4. Verschillen tussen de cijfers
In voorgaande paragraaf is in beeld gebracht hoe de aantallen NEETs op basis van de registerdata en de EBB verschillen. Vraag is wat mogelijk ten grondslag ligt aan deze verschillen.
Institutionele bevolking
Voor de registers wordt uitgegaan van alle jongeren, dus inclusief de jongeren die wonen in een institutioneel huishouden. In totaal ging het om 34 duizend jongeren. In de EBB worden de jongeren in een institutioneel huishouden buiten beschouwing gelaten. Van de 34 duizend jongeren in een institutioneel huishouden volgen 20 duizend geen onderwijs en hebben geen werk. Zou je de jongeren in institutionele huishoudens niet meenemen in de registers dan zou het aantal NEETS geschat worden op 229 duizend in 2024.
Bekostigd onderwijs versus alle onderwijs
In de onderwijsregistraties worden alle jongeren meegenomen die geregistreerd staan in het door de overheid bekostigde onderwijs in Nederland. Jongeren die een opleiding volgen in het buitenland of bij een particuliere instelling zijn niet meegenomen. In de EBB worden jongeren meegenomen die wonen in Nederland en onderwijs volgen, ongeacht of dit in Nederland is of in het buitenland. Bijvoorbeeld een jongere die in Nederland woont en een opleiding volgt aan de universiteit van Leuven (België) wordt in de EBB wel meegenomen als onderwijsvolgend, maar niet in de registraties.
Het is niet mogelijk om in de EBB alleen het bekostigde onderwijs af te bakenen. Wel kun je het niet-formele onderwijs buiten beschouwing laten. Zou je die afbakening gebruiken dan kom je op basis van de EBB op een aantal van 126 duizend NEETs in 2024, ofwel 4,8 procent van alle 15- tot 27-jarigen.
Peilmoment
Het peilmoment voor het volgen van onderwijs op basis van de registerdata is 1 oktober 2024. Voor de EBB gaat het om het gemiddelde aantal in het hele jaar. Mensen die op 1 oktober stonden ingeschreven maar later dat kwartaal zijn gestopt, zullen mogelijk in de EBB dus aangeven dat ze geen onderwijs volgen. Of andersom, mensen die na 1 oktober een opleiding zijn gestart, zijn volgens het register niet-onderwijsvolgend terwijl zij in de EBB zullen aangeven dat ze een opleiding volgen. Soortgelijks geldt voor het hebben van werk. Het peilmoment voor het hebben van werk op basis van het register is oktober 2024, er zijn daarmee alle jongeren meegenomen die in oktober werkzaam waren.
Om de vergelijking tussen de registerdata en EBB meer zuiver te maken, zou je idealiter ook voor de EBB de maand oktober als uitgangspunt nemen. De aantallen uit de EBB worden dan echter te klein om nog betrouwbare uitspraken te kunnen doen. Om toch meer in de buurt van het peilmoment te komen, kan in de EBB gekozen worden voor het vierde kwartaal van 2024. Daarbij gaat het om het gemiddelde aantal jongeren dat in dat kwartaal werkzaam was. Op basis van deze selectie zijn er 115 duizend NEETs volgens de EBB. Laat je het niet-formele onderwijs daarbij buiten beschouwing dan kom je op 131 duizend.
Wisselingen in banen
Jongeren zijn veelal werkzaam als werknemer. Registerinformatie over werknemers is gebaseerd op maandelijkse registraties van bedrijven (salarisadministratie). In de EBB wordt aan mensen gevraagd of ze betaald werk hebben. Eerder is onderzoek gedaan naar de verschillen tussen registerinformatie en de EBB over het aantal vaste- en flexibele werknemers (Vergelijking van Polis en EBB, 2021 | CBS). Eén van de conclusies uit dit onderzoek was dat er vooral verschillen te zien zijn bij bepaalde arbeidsrelaties zoals uitzend- en oproepkrachten. Juist jongeren zijn relatief vaak werkzaam in flexibele arbeidsrelaties en wisselen daarbij vaker van werkgever dan ouderen. Dat maakt het minder eenvoudig om jongeren goed te registreren. En dat geldt ook voor jongeren die de vragen hierover in de EBB beantwoorden. Bijvoorbeeld jongeren die werkzaam zijn als uitzend- of oproepkracht kunnen mogelijk aangeven dat ze werkzaam zijn, ze zijn immers uitzend- of oproepkracht. Als ze dan in oktober even niet hebben gewerkt, zijn ze die betreffende maand niet geregistreerd als werknemer. Op deze manier kunnen er verschillen ontstaan tussen registers en EBB. Dit is niet goed te kwantificeren. Optie zou kunnen zijn om, net als in het onderzoek waar naar verwezen wordt, op basis van de registerdata ook een jaargemiddelde te schatten en dat te vergelijken met het gemiddelde op basis van de EBB. Dit voert echter te ver voor dit onderzoek.
Verschil in wijze van waarneming
Bij de EBB cijfers gaat het om de eigen inschatting van de respondent. Als een jongere tijdelijk is gestopt met de opleiding, maar op een later tijdstip weer verder gaat, kan het zijn dat ze dan toch in de EBB aangeven dat ze een opleiding volgen. Voor registers geldt dat naar één moment wordt gekeken en wordt voor deze cijfers geen rekening gehouden met een tijdelijke onderbreking.
Overzicht
Uit bovenstaande blijkt dat de verschillen deels te kwantificeren zijn, namelijk de institutionele bevolking, het niet meenemen van het niet-formele onderwijs en ook deels het peilmoment. Hou je met deze verschillen rekening, dan levert dat het volgende overzicht.
| EBB | Registers | Verschil | |
|---|---|---|---|
| Totaal | 109 | 249 | 140 |
| Exclusief institutionele bevolking | 109 | 229 | 120 |
| Alleen formeel onderwijs | 126 | 229 | 103 |
| 4e kwartaal | 131 | 229 | 98 |