NEETs in Nederland
Analyse verschillen aantallen op basis van de EBB en registerdataOver deze publicatie
Doel in Nederland is dat zoveel mogelijk jongeren een opleiding volgen of aan het werk zijn. Dit is echter niet voor alle jongeren het geval. Zowel nationaal als internationaal wil men graag zicht hebben op deze zogeheten NEETs (Not in Employment, Education or Training). Het CBS publiceert hier op twee verschillende manieren over, namelijk op basis van de Enquête Beroepsbevolking (EBB) en op basis van registerinformatie. Beide bronnen komen tot verschillende aantallen. Het CBS heeft onderzoek gedaan naar deze verschillen, in deze publicatie wordt daar verslag van gedaan.
Uit dit onderzoek blijkt dat de verschillen tussen de bronnen meerdere oorzaken hebben. Zo verschilt de doelpopulatie iets omdat jongeren die in een institutioneel huishouden wonen in de registerdata wel worden meegenomen en in de EBB niet, is de afbakening van onderwijs anders en verschilt het peilmoment. Het aantal onderwijsvolgende jongeren én het aantal werkzame jongeren is op basis van de EBB hoger dan op basis van registerdata. Het aantal NEETs in de EBB is daarmee lager dan op basis van registers. Ook moet er rekening mee worden gehouden dat in de EBB met de weging niet volledig gcorrigeerd kan worden voor een (lichte) ondervertegenwoordiging van niet-onderwijsvolgende jongeren.
Het onderzoek is uitgevoerd op verzoek van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) als aanvullende statistische dienstverlening.
1. Inleiding
Jongeren in Nederland volgen veelal een opleiding en/of zijn aan het werk. Bij tieners is het vaak het eerste, bij twintigers gaat het meer om het tweede. Het volgen van een opleiding of het hebben van werk geldt echter niet voor alle jongeren. Op verzoek van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft het CBS onderzoek gedaan naar degenen die geen onderwijs volgen én geen werk hebben.
In Europees verband wordt de informatie over deze groep, de zogeheten NEETs (Not in Employment, Education or Training) gebaseerd op de Enquête Beroepsbevolking (EBB). Voor Nederland kan het aantal NEETs ook worden bepaald op basis van registerinformatie. Beide bronnen komen tot verschillende aantallen. Vandaar dat nader onderzoek wordt gedaan naar deze verschillen en de vraag centraal staat wat de mogelijke oorzaak is van deze verschillen.
Om die vraag te beantwoorden, wordt eerst in beeld gebracht hoe groot de groep NEETs in Nederland is en in welke mate de aantallen verschillen tussen de EBB en registerdata. Vervolgens wordt ingegaan op de mogelijke verklaringen, zoals welke afbakeningen zijn gebruikt en wat de peilmomenten zijn. Ook worden de microdata van beide bronnen gekoppeld en vergeleken en tot slot ingegaan op de mogelijke selectiviteit in de EBB. In deze notitie wordt hier verslag van gedaan.
2. Bronnen
Het CBS publiceert op basis van twee verschillende bronnen over het aantal jongeren van 15 tot 27 jaar die geen onderwijs volgen en niet werken. Voordat de beide bronnen worden vergeleken, worden deze eerst kort beschreven.
Enquête Beroepsbevolking (EBB)
De EBB is een steekproefonderzoek dat doorlopend door het CBS wordt uitgevoerd onder personen in particuliere huishoudens. De institutionele bevolking wordt daarmee buiten beschouwing gelaten. Doel van het onderzoek is het verstrekken van informatie over de relatie tussen mens en arbeidsmarkt. Hierbij worden kenmerken van personen in verband gebracht met hun positie op de arbeidsmarkt, waaronder of ze een opleiding volgen. Voor het volgen van een opleiding wordt gevraagd of men een lange of korte opleiding volgt en vervolgens naar kenmerken van die opleiding. Ook wordt gevraagd of ze betaald werk hebben, en zo ja op welke manier ze werkzaam zijn. Op basis van de EBB weet je zo het gemiddelde aantal mensen dat onderwijs volgt of werkt in een bepaalde periode. Respondenten worden maximaal vijf keer benaderd voor een vragenlijst met telkens een tussenliggende periode van drie maanden (roterend paneldesign). De EBB kent daarmee per persoon maximaal vijf peilingen.
De cijfers over NEETs op basis van de EBB zijn zowel op kwartaalbasis als jaarbasis beschikbaar. Voor NEETs op basis van de EBB wordt voor de internationale doelstelling de afbakening 15 tot 30 jaar gebruikt. In Nederland is het gebruikelijk om de afbakening 15 tot 27 jaar aan te houden. Informatie over de arbeidsdeelname van 15- tot 27-jarigen is beschikbaar via Jeugdmonitor StatLine: Arbeidsdeelname; jongeren (15 tot 27 jaar). In deze tabel is ook onderwijsdeelname opgenomen, waarbij het alleen om het formele onderwijs gaat. Dat wil zeggen de lange opleidingen. Informatie over zowel lange als korte opleidingen is opgenomen in de StatLine tabel Leven lang ontwikkelen; bevolking (15 tot 75 jaar).
Registerdata
De informatie in de registerdata gaat over alle jongeren van 15 tot 27 jaar in Nederland die op 1 oktober van het referentiejaar geregistreerd stonden in de Basisregistratie Personen (BRP). Daarbij wordt aangegeven of jongeren een opleiding volgen en of zij werk hebben. Of iemand een opleiding volgt, wordt bepaald aan de hand van een inschrijving in het door de overheid bekostigd onderwijs op 1 oktober van het referentiejaar. Deze informatie is afkomstig van de gegevens die de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) verzamelt. DUO bewerkt de data tot ééncijferbestanden volgens met het CBS en andere gebruikers vastgestelde afleidingen. Door de overheid bekostigd onderwijs is altijd formeel. Voor het hebben van werk gaat om de maand oktober. Deze informatie is gebaseerd op verschillende bronnen, zoals de Polisadministratie en gegevens van de Belastingdienst. Voor de gegevens over zelfstandigen geldt dat dit een jaarcijfer is. De schatting van het aantal zelfstandigen per maand is daardoor naar verwachting wat te hoog omdat niet alle jonge zelfstandigen daadwerkelijk in die betreffende maand inkomsten als zelfstandige hebben gehad.
De informatie op basis van registerinformatie is op jaarbasis beschikbaar en te vinden op StatLine: Arbeidsmarktsituatie jongeren (15 tot 27 jaar); persoonskenmerken.
3. Aantallen NEETs EBB en registerdata
Voor het in beeld brengen van de aantallen NEET’s wordt uitgegaan van de cijfers zoals het CBS die op (Jeugdmonitor) StatLine publiceert. Vervolgens wordt een vergelijking op basis van de gekoppelde microdata gemaakt. Voor de vergelijking is uitgegaan van de 2024 data.
In 2024 waren er volgens de EBB 2 641 duizend jongeren in de leeftijd van 15 tot 27 jaar in een particulier huishouden. Daarvan volgden 109 duizend geen onderwijs en hadden geen werk. Gerelateerd aan het totaal aantal jongeren in de leeftijd van 15 tot 27 jaar komt dat neer op 4,1 procent. Op basis van de EBB zijn ook de korte opleidingen, ofwel het niet-formele onderwijs, af te bakenen. Jongeren die een niet-formele opleiding volgen, worden gerekend tot de onderwijsvolgenden.
Op basis van de registerdata waren er op de peildatum (1 oktober 2024) 2 684 duizend jongeren in de leeftijd van 15 tot 27 jaar, waarvan 249 duizend NEETs. Gerelateerd aan de totale groep 15- tot 27-jarigen komt dat neer op 9,3 procent. Bij de NEETs op basis van registerdata gaat het om de jongeren die geen formele, door de overheid bekostigde opleiding volgen en geen werk hebben. Het is niet mogelijk om met registerdata het niet-formele onderwijs af te bakenen.
| Werkzaam | Niet-werkzaam | Totaal | |
|---|---|---|---|
| In onderwijs | 1 441 | 479 | 1 920 |
| In formeel onderwijs | 1 300 | 463 | 1 763 |
| In niet-formeel onderwijs | 140 | 17 | 157 |
| Niet in onderwijs | 612 | 109 | 721 |
| Totaal | 2 052 | 588 | 2 641 |
| Werkzaam | Niet-werkzaam | Totaal | |
|---|---|---|---|
| In onderwijs | 1 037 | 475 | 1 512 |
| Niet in onderwijs | 923 | 249 | 1 172 |
| Totaal | 1 959 | 724 | 2 684 |
Het verschil in aantallen NEETs tussen de EBB en registers was in 2024 140 duizend. Dit verschil is het ene jaar wat groter dan het andere jaar. Voor de EBB heeft in 2021 een herontwerp plaatsgevonden en de cijfers van 2021 en verder zijn niet zonder meer vergelijkbaar met de cijfers van voor die tijd. Als naar de situatie vanaf 2021 wordt gekeken dan blijkt dat het verschil in aantallen NEETs tussen de beide bronnen groter wordt omdat het aantal NEETs volgens de registraties sneller toeneemt dan volgens de EBB.
| EBB (x 1 000) | Register (x 1 000) | |
|---|---|---|
| 2013 | 141 | 254 |
| 2014 | 143 | 256 |
| 2015 | 115 | 255 |
| 2016 | 117 | 253 |
| 2017 | 108 | 235 |
| 2018 | 106 | 219 |
| 2019 | 108 | 211 |
| 2020 | 115 | 207 |
| 2021* | 82 | 195 |
| 2022 | 90 | 219 |
| 2023 | 101 | 230 |
| 2024** | 109 | 249 |
| * Herontwerp EBB ** Voorlopige data registers | ||
4. Verschillen tussen de cijfers
In voorgaande paragraaf is in beeld gebracht hoe de aantallen NEETs op basis van de registerdata en de EBB verschillen. Vraag is wat mogelijk ten grondslag ligt aan deze verschillen.
Institutionele bevolking
Voor de registers wordt uitgegaan van alle jongeren, dus inclusief de jongeren die wonen in een institutioneel huishouden. In totaal ging het om 34 duizend jongeren. In de EBB worden de jongeren in een institutioneel huishouden buiten beschouwing gelaten. Van de 34 duizend jongeren in een institutioneel huishouden volgen 20 duizend geen onderwijs en hebben geen werk. Zou je de jongeren in institutionele huishoudens niet meenemen in de registers dan zou het aantal NEETS geschat worden op 229 duizend in 2024.
Bekostigd onderwijs versus alle onderwijs
In de onderwijsregistraties worden alle jongeren meegenomen die geregistreerd staan in het door de overheid bekostigde onderwijs in Nederland. Jongeren die een opleiding volgen in het buitenland of bij een particuliere instelling zijn niet meegenomen. In de EBB worden jongeren meegenomen die wonen in Nederland en onderwijs volgen, ongeacht of dit in Nederland is of in het buitenland. Bijvoorbeeld een jongere die in Nederland woont en een opleiding volgt aan de universiteit van Leuven (België) wordt in de EBB wel meegenomen als onderwijsvolgend, maar niet in de registraties.
Het is niet mogelijk om in de EBB alleen het bekostigde onderwijs af te bakenen. Wel kun je het niet-formele onderwijs buiten beschouwing laten. Zou je die afbakening gebruiken dan kom je op basis van de EBB op een aantal van 126 duizend NEETs in 2024, ofwel 4,8 procent van alle 15- tot 27-jarigen.
Peilmoment
Het peilmoment voor het volgen van onderwijs op basis van de registerdata is 1 oktober 2024. Voor de EBB gaat het om het gemiddelde aantal in het hele jaar. Mensen die op 1 oktober stonden ingeschreven maar later dat kwartaal zijn gestopt, zullen mogelijk in de EBB dus aangeven dat ze geen onderwijs volgen. Of andersom, mensen die na 1 oktober een opleiding zijn gestart, zijn volgens het register niet-onderwijsvolgend terwijl zij in de EBB zullen aangeven dat ze een opleiding volgen. Soortgelijks geldt voor het hebben van werk. Het peilmoment voor het hebben van werk op basis van het register is oktober 2024, er zijn daarmee alle jongeren meegenomen die in oktober werkzaam waren.
Om de vergelijking tussen de registerdata en EBB meer zuiver te maken, zou je idealiter ook voor de EBB de maand oktober als uitgangspunt nemen. De aantallen uit de EBB worden dan echter te klein om nog betrouwbare uitspraken te kunnen doen. Om toch meer in de buurt van het peilmoment te komen, kan in de EBB gekozen worden voor het vierde kwartaal van 2024. Daarbij gaat het om het gemiddelde aantal jongeren dat in dat kwartaal werkzaam was. Op basis van deze selectie zijn er 115 duizend NEETs volgens de EBB. Laat je het niet-formele onderwijs daarbij buiten beschouwing dan kom je op 131 duizend.
Wisselingen in banen
Jongeren zijn veelal werkzaam als werknemer. Registerinformatie over werknemers is gebaseerd op maandelijkse registraties van bedrijven (salarisadministratie). In de EBB wordt aan mensen gevraagd of ze betaald werk hebben. Eerder is onderzoek gedaan naar de verschillen tussen registerinformatie en de EBB over het aantal vaste- en flexibele werknemers (Vergelijking van Polis en EBB, 2021 | CBS). Eén van de conclusies uit dit onderzoek was dat er vooral verschillen te zien zijn bij bepaalde arbeidsrelaties zoals uitzend- en oproepkrachten. Juist jongeren zijn relatief vaak werkzaam in flexibele arbeidsrelaties en wisselen daarbij vaker van werkgever dan ouderen. Dat maakt het minder eenvoudig om jongeren goed te registreren. En dat geldt ook voor jongeren die de vragen hierover in de EBB beantwoorden. Bijvoorbeeld jongeren die werkzaam zijn als uitzend- of oproepkracht kunnen mogelijk aangeven dat ze werkzaam zijn, ze zijn immers uitzend- of oproepkracht. Als ze dan in oktober even niet hebben gewerkt, zijn ze die betreffende maand niet geregistreerd als werknemer. Op deze manier kunnen er verschillen ontstaan tussen registers en EBB. Dit is niet goed te kwantificeren. Optie zou kunnen zijn om, net als in het onderzoek waar naar verwezen wordt, op basis van de registerdata ook een jaargemiddelde te schatten en dat te vergelijken met het gemiddelde op basis van de EBB. Dit voert echter te ver voor dit onderzoek.
Verschil in wijze van waarneming
Bij de EBB cijfers gaat het om de eigen inschatting van de respondent. Als een jongere tijdelijk is gestopt met de opleiding, maar op een later tijdstip weer verder gaat, kan het zijn dat ze dan toch in de EBB aangeven dat ze een opleiding volgen. Voor registers geldt dat naar één moment wordt gekeken en wordt voor deze cijfers geen rekening gehouden met een tijdelijke onderbreking.
Overzicht
Uit bovenstaande blijkt dat de verschillen deels te kwantificeren zijn, namelijk de institutionele bevolking, het niet meenemen van het niet-formele onderwijs en ook deels het peilmoment. Hou je met deze verschillen rekening, dan levert dat het volgende overzicht.
| EBB | Registers | Verschil | |
|---|---|---|---|
| Totaal | 109 | 249 | 140 |
| Exclusief institutionele bevolking | 109 | 229 | 120 |
| Alleen formeel onderwijs | 126 | 229 | 103 |
| 4e kwartaal | 131 | 229 | 98 |
5. Vergelijking op basis van microdata
Aanvullend op de geconstateerde verschillen tussen beide bronnen in het aantal NEETs, is de registerinformatie uit 2024 gekoppeld aan de EBB van 2024. Op deze manier kan worden bekeken in hoeverre jongeren die in de EBB hebben aangegeven onderwijs te volgen en/of betaald werk te hebben, ook als onderwijsvolgend en/of werkzaam terug te vinden zijn in de registers.
Voor deze analyse is ervoor gekozen om gegevens uit de EBB van het vierde kwartaal van 2024 te gebruiken. Een klein aantal respondenten heeft twee keer in een kwartaal deelgenomen, hierop is ontdubbeld. De aantallen zoals opgenomen in de tabellen 5.1 en 5.2 wijken hierdoor iets af van de in tabel 3.1 gepresenteerde aantallen.
Niet alle EBB records koppelen met de registerdata. Dit heeft met name met het peilmoment te maken. Omdat je uitgaat van de groep 15 tot 27 jaar in de EBB in het vierde kwartaal terwijl je voor de registers uitgaat van 15 tot 27 jaar op 1 oktober, zijn er jongeren die in het vierde kwartaal 15 worden en daarmee in de EBB meetellen maar in de registers niet. In de vergelijking van de gekoppelde gegevens, is een klein deel dus onbekend. Andersom geldt overigens ook dat er jongeren zijn die in het vierde kwartaal 27 jaar worden en niet altijd meetellen in de EBB maar wel in het register. Omdat de EBB het uitgangspunt is, zie je die mismatch echter niet in de gekoppelde data.
Na koppeling van het register aan de EBB is zowel het volgen van onderwijs als het hebben van werk bekeken. Allereerst is nagegaan welke jongeren volgens de EBB onderwijs volgen en voor welke groep dat ook geldt op basis van registerinformatie.
Volgens de EBB volgden 1 706 duizend jongeren een formele opleiding in het vierde kwartaal 2024. Daarvan waren er 1 580 duizend die volgens het register formeel onderwijs volgden (93 procent). Verder zeiden 163 duizend jongeren in de EBB niet-formeel onderwijs te volgen. Daarvan waren er 19 duizend volgens het register onderwijsvolgend. Niet-formeel onderwijs kan op dit moment in registraties niet worden gemeten omdat die opleidingen niet door de overheid bekostigd zijn. Dat gebeurt wel in de EBB als jongeren dit hebben aangegeven. Jongeren die niet-formeel onderwijs volgen, worden als onderwijsvolgend gerekend.
Tot slot volgden 743 duizend jongeren volgens de EBB geen onderwijs, waarvan 704 duizend volgens het register ook niet als onderwijsvolgend stonden ingeschreven (95 procent).
| EBB | ||||
|---|---|---|---|---|
| In formeel onderwijs | In niet-formeel onderwijs | Niet in onderwijs | Totaal | |
| Register | ||||
| In onderwijs (x 1 000) | 1 580 | 19 | 38 | 1 638 |
| Niet in onderwijs (x 1 000) | 106 | 144 | 704 | 954 |
| Onbekend (x 1 000) | 19 | 0 | 0 | 20 |
| Totaal (x 1 000) | 1 706 | 163 | 743 | 2 612 |
| In onderwijs (%) | 93 | 12 | 5 | |
| Niet in onderwijs (%) | 6 | 88 | 95 | |
| Onbekend (%) | 1 | 0 | 0 | |
| Totaal (%) | 100 | 100 | 100 | |
| * Voor de EBB gaat het om het 4e kwartaal, voor de registerdata om de situatie op 1 oktober. | ||||
Vervolgens is nagegaan welke jongeren volgens de EBB betaald werk hadden in het vierde kwartaal van 2024 en hoeveel daarvan ook volgens het register werk hadden. De aantallen en percentages hiervan zijn te vinden in tabel 5.2. Op basis van de EBB waren er 2 035 duizend jongeren met betaald werk. Hiervan waren er 1 831 duizend ook volgens de registerdata werkzaam (90 procent).
Daarnaast waren er 576 duizend jongeren van 15 tot 27 jaar niet werkzaam volgens de EBB. Daarvan zijn er 101 duizend wel als werkzaam terug te vinden in het register (18 procent).
| EBB | |||
|---|---|---|---|
| Werkzaam | Niet werkzaam | Totaal | |
| Werkzaam (x 1 000) | 1 831 | 101 | 1 932 |
| Niet werkzaam (x 1 000) | 194 | 465 | 660 |
| Onbekend (x 1 000) | 10 | 10 | 20 |
| Totaal (x 1 000) | 2 035 | 576 | 2 612 |
| Werkzaam (%) | 90 | 18 | |
| Niet werkzaam (%) | 10 | 81 | |
| Onbekend (%) | 0 | 2 | |
| Totaal (%) | 100 | 100 | |
| * Voor de EBB gaat het om het 4e kwartaal, voor de registerdata om de situatie op 1 oktober. | |||
6. EBB en selectiviteit
De EBB is een steekproefonderzoek onder 15- tot 90-jarigen. In de steekproef en weging wordt er rekening mee gehouden dat bepaalde groepen minder vaak deelnemen aan enquêtes (selectiviteit). Zo worden bepaalde groepen mensen oververtegenwoordigd in de steekproef, zoals mensen die geregistreerd staan als werkzoekende bij UWV. Daarnaast vindt er in de EBB een weging met ophoging plaats naar de Nederlandse bevolking waarbij respondenten een gewicht krijgen dat corrigeert voor selectiviteit in de respons. Het doel hiervan is de representativiteit van verschillende groepen mensen met verschillende achtergrondkenmerken in Nederland te bewerkstelligen.
Er kan echter niet voor alle kenmerken die zorgen voor selectiviteit gecorrigeerd worden in een weging. Zo zijn er binnen de groep jongeren ook nog weer groepen die relatief goed responderen en groepen die minder goed responderen.
Voor dit onderzoek naar NEETs is specifiek nagegaan in hoeverre de selectiviteit in de EBB een rol speelt bij het schatten van het aantal NEETs. Hiervoor is gebruik gemaakt van de koppeling tussen de EBB en de registraties. Vervolgens is de groep geselecteerd die volgens de registers geen onderwijs volgt en geen werk heeft. Omdat in de EBB de institutionele bevolking buiten beschouwing wordt gelaten, zijn die in deze analyse ook niet meegenomen. Als de gewogen aantallen vervolgens ongeveer gelijk zijn aan het aantal NEETs op basis van registraties, dan zijn de NEETs goed vertegenwoordigd in de EBB.
Het aantal NEETs (exclusief de institutionele bevolking) op basis van registers was 229 duizend in 2024. De met de EBB gekoppelde en met het EBB gewicht gewogen aantallen zijn lager, namelijk 147 duizend. Omdat de populatieaantallen iets verschillen, is ook naar de aandelen gekeken. Volgens de registers gaat het om 8,7 procent, op basis van de met de EBB gewogen cijfers 5,6 procent.
Dit betekent dat de groep NEETs in de EBB niet volledig wordt waargenomen en dat hier met de weging ook niet volledig voor gecorrigeerd wordt. Voor het volgen van onderwijs zijn de verschillen met de registraties daarbij groter dan voor het hebben van betaald werk.
| Werkzaam | Niet werkzaam | Totaal | |
|---|---|---|---|
| In onderwijs | 1 034 | 470 | 1 504 |
| Niet in onderwijs | 916 | 229 | 1 146 |
| Totaal | 1 950 | 699 | 2 650 |
| 1) Exclusief jongeren in institutionele huishoudens. | |||
| Werkzaam | Niet werkzaam | Totaal | |
|---|---|---|---|
| In onderwijs | 1 125 | 516 | 1 641 |
| Niet in onderwijs | 829 | 147 | 976 |
| Totaal | 1 954 | 663 | 2 617 |
| 1) Exclusief jongeren in institutionele huishoudens. 2) Registers gekoppeld aan EBB meting, afbakening van onderwijs en werk op basis van registerinformatie en gewogen met EBB gewichten. | |||
7. Conclusie
De aantallen NEETs op basis van de EBB en registerdata verschillen. In 2024 ging het om een verschil van 140 duizend. Recent laten beide bronnen een toename van het aantal NEETs zien, wel is die toename in registers sterker dan op basis van de EBB waardoor de verschillen in aantallen tussen de bronnen toenemen. Ook als percentage van het totaal aantal jongeren van 15 tot 27 jaar verschillen de beide bronnen. Op basis van de EBB ging het om 4,1 procent in 2024, op basis van de registerdata om 9,3 procent.
De verschillen tussen de bronnen hebben meerdere oorzaken. Drie zijn deels te kwantificeren, namelijk jongeren in institutionele huishoudens, het al dan niet meenemen van het niet-formele onderwijs en het peilmoment. Door de beide bronnen hierin zoveel mogelijk gelijk te trekken, kom je voor de EBB op 131 duizend NEETs en op basis van de registers op 229 duizend.
Aanvullend op de geconstateerde verschillen tussen beide bronnen in het aantal NEETs, is nagegaan in hoeverre jongeren die in de EBB hebben aangegeven onderwijs te volgen en/of betaald werk te hebben, ook als onderwijsvolgend en/of werkzaam terug te vinden zijn in de registers. Zowel het aantal onderwijsvolgende jongeren als het aantal werkzame jongeren is op basis van de EBB hoger dan op basis van registerdata. Van degenen die volgens de EBB een formele opleiding volgen, is 93 procent ook als onderwijsvolgend terug te vinden in de registraties. Van degenen die in de EBB aangeven werk te hebben, geldt voor 90 procent dat ze ook werkzaam zijn volgens de registerdata.
Tot slot is de selectiviteit in de respons in de EBB een aandachtspunt. De NEETs, en met name jongeren die geen onderwijs volgen, zijn ondervertegenwoordigd in de EBB en hiervoor kan niet volledig worden gecorrigeerd met de weging.
Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat beide bronnen een beeld geven van de niet-onderwijsvolgende jongeren zonder werk in Nederland. Beide bronnen hebben daarbij hun aandachtspunten met als gevolg dat de registers het aantal NEETs wat overschatten terwijl de EBB het aantal NEETs wat onderschat.