelijke aansprakelijkheid, 7) Nee, geen interesse. Ook was het mogelijk ‘geen antwoord’ te kiezen.

Invloed op inkomen

Aan alle respondenten, ook degenen die geen vrijwilligerswerk doen, werd de volgende stelling voorgelegd: “Soms kan het doen van vrijwilligerswerk gevolgen hebben voor de hoogte van een (bijstands)uitkering. En soms moet er belasting worden betaald over een vrijwilligersvergoeding.”. Aan de respondenten die de afgelopen twaalf maanden vrijwilligerswerk deden, is vervolgens de vraag gesteld: “Doet u hierdoor minder of ander vrijwilligerswerk dan u zou willen?”. Aan de respondenten die de afgelopen twaalf maanden geen vrijwilligerswerk deden, is de vraag gesteld: ‘Is dit één van de redenen waarom u geen vrijwilligerswerk doet?’. Bij beide vragen waren de antwoordopties: 1) Ja, 2) Nee, 3) Nog nooit over nagedacht.

Achtergrondkenmerken

De volgende achtergrondkenmerken zijn gebruikt:

  • Geslacht (‘mannen’, ‘vrouwen’),
  • Leeftijd (’15 tot 25 jaar’, ’25 tot 35 jaar’, ’35 tot 45 jaar’, ’45 tot 55 jaar’, ’55 tot 65 jaar’, ’65 tot 75 jaar’, ’75 jaar of ouder’),
  • Herkomst (‘geboren in Nederland en beide ouders ook’, ‘zelf geboren in Nederland, minstens één ouder geboren in een land buiten Nederland’, ‘geboren in een land buiten Nederland)’
  • Onderwijsniveau (‘basisonderwijs, vmbo, mbo1’, ‘havo, vwo, mbo2-4’ en ‘hbo, wo’),
  • Gestandaardiseerd besteedbaar huishoudensinkomen (in 25%-groepen),
  • Sociaaleconomische categorie (‘zelfstandigen, waaronder directeuren-grootaandeelhouders, zzp’ers en meewerkende gezinsleden in een familiebedrijf’, ‘werknemers’, ‘studenten’, ‘mensen met een sociale uitkering, waaronder uitkeringen voor werkloosheid, bijstand, ziekte en arbeidsongeschiktheid’, ‘mensen met een pensioenuitkering’, ‘restgroep zonder inkomen’),
  • Religie; Gevraagd is of men zich rekent tot 1) geen religie of levensbeschouwing, 2) de Rooms-katholieke kerk 3) een Protestantse of andere christelijke kerk of groep 4) de Islam 5) het Jodendom 6) het Hindoeïsme 7) het Boeddhisme 8) Een andere religie of levensbeschouwing. Als gelovigen worden geteld degenen die zich rekenen tot categorie 2 t/m 8.
  • Stedelijkheid van de woongemeente (‘zeer sterk stedelijk’, ‘sterk stedelijk’, ‘matig stedelijk’, ‘weinig stedelijk’, ‘niet stedelijk’).

Geslacht, leeftijd, onderwijsniveau, en religie zijn uitgevraagd in de enquête. Informatie over herkomst, het gestandaardiseerd besteedbaar huishoudensinkomen, de sociaaleconomische categorie en de (stedelijkheid van de) woongemeente was afkomstig uit het Stelsel van Sociaal-Statistische Bestanden (SSB) en is aan de enquêtegegevens toegevoegd.

Analyse

Met behulp van zowel beschrijvende als multivariate analyse is het vrijwilligerswerk onderzocht. Bivariate analyses zijn uitgevoerd om eventuele verschillen tussen bevolkingsgroepen te onderzoeken. Indien dergelijke verschillen zijn aangetroffen, zijn logistische multivariate regressieanalyses toegepast om na te gaan of andere achtergrondkenmerken een verklaring vormen voor deze verschillen. Een gevonden verschil wordt beschouwd als statistisch significant wanneer het onwaarschijnlijk is dat het verschil op toeval berust. In dit onderzoek wordt een verschil bij een betrouwbaarheid van 95% als statistisch significant beschouwd.

Literatuur

Arends, J. (2021). Vrijwilligerswerk 2020.

Arends, J. (2023). Vrijwilligerswerk 2022.

Arends, J. & Tummers, M. (2022). Vrijwilligerswerk 2021.

Arts, K. & te Riele, S. (2010). Vrijwilligerswerk. In: Schmeets, H. (red.), Sociale samenhang: Participatie, vertrouwen en integratie (p.53-70). Den Haag: CBS

Beuningen, J. van & Schmeets, H. (2013). Developing a Social Capital Index for the Netherlands, Social Indicators Research, 113(3), 859-886.

Bisschops, S. (2022). Participatie en vertrouwen: Hoe participatie wel én niet kan bijdragen aan het versterken of herstellen van vertrouwen van burgers in het openbaar bestuur. Provincie Zuid Holland.

Groffen, D. & Coumans, M. (2025). Ontwikkelingen in het verenigingsleven. Statistische Trends.

Groffen, D. & Schmeets, H. (2025). Vrijwilligerswerk 2024.

Janssen, L. & Montfort, N. van (2026). Vertrouwen in de politiek, 2016-2025. Statistische Trends.

Kroll, C. (2011). Different Things Make Different People Happy: Examining Social Capital and Subjective Well-Being by Gender and Parental Status, Social Indicators Research, 104(1), 157-177.

Matsushima, M. & Matsunaga, Y. (2015). Social Capital and Subjective Well-Being in JapanInternational Journal of Voluntary and Nonprofit Organizations 26(4), 1016–1045.

Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk. (1980). Vrijwilligersbeleid, eerste deelrapport. Den Haag: Staatsuitgeverij.

Portela, M., Neira, I. & del Mar Salinas-Jiménez, M. (2013). Social Capital and Subjective Wellbeing in Europe: A New Approach on Social Capital, Social Indicators Research, 114, 493-511.

Rond, J. de (2026). De politieke en maatschappelijke waarde van vrijwilligerswerk. VrijwilligerswerkNL.

Schmeets, H. (2026). Sociale cohesie en veerkracht in Nederland: Mythen, beeldvorming en feiten. Maastricht University Press.

Schmeets, H. & Arends, J. (2020). Vrijwilligerswerk en welzijn. Statistische Trends.  

Schmeets, H., Marcellino, C. & Francisco Conceicao, J. (2021). De relevantie van verblijfsduur van immigranten voor hun participatie in de samenleving, Statistische Trends. 

Tabellenbijlage

B.1 Vrijwilligerswerk, achtergrondkenmerken, 2025
Totaal afgelopen 12 mnd (%)Totaal afgelopen 4 wkn (%)Jeugd- of buurt-
huiswerk (%)
School (%)Verzorging of gezondheids zorg (%)Sport vereniging (%)Culturele vereniging (%)Hobby- of gezelligheids-
vereniging (%)
Levens-
beschouwelijke organisatie (%)
Arbeids- of politieke organisatie (%)Sociale hulpverlening (%)Buurt (%)Milieu-, natuur- of dieren-
bescherming (%)
Vluchte-
lingen-
werk, mensen-
rechten (%)
Andere organisatie (%)
Totaal15 jaar of ouder47,029,45,69,78,215,15,810,17,42,23,49,84,62,19,4
Leeftijd15 tot 25 jaar46,920,67,912,16,519,94,813,16,52,53,04,74,31,85,9
Leeftijd25 tot 35 jaar38,720,46,87,34,713,94,56,95,42,12,66,52,72,25,7
Leeftijd35 tot 45 jaar52,529,85,827,64,718,63,86,96,31,22,011,04,21,46,8
Leeftijd45 tot 55 jaar48,832,06,611,36,521,45,19,27,72,33,811,25,21,69,7
Leeftijd55 tot 65 jaar45,332,13,42,910,412,44,67,67,12,13,810,84,62,511,8
Leeftijd65 tot 75 jaar54,742,65,63,615,011,211,615,39,23,05,414,07,23,316,7
Leeftijd75 jaar of ouder43,230,02,11,010,75,88,014,010,32,43,211,54,22,19,9
GeslachtMannen47,430,65,86,85,517,86,011,27,22,73,210,24,72,210,2
GeslachtVrouwen46,728,25,312,510,712,45,69,17,51,73,59,44,42,08,6
Onderwijs-
niveau
Basisonderwijs, vmbo,
mbo1
39,021,44,66,59,110,43,810,77,41,22,47,53,61,47,2
Onderwijs-
niveau
Havo, vwo, mbo2-446,728,96,29,48,216,05,010,37,51,82,59,63,91,29,1
Onderwijs-
niveau
Hbo, wo55,337,15,912,77,818,58,39,87,13,34,712,06,03,411,7
Huishoudens-
inkomen
Eerste (laagste)
kwartiel
38,822,35,77,08,58,64,79,46,62,13,19,03,62,16,7
Huishoudens-
inkomen
Tweede
kwartiel
44,527,15,19,78,712,16,311,48,81,53,28,44,42,38,8
Huishoudens-
inkomen
Derde
kwartiel
48,631,56,110,87,815,26,010,47,41,93,210,64,51,69,6
Huishoudens-
inkomen
Vierde (hoogste)
kwartiel
52,633,75,110,28,221,16,09,26,63,03,710,75,02,211,1
Sociaal-
economische
categorie
Werknemer46,027,85,411,56,117,94,88,05,82,12,99,64,11,88,4
Sociaal-
economische
categorie
Zelfstandige53,235,15,813,68,319,45,67,58,93,13,611,03,82,411,2
Sociaal-
economische
categorie
Sociale uitkering36,524,66,37,29,54,93,76,86,61,04,19,63,42,38,9
Sociaal-
economische
categorie
Gepensioneerd49,937,13,82,313,18,510,115,610,12,34,312,55,62,713,2
Sociaal-
economische
categorie
Student49,922,38,314,07,320,75,013,47,52,63,25,54,21,86,0
Sociaal-
economische
categorie
Zonder inkomen47,731,44,59,510,38,73,88,310,51,02,610,78,41,19,6
HerkomstGeboren in Nederland,
2 ouders geboren
in Nedelrand
50,933,35,89,89,217,36,611,07,22,33,210,94,81,710,8
HerkomstGeboren in Nederland,
minimaal 1 ouder
geboren in buitenland
43,123,15,911,37,713,64,67,18,01,93,37,23,41,86,7
HerkomstGeboren in buitenland33,917,44,48,44,27,13,68,47,61,93,97,04,13,85,1
ReligieGelovig50,734,36,69,510,212,56,611,517,82,34,210,64,32,810,1
ReligieNiet gelovig45,026,45,010,06,617,35,49,10,32,32,89,24,51,68,8
StedelijkheidZeer sterk stedelijk42,124,35,09,46,611,74,98,56,22,73,68,05,02,67,8
StedelijkheidSterk stedelijk45,227,94,99,27,714,35,28,87,41,63,59,44,11,78,6
StedelijkheidMatig stedelijk49,732,85,110,49,217,05,910,17,32,13,19,63,71,49,8
StedelijkheidWeinig stedelijk52,134,27,69,710,118,76,713,38,22,13,111,45,42,711,0
StedelijkheidNiet stedelijk54,1345,911,68,416,510,113,69,73,83,315,24,51,513,3

B.2. Hoe vaak en hoe lang besteden vrijwilligers aan vrijwilligerswerk en wat zijn hun toekomstplannen, 2025
Regelmatig (wekelijks of maandelijks) actief (% van vrijwilligers)Een uur of meer
per week actief (% van vrijwilligers)
Gemiddeld aantal
uur per week actief (uren)
Van plan het
vrijwilligerswerk volgend
jaar nog te doen
(% van vrijwilligers)
Totaal15
jaar of ouder
60,358,43,970,9
Leeftijd15 tot 25
jaar
51,051,23,652,6
Leeftijd25 tot 35
jaar
50,450,72,972,1
Leeftijd35 tot 45
jaar
47,043,22,671,9
Leeftijd45 tot 55
jaar
61,858,43,478,0
Leeftijd55 tot 65
jaar
65,763,54,174,7
Leeftijd65 tot 75
jaar
77,877,16,378,4
Leeftijd75
jaar of ouder
71,066,85,065,4
GeslachtMannen62,161,04,271,3
GeslachtVrouwen58,655,83,770,4
OnderwijsniveauBasisonderwijs,
vmbo, mbo1
57,055,24,460,0
OnderwijsniveauHavo, vwo,
mbo2-4
59,959,03,871,7
OnderwijsniveauHbo, wo62,960,03,876,7
Huishoudens-
inkomen
Eerste (laagste)
kwartiel
62,662,05,061,6
Huishoudens-
inkomen
Tweede
kwartiel
59,958,54,268,2
Huishoudens-
inkomen
Derde
kwartiel
61,258,43,872,7
Huishoudens-
inkomen
Vierde (hoogste)
kwartiel
59,256,83,475,5
Sociaal-
economische
categorie
Werknemer54,852,63,074,9
Sociaal-
economische
categorie
Zelfstandige57,553,93,072,0
Sociaal-
economische
categorie
Sociale uitkering71,664,86,566,2
Sociaal-
economische
categorie
Gepensioneerd75,573,35,872,5
Sociaal-
economische
categorie
Student51,752,23,654,7
HerkomstGeboren
in Nederland,
beide ouders
geboren
in Nederland
62,660,04,173,5
HerkomstGeboren
in Nederland,
1 of 2 ouders
geboren
in het
buitenland
53,454,03,162,6
HerkomstGeboren
in het
buitenland
51,352,03,860,7
ReligieGelovig66,463,24,471,4
ReligieNiet gelovig55,454,23,571,6
StedelijkheidZeer sterk
stedelijk
58,858,83,967,4
StedelijkheidSterk
stedelijk
59,156,23,870,0
StedelijkheidMatig
stedelijk
61,660,24,171,6
StedelijkheidWeinig
stedelijk
63,560,94,274,8
StedelijkheidNiet
stedelijk
57,053,53,771,7