De energierekening – januari 2026

4. Verschillen tussen huishoudens

Ieder huishouden ontvangt (minimaal) jaarlijks een energierekening, waarvan de hoogte niet alleen bepaald wordt door de prijs van energie, maar ook door het energieverbruik. Een hoger gas- of elektriciteitsverbruik leidt, bij een vergelijkbare prijs in het contract, tot een hogere energierekening. Het energieverbruik varieert per huishouden en hangt samen met kenmerken van de woning en de samenstelling en levensstijl van het huishouden. Dit laatste hoofdstuk geeft inzicht in de spreiding van de energierekening tussen en binnen groepen van woningen en hun bewoners, uitgaande van de energietarieven die in de vorige hoofdstukken zijn gepresenteerd. De analyses vinden plaats op het niveau van individuele woningen, omdat de afrekening van energie ook veelal op woningniveau plaatsvindt. Binnen de woning wordt alleen gekeken naar het aantal bewoners, ongeacht of deze bewoners één of meerdere huishoudens vormen.

Dit hoofdstuk spitst zich toe op woningen die hoofdzakelijk met aardgas of elektriciteit worden verwarmd. Voor woningen met stadswarmte wordt voor het eerst een indicatie van de energierekening gegeven op basis van nieuwe gegevens.

4.1 Energierekening van groepen woningen 2019–2026

Aardgaswoningen zijn woningen die hoofdzakelijk worden verwarmd met aardgas en zij maakten in 2024 bijna 83 procent van de totale woningvoorraad uit. Het CBS ontwikkelde op verzoek van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (sinds 2024: het Ministerie van Klimaat en Groene Groei) tien herkenbare profielen van aardgaswoningen en hun bewonersklasse. De tien profielen van aardgaswoningen zijn tot stand gekomen door het groeperen van woningen op basis van gedetailleerde categorieën voor het aantal bewoners, bouwjaar, woonoppervlakte en woningtype, zoals in de bijbehorende StatLinetabel. Daarbij is een ‘rijwoning’ een samenvoeging van tussen-, hoek- of 2-onder-1-kapwoningen. Appartementen en vrijstaande woningen zijn apart onderscheiden. De aanduiding ‘oud’ in de profielen heeft betrekking op woningen met een bouwjaar tot 1992 en ‘nieuw’ duidt op woningen die zijn gebouwd in 1992 of daarna. ‘Kleine’ woningen zijn woningen met een woonoppervlak tot 100 m2, ‘middelgrote’ woningen hebben een oppervlak van 100 tot 150 m2 en ‘grote’ woningen zijn vanaf 150 m2. Bij het aantal bewoners, tot slot, wordt in de profielen onderscheid gemaakt tussen één bewoner en twee of meer bewoners. De tien profielen zijn samengesteld op basis van doorsneden van deze genoemde kenmerken. Bij het selecteren van de doorsneden is gezocht naar een overzichtelijk aantal herkenbare profielen die een goed beeld geven van de spreiding van de energierekeningen in Nederland. Heel kleine doorsneden zijn daarbij buiten de beschouwing gelaten. De tien profielen omvatten ongeveer drie kwart van alle aardgaswoningen in Nederland. In 2024 zijn er drie aanvullende profielen samengesteld, namelijk hoofdzakelijk elektrisch verwarmde woningen, en appartementen en rijwoningen met stadswarmte. Het profiel van hoofdzakelijk elektrisch verwarmde woningen omvatte in 2024 bijna 9 procent van de woningvoorraad. Het gaat om woningen die verwarmd worden middels een warmtepomp bekend vanuit een ISDE- of energielabelregistratie, of een warmtepomp of andere elektrische installatie die een sterk seizoensafhankelijk elektriciteitsverbruik vertoont gedurende het jaar. Woningen met hoofdzakelijk elektrische verwarming verwarmen soms bij met gas in koude maanden, bijvoorbeeld bij een warmtepomp in een hybride opstelling (vaak aangeduid met 'hybride warmtepomp'). Het CBS publiceert (nog) niet regulier over stadswarmteleveringen op individueel niveau. Op basis van een recente dataverkenning kan het CBS wel een schatting maken van de energierekening voor de twee profielen van stadswarmtewoningen. In dit hoofdstuk worden de cijfers over het energieverbruik en de energierekening van de verschillende profielen van aardgaswoningen en hoofdzakelijk elektrisch verwarmde woningen getoond. De voorlopige cijfers over de profielen van stadswarmtewoningen krijgen aandacht in een apart tekstblok.

Sinds 2019 wordt elk jaar het gemiddeld aardgas- en elektriciteitsverbruik van de groepen aardgaswoningen gepubliceerd, met als meest recente jaar 2024. Figuur 4.1.1 en 4.1.2 tonen de ontwikkeling in het energieverbruik van de 10 aardgaswoningprofielen en de hoofdzakelijk elektrisch verwarmde woningen vanaf 2019 (zie toelichting ‘Nieuwe methode voor bepaling energieleveringen aan woningen’). 

Figuur 4.1.1 laat zien dat het aardgasverbruik van de tien profielen van aardgaswoningen over de jaren 2019–2021 redelijk stabiel was, maar fors daalde in 2022 en 2023. In 2024 nam voor alle aardgasprofielen het aardgasverbruik weer iets toe ten opzichte van een jaar eerder. Er werd gemiddeld zo’n 3 procent meer verbruikt ten opzichte van 2023. De aardgasverbruiken zijn gecorrigeerd voor het weer, waardoor er geen sprake is van invloeden door een zachte of strenge winter. Deze cijfers tonen dus de ontwikkeling van aardgasverbruik als gevolg van enerzijds gedragsaanpassingen, zoals de thermostaat hoger of lager zetten, en anderzijds aanpassingen aan de woning zoals woningisolatie. Aardgasbesparing ten gevolge van het installeren van een hybride of volledig elektrische warmtepomp of het aansluiten op een warmtenet) komt niet terug in deze cijfers voor aardgaswoningen omdat deze woningen na overstappen op een warmtepomp of warmtenet vallen onder de categorie ‘hoofdzakelijk elektrisch verwarmd’ of de niet getoonde profielen met stadswarmtewoningen.  Dat effect wordt vooral duidelijk uit de groei van de groep hoofdzakelijk elektrisch verwarmde woningen, van 1 procent in 2019 tot bijna 9 procent in 2024. Deze groep woningen is een mix van woningen met een volledig elektrische warmtepomp, een hybride warmtepomp, en woningen die op een andere manier hoofdzakelijk elektrisch verwarmd worden. Vanwege de complexe en snel veranderende samenstelling van de populatie elektrisch verwarmde woningen is het lastig om de ontwikkelingen van het gasverbruik van deze woningen te duiden.

4.1.1 Ontwikkeling weergecorrigeerd aardgasverbruik per groep woningen
 2019 (m3)2020 (m3)2021 (m3)2022 (m3)2023 (m3)2024* (m3)
Elektrisch verwarmde woning490450270290300280
Hoofdzakelijk met aardgas verwarmde woningen
Een bewoner in nieuw, klein appartement650650650580530550
Een bewoner in oud, klein appartement860850850750670690
Twee of meer bewoners in oud, klein appartement106010601060940840860
Een bewoner in oude, kleine rijwoning112011001110940830850
Een bewoner in oude, middelgrote rijwoning13301300132011209801010
Twee of meer bewoners in oude, kleine rijwoning13001270128010809601000
Twee of meer bewoners in nieuwe, middelgrote rijwoning114011301130970870900
Twee of meer bewoners in oude, middelgrote rijwoning146014401450122010701110
Twee of meer bewoners in oude, grote rijwoning207020202050172014701520
Twee of meer bewoners in oude, grote vrijstaande woning260025402540213017801850
* voorlopige cijfers

Het netto-elektriciteitsverbruik in Figuur 4.1.2 daalt voor de meeste profielen van woningen en bewoners van jaar op jaar. Dit vooral name door de toename van de eigen opwek van zonnestroom en is dus vooral zichtbaar bij woningen die daarvoor geschikt zijn. Zo was de daling van de netto-elektriciteitslevering in 2024 ten opzichte van 2021 het grootst onder profielen van (middelgrote) rijwoningen met meerdere bewoners en vrijstaande woningen, met ruim 30 procent. Voor profielen van appartementen met aardgas was de daling met 10 tot 15 procent het kleinst.

4.1.2 Ontwikkeling netto-elektriciteitsverbruik 1) per groep van aardgaswoningen
 2019 (kWh)2020 (kWh)2021 (kWh)2022 (kWh)2023 (kWh)2024* (kWh)
Elektrisch verwarmde woning262025802700221020102080
Hoofdzakelijk met aardgas verwarmde woningen
Een bewoner in nieuw, klein appartement157015801580143013701350
Een bewoner in oud, klein appartement154015601570145014001390
Twee of meer bewoners in oud, klein appartement223022702300211020502060
Een bewoner in oude, kleine rijwoning161015601540137012401190
Een bewoner in oude, middelgrote rijwoning188018301790158014101340
Twee of meer bewoners in oude, kleine rijwoning265025902560222019901920
Twee of meer bewoners in nieuwe, middelgrote rijwoning295028402780228019301870
Twee of meer bewoners in oude, middelgrote rijwoning296028602800236020201950
Twee of meer bewoners in oude, grote rijwoning353033803330275023302280
Twee of meer bewoners in oude, grote vrijstaande woning409038903820311026202580
1) Het netto elektriciteitsverbruik betreft de bruto elektriciteitslevering, verrekend met de eventuele teruglevering; indien de teruglevering groter is dan de levering is de netto-levering of het netto-verbruik op 0 kWh gesteld. * voorlopige cijfers

Het energieverbruik van woningen in 2025 en 2026 is nog niet bekend op microniveau. Daarom wordt, net als in Hoofdstuk 2, gebruikgemaakt van prognoses voor het energieverbruik in deze jaren. Het PBL heeft hiervoor een prognose gemaakt die is gebaseerd op CBS-data van slimme meters en een bewerking van resultaten van de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) van 2024 en 2025. Er is niet voldoende informatie om bij de prognose onderscheid te maken tussen woningen naar de benodigde kenmerken. Voor alle profielen van woningen wordt daarom aangenomen dat het energieverbruik met hetzelfde percentage verandert ten opzichte van 2024, gebaseerd op de ontwikkelingen in het gemiddelde verbruik, zoals weergegeven in Hoofdstuk 2. 

Volgens de prognose van PBL stijgt het gemiddelde aardgasverbruik ten opzichte van het referentiejaar 2024 eerst met 1,1 procent in 2025, waarna in 2026 een daling van 3,2 procent wordt verwacht. Voor het netto-elektriciteitsverbruik wordt ten opzichte van referentiejaar 2024 eerst een stijging van 1,8 procent in 2025 en daarna een daling van 1,5 procent in 2026 verwacht. Met andere woorden: in 2025 wordt een lichte stijging van zowel het netto-elektriciteits- en aardgasverbruik verwacht en in 2026 juist een lichte daling. Bij de inschatting van dit gasverbruik wordt uitgegaan van gemiddelde weersomstandigheden in Nederland; het gaat om voor het weer gecorrigeerde verbruiken. Het is belangrijk om te beseffen dat prognoses onzekerheden kennen. Het is bijvoorbeeld zeer onzeker hoe het stookgedrag zich ontwikkelt.

Met de landelijke jaargemiddelde energieprijzen voor de jaren 2021–2025, en voor 2025 en 2026 de januariprijzen en de verbruiksprognose (voor het gehele jaar), kan een indicatief beeld worden gegeven van de ontwikkeling in de gemiddelde energierekening per woningprofiel (zie Figuur 4.1.3 en Tabel 4.1.4). Hierbij zijn zowel de waargenomen veranderingen in de energieprijzen als de verwachte veranderingen in de energieverbruiken volgens de prognose van het PBL meegenomen. Ook is voor 2023 rekening gehouden met het prijsplafond. Er is hierbij geen rekening gehouden met eventuele effecten van het moment van afrekenen op de prijsplafondkorting (zie De energierekening januari 2024 | CBS voor een omschrijving van dit effect). Ook wordt, zoals in alle berekeningen, gewerkt met gemiddelde prijzen over alle contracten heen, omdat er geen informatie beschikbaar is over contractprijzen op individueel niveau. De onderliggende aanname bij deze berekeningen is dat contractprijzen willekeurig over alle profielgroepen zijn verdeeld zodat dit geen invloed heeft op het gemiddelde per groep. Prijsveranderingen hebben vooral veel effect op de energierekening als het energieverbruik in de periode ook hoog is. Voor zowel het aardgas- als netto-elektriciteitsverbruik geldt dat er met name in de wintermaanden veel energie van het net wordt afgenomen. Vanaf verslagjaar 2022 beschikt het CBS voor woningen met een slimme meter over het energieverbruik op maandbasis. Deze maandelijkse verbruiken zijn gebruikt om voor 2022–2025 gewogen gemiddelde prijzen te berekenen (zie de technische toelichting). Dat geeft een nauwkeurigere bepaling van de energierekening dan wanneer wordt gewerkt met een rekenkundig gemiddelde prijs, waarbij alle maanden even zwaar meewegen.

De gemiddelde energierekening per profiel is berekend door voor elke woning individueel de energierekening te berekenen, en daarna te middelen over alle woningen van een profiel. Merk op dat de energierekening voor januari 2025 in Tabel 4.1.4 niet overeenkomt met die voor geheel 2025 zoals weergegeven in Figuur 4.1.3. Dit komt doordat we in Figuur 4.1.3 de energierekening baseren op het gewogen gemiddelde prijspeil van 2025, tegenover het prijspeil van alleen de maand januari 2025 in Figuur 4.1.4. 

4.1.3 Indicatie gemiddelde energierekening naar woningprofiel 1) 2)
 2022 (euro per jaar)2023 met prijsplafond (euro per jaar)2024 (euro per jaar)2025 (euro per jaar)
Elektrisch verwarmde woning670111010301050
Hoofdzakelijk met aardgas verwarmde woningen
Een bewoner in nieuw, klein appartement1010130013501400
Een bewoner in oud, klein appartement1250150015401590
Twee of meer bewoners in oud, klein appartement1700198019902010
Een bewoner in oude, kleine rijwoning1490167017101750
Een bewoner in oude, middelgrote rijwoning1800195019702010
Twee of meer bewoners in oude, kleine rijwoning1940213021202150
Twee of meer bewoners in nieuwe, middelgrote rijwoning1800197019802010
Twee of meer bewoners in oude, middelgrote rijwoning2170232022902310
Twee of meer bewoners in oude, grote rijwoning2980313029502960
Twee of meer bewoners in oude, grote vrijstaande woning3650383034803480
1) Zie technische toelichting voor berekeningswijze. 2) De cijfers in deze figuur kunnen per profielgroep en per jaar afwijken van eerdere publicaties doordat er nu voor 2024 energieleveringen op microniveau beschikbaar zijn, terwijl eerder nog met prognoses werd gewerkt. Evenzo is de prognose voor de energieleveringen in 2025 nu waarschijnlijk preciezer doordat die gebaseerd is op recentere waarnemingen.

4.1.4 Indicatie van de energierekening op jaarbasis voor elk
woningprofiel bij prijsniveau januari 2025 en januari 2026 en
ingeschat verbruik voor 2025 en 20261) (euro)
Januari 2025Januari 2026Verschil in euro2)
Hoofdzakelijk elektrisch verwarmde woning1 0601 020-40
Hoofdzakelijk met aardgas verwarmde woningen:
Een bewoner in nieuw, klein appartement1 4001 380-20
Een bewoner in oud, klein appartement1 5901 560-30
Twee of meer bewoners in oud, klein appartement2 0201 970-60
Een bewoner in oude, kleine rijwoning1 7601 730-30
Een bewoner in oude, middelgrote rijwoning2 0101 970-50
Twee of meer bewoners in oude, kleine rijwoning2 1602 100-60
Twee of meer bewoners in nieuwe, middelgrote rijwoning2 0201 970-50
Twee of meer bewoners in oude, middelgrote rijwoning2 3202 250-70
Twee of meer bewoners in oude, grote rijwoning2 9802 880-100
Twee of meer bewoners in oude, grote vrijstaande woning3 5003 370-130
1) De cijfers voor januari 2025 in deze tabel wijken per profielgroep af van eerdere publicaties doordat de prognose voor de energieleveringen in 2025 gebaseerd kan worden op recentere waarnemingen (microdata voor 2024 in plaats van 2023).
2) Door afronding kan dit bedrag afwijken van het verschil tussen de getoonde cijfers over januari 2025 en 2026.

Net als in eerdere jaren blijkt uit Figuur 4.1.3 en Tabel 4.1.4 dat van alle aardgaswoningen de eenpersoonshuishoudens in een klein, nieuw appartement het minst uitgeven aan energie, terwijl meerpersoonshuishoudens in grote, oude vrijstaande woningen de hoogste energierekening hebben. Uit Figuur 4.1.3 is te berekenen dat deze laatste groep in 2023 gemiddeld 2,9 keer zoveel uitgaf aan gas en elektriciteit dan de eenpersoonshuishoudens met een klein, nieuw appartement. Gemiddeld over 2025 nam dat verschil af tot 2,5 keer. Dit was per saldo het gevolg van de afschaffing van het prijsplafond in combinatie met een verhoging van de vaste kosten van ruim 160 euro. In januari 2026 is het verschil tussen het aardgaswoningprofiel met het hoogste en het laagste verbruik vergelijkbaar met 2025, namelijk een factor 2,4 (dit is te berekenen uit Tabel 4.1.4).

De verkleining van de verschillen in de energierekening voor aardgaswoningen met een hoog en een laag energieverbruik is vooral toe te schrijven aan een verhoging van de vaste jaarlijkse kosten (inclusief de vaste vermindering van de energiebelasting) met ongeveer 530 euro tussen 2022 en januari 2026. Enerzijds werden de vaste kosten voor levering en transport van elektriciteit en gas verhoogd, en anderzijds werd de vaste jaarlijkse teruggave van de energiebelasting verlaagd. Deze belastingvermindering, die ook bekend is als de ‘heffingskorting’, was in 2022 tijdelijk sterk verhoogd om de energierekening van huishoudens betaalbaar te houden. Per 1 januari 2023 werd de heffingskorting voor energiebelasting weer verlaagd en werd het beleid voor de betaalbaarheid van de energierekening vormgegeven via een prijsplafond voor de variabele tarieven tot een bepaald verbruik. In 2024 was er geen prijsplafond en is de vaste teruggave van de energiebelasting weer iets verhoogd, maar deze bleef per saldo onder het niveau van 2022. De grootste stijging van de vaste lasten tussen 2022 en januari 2026 wordt echter veroorzaakt door de stijging van de vaste leverings- en transportkosten van aardgas en (vooral) elektriciteit. Een stijging van de vaste lasten, onafhankelijk van het verbruik, pakt relatief nadelig uit voor huishoudens met een laag verbruik. Zij betalen relatief een groter deel van hun energierekening aan verbruiksonafhankelijke kosten.

De hoofdzakelijk elektrisch verwarmde woningen hebben de laagste energierekening. Bij het prijspeil van januari 2026 bedraagt de energierekening van deze woningen gemiddeld 1 020 euro (exclusief eventuele terugleverkosten; zie paragraaf 4.2). Hiervoor zijn meerdere verklaringen. Ten eerste heeft de meerderheid van de hoofdzakelijk elektrisch verwarmde woningen ook zonnepanelen. In 2024 had 71 procent van deze woningen zonnepanelen, meer dan elk van de profielen van woningen die hoofdzakelijk met aardgas worden verwarmd. Met zonnepanelen kan (een deel van) de elektriciteitsvraag worden gehaald uit de eigen opwek van zonnestroom. Met de salderingsregeling kan bovendien de teruggeleverde eigen opwek worden verrekend met de van het net afgenomen stroom. Er wordt dus alleen over de nettolevering leveringskosten en energiebelasting betaald. Voor 18 procent van deze woningen is de netto-elektriciteitslevering of het nettoverbruik zelfs 0 kWh (zie: Energielevering particuliere woningen naar woningkenmerken, 2019-2024 | CBS). Ten tweede speelt bij de hoofdzakelijk elektrisch verwarmde woningen ook dat meer dan de helft ervan volledig aardgasvrij is. Het niet hebben van een (actieve) aansluiting voor aardgas levert met het prijspeil van januari 2026 een besparing op van ongeveer 360 euro aan vaste kosten. Tot slot zullen hoofdzakelijk elektrisch verwarmde woningen vaker een betere energetische efficiëntie hebben dan de meer traditionele aardgaswoningen. Een warmtepomp verbruikt vanwege het hoge rendement veel minder energie en daarnaast gaat het vaker om nieuwbouwwoningen of woningen die zijn gerenoveerd voordat er een warmtepomp geïnstalleerd werd. Hierdoor zal de warmtevraag in deze woningen gemiddeld lager zijn dan in oudere woningen die nog niet of minder vergaand zijn gerenoveerd. 

Figuur 4.1.5 toont de opbouw van de energierekening naar vaste en variabele kosten voor de tien aardgasprofielen en de profielen van hoofdzakelijk elektrisch verwarmde woningen en stadswarmtewoningen. Daarbij zijn de in het tekstblok hierboven beschreven cijfers over de energierekening van stadswarmtewoningen meegenomen. Stadswarmtewoningen hebben van alle woningen verhoudingsgewijs de hoogste verbruiksonafhankelijke kosten. Voor appartementen met stadswarmte gaat dit om zo’n 39 procent. Appartementen met aardgas zijn 16 tot 23 procent kwijt zijn aan vaste kosten. Voor hoofdzakelijk elektrisch verwarmde woningen vormen de vaste kosten gemiddeld 11 procent van de totale energierekening. Anders dan bij aardgaswoningen of elektrisch verwarmde woningen, waar installaties als een cv-ketel of warmtepomp meestal in eigendom zijn, maken stadwarmtewoningen meestal gebruik van een gehuurde afleverset. Omdat installatie- en onderhoudskosten van een cv-ketel of warmtepomp niet worden meegerekend, kunnen de verbruiksonafhankelijke kosten van stadswarmtewoningen op basis van dit onderzoek niet goed worden vergeleken met die van andere woningen.

4.1.5 Opbouw gemiddelde energierekening naar woningprofiel 1), prijsniveau januari 2026
 Vaste kosten in euro (euro per jaar)Variabele kosten elektriciteit in euro (euro per jaar)Variabele kosten gas in euro (euro per jaar)Variabele kosten stadswarmte in euro (euro per jaar)
Rijwoning met stadsverwarming 2)79051001080
Appartement met stadsverwarming 2)7904700740
Elektrisch verwarmde woning 3)1205403600
Hoofdzakelijk met aardgas verwarmde woningen
Een bewoner in nieuw, klein appartement3203507100
Een bewoner in oud, klein appartement3203608800
Twee of meer bewoners in oud, klein appartement32054011100
Een bewoner in oude, kleine rijwoning32031011000
Een bewoner in oude, middelgrote rijwoning32035013000
Twee of meer bewoners in oude, kleine rijwoning32050012800
Twee of meer bewoners in nieuwe, middelgrote rijwoning32049011600
Twee of meer bewoners in oude, middelgrote rijwoning32051014300
Twee of meer bewoners in oude, grote rijwoning32060019600
Twee of meer bewoners in oude, grote vrijstaande woning32067023800
1) Door afronding kan het voorkomen dat de som van prijscomponenten niet overeen komt met de energierekening in Tabel 4.1.4. 2) De getoonde energierekening van stadswarmtewoningen is indicatief en op basis van voorlopige resultaten. 3) Elektrisch verwarmde woningen zonder aardgasaansluiting betalen geen vaste kosten voor aardgas. Deze woningen betalen enkel de vaste kosten voor elektriciteit. In combinatie met de vermindering energiebelasting betekent dat effectief dat de vaste kosten negatief zijn. Onder de groep elektrisch verwarmde woningen vallen echter ook woningen die naast elektriciteit óók aardgas gebruiken voor bijverwarming en/of tapwaterverwarming en/of koken. Om die reden zijn de gemiddelde vaste kosten positief.

Merk op dat voor de hier getoonde berekeningen is gewerkt met een prognose van het verbruik in 2025 en 2026, waarbij voor alle woningen is aangenomen dat het aardgas- en elektriciteitsverbruik met eenzelfde percentage verandert ten opzichte van het (waargenomen) verbruik in 2024 als in de landelijke prognose. Het is de vraag of dit een realistische aanname is, omdat huishoudens met een hoog verbruik mogelijk sterker reageren op schommelende marktprijzen dan huishoudens met een laag verbruik. Anderzijds hebben huishoudens met een laag inkomen gemiddeld ook een lager energieverbruik, en is de noodzaak tot besparen bij lagere inkomens groter. Ook zal de afname van het netto-elektriciteitsverbruik waarschijnlijk meer plaatsvinden bij eengezinswoningen omdat bij appartementen minder vaak zonnestroominstallaties (kunnen) worden aangebracht. Dit maakt het erg lastig om realistische aannames te doen voor de daadwerkelijke ontwikkeling van het verbruik per profielgroep. Pas als er gegevens over de daadwerkelijke verbruiken over 2025 en 2026 beschikbaar komen op woningniveau zal het mogelijk zijn om na te gaan hoe bij de verschillende profielgroepen het energieverbruik daadwerkelijk is veranderd.

4.2 Spreiding energierekening binnen groepen woningen

De longread over de energierekening sluit altijd af met een overzicht van de spreiding van de energierekening binnen profielgroepen bij het prijsniveau van de meest recente maand waarvoor de energieprijzen bekend zijn. Deze spreiding komt voort uit de variabele component van de energierekening: de kosten die verbonden zijn aan de (netto) geleverde hoeveelheid aardgas en elektriciteit. Daarnaast draagt ook het verschil tussen woningen met en zonder aardgasaansluiting binnen het profiel van hoofdzakelijk elektrisch verwarmde woningen bij aan de variatie binnen dit profiel. 

Tabel 4.2.1 geeft deze spreiding weer voor het prijsniveau van januari 2026. Hierbij zijn de verbruiken, net als in Tabel 4.1.4, gebaseerd op een prognose van het verbruik in 2026. Deze spreiding is, zoals altijd, groot doordat in groepen met gemiddeld hoog verbruik er ook huishoudens zijn die relatief weinig energie verbruiken. En andersom zijn er in groepen met een relatief laag verbruik ook huishoudens die wel veel verbruiken, soms meer dan huishoudens in groepen met een relatief hoog verbruik. Binnen de groep hoofdzakelijk elektrisch verwarmde woningen zijn er zelfs woningen met een negatieve energierekening – huishoudens krijgen dus geld toe – doordat er geen vaste kosten zijn voor de gasaansluiting en de netto-elektriciteitslevering 0 kWh bedraagt door de opwek en teruglevering van zonnestroom. Merk op dat bij deze berekeningen geen rekening is gehouden met eventuele terugleverkosten die vanaf eind 2023 door verschillende energiemaatschappijen zijn geïntroduceerd (zie hierna). In de praktijk zullen er daardoor in januari 2026 naar verwachting bijna geen woningen zijn met een negatieve energierekening.

De variatie in energierekeningen binnen de profielen hangt ook samen met factoren die niet meegenomen zijn in de afbakening van de groepen van woningen. Zo wordt er bijvoorbeeld niet expliciet rekening gehouden met de energetische kwaliteit van woningen. Nieuwe woningen zijn bij de bouw al energiezuinig opgeleverd, maar oudere woningen kunnen in de loop van de tijd verbeterd zijn. Daarnaast is er natuurlijk een relatie met de omvang van het huishouden: binnen de meerpersoonshuishoudens zal het energieverbruik van tweepersoonshuishoudens gemiddeld lager zijn dan dat van vierpersoonshuishoudens. 

4.2.1 Diverse spreidingsmaten voor de energierekening (exclusief
terugleverkosten), prijsniveau januari 2026 en ingeschat verbruik
voor 2026 (euro)
GemiddeldLaagste 10%Mediaan (50%)Hoogste 10%
Hoofdzakelijk elektrisch verwarmde woning1 020-408202 210
Hoofdzakelijk met aardgas verwarmde woningen:
Een bewoner in nieuw, klein appartement1 3808601 3601 940
Een bewoner in oud, klein appartement1 5609201 5102 240
Twee of meer bewoners in oud, klein appartement1 9701 2201 8702 810
Een bewoner in oude, kleine rijwoning1 7301 0001 6602 520
Een bewoner in oude, middelgrote rijwoning1 9701 0901 8902 920
Twee of meer bewoners in oude, kleine rijwoning2 1001 2602 0303 010
Twee of meer bewoners in nieuwe, middelgrote rijwoning1 9701 1801 9002 840
Twee of meer bewoners in oude, middelgrote rijwoning2 2501 3102 1803 280
Twee of meer bewoners in oude, grote rijwoning2 8801 5902 7404 330
Twee of meer bewoners in oude, grote vrijstaande woning3 3701 7003 1905 150

De variatie in energierekeningen is in werkelijkheid nog groter dan uit Tabel 4.2.1 blijkt omdat de bedragen uitgaan van de gemiddelde prijzen in januari 2026. Afhankelijk van het daadwerkelijke contract dat huishoudens hebben met hun energieleverancier kan de rekening hoger of lager uitvallen. De bedragen in dit artikel geven wel een beeld van de verschillen in de energierekening van woningen in relatie tot belangrijke kenmerken van die woningen en hun bewoners.