Auteur: Maria José Linders, Reinoud Segers, Manon van Middelkoop, Sander Brummelkamp, Krista Keller, Glenn Muller, Sara Houweling

Hernieuwbare Energie in Nederland 2020

Over deze publicatie

In 2020 was het aandeel hernieuwbare energie 11,1 procent van het totale energieverbruik in Nederland. In dit jaarrapport worden de ontwikkelingen in de verschillende vormen van hernieuwbare energie besproken en wordt de methode achter de cijfers toegelicht.

Samenvatting

Het aandeel hernieuwbare energie in het totale energieverbruik in 2020 was 11,1 procent. In 2019 was dit 8,8 procent. In Europees verband is afgesproken dat Nederland in 2020 uit moest komen op 14 procent hernieuwbare energie. Om alsnog aan deze afspraak te voldoen is in juni 2020 een flexibele overeenkomst met Denemarken afgesloten om 8 tot 16 TWh hernieuwbare energie over te dragen. De meeste hernieuwbare energie, namelijk 54 procent, komt uit biomassa en 23 procent uit windenergie. De bijdrage van zonne-energie is gegroeid naar 14 procent. De overige bronnen als waterkracht, bodemenergie en warmte uit de buitenlucht droegen gezamenlijk 9 procent bij.

In 2020 is ruim 31 miljard kilowattuur elektriciteit geproduceerd uit windenergie, waterkracht, zonne-energie en biomassa. Dat is 26 procent van het totale elektriciteitsverbruik; in 2019 was dit aandeel 18 procent. De productie van windmolens (gecorrigeerd voor de hoeveelheid wind) nam in 2020 met 29 procent toe; de groei van de capaciteit van het windmolenpark in Nederland was 48 procent. De productie van elektriciteit uit biomassa nam met 51 procent toe. De grootste relatieve productiestijgingen werden behaald bij de elektriciteitscentrales uit de meestook van biomassa en met zonnepanelen. De grootste absolute stijging in elektriciteitsproductie werd met windenergie gerealiseerd, ruim 3 000 mln kWh. 

Het verbruik van hernieuwbare energie voor warmte steeg in 2020 met 7 procent ten opzichte van 2019. Het aandeel hernieuwbare energie in de warmtevoorziening groeide naar 7,9 procent. De stijging in het verbruik van hernieuwbare warmte kwam vooral door een toename van de productie van warmte bij het meestoken van biomassa in kolencentrales en door het gebruik van warmtepompen met benutting van buitenluchtwarmte.

Hernieuwbare energie was in het vervoer goed voor bijna 14 procent van het totale energieverbruik voor vervoer. Hiermee is voldaan aan de Europese afspraak dat het aandeel hernieuwbare energie voor vervoer in 2020 minimaal 10 procent moest zijn. Ten opzichte van 2019 is het verbruik van de biotransportbrandstoffen met 13 procent gedaald. De belangrijkste verklaring hiervoor is dat de leveranciers in 2020 veel biotransportbrandstoffen hebben geleverd aan de zeevaart. Leveringen aan de zeevaart telden in 2020 wel mee voor de leveranciers om te voldoen om hun verplichting, maar niet voor het aandeel hernieuwbare energie totaal en voor vervoer in de EU-Richtlijn. Ongeveer 70 procent van de gebruikte biobrandstoffen waren milieutechnisch goede biobrandstoffen die, volgens Europese afspraken, dubbel tellen bij de berekening van het aandeel hernieuwbare energie voor vervoer. 

1. Inleiding

Hernieuwbare energie is al jaren een speerpunt in het Nederlandse energiebeleid. Uit dit speerpunt is een jaarlijkse rapportage voortgekomen over hernieuwbare energie in Nederland. Dit rapport beschrijft de ontwikkelingen van de hernieuwbare energie in 2020. Tevens worden de gebruikte methoden en bronnen toegelicht.

1.1 Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie

Bij het berekenen van de hernieuwbare energie moet een aantal keuzen worden gemaakt, zoals: welke bronnen tellen mee en hoe worden de verschillende vormen van energie opgeteld. Deze keuzen zijn gemaakt in overleg met brancheorganisaties, kennisinstellingen en het ministerie van Economische Zaken en vastgelegd in het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie (RVO.nl en CBS, 2015).

Het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie beschrijft drie methodes om het aandeel hernieuwbare energie uit te rekenen, te weten de bruto-eindverbruikmethode, de substitutiemethode en de primaire-energiemethode.
De bruto-eindverbruikmethode wordt gebruikt in de EU-richtlijn voor hernieuwbare energie uit 2009. In deze richtlijn hebben Europese regeringen en het Europees parlement gezamenlijk afgesproken dat in 2020 20 procent van het energetisch eindverbruik van energie moet komen uit hernieuwbare bronnen. Landen met veel goedkope natuurlijke bronnen voor hernieuwbare energie, zoals Oostenrijk met veel waterkracht, doen meer dan gemiddeld. Landen met weinig goedkope natuurlijke bronnen voor hernieuwbare energie, zoals Nederland, hoeven minder te doen. Voor Nederland gelde een doelstelling van 14 procent hernieuwbare energie in 2020.

De substitutiemethode berekent hoeveel verbruik van fossiele energie wordt vermeden door het verbruik van hernieuwbare energie. Deze methode werd vanaf de jaren negentig tot en met kabinet-Balkenende IV (2010) gebruikt voor nationale beleidsdoelstellingen. Daarna is de politiek overgestapt op de bruto-eindverbruikmethode. Daarmee is het politieke belang van de substitutiemethode afgenomen. De methode blijft echter wel relevant, omdat ze inzicht geeft in het vermeden verbruik van fossiele energie en de vermeden emissies van CO2. Het vermijden van dit verbruik en deze emissies zijn de belangrijkste redenen om hernieuwbare energie te bevorderen.

De primaire-energiemethode wordt traditioneel gebruikt in internationale energiestatistieken van het Internationaal Energieagentschap (IEA) en Eurostat. Bij de primaire-energiemethode is de eerst meetbare en bruikbare vorm van de energiedrager voor het produceren van energie het uitgangspunt.

In paragraaf 2.6 staat meer informatie over de verschillende methoden.

1.2 Gebruikte databronnen

De cijfers zijn gebaseerd op een zeer diverse reeks databronnen. Een belangrijke bron vormen de gegevens uit de administratie van CertiQ, onderdeel van de landelijk netbeheerder TenneT. CertiQ ontvangt maandelijks van de regionale netbeheerders een opgave van de elektriciteitsproductie van een groot deel van de installaties die hernieuwbare stroom produceren. Voor windmolens en waterkrachtcentrales is daarmee meteen de hernieuwbare-elektriciteitsproductie bekend. Voor de hernieuwbare-elektriciteitsproductie uit het meestoken van biomassa in elektriciteitscentrales is naast informatie over de geproduceerde elektriciteit ook informatie nodig over het aandeel biomassa in de totale hoeveelheid gebruikte brandstoffen. De eigenaren van de centrales sturen deze aandelen apart op naar CertiQ. Achteraf moeten de centrales nog een accountantsverklaring overleggen over de juistheid van de gegevens. Eventueel volgen er nog correcties. Op basis van de door CertiQ vastgestelde hernieuwbare-elektriciteitsproductie geeft CertiQ certificaten voor Garanties van Oorsprong van groene stroom. Deze Garanties van Oorsprong zijn een voorwaarde voor het verkrijgen van subsidie. Ook kunnen de Garanties van Oorsprong gebruikt worden om groene stroom aan eindverbruikers te verkopen en te verhandelen. CertiQ registreert ook de productie van hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt. Ook deze data ontvangt en gebruikt het CBS.

Een tweede belangrijke bron zijn de reguliere energie-enquêtes van het CBS. Voor de biotransportbrandstoffen, en voor afvalverbrandingsinstallaties zijn deze enquêtes een belangrijke databron, hoewel in toenemende mate gebruik wordt gemaakt van administratieve gegevens van de Nederlandse Emissieautoriteit en Rijkswaterstaat Leefomgeving. De enquête bij de afvalverbrandingsinstallaties is zelfs met ingang van het verslagjaar 2017 geheel gestopt na afspraken met Rijkswaterstaat en de Vereniging Afvalbedrijven over levering van administratieve data aan het CBS. Voor informatie over biogas uit rioolwaterzuiveringsinstallaties is gebruik gemaakt van de CBS-enquête Zuivering van Afvalwater, welke gecombineerd is met de uitvraag voor de meerjarenafspraken energie (MJA). Voor zonnewarmte, warmtepompen en houtketels voor warmte bij bedrijven zijn specifieke enquêtes uitgestuurd naar de leveranciers van dergelijke systemen. De enquête voor zonnestroom is na het verslagjaar 2017 niet meer uitgestuurd. Voor de verzameling van data wordt sinds 2018 gebruik gemaakt van diverse registraties; in paragraaf 5.1 wordt hierover meer informatie verstrekt. Warmte/koudeopslag is in kaart gebracht op basis van gegevens over vergunningen van de provincies in het kader van de Grondwaterwet.

Voor groen gas (opgewaardeerd biogas dat is ingevoed in het aardgasnet) is gebruik gemaakt van gegevens van Vertogas. De rol van Vertogas is vergelijkbaar met die van CertiQ.

Het cijfer voor het biogene aandeel van het verbrande afval in afvalverbrandingsinstallaties is afkomstig van Rijkswaterstaat Leefomgeving. De stortgasgegevens komen uit de stortgasenquête van de Werkgroep Afvalregistratie (WAR) van Rijkswaterstaat Leefomgeving en de Vereniging Afvalbedrijven (VA). Aanvullend op de specifieke enquête van het CBS heeft de Vereniging Warmtepompen (voorheen DHPA Dutch Heat Pump Association) van haar leden de afzetgegevens over warmtepompen geleverd. De gegevens over de huishoudelijke houtkachels zijn afkomstig van TNO.

Als controle en om de nauwkeurigheid te beoordelen is gebruik gemaakt van overheidsmilieujaarverslagen en van gegevens van de Energie-investeringsaftrekregeling (EIA) van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) voor biomassa-installaties. Het gebruik van de bronnen wordt nader toegelicht in de hoofdstukken 3 tot en met 8.

1.3 CBS-publicaties over hernieuwbare energie en release policy

StatLine

StatLine is de elektronische databank van het CBS waarin nagenoeg alle gepubliceerde cijfers te vinden zijn, inclusief een korte methodologische toelichting. Alle tabellen die informatie over hernieuwbare energie bevatten zijn te vinden via StatLine - Hernieuwbare Energie (cbs.nl) 

Jaarrapport

Dit rapport verschijnt één keer per jaar in september. Het jaartal in de titel heeft steeds betrekking op het meest recente verslagjaar in het rapport. Het jaarrapport is gebaseerd op de nader voorlopige cijfers van juni. De ervaring leert dat de verschillen tussen de nader voorlopige cijfers en de definitieve cijfers voor de meeste onderdelen gering zijn.

Compendium voor de Leefomgeving

Het Compendium voor de Leefomgeving (www.clo.nl) bevat feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte in Nederland. Het is een uitgave van het CBS, het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en Wageningen Universiteit en Research centrum (Wageningen UR). Het CBS levert vier indicatoren over hernieuwbare energie:

  • Verbruik van hernieuwbare energie
  • Hernieuwbare elektriciteit
  • Windvermogen in Nederland
  • Biotransportbrandstoffen

Deze indicatoren bieden een compact overzicht van de beschikbare cijfers op StatLine geïllustreerd met grafieken en voorzien van achtergrondinformatie over beleid en statistische methoden. De indeling van deze indicatoren wordt momenteel heroverwogen, waardoor bovenstaande indeling op moment van publicatie mogelijk verouderd is.

Aanvullend statistisch onderzoek

Met aanvullend statistisch onderzoek worden maatwerktabellen op verzoek van gebruikers gemaakt en deze bevatten cijfers die niet op StatLine te vinden zijn, maar wel op een andere wijze op de CBS-website worden gepubliceerd. Zie hiervoor op internet de pagina die met de volgende link te bereiken is: Industrie en energie (cbs.nl)

1.4 Attenderingservice

Wilt u actief op de hoogte gehouden worden van nieuwe CBS-publicaties over hernieuwbare energie, stuur dan een e-mail naar HernieuwbareEnergie@cbs.nl en geef aan dat u wilt worden opgenomen in de mailinglist voor hernieuwbare energiestatistieken. U ontvangt dan een paar keer per jaar een mail.

1.5 Internationale cijfers over hernieuwbare energie op internet

Op de website van Eurostat is via Overview - Energy - Eurostat (europa.eu) data over energiecijfers in Europa te vinden. Gedetailleerde Informatie over het aandeel hernieuwbare energie in overeenstemming met de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie is te vinden via SHARES (Renewables) - Energy - Eurostat (europa.eu). De officiële publicaties van Eurostat verschijnen relatief laat na afloop van het verslagjaar en bevatten weinig contextuele informatie. Om toch snel een overzicht te krijgen van de ontwikkelingen en achtergronden daarbij heeft de Europese Commissie opdracht gegeven om per hernieuwbare energietechniek snelle publicaties te maken met een toelichtende tekst over de ontwikkelingen in de belangrijkste landen. Deze publicaties zijn te vinden via de website EurObserv'ER | Measures the progress made by renewable energies European Union (eurobserv-er.org). Deze publicaties zijn relatief snel na afloop van het verslagjaar beschikbaar. Soms wordt volstaan met schattingen, wat ten koste kan gaan van de kwaliteit van de cijfers. Daarentegen zijn de publicaties van Observ’ER meestal wel geschikt voor een snelle indicatie van de ontwikkelingen in de belangrijkste landen.

Via IEA – International Energy Agency is de website van het IEA bereikbaar. De standaardpublicatie van het IEA over hernieuwbare energie, Renewables Information - Data product - IEA, is niet vrij beschikbaar, maar te koop als hard copy of als pdf-bestand. Naast het maken van statistiek heeft het IEA ook een paraplufunctie voor diverse techniekgeoriënteerde samenwerkingsverbanden. Deze worden Technology agreements of Implementing agreements genoemd. Met betrekking tot hernieuwbare energie bestaat er een aantal van dit soort samenwerkingsverbanden, met vaak eigen websites: Bioenergy | International Collaboration in Bioenergy (ieabioenergy.com) over biomassa, Home - IEA-PVPS over zonnestroom en IEA SHC || International Energy Agency Solar Heating and Cooling Programme (IEA SHC) - Solar heating, Solar cooling, Solar tasks (iea-shc.org) over zonnewarmte. Op deze websites zijn diverse publicaties te vinden welke soms ook unieke statistische informatie bevatten.

Tot slot zijn er Europese brancheverenigingen actief op het gebied van statistische informatie. Zo publiceert WindEurope (voorheen European Wind Energy Association) (www.windeurope.org) doorgaans rond 1 februari cijfers over de afzet van windmolens (in MW) per land in het voorafgaande jaar. Ook de brancheorganisatie voor de productie van biodiesel (www.ebb-eu.org), thermische zonne-energiesystemen (www.estif.org) en warmtepompen (www.ehpa.org) presenteren cijfers per land.

1.6 Regionale cijfers over hernieuwbare energie

Het is niet mogelijk om alle cijfers regionaal uit te splitsen. Voor grootschalige technieken zoals afvalverbrandingsinstallaties en het meestoken van biomassa in elektriciteitscentrales heeft dat te maken met de vertrouwelijkheid. Uitsplitsing van deze cijfers naar provincie zou ertoe leiden dat cijfers van een individuele installatie herleidbaar zijn.

Voor een aantal andere technieken zijn geen regionale cijfers beschikbaar, omdat het CBS de cijfers vaststelt aan de hand van opgaven van landelijk opererende leveranciers van hernieuwbare-energiesystemen (zonnewarmte, warmtepompen) of hernieuwbare energie (biobrandstoffen). Om de lastendruk te beperken vraagt het CBS niet aan deze leveranciers in welke regio zij hun producten hebben afgezet. Maar zelfs als het CBS dit zou vragen, is niet zeker of daarmee wel regionale cijfers gemaakt kunnen worden, omdat deze leveranciers vaak niet direct leveren aan de eindverbruiker.

Voor een aantal technieken zijn wel regionale cijfers beschikbaar. Het gaat om windenergie (hoofdstuk 4), sinds 2018 om zonnestroom (hoofdstuk 5.1), bodemenergie met onttrekking van grondwater (hoofdstuk 6.2) en sinds 2019 is er een regionale maatwerktabel voor biomassa (hoofdstuk 8). Op de website van de Klimaatmonitor van Rijkswaterstaat (2016) zijn meer regionale cijfers over hernieuwbare energie beschikbaar. Voor een aantal technieken zijn de CBS-cijfers met verdeelsleutels verder uitgesplitst. Voor andere technieken wordt dat gedeelte van de populatie uitgesplitst waarvoor gegevens beschikbaar zijn.

In het klimaatakkoord is een belangrijke rol toebedeeld aan zogenaamde RES (Regionale energiestrategie) regio’s voor het stimuleren van de energietransitie en in het bijzonder voor de ontwikkeling van zonnestroom en wind op land. Naar aanleiding hiervan heeft het CBS een StatLine-tabel met productie en vermogen van zonnestroom en wind op land per RES regio: Hernieuwbare energie; zonnestroom, windenergie, RES-regio.

2. Algemene overzichten

Dit hoofdstuk geeft een algemeen overzicht over hernieuwbare energie. Eerst volgt een overzicht van het totaal aan hernieuwbare energie met alle vormen van energie bij elkaar waarna uitsplitsingen volgen voor hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbare warmte en hernieuwbare energie voor vervoer. Daarna komt uitleg over internationale vergelijkingen, de methode, werkgelegenheid en subsidies. 

2.1 Hernieuwbare energie totaal

In de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie uit 2009 is vastgelegd dat 14 procent van het bruto energetisch eindverbruik van energie in 2020 afkomstig moest zijn van hernieuwbare energiebronnen. Deze richtlijn is een gezamenlijk besluit van de regeringen van de EU-landen en het Europees Parlement. Het kabinet Rutte II had in het regeerakkoord oorspronkelijk afgesproken om te streven naar 16 procent in 2020 (VVD en PvdA, 2012). In het nationaal Energieakkoord is deze 16 procent opgeschoven naar 2023 (SER, 2013). In de Klimaat- en Energieverkenning 2019 (PBL, 2019) werd geraamd dat het doel van een aandeel van 14 procent hernieuwbare energie in 2020 niet behaald zou worden. Om alsnog aan de afspraken te voldoen is in juni 2020 een flexibele overeenkomst met Denemarken afgesloten om 8 tot 16 TWh hernieuwbare energie over te dragen (Rijksoverheid, 2020a).

Ontwikkelingen

2.1.1 Bruto eindverbruik van hernieuwbare energie (PJ)
199020002010201820192020**
Waterkracht, totaal 1)0,30,40,40,30,30,3
Windenergie, totaal 1)0,22,716,236,138,850,2
Op land1)0,22,713,523,726,732,3
Op zee1)2,812,412,017,9
Zonne-energie, totaal0,10,51,214,520,430,5
Zonnestroom0,00,00,213,419,229,3
Zonnewarmte0,10,51,01,21,21,2
Aardwarmte en bodemenergie.0,22,58,110,311,3
Buitenluchtenergie.0,00,54,76,28,0
Biomassa, totaal21,231,071,692,6108,4119,4
Afvalverbrandingsinstallaties4,19,114,116,616,616,7
Bij-en meestoken biomassa in centrales0,812,92,97,919,7
Biomassaketels bedrijven, WKK0,41,04,411,014,114,9
Biomassaketels bedrijven, alleen warmte1,72,25,511,512,613,3
Biomassa bij huishoudens12,914,017,116,416,316,2
Stortgas0,21,10,70,30,30,3
Biogas uit rioolwaterzuiveringsinstallaties1,41,81,82,12,22,5
Biogas uit co-vergisting van mest2)3,44,55,15,7
Overig biogas0,51,02,14,54,95,6
Vloeibare biotransportbrandstoffen0,00,09,622,928,424,3
Totaal hernieuwbare energie21,834,792,4156,3184,4219,6
Aandeel hernieuwbare energie in
bruto energetisch eindverbruik (%)
1,21,63,97,38,811,1
Bron: CBS.
1) Inclusief normalisatieprocedure uit de EU-Richtlijn hernieuwbare energie.
2) Tot en met 2004 onderdeel van overig biogas.
Een punt (.) betekent dat een cijfer onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim is. Niets (blanco) geeft aan dat een cijfer op logische gronden niet kan voorkomen of dat de waarde nihil is.
**Nader voorlopige cijfers
StatLine - Bruto eindverbruik van hernieuwbare energie (cbs.nl)

Bijlage 1: Bruto eindverbruik van hernieuwbare energie inclusief berekening aandeel hernieuwbare energie is beschikbaar in de bijlage

In 2020 was het aandeel hernieuwbare energie 11,1 procent van het eindverbruik van energie. Ondanks een groei van ongeveer 26 procent in het aandeel hernieuwbare energie ten opzichte van 2019 (8,8%) is om de bedoelde 14 procent te behalen de maximale statistische overdracht met Denemarken vereist. Het verbruik van hernieuwbare energie was in 2020 met 220 petajoule 19 procent hoger dan in 2019. Het verbruik van energie uit biomassa, goed voor 54 procent van het totaal aan hernieuwbare energie, nam met 10 procent toe. Er waren daarnaast flinke stijgingen van energie uit zon (+49%), windenergie (+29%) en buitenlucht (+30%). De groei van aardwarmte en bodemenergie bleef in 2020 beperkt tot 9 procent.

De bijdrage van zonne-energie (zonnestroom en zonnewarmte) aan het energieverbruik uit hernieuwbare bronnen is gegroeid naar 14 procent. De ontwikkeling van de elektriciteitsproductie uit zonnepanelen was in 2020 met een groei van 53 procent opnieuw fors en net als in vorige jaren grotendeels te danken aan de groei van het opgestelde vermogen van de zonnepanelen. Het opgestelde vermogen voor windenergie groeide in 2020 met ongeveer 48 procent naar 6,6 gigawatt, vooral door het in gebruik nemen van de twee nieuwe parken op zee bij Borssele. De elektriciteitsproductie uit wind nam met 29 procent toe.

2.1.2 Aandeel hernieuwbare energie in bruto energetisch eindverbruik van energie
 Elektriciteit (%)Warmte (%)Vervoer (%)
'000,481,140
'010,551,130
'020,681,180
'030,661,170,01
'040,811,220,01
'051,171,310
'061,241,460,08
'071,171,550,58
'081,451,620,53
'091,761,790,71
'101,791,720,41
'111,971,930,63
'122,042,040,58
'131,942,190,56
'142,12,60,72
'152,292,770,61
'162,592,770,47
'172,833,030,6
'183,133,211,00
'193,813,701,26
'20**5,684,231,19
**Nader voorlopige cijfers

Het eindverbruik van energie uit hernieuwbare bronnen gebeurt in de vorm van elektriciteit (51%), warmte (38%) en biobrandstoffen voor vervoer (11%). In de jaren tot 2015 zat de groei vooral bij hernieuwbare warmte, maar sinds 2015 liet juist ook het verbruik van hernieuwbare elektriciteit een grote toename zien. De groei van het totale vermogen van windmolens en zonnepanelen heeft hier belangrijk aan bijgedragen. In 2018 en 2019 liet het verbruik van biobrandstoffen voor vervoer een flinke groei zien, veroorzaakt door een aanscherping van de wetgeving. Daarentegen daalde het verbruik weer in 2020 van 28 naar 24 PJ, vooral omdat bedrijven in toenemende mate gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om de verplichting in te vullen via leveringen aan de zeescheepvaart, welke voor de statistiek telt als bunkers, een vorm van export, en niet als verbruik (zie ook 8.11).

Oorspronkelijk werd alleen hernieuwbare elektriciteit fors ondersteund via de Milieukwaliteit elektriciteitsproductie (MEP-regeling) uit 2003 (zie ook 2.8). In 2007 kwam daar de stimulering van biobrandstoffen voor vervoer bij via de zogenaamde bijmengplicht (zie 8.11). In de SDE-regeling uit 2008 konden projecten voor de productie van hernieuwbare warmte ook subsidie krijgen, eerst nog alleen in combinatie met elektriciteitsproductie, maar later ook voor projecten met alleen warmte. Achterliggende reden voor deze veranderingen zijn de Europese doelstellingen voor hernieuwbare energie. Tot en met realisatiejaar 2010 waren er alleen Europese doelstellingen voor hernieuwbare elektriciteit en biobrandstoffen voor vervoer. Vanaf 2010 gaat het vooral om de doelstelling voor het totaal aan hernieuwbare energie. Daarbij is voor een rekenmethode gekozen die hernieuwbare warmte relatief zwaar meetelt (zie ook 2.6), waardoor het stimuleren van hernieuwbare warmte jarenlang een kosteneffectieve manier was om de doelstelling te halen. De laatste jaren is de kostprijs van elektriciteitsproducerende technieken als windenergie en zonnestroom hard gedaald waardoor dit beeld gekanteld is en hernieuwbare elektriciteit relatief hard groeit.

Bij MEP en later SDE gaat het om relatief grote projecten waarvoor subsidie aangevraagd kan worden. Om ook de kleine projecten voor de productie van hernieuwbare warmte te stimuleren is in 2016 Investeringssubsidie duurzame energie (ISDE) van start gegaan (zie ook 2.8). 

Methode

De methode voor het bepalen van het eindverbruik van hernieuwbare energie wordt per energiebron beschreven in de hoofdstukken 3 tot en met 8. Voor het totale bruto energetisch eindverbruik (de noemer van het aandeel hernieuwbaar) tot en met 2019 is gebruik gemaakt van de SHARES-applicatie (Eurostat, 2020). Deze applicatie berekent het bruto eindverbruik van energie op basis van de jaarvragenlijsten over energie die alle lidstaten jaarlijks invullen en opsturen naar Eurostat en IEA, aangevuld met extra data die niet reeds in deze jaarvragenlijsten zitten. Het nader voorlopige cijfer van de noemer voor 2020 is berekend uit het 2019-cijfer uit SHARES en de mutatie 2020–2019 van het energetisch eindverbruik uit de voorlopige nationale energiebalans 2020 van het CBS.

2.2 Hernieuwbare elektriciteit

Tot en met 2010 was er voor hernieuwbare elektriciteit een aparte doelstelling die voortkwam uit de EU-Richtlijn Hernieuwbare Elektriciteit uit 2001. In de nieuwe EU-richtlijn Hernieuwbare Energie uit 2009 is er geen aparte doelstelling meer opgenomen voor hernieuwbare elektriciteit. Wel moeten lidstaten rapporteren over het geplande en gerealiseerde aandeel hernieuwbare elektriciteit. In het actieplan voor de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie gaat Nederland er vanuit dat in 2020 37 procent van de gebruikte elektriciteit uit binnenlandse hernieuwbare bronnen komt (Rijksoverheid, 2010). 

De productie van windenergie en waterkracht is afhankelijk van het aanbod van wind en water. Op jaarbasis kunnen er flinke fluctuaties zijn. Deze fluctuaties verminderen het zicht op structurele ontwikkelingen. Om deze fluctuaties uit te filteren, zijn normalisatieprocedures gedefinieerd voor elektriciteit uit windenergie en waterkracht. Tabel 2.2.1 geeft de genormaliseerde cijfers en ook de niet genormaliseerde cijfers. 

Daarnaast kan onderscheid gemaakt worden tussen de netto en bruto productie van hernieuwbare elektriciteit. Het verschil zit in het eigen verbruik van de installaties. Windmolens, waterkrachtinstallaties en zonnepanelen hebben een klein, verwaarloosbaar, eigen verbruik. Biomassa-installaties hebben juist een relatief groot eigen verbruik. Vooral afvalverbrandingsinstallaties hebben behoorlijk wat elektriciteit nodig voor onder andere rookgasreiniging. Informatie over het eigen verbruik en de netto productie van installaties op biomassa is te vinden in hoofdstuk 8 en op StatLine.

2.2.1 Bruto hernieuwbare elektriciteitsproductie in Nederland (mln kWh)
199020002010201820192020**
Windenergie, genormaliseerd 1) 56 7444 50310 03010 77413 945
Op land, genormaliseerd1) 56 7443 7376 5787 4298 960
Op zee, genormaliseerd1) 7653 4523 3454 985
Windenergie, niet genormaliseerd 56 8293 99310 54911 50815 339
Op land, niet genormaliseerd 56 8293 3156 9187 9359 856
Op zee, niet genormaliseerd 6793 6303 5735 484
Waterkracht, genormaliseerd 1) 85 100 101 94 93 90
Waterkracht, niet genormaliseerd 85 142 105 72 74 46
Zonnestroom 0 8 563 7095 3368 144
Biomassa, totaal 3) 6682 0197 0584 7006 0119 056
Afvalverbrandingsinstallaties 5391 2721 7632 1722 0822 152
Meestoken in elektriciteitscentrales 0 2083 237 6541 8654 766
Biomassaketels bedrijven, WKK 34 2341 015 849 9721 021
Stortgas3) 19 177 109 29 28 28
Biogas uit rioolwaterzuiveringsinstallaties3) 71 111 164 198 207 215
Biogas, co-vergisting van mest2)3) 575 520 541 547
Overig biogas3) 4 17 196 279 316 327
Totaal hernieuwbaar, genormaliseerd 1)3) 8092 87111 71818 53322 21331 235
Totaal hernieuwbaar, niet genormaliseerd 8072 97911 19618 89222 73232 315

Bron: CBS.
1) Volgens procedure uit EU-richtlijn Hernieuwbare Energie uit 2009.
2) Tot en met 2004 onderdeel van overig biogas.
3) Inclusief indirecte elektriciteitsproductie uit groen gas (biogas dat na opwaardering tot aardgaskwaliteit is geïnjecteerd in aardgasnet)
Niets (blanco) geeft aan dat een cijfer op logische gronden niet kan voorkomen of dat de waarde nihil is.
**Nader voorlopige cijfers
StatLine - Hernieuwbare elektriciteit; productie en vermogen (cbs.nl)

Bijlage 2: Bruto hernieuwbare elektriciteitsproductie in Nederland inclusief aandeel in bruto elektriciteitsverbruik is beschikbaar in de bijlage.

Ontwikkelingen

In 2020 was de bruto genormaliseerde binnenlandse productie van hernieuwbare elektriciteit 26 procent van het elektriciteitsverbruik. Dat is bijna acht procentpunt meer dan 2019. De omzetting van biomassa in elektriciteit nam voor de tweede keer op rij met de helft toe. De productie van hernieuwbare elektriciteit vindt vooral plaats met windmolens; ze zijn goed voor 45 procent van de totale productie. De genormaliseerde productie van de windmolens was in 2020 13 945 mln kWh. Dit komt overeen met 11,6 procent van het Nederlandse stroomverbruik; bijna drie procentpunt meer dan in 2019. De bijdrage van binnenlandse zonnestroom aan de Nederlandse stroomvoorziening is in 2020 opnieuw fors gegroeid en kwam uit op 7 procent. Met de zonnepanelen werd 8 144 mln kWh opgewekt en dat was 53 procent meer dan in 2019.

Certificaten van Garanties van Oorsprong voor groene stroom

Via CertiQ kunnen binnenlandse producenten van hernieuwbare elektriciteit certificaten van Garanties van Oorsprong (GvO’s) krijgen voor hun hernieuwbare stroom. Deze Garantie van Oorsprong is nodig om gebruik te kunnen maken van de subsidies voor groene stroom en om de eindafnemers te garanderen dat de afgenomen groene stroom daadwerkelijk groen is. Ook is het mogelijk om Garanties van Oorsprong te importeren.

2.2.2 Overzicht van de Garanties van Oorsprong voor groene stroom van CertiQ, exclusief certificaten voor warmtekrachtkoppeling (mln kWh)
20102015201820192020
Aanbod28 67744 76655 25555 31257 630
Aanmaak uit binnenlandse productie10 70113 05216 30218 81727 897
Import15 98734 28646 14947 88646 083
Export 4173 4917 6197 34211 067
Voorraad mutatie-2 406- 919- 4234 0495 283
Voorraad begin van het jaar10 88613 49012 31911 89615 945
Vooraad einde van het jaar8 48012 57111 89615 94521 228
Verbruik28 67644 76755 25555 31257 629
Afgeboekt voor levering27 45042 70253 51052 96153 795
Verlopen certificaten6531 255 381 7061 395
Niet-verhandelbare certificaten1) 573 8101 3641 6452 439
Bron: CertiQ.
1) Dit zijn certificaten die zijn uitgegeven voor geproduceerde hernieuwbare elektriciteit die door de productieinstallatie zelf direct weer verbruikt is.

De vraag naar groene stroom was in 2020 54 miljard kilowattuur (CertiQ, 2020). Dat zijn de Garanties van Oorsprong die zijn afgeboekt voor levering van groene stroom. De afboeking is bijna 1 miljard kWh meer dan in 2019 en komt in 2020 overeen met ongeveer 45 procent van het totale bruto elektriciteitsverbruik. Ter vergelijking: in 2015 was 36 procent groen.

De binnenlandse productie (niet genormaliseerd) van hernieuwbare elektriciteit was met 32 miljard kWh in 2020 aanzienlijk kleiner dan de vraag naar groene stroom, maar relatief hoger dan eerdere jaren. Er is al jaren een forse import van GvO’s, die rond de 2,5 hoger is dan de aangemaakte GvO’s uit de binnenlandse productie van hernieuwbare elektriciteit. In 2020 werden er 1,7 keer meer GvO’s geïmporteerd dan geproduceerd. 

De meeste geïmporteerde GvOs in 2020 komen uit Italië (20 procent), Spanje (16 procent) en Noorwegen (14 procent) (CertiQ, 2020). De import van GvO’s staat los de fysieke import van stroom. Dat verklaart waarom we ook GvO’s uit IJsland (CertiQ, 2020) konden importeren, een land waarmee ons elektriciteitsnet niet verbonden is.

Internationaal is er waarschijnlijk nog steeds sprake van een overschot aan GvO’s voor groene stroom. Dit is te zien aan het forse aantal verlopen certificaten en het feit dat groene stroom niet, of maar een klein beetje, duurder is dan grijze stroom. De reden voor het overschot is dat in veel andere landen alleen de aanbodzijde van hernieuwbare elektriciteit wordt gestimuleerd, terwijl in Nederland ook de vraagzijde aandacht krijgt via het aanbieden van groene stroom aan eindverbruikers. Dat maakt het enerzijds onzeker of de toename van de vraag naar groene stroom in Nederland heeft geleid tot een toename van de productie van groene stroom, in Nederland of elders in Europa, en niet alleen tot een toename van het aantal bestaande installaties buiten Nederland dat certificaten aanbiedt. 

Anderzijds zijn er aanbieders van groene stroom die expliciet benadrukken dat de geleverde stroom in Nederland geproduceerd is en mogelijk hiermee stimuleren dat meer groene stroom daadwerkelijk in Nederland wordt geproduceerd. Om deze claim waar te kunnen maken moeten deze aanbieders certificaten kopen gekoppeld aan in Nederland opgewerkte hernieuwbare elektriciteit. Omdat deze schaars is, is de prijs van deze certificaten uit Nederland vaak substantieel (PBL, 2020). Dit geldt met name voor wind op land en zonnestroom. De geschatte waarde is dermate hoog dat de overheid besloten heeft de waarde van de GvO voor wind op land en zonnestroom te gaan verdisconteren in de te verstrekken subsidie (Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, 2020), ondanks dat het lastig is deze waarde precies vast te stellen. De vraag naar groene stroom uit wind en zon uit Nederland zou daarmee kunnen leiden tot lagere subsidies voor zonnestroom en wind op land en/of tot meer SDE projecten indien het totale budget de beperkende factor is.
De aanmaak van certificaten voor GvO’s voor binnenlandse productie van hernieuwbare elektriciteit is niet precies gelijk aan de daadwerkelijke fysieke productie (zie tabel 2.2.1). Het verschil tussen productie en aanmaak van certificaten was de laatste jaren maximaal 5 procent, maar wordt groter. In 2020 bedraagt dit verschil afgerond 16 procent. Er zijn twee belangrijke redenen voor dit verschil. Ten eerste zit er doorgaans één en soms een paar maanden tussen de fysieke productie en de uitgifte van de GvO’s. Ten tweede, en dit wordt steeds belangrijker, zijn er installaties die wel hernieuwbare elektriciteit maken, maar die geen GvO’s aanvragen. Dit speelt vooral bij zonnestroom en wordt verder toegelicht in paragraaf 2.8.

2.3 Hernieuwbare warmte

In tegenstelling tot hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare energie voor vervoer zijn er voor hernieuwbare warmte nooit concrete beleidsdoelstellingen op nationaal of Europees niveau geweest. Voor de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie uit 2009 zijn landen wel verplicht om te rapporteren over het geplande en gerealiseerde aandeel eindverbruik van energie voor verwarming uit hernieuwbare bronnen. In het bij de EU ingediende actieplan voor hernieuwbare energie geeft Nederland aan dat de regering vooralsnog uitgaat van 9 procent hernieuwbare warmte in 2020 (Rijksoverheid, 2010). In de nieuwe EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie (Europees Parlement en de Raad, 2018), welke zich richt op de periode 2021 tot en met 2030, is wel een (indicatieve) doelstelling opgenomen voor het aandeel hernieuwbare energie voor warmte. Dit zou met 1,1 procentpunt per jaar moeten stijgen of 1,3 procentpunt als een land restwarmte mee zou willen tellen.

Ontwikkelingen

Het aandeel hernieuwbare warmte groeit geleidelijk en kwam in 2020 overeen met bijna 8 procent van het totale eindverbruik van energie voor warmte. In tegenstelling tot hernieuwbare elektriciteit werd de ontwikkeling van hernieuwbare warmte in het verleden veel minder gestimuleerd door subsidies. De door een wisselend subsidiebeleid veroorzaakte pieken en dalen van het groeitempo, zoals bij hernieuwbare elektriciteit, zijn bij hernieuwbare warmte daardoor niet aanwezig.

Inmiddels is er wel wat veranderd. In de subsidieregeling SDE was er al een bonus voor warmte bij projecten met gelijktijdige productie van elektriciteit en warmte. Vanaf 2012 is er in de SDE+ ook subsidie voor installaties die alleen warmte uit hernieuwbare bronnen produceren en vanaf 2016 is er ISDE voor diverse kleinschalige technieken voor hernieuwbare warmte. 

Het aandeel hernieuwbare warmte in het totale eindverbruik van energie voor warmte in 2020 was met 7,9 procent iets hoger dan in 2019 (7,1 %). Net als in 2019 steeg het aandeel omdat de groei van hernieuwbare warmte (+7,5%) ontstond bij een lichte daling van het totaal verbruik van energie voor warmte (-3,8%). De toename van het verbruik van hernieuwbare warmte was een gevolg van onder andere het gebruik van buitenluchtwarmte (+30%), de geleverde warmte uit rioolwaterzuiveringsinstallaties (+16%) en overige vergistingsinstallaties (+13%), waaronder VGI-vergisters en de toename van benutte warmte uit de diepe bodem (+8%). Hierbij kwam ook opnieuw een ruime verdubbeling van de warmteproductie uit de meestook van biomassa door de elektriciteitscentrales (+112%). 

2.3.1 Eindverbruik voor verwarming uit hernieuwbare energiebronnen (TJ)
199020002010201820192020**
Zonnewarmte 100 454 9941 1561 2071 177
Aardwarmte 3183 7315 5646 152
Bodemwarmte01562 1834 3834 7155 097
Buitenluchtwarmte. 23 5364 6686 1687 999
Biomassa, totaal18 75823 72336 61854 40260 19463 229
Afvalverbrandingsinstallaties2 2034 5487 7088 7689 1548 953
Meestoken in elektriciteitscentrales 0 151 267 5331 2102 564
Biomassaketels voor warmte bedrijven1 7252 2125 47711 48212 55913 332
Houtkachels huishoudens12 58113 75716 82916 17616 00815 898
Houtskool 270 270 270 270 270 270
Biomassaketels bedrijven, WKK 233 188 7847 94710 60011 268
Stortgas2) 157 475 267 165 172 165
Biogas uit rioolwaterzuiveringsinstallaties2)1 1421 3611 2581 3531 4221 651
Biogas, co-vergisting van mest1)2)1 3332 5442 8393 145
Overig biogas2) 446 8971 4243 2323 3193 747
Vloeibare biotransportbrandstoffen1 9332 6402 231
Totaal hernieuwbaar18 85824 35540 64968 34177 85083 657
Totaal eindverbruik voor verwarming1 083 6321 212 1311 311 3331 125 5411 097 7011 056 234
Aandeel hernieuwbare warmte (%)1,72,03,16,17,17,9
Bron: CBS.
1) Tot en met 2004 onderdeel van overig biogas.
2) Inclusief indirect eindverbruik van warmte uit groen gas (biogas dat na opwaardering is geïnjecteerd in aardgasnet).
Een punt (.) betekent dat een cijfer onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim is. Niets (blanco) geeft aan dat een cijfer op logische gronden niet kan voorkomen of dat de waarde nihil is.
**Nader voorlopige cijfers
StatLine - Bruto eindverbruik van hernieuwbare energie, warmte (cbs.nl)
 

De belangrijkste bron voor hernieuwbare warmte zijn de houtkachels van huishoudens. Impliciete steun van de overheid voor het houtverbruik door huishoudens is de energiebelasting op aardgas en het ontbreken van een energiebelasting op hout. Voor veel huishoudens is geld overigens niet de belangrijkste drijfveer om hout te stoken: sfeer is ook een belangrijke factor. De cijfers hierover zijn gebaseerd op de resultaten van het onderzoek over houtverbruik huishoudens met de zesjaarlijkse Energiemodule van het WoON-onderzoek (2018). 

2.4 Hernieuwbare energie voor vervoer

De EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie uit 2009 bevat niet alleen een bindende doelstelling voor hernieuwbare energie totaal maar ook een bindende doelstelling voor hernieuwbare energie voor vervoer. In 2020 moet het verbruik van hernieuwbare energie voor vervoer 10 procent zijn van het totale verbruik van benzine, diesel, biobrandstoffen en elektriciteit voor vervoer. Om dit doel te bereiken heeft de nationale overheid leveranciers van benzine en diesel verplicht om een (oplopend) aandeel van de geleverde energie uit hernieuwbare bronnen te laten komen (Wet Milieubeheer, onderdeel Hernieuwbare Energie Vervoer). Meestal doen ze dat door het bijmengen van biobrandstoffen in gewone benzine of diesel. 

Ontwikkelingen

Bijlage 3: Berekening aandeel hernieuwbaar in eindverbruik van energie voor vervoer volgens de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie is beschikbaar in de bijlage.

In 2020 was het aandeel hernieuwbare energie voor vervoer 12,7 procent en is daarmee nagenoeg gelijk aan 2019. Daarmee voldoet Nederland dus ruim aan de verplichting van de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie om in 2020 het aandeel hernieuwbare energie voor vervoer 10 procent te laten zijn. 

De verplichting voor leveranciers om hernieuwbare energie te leveren was omhoog gegaan van 12,5 naar 16,4 procent in 2020 en toch steeg het gerealiseerde aandeel, volgens de rekenregels van de EU_Richtlijn Hernieuwbare Energie nauwelijks. De belangrijkste verklaring daarvoor is dat de leveranciers in 2020 veel biobrandstoffen hebben geleverd aan de zeevaart (zie ook 8.11). Levering aan de zeevaart konden in 2020 wel  meetellen voor de leveranciers om te voldoen om hun verplichting, maar tellen niet mee voor het aandeel hernieuwbare energie totaal en voor vervoer in de EU-Richtlijn.

Bij de berekening van het aandeel hernieuwbare energie voor vervoer tellen biobrandstoffen uit afval dubbel. Het aandeel dubbeltellende biobrandstoffen is, sinds de introductie van de dubbeltellingsregeling in 2009, tot en met 2012 steeds gestegen, daarna stabiel en de laatste jaren vooral afhankelijk van de verhouding tussen het verbruik van biobenzine en biodiesel. De laatste jaren is bijna alle op de markt gebrachte biodiesel dubbel tellend en bij biobenzine blijft het aandeel dubbel tellend beperkt. Kennelijk is het de laatste jaren makkelijker (en goedkoper) om aan dubbeltellende biodiesel te komen dan aan dubbeltellende biobenzine. Sinds 2019 zien we de opkomst van benzinevervanger bionafta uit dubbeltellende grondstoffen (NEa, 2020).

Er zijn berichten naar buiten gekomen over fraude met biodiesel in de periode 2015/2016 en in november 2020 maakte de ILT bekend dat er een nieuw onderzoek loopt (ILT, 2020). Het CBS heeft daar kennis van genomen. Het kan zijn dat de fraude met biodiesel een effect heeft op CBS-cijfers over duurzame biobrandstoffen geleverd op de Nederlandse markt. Het is echter nu nog niet duidelijk  hoe groot dit effect zou zijn. Zodra het effect op de Nederlandse markt bekend is, zal het CBS dat op een geschikt moment verwerken in de cijfers.

Ook elektriciteit voor railvervoer levert een substantiële bijdrage, mede doordat gerekend mag worden met het EU-gemiddelde aandeel hernieuwbare elektriciteit (veel hoger dan het Nederlandse) en sinds kort ook met rekenfactor van 2,5 (zie methode hieronder). Elektriciteit voor wegvervoer levert nog steeds een marginale bijdrage, ondanks de relatief sterke groei van het aantal elektrische voertuigen en de rekenfactor van 5 uit de Richtlijn Hernieuwbare Energie.

Sinds eind 2018 is de wijze waarop biogas voor vervoer meetelt aangepast door Eurostat in samenspraak met DG Energie, als gevolg van een uitspraak van een Europese rechter over de interpretatie van de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie. Het is sindsdien mogelijk om groen gas dat in het binnenland geleverd is aan het gasnet te alloceren naar vervoer voor zover dat gepaard gaat met een fysieke levering van aardgas en een Garantie van Oorsprong waarmee aangetoond kan worden dat het groene gas voldoet aan de duurzaamheidscriteria uit de EU-Richtlijn. In Nederland registreert de NEa hoeveel groen gas op deze wijze wordt gealloceerd naar vervoer in het kader van de verplichting voor bedrijven om hernieuwbare energie voor vervoer te leveren. Groen gas leverde op deze wijze in 2019 ongeveer 2 900 TJ hernieuwbare energie voor vervoer, een stijging van ruim 85% ten opzichte van het jaar ervoor.

Het verplichte aandeel hernieuwbare energie voor vervoer uit de nationale wet- en regelgeving Energie voor Vervoer wordt op een wat andere manier berekend dan het aandeel hernieuwbare energie voor vervoer uit de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie (zie methodesectie). Daardoor loopt het gerealiseerde aandeel hernieuwbare energie voor vervoer volgens de EU-richtlijn niet gelijk op met het verplichte aandeel hernieuwbare energie voor vervoer volgens de nationale wet- en regelgeving Energie voor Vervoer.

Sinds de aanpassing van de Europese Richtlijn Hernieuwbare Energie in 2015 worden er binnen de dubbeltellende biobrandstoffen twee categorieën onderscheiden: gewone dubbeltellende biobrandstoffen (uit gebruikt frituurvet en dierlijke vetten) en zogenaamde geavanceerde biobrandstoffen (uit een hele lijst milieuvriendelijke grondstoffen). Bij de productie van geavanceerde biobrandstoffen wordt het landgebruik niet aangepast voor de teelt. Voor de geavanceerde biobrandstoffen geldt een aparte indicatieve subdoelstelling op Europees niveau (0,5% in 2020). Nederland heeft de keus gemaakt om in nationale wetgeving in 2020 bedrijven te verplichten 1 procentpunt van de verplichting met geavanceerde biobrandstoffen in te vullen. Hiervoor kunnen ook het administratief vergroende leveringen van aardgas aan vervoer meetellen, mits het administratief gekoppelde biogas uit de juiste grondstoffen is gemaakt. Volgens NEa (2021) kwamen de leveringen van geavanceerde biobrandstoffen in 2020 al overeen met 2,6 procent van de totale leveringen aan vervoer.

Methode 

Voor de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie tellen alleen biobrandstoffen mee welke voldoen aan duurzaamheidscriteria uit deze Richtlijn. Het gebruik van duurzame biobrandstoffen is bepaald zoals beschreven in 8.11. 

Via de wet en regelgeving Energie voor Vervoer uit 2018 (voortbouwend op vergelijkbare wetten met verplichtingen) zijn Nederlandse oliebedrijven verplicht om hernieuwbare energie op de markt te brengen. De berekening voor het aandeel hernieuwbare energie voor vervoer uit de wet- en regelgeving Energie voor Vervoer (zoals toegepast door NEa) is niet precies hetzelfde als de berekening volgens de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie zoals in Bijlage 3, waardoor de resulterende percentages verschillen. De rekenwijze verschilt op de volgende onderdelen:

  • Carry-over: Oliebedrijven hebben de voor de wet- en regelgeving Energie voor Vervoer de mogelijkheid om het ene jaar meer te doen en het andere jaar minder. De EU-Richtlijn kent deze verschuiving niet en gaat uit van de fysieke leveringen in het verslagjaar. Deze flexibiliteit verlaagt de kosten voor de oliebedrijven.
  • Hernieuwbare elektriciteit voor railvervoer: Elektriciteit voor railvervoer is geen onderdeel van de wet Hernieuwbare Energie Vervoer, maar telt wel mee voor de EU-doelstelling via het EU-gemiddelde aandeel hernieuwbare elektriciteit.
  • Biobrandstoffen voor mobiele werktuigen: Mobiele werktuigen in de bouw en landbouw gebruiken net als veel wegvoertuigen diesel. In deze diesel zit ook biodiesel bijgemengd. Voor de EU-richtlijn Hernieuwbare Energie valt het gebruik van (bio)diesel voor deze mobiele werktuigen niet onder vervoer en telt deze dus niet mee voor het verplichte aandeel hernieuwbare energie voor vervoer. Voor de wet- en regelgeving Energie voor Vervoer tellen de biobrandstoffen geleverd aan mobiele werktuigen wel mee bij het voldoen aan de verplichting. 
  • Voor de Richtlijn Hernieuwbare Energie worden biobrandstoffen geteld op het moment dat ze volgens de energiestatistieken fysiek op de Nederlandse markt komen. Dat is het moment dat er accijns wordt afgedragen. Voor de wet- en regelgeving Energie voor Vervoer konden sinds 2015 biobrandstoffen geteld worden op het moment dat de biobrandstoffen aan een Nederlandse afnemer waren verkocht. Een eventueel daarop volgende export van de biobrandstoffen was voor de wet niet van belang. Met ingang van 2018 is de wetgeving aangepast, onder andere met als doel om ervoor te zorgen dat biodiesel en benzine die tellen voor de verplichting ook fysiek op de Nederlandse markt komen. De verschillen tussen de fysieke leveringen zoals vastgesteld door het CBS en de leveringen die bij de NEa zijn geclaimed voor het voldoen aan de verplichting zijn sinds 2018 veel kleiner dan in de jaren 2015 tot en met 2017.
  • Met ingang van verslagjaar 2018 is het voor bedrijven mogelijk om biobrandstoffen geleverd aan de nationale en internationale scheepvaart mee te laten tellen voor het voldoen aan hun verplichting. In 2020 bestond 30 procent van de geclaimde leveringen bij de NEa uit leveringen aan de scheepvaart (NEa, 2021). Leveringen aan de scheepvaart tellen alleen mee voor de EU-verplichting als deze zijn geleverd aan schepen met vertrek en aankomst in Nederland. Veel schepen varen naar het buitenland en de meeste biobrandstoffen geleverd aan schepen tellen daarom ook niet mee voor het aandeel hernieuwbare energie voor vervoer voor de EU Richtlijn Hernieuwbare Energie en ook niet voor het totaal aandeel hernieuwbare energie. Afgelopen jaar zijn de leveringen van biobrandstoffen aan de zeevaart zo sterk gestegen dat het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft besloten enkel nog geavanceerde biobrandstoffen toe te staan. Omdat deze brandstoffen die uit afval geproduceerd moeten worden nog weinig beschikbaar zijn,  is de kans aanwezig dat de leveringen van biobrandstoffen aan de zeevaart zal dalen komend jaar.

Berekening noemer: in de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie gaat het om benzine, diesel en elektriciteit voor wegvervoer en spoor. In de wet- en regelgeving Energie voor Vervoer gaat het ook om alle belast uitgeslagen benzine en diesel. Het uitsluiten van leveringen aan mobiele machines is door aanpassing van de wet vanaf verslagjaar 2018 niet meer mogelijk.

2.5 Internationale vergelijking

Nederland heeft weinig hernieuwbare energie ten opzichte van veel andere Europese landen. In de ranglijst voor het aandeel hernieuwbare energie staat ons land op de twee na laatste plaats. In 2019 komt in Nederland 8,8 procent van alle energie uit hernieuwbare bronnen, bij koploper Zweden is dit 56 procent. 

2.5.1 Aandeel hernieuwbare energie in bruto energetisch eindverbruik
 2019 (Aandeel hernieuwbare energie %)Doelstelling 2020 (Aandeel hernieuwbare energie %)
Zweden56,39149
Finland43,08138
Letland40,97540
Denemarken37,20430
Oostenrijk33,62634
Estland31,88925
Portugal30,61931
Kroatië28,46620
Litouwen25,46123
Roemenië24,2924
Slovenië21,97425
Bulgarije21,56416
Griekenland19,67718
Spanje18,36220
Italië18,18117
Duitsland17,35418
Frankrijk17,21623
Slowakije16,89414
Tjechië16,24413
Cyprus13,813
Hongarije12,61413
Polen12,16415
Ierland11,98416
België9,92413
Nederland8,76814
Malta8,48810
Luxemburg7,04711
EU2719,7320
Verenigd Koninkrijk12,33615
Bron: CBS, Eurostat (2021)
 

Er zijn drie belangrijke redenen waarom Nederland zo laag staat op de Europese ranglijst. Ten eerste hebben we nauwelijks waterkracht door de geringe hoogteverschillen in onze rivieren. Ten tweede wordt er weinig hout verbruikt door huishoudens. In Nederland hebben bijna alle huishoudens een aardgasaansluiting en soms stadsverwarming. In veel andere landen ontbreken deze aansluitingen op het platteland. Hout concurreert in Nederland dus altijd met het makkelijke en goedkope gas of met stadsverwarming. In het buitenland zijn er veel gebieden waar hout alleen concurreert met elektriciteit, kolen of olie. Deze laatste drie energiedragers zijn relatief duur en en/of bewerkelijk. In die gebieden is hout daarom relatief snel aantrekkelijk. 

Er is een derde reden waarom het aandeel hernieuwbare energie in Nederland lager is dan in bijvoorbeeld Denemarken, Duitsland of Spanje. In deze landen heeft de overheid ‘nieuwe’ vormen van hernieuwbare energie zoals windenergie of zonnestroom meer gesteund dan in ons land. Dit is een politieke keuze. Direct of indirect kost het stimuleren van deze vormen van hernieuwbare energie geld en in Nederland heeft de politiek dat er niet altijd voor over gehad. Sinds 2014 is hierin wel verandering gekomen met het ‘op stoom komen’ van de SDE+-subsidieregeling en de forse verhogingen van de subsidiebudgetten (zie verder paragraaf 2.8 Subsidies). De ruimere subsidiemogelijkheden waren niet direct zichtbaar in de realisatiecijfers vanaf 2014, omdat vooral voor de grote projecten er veel tijd zit tussen plannen, discussie over de ruimtelijke inpassing, aanvraag en realisatie. De laatste jaren is wel een grote groei zichtbaar voor zonnestroom en het meestoken van biomassa, gestimuleerd door de subsidies. 

Onder andere vanwege de verschillen in natuurlijke omstandigheden had niet elk land dezelfde doelstelling van het aandeel hernieuwbare energie in 2020. Gemiddeld genomen streefde de EU naar 20 procent in 2020. Afgesproken is dat sommige landen meer doen dan gemiddeld en andere landen zoals Nederland minder. Het, bindende, doel voor Nederland is 14 procent. In 2019 zaten we daar nog meer dan 5 procentpunt onder. Geen enkel ander land was zo ver van de doelstelling verwijderd.

2.6 Vergelijking methoden voor berekening totaal aandeel hernieuwbare energie

Het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie beschrijft drie methodes om het aandeel hernieuwbare energie uit te rekenen, namelijk de bruto-eindverbruikmethode, de substitutiemethode en de primaire energiemethode. 

Bruto-eindverbruikmethode

In de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie uit 2009 hebben Europese regeringen en het Europees Parlement gezamenlijk afgesproken om 20 procent van het energetisch eindverbruik van energie in 2020 uit hernieuwbare bronnen te laten komen. Bij de berekeningen van het aandeel hernieuwbare energie wordt gebruik gemaakt van concepten uit de energiebalans. In de richtlijn is het eindverbruik opgebouwd uit drie componenten: elektriciteit, warmte en vervoer. 

Voor elektriciteit is het eindverbruik van hernieuwbare energie gelijk gesteld aan de bruto binnenlandse productie. Dit is de productie zonder aftrek van het eigen elektriciteitsverbruik van de elektriciteit producerende installatie.

Voor warmte is het eindverbruik van hernieuwbare energie gelijk aan het finaal verbruik van hernieuwbare energie (bijvoorbeeld de inzet van hout in kachels) plus de verkochte warmte uit hernieuwbare bronnen (bijvoorbeeld de geleverde warmte aan stadsverwarming). 

Voor vervoer gaat het om de biobrandstoffen die geleverd zijn op de nationale markt, al dan niet gemengd in gewone benzine en diesel. Leveringen aan vliegtuigen tellen wel mee, leveringen aan internationale scheepvaart niet.

Voor het totale eindverbruik van energie (de noemer) gaat het bij de EU-richtlijn alleen om het eindverbruik van energie in de industrie (exclusief raffinaderijen), de dienstensector, de landbouw, huishoudens en vervoer. Daar komt dan nog een kleine bijdrage van de transportverliezen van elektriciteit en warmte en het eigen verbruik van elektriciteit en warmte voor elektriciteitsproductie bij. Het andere eigen verbruik van de energiesector, zoals de ondervuring bij de raffinaderijen, telt niet mee. Het gaat alleen om het energetisch verbruik van energie. Het niet-energetisch verbruik van energie, bijvoorbeeld olie of biomassa voor het maken van plastics, telt niet mee.

Vloeibare biomassa telt in de EU-Richtlijn hernieuwbare energie alleen mee als deze voldoet aan de duurzaamheidscriteria uit deze Richtlijn. Voor de gewone energiestatistieken van het CBS, Eurostat en IEA telt alle vloeibare biomassa mee.

Tot slot vindt er een correctie plaats voor landen met een groot aandeel energieverbruik voor vliegverkeer. Voor Nederland resulteert deze correctie voor 2019 in een verlaging van het totale eindverbruik van energie met bijna 2 procent. Voor 2020 zijn deze cijfers nog niet berekend, maar gezien het vliegverkeer door de coronacrisis instortte zal deze correctie lager zijn dan gebruikelijk.  

Een bijzonder aspect bij de bruto eindverbruikmethode in de richtlijn Hernieuwbare Energie is dat de elektriciteitsproductie uit windenergie en waterkracht wordt genormaliseerd om te corrigeren voor jaren met veel of weinig wind of neerslag. Voor wind is de normalisatieperiode vijf jaar en voor water vijftien jaar.

Substitutiemethode

De substitutiemethode berekent hoeveel verbruik van fossiele energie wordt vermeden door het verbruik van hernieuwbare energie. Deze methode werd sinds de jaren negentig gebruikt voor nationale beleidsdoelstellingen. Het eerste kabinet-Rutte heeft de nationale beleidsdoelstelling voor hernieuwbare energie echter losgelaten en daarmee is het politieke belang van deze methode afgenomen. Maar de methode blijft wel relevant, omdat ze inzicht geeft in het vermeden verbruik van fossiele energie en de vermeden emissie van CO2. Deze effecten zijn belangrijke motieven om het verbruik van hernieuwbare energie te bevorderen.

2.6.1 Referentierendementen en CO2 emissiefactor voor elektriciteitsproductie
Rendement (%)CO2-emissiefactor
voor inzet
elektriciteitsproductie
(kg/GJ primaire energie)
199037,471,5
200039,771,3
200539,968,9
201042,367,4
201541,477,9
201642,874,6
201744,673,1
201845,470,7
201946,964,0
2020**46,964,0
Bron: CBS.
**Nader voorlopige cijfers

Uitgangspunten bij de substitutiemethode zijn de productie van hernieuwbare elektriciteit, de productie van hernieuwbare nuttige warmte en het verbruik van biobrandstoffen. Daarna wordt bepaald hoeveel fossiele energie nodig geweest zou zijn om dezelfde hoeveelheid elektriciteit, warmte of transportbrandstoffen te maken. Daarbij wordt gebruik gemaakt van referentietechnologieën die zijn gedefinieerd in het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie. Voor de nader voorlopige cijfers voor 2020 is voor het referentierendement voor elektriciteit uitgegaan van de voorlopige 2019 cijfers (CBS, 2021).

Primaire-energiemethode

De primaire-energiemethode wordt gebruikt in internationale energiestatistieken van het Internationaal Energieagentschap (IEA) en Eurostat. Net als het IEA en Eurostat gebruikt het CBS deze methode in de Energiebalans. Bij de primaire-energiemethode is de eerst meetbare en bruikbare vorm van energie het uitgangspunt. Bij windenergie gaat het om de elektriciteitsproductie. Bij biomassa om de energie-inhoud en niet om de elektriciteit of warmte die uit de biomassa wordt gemaakt. Biomassa komt pas binnen het systeem van de energiestatistieken (als winning) op het moment dat het geschikt en bestemd is voor gebruik als energiedrager. Koolzaad is dus nog geen biomassa, biodiesel wel. Mest nog niet, biogas uit mest wel.

Er is een verschil in het primair verbruik van biomassa volgens de energiebalansen van het CBS, het IEA en Eurostat. In de internationale energiebalansen zijn bijgemengde biobrandstoffen meegenomen als onderdeel van biomassa, in de Energiebalans van het CBS zijn de bijgemengde biobrandstoffen onderdeel van aardolieproducten. Na het bijmengen zijn biobrandstoffen in de Energiebalans dus niet meer als aparte producten herkenbaar. Het bijmengen telt daarom als primair verbruik. In de IEA/Eurostat-balansen is het primair verbruik van biobrandstoffen gelijk aan de leveringen op de binnenlandse markt van bijgemengde en eventueel ook pure biobrandstoffen. Bijgemengde biobrandstoffen worden geïmporteerd en geëxporteerd, waardoor het bijmengen niet gelijk is aan de leveringen op de markt.

Vergelijking tussen methoden

De drie methoden verschillen dus sterk van elkaar. Voor alledrie methoden is wat te zeggen en ze worden ook alledrie gebruikt. Daarom is voor de drie methoden het aandeel hernieuwbare energie uitgerekend. 

Bijlage 4: Vergelijking tussen verschillende methodes voor de berekening van aandeel hernieuwbare energie in Nederland is beschikbaar in de bijlage.

Het resulterende percentage voor het aandeel hernieuwbare energie is in 2020 vergelijkbaar voor de bruto eindverbruik methode en de substitutiemethode. De uitkomst van de primaire energiemethode ligt een stuk lager. De bijdrage van de verschillende componenten verschilt per methode. Zo telt in de substitutiemethode hernieuwbare elektriciteit veel zwaarder mee. Dat komt omdat in de twee andere methoden alleen de geproduceerde elektriciteit telt, terwijl het in de substitutiemethode gaat om de fossiele energie die een gemiddelde centrale nodig zou hebben om dezelfde hoeveelheid elektriciteit te produceren. Dat is twee á tweeënhalf maal zoveel. Daar staat tegenover dat in de substitutiemethode het houtverbruik bij huishoudens veel minder zwaar meetelt, omdat het gemiddeld lage rendement van de houtkachels wordt verdisconteerd. Bij de primaire-energiemethode is afvalverbranding de belangrijkste bron. Dat komt omdat hier de energie-inhoud van het verbrande afval telt en niet de geproduceerde elektriciteit en warmte. Van belang is verder dat de noemer bij de bruto-eindverbruikmethode aanzienlijk kleiner is. Dat komt vooral omdat hierin de omzettingsverliezen bij elektriciteitsproductie en het niet-energetisch verbruik van energie niet zijn meegenomen. 

Nadeel van de substitutiemethode is dat deze ingewikkeld is. Voordeel is dat deze de beste benadering geeft van het vermeden verbruik van fossiele energie en vermeden emissies van CO2: belangrijke redenen voor het stimuleren van hernieuwbare energie (Segers, 2008 en Segers, 2010).

2.7 Werkgelegenheid

Een belangrijke reden voor het stimuleren van hernieuwbare energie is het vermijden van het verbruik van fossiele energie en de daaraan gekoppelde broeikasgasemissies. Het stimuleren van de economie wordt echter regelmatig genoemd als nevendoel. Ook in Nederland is dit nevendoel belangrijker geworden. Dat heeft als gevolg dat de overheid Green Deals sluit met het bedrijfsleven, in topsectorenbeleid economische en energiedoelen worden gecombineerd en in het Energieakkoord een apart doel was opgenomen over werkgelegenheid. De laatste jaren heeft deze discussie een nieuwe wending gekregen. Door de economisch groei is er krapte op de arbeidsmarkt ontstaan, ook in sectoren die relevant zijn voor de verduurzaming van de energievoorziening (Panteia, 2018).

Ontwikkelingen

Tabel 2.7.1 geeft een overzicht van de resultaten voor de werkgelegenheid in de hernieuwbare energiesector tot en met 2018. Recentere cijfers waren op het moment dat deze publicatie werd opgesteld nog niet beschikbaar. Het gaat hierbij om werkgelegenheid gerelateerd aan de exploitatie van hernieuwbare energiesystemen (bijvoorbeeld onderhoud van windmolens) en de bouw van nieuwe systemen (bijvoorbeeld werk in een fabriek die machines maakt voor de productie van zonnepanelen).

2.7.1 Werkgelegenheid in de hernieuwbare energiesector (exclusief bioraffinage) (voltijdsequivalenten)
20102015201620172018
Wind3 6005 8004 9005 1005 400
Zon2 8007 2008 1009 50016 800
Water, bodem en buitenlucht2 0001 9002 1002 2002 400
Biogas1 2001 2001 2001 2001 200
Overige biomassa3 1002 2002 1002 0002 100
Totaal12 70018 30018 40020 00027 900
Bron: CBS.

De totale werkgelegenheid voor de productie en exploitatie van hernieuwbare energiesystemen (dus exclusief energiebesparing) bedraagt in 2018 ongeveer 28 duizend voltijdbanen. De belangrijkste technieken voor wat betreft de werkgelegenheid zijn windenergie en zonne-energie. Bij windenergie gaat het voor een groot deel om werk in de offshore sector. Nederlandse bedrijven dragen niet alleen bij aan parken in Nederland, maar ook aan parken in andere landen. Bij zonne-energie gaat het vooral om installatiewerk voor panelen in Nederland en in deze branche neemt de werkgelegenheid het meest toe. 

De totale werkgelegenheid in Nederland in 2018 was 7,6 miljoen voltijdsequivalenten (inclusief zelfstandigen). De hernieuwbare energiesector leverde hieraan dus een bijdrage van 0,4 procent.

Methode

Bovenstaande cijfers zijn gebaseerd op cijfers zoals het CBS deze maakte voor de Klimaat en Energieverkenning (KEV), vroeger de Nationale Energieverkenning (NEV). Vanaf verslagjaar 2020 worden de cijfers over werkgelegenheid gerelateerd aan hernieuwbare energie niet meer in de KEV meegenomen. In de KEV staan andere economische indicatoren, bijvoorbeeld toegevoegde waarde. In 2018 is de Nationale Energieverkenning niet verschenen, maar voor dit onderdeel vervangen worden door een CBS-publicatie met daarin vergelijkbare informatie over economische indicatoren tot en met het verslagjaar 2017 (CBS, 2018).

Belangrijk aandachtspunt bij vergelijking van de cijfers in de bovengenoemde publicatie met de cijfers die in deze paragraaf staan, is dat in deze paragraaf de scope is beperkt tot die activiteiten die direct te maken hebben met het bouwen, installeren of exploiteren van systemen voor hernieuwbare energie, terwijl in de hierboven genoemde publicatie een brede definitie wordt gehanteerd voor de duurzame energiesector. Daardoor worden hierin ook energiebesparing, elektrisch rijden, smart grids en het gebruik van biomassa voor nieuwe niet-energetische toepassingen (zoals bioplastics) meegenomen.

2.8 Subsidies

Onder de huidige marktcondities is hernieuwbare energie in de meeste situaties duurder dan fossiele energie. Om de productie en het verbruik van hernieuwbare energie te stimuleren stelt de overheid subsidies beschikbaar, geeft belastingkortingen en stelt verplichtingen vast voor het verbruik van hernieuwbare energie. 

MEP en SDE

De oudste ingrijpende overheidsmaatregel was de MEP-subsidie (Milieukwaliteit elektriciteitsproductie). Voor de MEP konden van halverwege 2003 tot half augustus 2006 aanvragen worden ingediend. Na start van een project was er tien jaar recht op subsidie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit. Het bedrag verschilde per technologie. In augustus 2006 is de MEP gesloten voor nieuwe projecten, omdat de kosten uit de hand dreigden te lopen en omdat het beoogde doel (9 procent hernieuwbare elektriciteit in 2010) binnen bereik kwam (Ministerie van Economische Zaken, 2006). Die doelstelling is inderdaad gehaald. 

Na 2010 streeft de overheid naar verdere groei van productie en verbruik van hernieuwbare energie. Daarom is de MEP in 2008 opgevolgd door een nieuwe subsidieregeling: de Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie (SDE) voor bedrijven, (non-profit)instellingen en particulieren. Belangrijke verschillen met de MEP zijn: 

  • De SDE richt zich niet alleen op hernieuwbare elektriciteit, maar ook op groen gas en hernieuwbare warmte.
  • De subsidie is afhankelijk van de marktprijs van gewone stroom of aardgas: hoe hoger de prijs voor gewone stroom of aardgas, hoe kleiner het prijsverschil tussen conventionele en hernieuwbare energie en hoe lager de subsidie.
  • Elk jaar wordt een subsidieplafond vastgesteld. Het is dus geen open-einde-regeling.
  • De regeling wordt elk jaar aangepast. Daarmee speelt de overheid in op nieuwe markt- en beleidsontwikkelingen. Voor ondernemers kunnen deze aanpassingen wel lastig zijn, omdat het plannen van een project vaak meerdere jaren duurt. 

Vanaf 2011 heet de regeling SDE+ en is alleen nog beschikbaar voor bedrijven en (non-profit)instellingen. Belangrijke verschillen ten opzichte van de oorspronkelijke SDE zijn:

  • In de SDE was er voor iedere techniek een apart tarief (subsidie per eenheid geproduceerde energie) en maximumbedrag beschikbaar. In de SDE+ zijn er geen vaste tarieven meer per techniek en ook geen apart subsidiebudget per techniek. De regeling is zo ingericht dat er competitie ontstaat tussen de technieken, waarbij de technieken en de projecten die de minste subsidie nodig hebben eerder aan bod komen. Achterliggend doel is het halen van de Europese doelstelling met zo min mogelijk subsidie.
  • In de SDE was er alleen een stimulans voor hernieuwbare-warmteproductie, indien deze werd gecombineerd met elektriciteitsproductie. In de SDE+ is vanaf 2012 ook plek voor projecten die alleen hernieuwbare warmte produceren.

In 2020 is de Stimuleringsregeling Duurzame Energietransitie (en Klimaattransitie) (SDE++) geïntroduceerd. Bij deze tweede uitbreiding van de SDE-regeling is extra aandacht voor CO2-reducerende technieken met als doel het behalen van de afspraken van het klimaatakkoord. Voorbeelden van nieuwe categorieën waar subsidie voor beschikbaar is zijn CO2-afvang en -opslag en waterstofproductie door middel van elektrolyse.

Tussen het bedenken van de aanvraag en de realisatie van een project zit vaak een paar jaar. Deze tijd is onder andere nodig voor vergunningen, ontwerp, financiering en bouw. Dat verklaart waarom de effecten van veranderingen in de subsidieregelingen pas na enige jaren zichtbaar worden in de meting van nieuwe productie van hernieuwbare energie. Zo was het stopzetten van de MEP in 2006 pas zichtbaar in 2009 door het opdrogen van nieuwe gerealiseerde projecten. 2013 was pas het eerste jaar dat het bijgeplaatst vermogen voor windenergie weer op hetzelfde niveau was als de periode dat er veel molens met MEP-subsidie in gebruik werden genomen (2003-2009). En in 2014 werd voor het eerst een substantiële groei van de biomassaketels voor warmte bij bedrijven zichtbaar.

2.8.1 SDE-budgetplafond1)
Miljard euro
20111,5
20121,7
20133,0
20143,5
20153,5
20169,0
201712,0
201812,0
201910,0
20205,0
Bron: RVO.
1) Genoemde bedragen per jaar zijn de som van subsidiebetalingen over de gehele subsidieperiode van de projecten. Uitbetalingen van subsidie vinden plaats op basis van daadwerkelijke energieproductie.

Zoals hierboven vermeld wordt jaarlijks vastgesteld hoeveel budget beschikbaar komt voor de SDE-regeling. De hoogte van dit budget, het budgetplafond, was voor het SDE-jaar 2020 met 5 miljard euro de helft van het bedrag in 2019, maar nog hoger dan in de jaren vóór 2016 waarin een maximum van 3,5 miljard euro werd bereikt. De hier genoemde bedragen zijn exclusief die voor ‘wind op zee’; deze techniek heeft een eigen aanvraagprocedure.

In 2020 is 1,6 miljard euro SDE subsidie uitgekeerd (kasbasis), vooral voor biomassa- en windprojecten. De uitkering in 2020 is 39 procent hoger dan in 2019. Vanaf 2020 zijn er geen uitgaven meer aan MEP-projecten.

2.8.2 MEP en SDE(+) subsidie
Productie van installaties met subsidieProductie waarover subsidie is ontvangenTotale bruto productie1)Subsidie op transactiebasis (mln euro)Subsidie op kasbasis (mln euro)
201920202)20192020**20192020**201920202)20192020
Waterkracht (mln kWh)1110 74 460000
Windenergie (mln kWh)7 95611 4506 5089 40811 50815 339637767582688
Zonnestroom (mln kWh)2 0793 7421 9333 5025 3367 993158277141232
Biomassa elektriciteit en warmte (TJ)33 33034 87732 19334 209 416484347594
Aardwarmte (TJ)5 5646 1855 1365 1045 5646 15246494855
Zonnewarmte (TJ)658665851 20701212
Biomassa (gas in mln m3)12214912114514219555715963
MEP1020
SDE1 3131 6501 1761 633
Totaal1 3141 6501 1781 633
Bron: CBS op basis gegevens van RVO.
1) In deze tabel is gekozen voor de productie zonder normalisatie, omdat de subsidie ook wordt uitgekeerd op basis van de productie zonder normalisatie.
2) Het gaat om productiegegevens zoals deze bekend waren bij RVO op peildatum 1 maart 2021. Voor sommige installaties komen de data later beschikbaar. Ontbrekende gegevens zijn niet bijgeschat.
Vooral bij warmte leidt dit tot een onderschatting van de gesubsidieerde productie en subsidie op transactiebasis.
Een punt (.) betekent dat een cijfer onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim is. Niets (blanco) geeft aan dat een cijfer op logische gronden niet kan voorkomen of dat de waarde nihil is.
**Nader voorlopige cijfers

2.8.3 Uitbetaalde MEP en SDE subsidies
 Wind (mln euro)Biomassa (mln euro)Overig (mln euro)
'03700
'04951130
'051492791
'061882777
'072591338
'083312197
'093383047
'1030737311
'1132637612
'1232435119
'1331430727
'1428928428
'1533231132
'1651434346
'1756435874
'18603363111
'19582406190
'20688657289

De subsidiebedragen kunnen op kas- en op transactiebasis berekend worden. Berekeningen op kasbasis geven aan hoeveel geld er in een jaar daadwerkelijk is uitgekeerd. Berekeningen op transactiebasis laten zien hoeveel recht op subsidie is opgebouwd in het betreffende jaar. Dit is het moment van productie van de hernieuwbare energie. Het moment van produceren en het moment van uitbetalen is niet hetzelfde. De MEP werd achteraf betaald, de SDE werkt met voorschotten.

Een groot deel, maar niet alle productie van hernieuwbare elektriciteit geeft recht op SDE-subsidie. Het aandeel zonder subsidie neemt toe. Elektriciteitsproductie zonder subsidie betreft onder andere windmolens waarvan de subsidieduur (maximaal tien jaar voor de MEP) verstreken is of die meer produceren dan de maximaal te subsidiëren hoeveelheid. Ook al lang bestaande (delen van) afvalverbrandingsinstallaties hebben geen recht op SDE-subsidie. Zonnepanelen voor kleinverbruikers krijgen via vrijstelling van de hoge energiebelasting op een andere manier steun.

De gegevens uit tabel 2.8.2 zijn afgeleid uit een bestand met subsidiegegevens per project dat het CBS heeft ontvangen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). De bedragen op kasbasis komen overeen met gegevens uit de figuur Uitgaven van RVO (2021b). 

ISDE

De Investeringssubsidie duurzame energie (ISDE) is aangekondigd in de Warmtevisie in april 2015 (Rijksoverheid, 2015). Deze meerjarige regeling is geopend op 1 januari 2016 en loopt tot en met 31 december 2030. Met de ISDE wil de overheid stimuleren dat Nederlandse woningen en bedrijven (utiliteitsgebouwen) minder door gas en meer door duurzame warmte worden verwarmd. Particulieren en zakelijke gebruikers kunnen daarom via de ISDE een tegemoetkoming krijgen bij de aanschaf van zonneboilers, warmtepompen, biomassaketels en pelletkachels. 

Per 1 januari 2020 stopte de subsidie voor biomassaketels en pelletkachels en voor apparaten die in nieuwbouwwoningen werden geplaatst waarvan de omgevingsvergunning na 30 juni 2018 is aangevraagd. Wel was er voor particulieren een overgangsregeling mogelijk. De reden voor deze verandering voor de biomassaketels en de pelletkachels zijn de zorgen over emissies naar de lucht van schadelijke stoffen. Bij het uitsluiten van nieuwe woningen is de reden dat subsidie niet meer nodig is, omdat de toepassing van warmtepompen en zonnewarmtesystemen al gestimuleerd wordt door het afschaffen van aansluitplicht op het aardgasnet. Het budget voor de regeling bedroeg in 2020 100 miljoen euro.

Vanaf 2021 zijn de ISDE en de Subsidie energiebesparing eigen huis (SEEH) samengevoegd, het totale beschikbare budget voor dit jaar bedraagt 124 miljoen euro. Deze nieuwe regeling is bedoeld voor investeringen in warmtepompen, zonneboilers, isolatie en warmtenetten. 

In 2016, 2017 en 2018 is voor respectievelijk 28, 40 en 56 duizend apparaten een aanvragen gedaan voor subsidie op grond van de ISDE-regeling. In 2019 is het aantal aanvragen bijna verdrievoudigd naar 141 duizend apparaten. Dit nam in 2020 weer af naar 48 duizend. In alle jaren zijn warmtepompen het populairst in termen van aantallen, vermogen en aangevraagde subsidie; in 2020 ging het om 35 duizend aanvragen, bijna drie kwart van alle aanvragen. Deze aantallen volgen uit een analyse van een door RVO aan het CBS geleverd bestand met ISDE-aanvragen.

2.8.4 Gerealiseerde projecten met ISDE subsidie per jaar in gebruikname1)
Aantal installaties (x 1 000)Uitgekeerde subsidie (mln euro)Gerealiseerd vermogen (MW)Gerealiseerd opppervlakte (1 000 m2)
Biomassaketels20162864
Biomassaketels2017212116
Biomassaketels2018216157
Biomassaketels2019319205
Biomassaketels20200,510107
Pelletkachels20169577
Pelletkachels2017137103
Pelletkachels2018137103
Pelletkachels20192313186
Pelletkachels20200,30,23
Warmtepompen201671548
Warmtepompen2017163696
Warmtepompen20182451150
Warmtepompen20193779223
Warmtepompen20203472187
Zonneboilers20163313
Zonneboilers20174722
Zonneboilers20184724
Zonneboilers20194826
Zonneboilers20204720
Bron: CBS op basis gegevens van RVO.
1) Het gaat om gegevens zoals deze bekend waren bij RVO op peildatum 1 maart 2021. Voor sommige installaties komen de data later beschikbaar. Ontbrekende gegevens zijn niet bijgeschat.
Niets (blanco) geeft aan dat een cijfer op logische gronden niet kan voorkomen of dat de waarde nihil is.

Overige regelingen

De SDE is de belangrijkste stimuleringsmaatregelen van de overheid voor hernieuwbare energie. Daarnaast zijn er nog diverse andere maatregelen. Deze worden besproken in de Monitoringrapportage RVO Energie-Innovatie regelingen 2020 (RVO.nl, 2021d).

3. Waterkracht

Wereldwijd is waterkracht de belangrijkste bron van hernieuwbare elektriciteit. Nederland heeft echter weinig waterkracht vanwege de geringe hoogteverschillen in de lopen van de rivieren. De totale productie wordt gedomineerd door drie centrales in de grote rivieren die goed zijn voor meer dan 90 procent van het vermogen. Sinds 1990 zijn er geen grote waterkrachtcentrales bijgekomen. Van het totale eindverbruik van hernieuwbare energie komt in 2020 0,1 procent voor rekening van waterkracht.

Ontwikkelingen

De elektriciteitsproductie was in 2020 een stuk lager dan in 2019. De jaarlijkse variatie in productie wordt sterk bepaald door de variatie in de watertoevoer in de grote rivieren. Om die variaties niet direct in de ontwikkeling door te laten werken, wordt er in de Europese richtlijn hernieuwbare energie en ook in het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie gerekend met genormaliseerde cijfers. De genormaliseerde elektriciteitsproductie uit waterkracht is nagenoeg constant. 

3.0.1 Waterkracht
Aantal systemen ≥0,1 MWVermogenElektriciteitsproductie Bruto eindverbruikEffect
Opgesteld elektrisch vermogen (MW)niet genormaliseerd (mln kWh)genormaliseerd (mln kWh)Totaal (TJ)vermeden verbruik van fossiele primaire energie (TJ)vermeden emissie CO2 (kton)
1990 5 37 85 85 306 818 59
2000 6 37 142 100 362 911 65
2005 6 37 88 100 361 904 62
2010 7 37 105 101 364 861 58
2015 7 37 93 99 355 858 67
2018 7 37 72 94 340 748 53
2019 7 37 74 93 335 713 46
2020** 7 37 46 90 324 692 44
Bron: CBS.
** Nader voorlopige cijfers

Methode

Voor de periode 1990–1997 komen de gegevens uit CBS-enquêtes. Voor de periode 1998 tot en met juni 2001 is gebruik gemaakt van gegevens van EnergieNed, en vanaf juli 2001 van gegevens van CertiQ. In 2002 is ter controle gebruik gemaakt van opgaven van de bedrijven in energie-enquêtes van het CBS. Het verschil tussen de jaarlijkse elektriciteitsproductie uit de enquêtes en de elektriciteitsproductie uit de bestanden van CertiQ was in 2002 ongeveer 1 procent. Om onnodige enquêtedruk te vermijden vraagt het CBS sinds 2004 in de enquêtes niet meer naar de elektriciteitsproductie uit waterkracht. Alleen bij niet-plausibele uitkomsten uit de registratie wordt contact opgenomen met de eigenaren van de waterkrachtcentrales. Dit komt echter zelden voor.

De normalisatieprocedure berekent de elektriciteitsproductie uit waterkracht door de capaciteit te vermenigvuldigen met de gemiddelde productie per eenheid capaciteit van de afgelopen vijftien jaar. Voor de jaren vóór 1990 zijn geen gegevens beschikbaar. Daarom is voor de berekening van de genormaliseerde elektriciteitsproductie over de jaren tot 2004 het standaard aantal jaren in de normalisatieprocedure aangepast aan de beschikbaarheid van gegevens. Het bruto eindverbruik is gelijk aan de genormaliseerde elektriciteitsproductie.

Zowel voor het opgesteld vermogen als voor de elektriciteitsproductie is een ondergrens gehanteerd van 0,1 MW geïnstalleerd vermogen per installatie. Beneden deze grens zijn enkele kleinere installaties aanwezig met een totaal geschat vermogen van ongeveer 0,3 MW. Dat is minder dan 1 procent van het totaal. De onnauwkeurigheid in de berekening van de hernieuwbare energie uit waterkracht wordt geschat op ongeveer 2 procent.

4. Windenergie

Windenergie is een zeer zichtbare vorm van hernieuwbare energie. Windmolens staan vooral in de kustprovincies, omdat het daar het meeste waait. Ook op zee staan molens. De bijdrage van windenergie aan het totale eindverbruik van hernieuwbare energie in Nederland was 23 procent in 2020.

Ontwikkelingen

Het opgestelde vermogen voor windenergie is in 2020 sterk toegenomen en stond einde jaar op 6 600 megawatt; eind 2019 was dit nog 4 500 megawatt. De groei is grotendeels te danken aan de realisatie van het windpark bij Borsele, waardoor het vermogen op zee meer dan verdubbelde en eind 2020 goed was voor 2 500 megawatt. Ook op land nam de opgestelde capaciteit met bijna 18 procent toe tot 4 200 megawatt. 
De elektriciteitsproductie (genormaliseerd) is in 2020 met 29 procent gestegen naar 14 miljard kWh. Wind op zee was in 2020 goed voor iets meer dan een derde van de totale elektriciteitsproductie uit wind. 

4.0.1 Opgesteld vermogen windenergie
 Op land (MW)Op zee (MW)
'004470
'014860
'026720
'039050
'0410750
'0512240
'061453108
'071641108
'081921228
'091994228
'102009228
'112088228
'122205228
'132485228
'142637228
'153034357
'163300957
'173245957
'183436957
'193527957
'20**41592460
**Nader voorlopige cijfers

Financiële ondersteuning van de overheid heeft een belangrijke rol gespeeld bij de ontwikkeling van windenergie. In augustus 2006 sloot de minister van Economische Zaken de destijds belangrijkste subsidieregeling, de Regeling Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie (MEP), vanwege de grote populariteit en daaruit voortvloeiende financiële verplichtingen. De ondersteuning voor toen bestaande en ingediende projecten bleef bestaan en in 2017 hebben de laatste projecten het einde van de looptijd van die ondersteuning bereikt (RVO, 2017b). Als opvolger van de MEP werd in april 2008 een nieuwe subsidieregeling voor nieuwe windmolens gestart: de Regeling Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE, vanaf 2011 SDE+). 

4.0.2 Hernieuwbare energie uit wind
Aantal windmolensVermogenElektriciteitsproductieEffect
bijgeplaatstuit gebruik genomenopgesteld1)bijgeplaatst (MW)uit gebruik genomen (MW)opgesteld (MW)1)niet genormaliseerd (mln kWh)genormaliseerd (mln kWh)2)vermeden verbruik fossiele primaire energie (TJ)vermeden emissie CO2 (kton)
Totaal1990 700 323 150 50 56 56 539 39
Totaal2000 4791 291 382 447 829 7446 745 481
Totaal2005 125691 710 166171 2242 0672 03418 3481 264
Totaal2010 28271 973 30152 2373 9934 50338 3202 583
Totaal2015 1911442 171 583583 3917 5506 91760 2184 691
Totaal2018 66182 318 207164 39310 54910 03082 5535 836
Totaal2019 49462 321 159684 48411 50810 77484 0175 377
Totaal2020** 362772 6062 193596 61915 33913 945111 3287 125
Op land2018 66182 029 207 163 4366 9186 57854 3813 845
Op land2019 49462 032 159 683 5277 9357 42956 5193 617
Op land2020** 189772 144 691 594 1599 8568 96064 6134 135
Op zee2018 0 0 289 0 0 9573 6303 45228 1721 992
Op zee2019 0 0 289 0 0 9573 5733 34527 4981 760
Op zee2020** 173 0 4621 503 02 4605 4844 98546 7152 990
Bron: CBS.
1) Aan einde verslagjaar.
2) Volgens de methode uit de EU-richtlijn voor hernieuwbare energie.
** Nader Voorlopige cijfers

De windmolens op zee produceren meer elektriciteit per eenheid vermogen dan de windmolens op land. Daar staat tegenover dat windmolens op zee duurder zijn. De hogere opbrengst per eenheid vermogen van wind op zee woog lange tijd niet op tegen de hogere kosten per eenheid vermogen en per eenheid geproduceerde elektriciteit was wind op zee dan ook duidelijk duurder dan wind op land (Lensink et al., 2012). 

Echter, dit beeld is de laatste paar jaar drastisch veranderd. Medio 2016 werd een bod van 7,27 cent per kilowattuur (Dong Energy; Ørsted) en eind 2016 een nog lager bod van 5,45 cent (het consortium Shell, Van Oord, Eneco en Mitsubishi/DGE) op een tender voor windparken geaccepteerd (Rijksoverheid, 2016). De uit te keren subsidie is genoemd bod minus de jaarlijks achteraf vastgestelde gemiddelde marktprijs voor elektriciteit. Beide worden overtroffen door Nuon/Vattenfall die in maart 2018 een tender won voor de vergunning om zonder subsidie een windpark te bouwen op kavels I en II van de locatie Hollandse Kust (Rijksoverheid, 2018a). Dit is weer door Vattenfall herhaald in juli 2019 dat in het zelfde windenergiegebied de tender wint voor kavels III en IV (Rijksoverheid, 2019a). Eind juli 2020 heeft het consortium Crosswind (Shell en Eneco) eveneens een tender gewonnen voor een subsidieloos windpark in de locatie Hollandse Kust (noord) (Rijksoverheid, 2020b). Dit wordt dus het derde subsidieloze windpark op zee; wel is het zo dat voor de nieuwe windparken op zee de landelijke netbeheerder de kosten draagt voor de aansluiting van de windparken op het landelijk stroomnet.

4.0.3 Hernieuwbare energie uit wind en elektriciteitsproductie per capaciteit
Elektriciteitsproductie (mln kWh)Productiefactor (%)1)Vollasturen (uur)2)Elektriciteitsproductie per rotoroppervlak (kWh per m2)3)
Totaal20052 067 201 792765
Totaal20103 993 211 797798
Totaal20157 550 272 3821 032
Totaal201810 549 282 456973
Totaal201911 508 292 5751 011
Totaal2020**15 339 332 8581 107
Op land20052 067 201 792 765
Op land20103 315 191 662 740
Op land20156 420 262 249 987
Op land20186 918 242 073 876
Op land20197 935 262 259 941
Op land2020**9 856 292 5591 038
Op zee2005
Op zee2010679 342 9761 280
Op zee20151 130 413 5921 387
Op zee20183 630 433 7931 233
Op zee20193 573 433 7331 214
Op zee2020**5 484 413 6181 257
Bron: CBS.
1) De productiefactor is gedefinieerd als de daadwerkelijke productie gedeeld door de maximale productie berekend op basis van het vermogen aan het einde van elke maand. Deze factor wordt ook wel capaciteitsfactor genoemd.
2) Het aantal vollasturen is het aantal uur dat de windmolens op de maximale capaciteit zouden moeten draaien om de gerealiseerde productie te halen. Het aantal vollasturen is recht evenredig met de productiefactor.
3) Berekend als het gemiddelde van de maandelijkse elektriciteitsproductie per rotoroppervlak aan het einde van de maand. Daarbij is gewogen met het aantal dagen per maand en de rotoroppervlak aan het einde van de maand.
Niets (blanco) geeft aan dat een cijfer op logische gronden niet kan voorkomen of dat de waarde nihil is.
**Nader voorlopige cijfers

Windenergie op land naar ashoogte

Op grotere hoogte van het maaiveld staat meer wind dan op het maaiveldniveau. Daardoor produceren hoge molens per eenheid vermogen (in de tabel opgenomen als productiefactor) over het algemeen meer windenergie. 

Door de jaren heen worden steeds meer grote en dus hoge molens bijgeplaatst en kleine molens afgebroken. Maar ook in de andere categorieën windmolens met een ashoogte van 31 tot en met 95 meter lijkt bijna geen groei meer plaats te vinden. Sinds 2015 neemt het totale opgestelde vermogen van de grootste molens met een ashoogte groter dan 95 meter wel gestaag toe. 

Windenergie naar provincie

De meeste windmolens staan in de kuststreek. Dat is niet verwonderlijk, gezien het grotere windaanbod. Bij de plaatsing van de windmolens is het windaanbod echter niet de enige factor. Ook de beleving van de inpasbaarheid in het landschap speelt een belangrijke rol. Dat verklaart waarom in Flevoland de meeste windmolens staan, ondanks de minder gunstige windcondities in deze provincie ten opzichte van de kuststreek (SenterNovem, 2005).

Begin 2013 zijn afspraken gemaakt tussen Rijk en IPO/provincies over de bijdragen per provincie aan de totale opgestelde capaciteit van windmolens op land; afgesproken is dat in 2020 in totaal 6000 megawatt staat opgesteld. Dit doel is niet behaald, zoals staat beschreven in de Monitor Wind op land (RVO, 2021c). Wel is de verwachting dat het tekort ruimschoots gerealiseerd zal zijn in 2023. In de monitor worden de provinciale standen en de plannen om de bijdrage te halen verder uitgelicht. 

Gerealiseerde windenergie draagt tevens bij aan het in het klimaatakkoord vastgestelde doel om in 2030 tenminste 35 TWh duurzame elektriciteit op land (wind en zon) te realiseren. In de Regionale Energie Strategie (RES) wordt het regionale aandeel voor de landelijke opgave zo concreet mogelijk uitgewerkt. Gemeenten, provincies en waterschappen stellen deze RES-en op en er wordt door het CBS nu ook vanaf RES-niveau gepubliceerd over het vermogen en de productie van wind op land: Hernieuwbare energie; zonnestroom, windenergie, RES-regio.

Methode

Het vermogen is bepaald aan de hand van een CBS-database met alle windmolenprojecten. De basis voor deze database is de windmonitor die de KEMA tot en met 2002 heeft bijgehouden. Elk jaar vernieuwt het CBS deze database op basis van gegevens uit de administraties van CertiQ en van RVO. De vermogens per aansluitpunt zijn gecontroleerd op plausibiliteit door te vergelijken met de elektriciteitsproductiegegevens van CertiQ. Het moment van het in en uit gebruik nemen van een molen is bepaald aan de hand van de elektriciteitsproductiegegevens van CertiQ, in combinatie met openbare gegevens op internet en Windstats. 
Tussen de uitkomsten van het CBS over het opgestelde windenergievermogen en die van andere bronnen, zoals de Monitor Wind op land en Windstats.nl, treden soms verschillen op. Doorgaans worden deze veroorzaakt door verschillen in het moment van in of uit gebruik nemen van windmolens of (delen van) windmolenparken. 

Sinds 2016 is met name in de provincie Groningen een groot aantal kleine windmolens geplaatst; in de meeste gevallen bij landbouwbedrijven voor stroomproductie voor eigen gebruik. In 2020 betreft het in totaal circa 200 windmolens met per stuk een vermogen van 50 kilowatt of kleiner en met een gezamenlijk vermogen van drie megawatt; deze molens staan geregistreerd bij CertiQ. Gezien de geringe omvang in totaal en om praktische redenen worden deze molens niet in de statistiek meegenomen. 

De elektriciteitsproductie is berekend aan de hand van de administratie achter de certificaten voor de Garanties van Oorsprong van CertiQ. Daarnaast is er een bijschatting gemaakt voor windparken waarvan de productie niet bij CertiQ bekend is. Deze schatting is gemaakt op basis van het vermogen en de gemiddelde productiefactor en bedroeg 189 GWh in 2020, ongeveer 1 procent van de totale productie. 

Voor de berekening van het aandeel hernieuwbare energie volgens de bruto eindverbruikmethode uit de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie wordt de elektriciteitsproductie uit wind genormaliseerd. De methode is vastgelegd in deze richtlijn en komt er op neer dat de elektriciteitsproductie wordt berekend door het gemiddelde van het vermogen aan het begin en het vermogen aan het einde van het jaar te vermenigvuldigen met de gemiddelde elektriciteitsproductie per eenheid vermogen van de afgelopen vijf jaar.

De onzekerheid in de CBS-cijfers over de elektriciteitsproductie uit windenergie in 2020 wordt geschat op 2 procent.

5. Zonne-energie

Zonne-energie valt uiteen in twee groepen: 

  • de omzetting van zonnestraling in elektriciteit (zonnestroom of fotovoltaïsche zonne-energie), 
  • de omzetting van zonnestraling in warmte (zonnewarmte of thermische zonne-energie).

De bijdrage van zonne-energie aan het totale eindverbruik van hernieuwbare energie in Nederland groeit en komt in 2020 uit op 14 procent. 

5.0.1 Zonne-energie
Bruto eindverbruik (TJ)Vermeden verbruik van fossiele primaire energie (TJ)Vermeden emissie CO2 (kton)
1990102 88 5
2000482 515 30
20058471 045 63
20101 1961 491 90
20155 12710 819 818
201814 51030 6212 148
201920 41742 2262 693
2020**30 49563 7814 073
Bron: CBS.
**Nader voorlopige cijfers

5.1 Zonnestroom

Ontwikkelingen

Het opgesteld vermogen voor en de productie van zonnestroom zijn ook in 2020 sterk toegenomen. Eind 2020 bedroeg het totale opgestelde vermogen van zonnestroominstallaties in Nederland 10 717 megawatt (MW), een toename van 3 491 MW opzichte van eind 2019. De opwek van elektriciteit met zonnepanelen bedroeg in 2020 (voorlopige cijfers) 8 144 mln kWh, een toename van 53 procent ten opzichte van 2019 (Tabel 5.1.2). De bijdrage van zonnestroom aan het eindverbruik van hernieuwbare energie in Nederland is ruim 13 procent. 

5.1.1 Bijgeplaatst vermogen zonnestroom
 Bijgeplaatst vermogen (MW)
201020,682
201158,473
2012138,493
2013362,549
2014357,588
2015518,536
2016609,146
2017775,597
20181698,282
2019**2616,69
2020*3491,413
*Voorlopige cijfers **Nader voorlopige cijfers
 

Het vermogen aan zonnestroom blijft van jaar op jaar sterk groeien, zie figuur 5.1.1. Als de projecten waaraan subsidie is toegekend daadwerkelijk gerealiseerd worden, dan geldt dit ook voor het komende jaar. De Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie en klimaattransitie (SDE++) is veruit de grootste bron van subsidie. Medio 2021 is er voor 3 535 MW vermogen aan zon-PV beschikt via de SDE++, waarvan 1 803 MW (3 317 projecten) op dak en 1 732 MW (109 projecten) op veld of water (Rijksoverheid, 2021). Daarnaast zijn er nog andere manieren waarop de realisatie van zonnestroominstallaties wordt gestimuleerd. Voor zakelijk gebruikers zijn er naast de SDE++ nog de Energie-investeringsaftrek (EIA) en de InvesteringsSubsidie Duurzame Energie (ISDE). Voor kleinverbruikers is er de salderingsregeling of als zij zich verenigen in een coöperatie of vereniging van eigenaars (VvE) is er de Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwekking (SCE). 

Niet alle geplande en voor subsidie beschikte projecten worden uiteindelijk gerealiseerd. RVO (RVO, 2021e) constateert in 2019 en 2020 voor de SDE-projecten een stijging van projecten die volledig werden ingetrokken (volledige vrijval) of waarbij er substantieel minder vermogen werd gerealiseerd dan beschikt (gedeeltelijke vrijval). In 2019 bedroeg de vrijval voor beide typen gezamenlijk ongeveer 1 025 MW, in 2020 was dit 1 662 MW. Ter vergelijking: in 2017 bedroeg de vrijval 100 MW en in 2018 422 MW (RVO, 2021e). De vrijval komt vooral voor bij dakinstallaties en niet of nauwelijks bij veldinstallaties. Als oorzaken voor volledige of gedeeltelijke vrijval noemt RVO aanpassing van de dakconstructie, tegenvallende business cases, netcapaciteit en verzekerbaarheid. De kortere realisatietermijn voor zon op daken projecten in de SDE maakt het voor zon op daken extra moeilijk om binnen de realisatietermijn van de SDE de knelpunten opgelost te krijgen.

Ondanks de toenemende vrijval is de SDE de belangrijkste motor voor de toename van zonnestroom in Nederland. RVO (RVO, 2021e) voorziet voor 2021 een realisatie van 3 900 MW vermogen aan zonnestroominstallaties, waarvan bijna driekwart (72%) via SDE wordt ondersteund. 

Tegenover de populariteit van de SDE staat het wegvallen van de aanvragen van subsidie via de Energie-investeringsaftrekregeling (EIA). Het financiële voordeel uit de SDE is groter dan uit de EIA; bedrijven zullen dus eerder voor de SDE+ kiezen. Bovendien is dat combinatie van EIA en SDE+(+) niet meer mogelijk is. 

Voor de kleinverbruikers (particulieren en bedrijven met een laag elektriciteitsverbruik) blijft de salderingsregeling in combinatie met de hoge energiebelasting op elektriciteit een belangrijke stimulans om zonnepanelen aan te schaffen. Kleinverbruikers kunnen via de salderingsregeling net zoveel voor hun opgewekte elektriciteit krijgen als zij voor ingekochte elektriciteit betalen. Door deze saldering hoeft geen btw en energiebelasting over de zelf geproduceerde stroom betaald te worden. Daar komt nog bij dat particulieren de btw op aangeschafte panelen terug kunnen vragen. De daadwerkelijk terugverdientijd van zonnepanelen hangt af van meerdere factoren, zoals de beschikbaarheid van een dak in de zon, de prijs van elektriciteit en het functioneren van de panelen op de lange termijn.

Eind 2020 is een wetsvoorstel voor de geleidelijke afbouw van de salderingsregeling naar de Kamer gestuurd. Het is de bedoeling om tussen 2023 en 2031 het salderen van gebruikte en teruggeleverde elektriciteit in stapjes af te bouwen en te vervangen door een terugleververgoeding. Het verschil is dat bij de salderingsregeling ook alle belastingen kunnen worden gesaldeerd, terwijl bij een terugleververgoeding wel belastingen betaald worden. Door de val van het kabinet Rutte III is dit wetsvoorstel controversieel verklaard. Het is onduidelijk of de afbouw van de salderingsregeling in 2023 vertraging oploopt.

Tot slot is er voor energiecoöperaties (‘Vereniging van eigenaren’) en Verenigingen van Eigenaars (de ‘VvE’) de Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwekking (SCE). Dit is de opvolger van de fiscale regeling verlaagd tarief, beter bekend als de postcoderoosregeling omdat de opwek dient plaats te vinden in coöperatief verband en in de eigen leefomgeving

5.1.2 Zonnestroom
Bijgeplaatst vermogen (MW)Opgesteld vermogen (MW)Elektriciteits-productie (mln kWh)Bruto eindverbruik (TJ)Vermeden verbruik van fossiele primaire energie (TJ)Vermeden emissie CO2 (kton)
1990.10240
2000413828705
20052513512832022
201021905620147632
20155191 5261 1093 9919 639751
20181 6974 6083 70913 35429 4132 080
20192 6187 2265 33619 21040 9612 622
2020**3 49110 7178 14429 31862 5134 001
Bron: CBS.
Een punt (.) betekent dat een cijfer onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim is. 
**Nader voorlopige cijfers

Methode

Tot 2018 bepaalde het CBS het opgestelde vermogen voor zonnestroom op basis van een enquête onder leveranciers van (importerende) zonnestroomsystemen. In 2018 is het CBS overgestapt op een nieuwe methode op basis van een combinatie van informatie uit registraties, met name het Productie-installatieregister (PIR) van de netbeheerders, de administratieve data van CertiQ en de teruggave van BTW voor particulieren. In 2020 is het PIR opgevolgd door de Centrale Registratie van Systeemelementen (CERES). De registerinformatie wordt op het niveau van adressen en aansluitingen geïntegreerd met de statistieken welke het CBS al langer maakt op basis van de klantenbestanden van de netbedrijven. Voordeel daarvan is dat plausibiliteitscontroles mogelijk zijn en dat het mogelijk is om op dezelfde wijze als in de andere statistieken uitsplitsingen te maken naar regio en naar sector. De registerinformatie is beschikbaar vanaf verslagjaar 2012. Voor de jaren daarvoor is de zonnestroomstatistiek nog steeds gebaseerd op de informatie uit de enquêtes onder leveranciers.

De nieuwe methode kent onzekerheden, omdat met name voor de kleinverbruikers het register niet compleet is en waarbij onduidelijk is in welke mate het register niet compleet is. Ook komt registerinformatie soms vertraagd beschikbaar. Echter, ook de oude methode kende onzekerheden, omdat het lastiger is om de lijst met importerende leveranciers compleet te houden en om dubbeltellingen te vermijden. Per saldo denkt het CBS dat de nieuwe methode minstens even nauwkeurig als de oude methode (Kremer en Segers, 2018).

Voor zonnepanelen wordt uitgegaan van een levensduur van 25 jaar (Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie, RVO en CBS 2015). Dit is een erg onzekere schatting, maar omdat verreweg de meeste panelen in recente jaren zijn geplaatst heeft deze onzekerheid op dit moment nauwelijks effect op de onzekerheid in de totale productie van zonnestroom.

De elektriciteitsproductie is berekend met behulp van vaste kengetallen van de jaarlijkse productie per geïnstalleerd vermogen (Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie). Daarbij wordt vanaf verslagjaar 2018 het kental van 875 kWh per kWp vermogen gecorrigeerd voor de daadwerkelijke straling in een maand (KNMI data) en het opgestelde vermogen op maandbasis dat wordt geschat onder andere op basis van de statistische maandrapporten van CertiQ.

Het CBS ontvangt voor de meeste grote systemen informatie over maandelijkse elektriciteitsproductie van CertiQ. Het CBS onderzoekt momenteel methoden om deze te gaan gebruiken voor de berekening van de elektriciteitsproductie van zonnestroom. Daarnaast onderzoekt het CBS op dit moment voor installaties waarvoor geen CertiQ-productiegegevens beschikbaar zijn de mogelijkheden om het kental van 875 kWh per kWp vermogen te vervangen door een meer op waarneming gebaseerde methode.

Zowel in de schatting van de geplaatste panelen als in de productie per geïnstalleerd vermogen zit een onzekerheid. De totale onnauwkeurigheid in de elektriciteitsproductie uit zonnepanelen schat het CBS op 15 tot 20 procent.

5.2 Zonnewarmte

Bij de actieve zonthermische energiesystemen kan een uitsplitsing worden gemaakt naar afgedekte en onafgedekte systemen. Afgedekte systemen zijn gesloten systemen. Hierdoor wordt de temperatuur in de collector hoger en daardoor ook de warmteproductie per vierkante meter. Binnen de afgedekte systemen wordt nog een onderscheid gemaakt in systemen met een collectoroppervlak kleiner dan zes vierkante meter en systemen met een collectoroppervlak groter dan zes vierkante meter. De kleine afgedekte systemen zijn bekend als zonneboilers. Deze worden veel toegepast in de woningbouw. De grotere afgedekte systemen worden vooral in de utiliteitsbouw gebruikt. De onafgedekte systemen worden vooral bij zwembaden toegepast.

Er zijn twee typen afgedekte systemen: vlakkeplaatcollectoren en vacuümbuiscollectoren. Vlakkeplaatcollectoren komen in Nederland het meeste voor en de afdekking bestaat dan uit een glazen plaat. Vacuümbuiscollectoren zijn dubbelwandige buisvormige collectoren met tussen de twee wanden een isolerende vacuüm ruimte. In het binnenste gedeelte wordt de warmte opgevangen door een vloeistof.

Ontwikkelingen

Zonnewarmtesystemen worden al heel lang toegepast in Nederland. Een grote doorbraak is echter tot op heden uitgebleven. Reden daarvoor is dat er in het verleden geen langdurige aantrekkelijke subsidieregeling is geweest, zoals voor hernieuwbare elektriciteit. Ook zijn de prijsdalingen van deze systemen lang niet zo sterk als bij zonnestroom. In 2020 was er zelfs een terugval te zien ten opzichte van eerdere jaren, Er werd 33 duizend vierkante meter aan zonnecollectoren bijgeplaatst. Daartegenover staat dat 36 duizend vierkante meter uit gebruik is genomen (einde geschatte levensduur). Per saldo nam het totale oppervlak van de opgestelde zonnecollectoren daardoor met 3 duizend vierkante meter af tot afgerond 670 duizend vierkante meter.

In 2018 en 2019 zijn een aantal grote systemen met zonnecollectoren geplaatst, wat de belangrijkste oorzaak was voor de groei in die jaren. Het overgrote deel van deze grotere systemen werd met ondersteuning van SDE+ in gebruik genomen en vond zijn weg naar landbouwbedrijven en utiliteitsgebouwen. In 2020 is een afname te zien bij de geplaatste zonnecollectoren bij de landbouw, wat de terugval van dit jaar verklaart. Op woningen is in 2020 ongeveer evenveel geplaatst, met name zonneboilers, als in 2019. 

Sinds begin 2016 is er een nieuwe subsidieregeling voor zonnewarmtesystemen: de ISDE (zie ook paragraaf 2.8). In 2018 werd er voor ongeveer 25 duizend vierkante meter ISDE subsidie aangevraagd. In 2019 ging de subsidieaanvraag omhoog naar 33 duizend vierkante meter oppervlakte zonneboiler. In 2020 is dit teruggezakt naar 28 duizend vierkante meter, wat overeenkomt met de daling in de bijgeplaatste projecten. Opgemerkt moet worden dat niet alle aanvragen daadwerkelijk zullen leiden tot een geplaatst systeem. Analyse van de ISDE data laat zien dat er tussen 2017 en 2020 steeds ongeveer ruim 20 duizend vierkante meter aan zonnewarmtesystemen met ISDE is geplaatst.

5.2.1 Zonnewarmte
CollectoroppervlakProductie1)VerbruikEffect
bijgeplaatst (1 000 m2)uit gebruik genomen (1 000 m2)opgesteld (1 000 m2)1)Totale warmteproductie (TJ)bruto eindverbruik (TJ)vermeden inzet van fossiele primaire energie (TJ)vermeden emissie CO2 (kton)
Totaal zonnecollectoren19909173100100845
Totaal zonnecollectoren200036827645445444525
Totaal zonnecollectoren200526042271971972541
Totaal zonnecollectoren20104795769949941 01657
Totaal zonnecollectoren201524216471 1371 1371 17967
Totaal zonnecollectoren201841346571 1561 1561 20868
Totaal zonnecollectoren201951366721 1801 1801 26572
Totaal zonnecollectoren2020**33366701 1771 1771 26872
Zonneboilers (afgedekt ≤ 6 m2)2018232043882682689050
Zonneboilers (afgedekt ≤ 6 m2)2019242643682282288650
Zonneboilers (afgedekt ≤ 6 m2)2020**232543482082088350
Afgedekt > 6 m2201815413222022023713
Afgedekt > 6 m2201925215425425427315
Afgedekt > 6 m22020**7315826026028016
Onafgedekt201831088110110815
Onafgedekt20193882104104764
Onafgedekt2020**38779797724
Bron: CBS.
1) Definitie IEA/Eurostat: Beschikbare warmte voor het medium dat zorgt voor warmteoverdracht minus de de optische en collectorverliezen.
**Nader voorlopige cijfers

5.2.2 Afzet afgedekte zonnewarmte systemen, uitgesplitst naar sector (% van collectoroppervlakte)
Sector2015201820192020**
WoningenTotaal86564967
WoningenNieuwbouw183710
WoningenBestaande bouw36413853
WoningenOnbekend331244
Utiliteitsgebouwen9121220
Landbouw5323913
Bron: CBS.
**Nader voorlopige cijfers

5.2.3 Afzet afgedekte zonnewarmte systemen, uitgesplitst naar type systeem (% van collectoroppervlakte)
Type systeem2015201820192020**
Systemen kleiner dan 6 m2Vlakke plaat91737671
Systemen kleiner dan 6 m2Vacuüm buis9272429
Systemen groter dan 6 m2Vlakke plaat56765774
Systemen groter dan 6 m2Vacuüm buis44244326
TotaalVlakke plaat82756472
TotaalVacuüm buis18253628
Bron: CBS.
**Nader voorlopige cijfers

Methode

De basis voor de statistiek is de database die Ecofys heeft opgesteld voor de jaren tot en met 2002 (Warmerdam, 2003). Het CBS heeft vervolgens de database geactualiseerd. De gegevens voor de bijgeplaatste afgedekte systemen zijn verkregen via een enquête bij de leveranciers van deze systemen. De respons was 92 procent voor verslagjaar 2020. Non-respons is bijgeschat op basis van gegevens van vorig jaar. De lijst van leveranciers is opgesteld met hulp van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, brancheorganisatie Holland Solar en informatie uit de ISDE.

In de enquête tot en met het verslagjaar 2017 is bij de leveranciers ook gevraagd naar de aantallen geplaatste complete zonneboilersystemen (combinatie van collectoren en pomp/opslagvat) en de aantallen los geleverde zonnecollectoren. Bij de losse collectoren moet bedacht worden dat deze in een later stadium met een pomp/opslagvat alsnog als compleet systeem geïnstalleerd kunnen worden, maar ook kunnen worden geplaatst in bestaande systemen als uitbreiding of als vervanging. In de statistiek werden de aantallen opgeteld tot ‘zonneboilers kleiner of gelijk aan 6 vierkante meter’. Het resultaat leidt mogelijk tot een overschatting van het aantal zonneboilers (omdat een zonneboilersysteem meerdere collectoren kan bevatten) en daarom is na overleg met de branchevereniging (Holland Solar) besloten de enquêtevragen over aantallen te schrappen. In deze publicatie is de tabel overeenkomstig aangepast. 

Met ingang van het verslagjaar 2018 is in de enquête naast de vraag over het aantal systemen ook het onderscheid naar de grootte van afgedekte zonnewarmtesystemen (kleiner of gelijk aan 6 vierkante meter of groter dan 6 vierkante meter) komen te vervallen. Echter, in de vragenlijst is de vraag naar de bestemming van de systemen onveranderd gebleven. Vanaf 2018 wordt de aanname gevolgd dat het percentage systemen met de bestemming 'woningen' een goede schatting geeft van de systemen kleiner of gelijk aan 6 vierkante meter (zonneboilers). 

Onafgedekte systemen leveren een kleine bijdrage en worden vanaf verslagjaar 2012 geschat met een vaste aanname voor nieuw geplaatste systemen per jaar.

Het uit gebruik nemen van systemen is geschat op basis van een gemiddelde levensduur van 20 jaar voor zonneboilers (Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie). Voor de eenvoud wordt deze schatting van de gemiddelde levensduur ook toegepast voor de grotere systemen. Voor oudere systemen was soms al individuele informatie over de levensduur aanwezig in de database. Deze informatie is gehandhaafd.

Vanaf verslagjaar 2020 wordt de afzet van PVT-systemen, een combinatie van een fotovoltaïsche cel en een zonnecollector, gevraagd aan leveranciers. Deze systemen worden vaak in combinatie met een warmtepomp afgesloten en hebben als voordeel dat elektriciteit en warmte tegelijk worden opgewekt, waardoor de energieopbrengst per vierkante meter hoger ligt dan bij losse panelen/collectoren. Voorlopig zijn de investeringskosten voor deze systemen nog vrij hoog en is subsidie alleen voor grotere installaties mogelijk. Begin 2021 is besloten dat er minimaal 600 m2 aan PVT-oppervlak moet liggen in combinatie met een warmtepomp met een vermogen van minimaal 500 kW om in aanmerking te komen voor SDE++ subsidie. Voor kleine systemen is er wel de BTW teruggave net als voor zonnestroom. Vanwege herleidbaarheid tot individuele bedrijven worden in deze publicatie geen verdelingen over PVT afzet in 2020 opgenomen. 

De energieproductie uit zonnewarmte is berekend volgens kengetallen voor de energieproductie per vierkante meter collectoroppervlak uit het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie (RVO.nl en CBS, 2015). De onzekerheid in de hernieuwbare energie uit zonnewarmte wordt nu bepaald door een combinatie van factoren: de productie per eenheid collectoroppervlak, de levensduur van de collectoren en het bijgeplaatste collectoroppervlak. Het CBS schat de onzekerheid in de productie van zonnewarmte op 25 procent.

6. Aardwarmte en bodemenergie

Aardwarmte en bodemenergie is energie die afkomstig is van onder het aardoppervlak. Aardwarmte is warmte die afkomstig is van het binnenste van de aarde en wordt ook geothermie genoemd. Bodemenergie is warmte of koude uit de buitenlucht die in de bovenste laag van de bodem een half jaar is opgeslagen. In de zomer wordt de koude uit de winter benut en in de winter de warmte uit de zomer. Aardwarmte en bodemenergie groeien de laatste jaren relatief fors en waren in 2020 goed voor 5 procent van het eindverbruik van energie uit hernieuwbare bronnen.

6.0.1 Aardwarmte en bodemenergie
Onttrokken warmte (TJ)Onttrokken koude (TJ)Bruto eindverbruik (TJ)Vermeden verbruik van fossiele primaire energie (TJ)Vermeden emissie CO2 (kton)
1990.8040
200020029215628617
200573678062884846
20102 7031 6602 5012 699142
20156 2441 7936 0825 667266
20188 2882 0908 1147 907414
201910 4341 79410 2799 920547
2020**11 4051 79411 25010 777593

Bron: CBS.
Een punt (.) betekent dat een cijfer onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim is.
**Nader voorlopige cijfers

6.1 Aardwarmte

Ontwikkelingen

Sinds eind 2008 wordt in Nederland gebruik gemaakt van aardwarmte. In eerste instantie ging het om één glastuinbouwbedrijf dat op dit moment op twee plaatsen aardwarmte wint. Het succes van dit project heeft de belangstelling aangewakkerd en in 2020 zijn er in totaal 22 projecten in gebruik waarvan er drie tijdelijk stilliggen. De projecten liggen stil wegens technische problemen met de boorputten, risico op vervuiling van de bodem en seismische risico’s. 

De kosten van diepe bodemenergie zitten vooral in het boren van de put tot een diepte van één kilometer of meer. Het lastige punt daarbij is dat er geen garantie is op succes bij het boren. Om de ontwikkeling van diepe bodemenergie te stimuleren en de risico’s voor de initiatiefnemers te beperken, heeft de overheid een regeling in het leven geroepen die een gedeelte van het risico op het misboren afdekt. De regeling (RNES Aardwarmte) is in 2016 door de minister van Economische Zaken met vijf jaar verlengd.

Vanaf 2012 komen projecten voor diepe bodemenergie ook in aanmerking voor SDE(+)-subsidie. Diepe bodemenergie heeft per joule hernieuwbare energie relatief weinig subsidie nodig en heeft bij de competitieve SDE+ regeling daarom weinig last van concurrentie met andere technieken.

Voor geothermie is volgens een overzicht van RVO tot en met SDE+ 2020 voor 51 aanvragen (inclusief uitbreidingen van bestaande projecten) met een totaal vermogen van 1 127 megawatt subsidie toegezegd (RVO, 2021a). Hiervan is inmiddels 466 megawatt gerealiseerd (RVO, 2021a). 

In totaal produceerden de aardwarmte-installaties in 2020 6,2 petajoule aan warmte en dat is 11 procent meer dan in 2019. De stijging komt voort uit de productie van de nieuwere projecten, opgestart in 2018 of 2019. 

6.1.1 Aardwarmte
Aantal installatiesWarmteproductie (TJ)Vermeden verbruik van fossiele primaire energie (TJ)Vermeden emissie CO2 (kton)
20081 96 95 5
20102 318 316 17
2015112 4482 425 131
2018183 7313 734 206
2019215 5645 589 312
2020**226 1526 180 345
Bron: CBS en LEI (Landbouweconomisch Instituut).
**Nader voorlopige cijfers

Methode

In het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie is afgesproken om de grens tussen aardwarmte en bodemenergie te leggen op 500 meter onder de grond. In de praktijk lijkt deze grens goed te werken. Voor projecten beneden de 500 meter is een vergunning nodig via de Mijnbouwwet. Gegevens over de warmteproductie voor de jaren tot en met 2010 zijn door het CBS zelf opgevraagd bij het betreffende bedrijf. Vanaf 2011 tot en met 2013 is gebruik gemaakt van gegevens van het Landbouweconomisch Instituut (LEI) en voor 2014 en volgende jaren van data van CertiQ. 

6.2 Bodemenergie

Bij bodemenergie kan onderscheid gemaakt worden tussen onttrekking van warmte in de winter en onttrekking van koude in de zomer. Dat gebeurt veelal door het oppompen van grondwater van bijvoorbeeld 150 meter diep. In de zomer wordt dit grondwater, dat een temperatuur heeft van 5 tot 10 graden, gebruikt om een gebouw te koelen. Na het koelen is dit water opgewarmd tussen 10 en 15 graden, en dit water wordt op een andere plek weer teruggepompt in de grond op een vergelijkbare diepte. In de winter wordt dit opgewarmde water weer opgepompt en gebruikt om het gebouw te verwarmen, waarna het afgekoelde water weer terug de bodem in gaat en de cirkel rond is. Bodemenergie wordt ook warmte/koude-opslag genoemd.

Water van 10 à 15 graden is niet zonder meer geschikt om een gebouw in de winter op een aangename temperatuur te krijgen. Daarom worden vaak warmtepompen gebruikt om de energie naar een hoger temperatuurniveau te brengen. De werking van een warmtepomp is vergelijkbaar met die van een koelkast, maar dan omgekeerd. Een koelkast maakt het binnenin kouder door warmte vanuit de koelkast naar buiten te pompen. Daardoor wordt het buiten de koelkast dus (iets) warmer. Een warmtepomp maakt het buiten (iets) kouder en binnen warmer. Net als een koelkast gebruikt een warmtepomp ook elektriciteit. Voor warmtepompen die gebruik maken van ondiepe bodemenergie levert één eenheid elektriciteit gemiddeld ongeveer vier eenheden warmte. De opwekking van één eenheid elektriciteit kost doorgaans twee tot tweeënhalve eenheden fossiele energie en een gasketel maakt ongeveer één eenheid warmte uit één eenheid aardgas. Het gebruik van een warmtepomp is per saldo dus energetisch voordeliger dan verwarming met een gewone aardgasketel. Een beperkte hoeveelheid ondiepe bodemwarmte wordt benut zonder warmtepompen. Het gaat dan om voorverwarming van ventilatielucht.

Binnen de bodemenergie kan nog onderscheid gemaakt worden tussen open systemen en gesloten systemen. In open systemen wordt grondwater onttrokken waarna boven de grond de uitwisseling van warmte plaatsvindt voor koeling en verwarming. Daarna wordt het grondwater weer teruggepompt. In gesloten systemen wordt een gesloten buis of slang de grond ingebracht tot een diepte van 50 tot 100 meter. In deze buis stroomt een vloeistof voor warmtetransport en deze wordt verwarmd of gekoeld via de wand van de buis. Bij gesloten systemen wordt dus geen grondwater onttrokken uit de bodem. Door de stroming van het grondwater is bij open systemen een groter deel van de bodem betrokken bij de opslag van warmte en koude. De gemiddelde capaciteit van deze systemen is dus groter. Open systemen worden vooral toegepast bij grote kantoren, kassen of woonwijken. Gesloten systemen worden vaak toegepast bij kleine kantoren of (een kleine groep) woningen. Open systemen worden ook wel ‘watersystemen’ genoemd en gesloten systemen ‘bodemsystemen’.

6.2.1 Bodemenergie
Onttrekkking van warmte (TJ)Onttrekking van koude (TJ)Bruto eindverbruik (TJ)Vermeden verbruik van fossiele primaire energie (TJ)Vermeden emissie CO2 (kton)
Warmte totaal1990.
Warmte totaal2000 200 156 133 6
Warmte totaal2005 736 628 443 18
Warmte totaal20102 3852 1831 507 66
Warmte totaal20153 7963 6342 293 66
Warmte totaal20184 5574 3833 072 128
Warmte totaal20194 8704 7153 389 167
Warmte totaal2020**5 2525 0973 655 180
Warmte benut met warmtepompen20184 3834 3832 905 118
Warmte benut met warmtepompen20194 7154 7153 241 158
Warmte benut met warmtepompen2020**5 0985 0973 506 171
Warmte benut zonder warmtepompen2018 174 167 9
Warmte benut zonder warmtepompen2019 155 149 8
Warmte benut zonder warmtepompen2020** 155 149 8
Koude1990...
Koude2000 292 15311
Koude2005 780 40528
Koude20101 660 87659
Koude20151 793 94970
Koude20182 0901 10281
Koude20191 794 94269
Koude2020**1 794 94269
Totaal warmte en koude1990....
Totaal warmte en koude2000 200 292 156 286 17
Totaal warmte en koude2005 736 780 628 848 46
Totaal warmte en koude20102 3851 6602 1832 383 125
Totaal warmte en koude20153 7961 7933 6343 243 135
Totaal warmte en koude20184 5572 0904 3834 173 208
Totaal warmte en koude20194 8701 7944 7154 331 235
Totaal warmte en koude2020**5 252.5 0974 597 249
Bron: CBS.
Een punt (.) betekent dat een cijfer onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim is. Niets (blanco) geeft aan dat een cijfer op logische gronden niet kan voorkomen of dat de waarde nihil is.
**Nader voorlopige cijfers

6.2.2 Onttrokken grondwater in open systemen voor warmte/koudeopslag, 2019 (mln m3)
Groningen7
Fryslân5
Drenthe3
Overijssel15
Gelderland21
Flevoland6
Utrecht29
Noord-Holland61
Zuid-Holland62
Zeeland2
Noord-Brabant30
Limburg8
Totaal 249
Bron: CBS.

6.2.3 Onttrokken grondwater in open systemen voor warmte/koudeopslag naar sector, 2019 (mln m3)
Glastuinbouw17
Industrie5
Overige landbouw4
Utiliteitsbouw194
Woningbouw30
Totaal249
Bron: CBS.

Bijlage 5: Warmtepompen met gebruik van bodemenergie is beschikbaar in de bijlage.

Ontwikkelingen

Het gebruik van bodemenergie neemt gestaag toe: sinds 2017 groeide de warmte-onttrekking jaarlijks met ongeveer zeven procent. Vooral in nieuwe grote kantoren is het een veel toegepaste techniek. Het is relatief snel rendabel, omdat in deze gebouwen naast een warmtevraag er vaak ook een behoorlijke koelvraag is en omdat er in nieuwe gebouwen het verwarmings- en koelsysteem direct bij aanleg al aangepast kan worden aan het gebruik van bodemenergie. Ook in de glastuinbouw zijn grote systemen voor bodemenergie in gebruik genomen. 
Voor de open systemen is in 2019 in totaal 249 miljoen kubieke meter water rondgepompt; voor 2020 zijn nog geen uitkomsten beschikbaar.

Warmtepompen en bodemenergie worden vaak toegepast in nieuwe gebouwen. De aangetrokken nieuwbouw van de afgelopen jaren, met een kleine dip in 2020 (CBS Statline, 2021b), zou ook de afzet van warmtepompen kunnen stimuleren. In 2020 is de afzet van warmtepompen die gebruik maken van bodemwarmte bijna verdubbeld ten opzichte van 2019, vooral bij gesloten systemen is er een grote sprong te zien in de bijgeplaatste capaciteit. Een belangrijke invloed op de afzet van warmtepompen zal ook uitgaan van het vervallen van de verplichting voor netbeheerders om nieuwe woningen aan te sluiten op het gasnet per 1 juli 2018 en de subsidieregeling voor kleine warmtesystemen (ISDE). 

Uit een analyse van ontvangen RVO-databestanden met gegevens over aanvragen voor ISDE-subsidie blijkt dat in 2018 voor ongeveer 42 megawatt aan warmtepompen met bodemenergie is geplaatst, in 2019 ongeveer 73 megawatt en 2020 ongeveer 68 megawatt. Voor het grootste deel ging het om warmtepompen bij nieuwe gebouwen of woningen. In 2020 werd ongeveer 66 procent van het vermogen bij woningen geplaatst, de rest bij bedrijven.
De meeste open systemen staan in de provincies Noord- en Zuid-Holland en Noord-Brabant. Deze verdeling reflecteert in grote lijnen de aanwezigheid van grote gebouwen, die zich goed lenen voor toepassing van warmte/koudeopslag met open systemen.

Methode

Voor de berekening van de bodemenergie is gebruik gemaakt van de verkoopgegevens van de leveranciers van warmtepompen en van gegevens over warmte/koudeopslag die de provincies verzamelen voor het verlenen en beheren van de vergunningen voor warmte/koude-opslagprojecten. 

Bij het verzamelen van de verkoopgegevens van warmtepompen is samengewerkt met de branchevereniging. De Vereniging Warmtepompen (voorheen DHPA Dutch Heat Pump Association) heeft de verkoopgegevens van de leden geleverd. Het CBS heeft zelf de leveranciers geënquêteerd die geen lid zijn van de branchevereniging. De onttrekking van bodemenergie en het vermeden verbruik van fossiele primaire energie van de warmtepompen op bodemenergie is berekend op basis van kengetallen uit het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie.

In het verleden is voor de warmtepompen door het CBS en de Stichting Warmtepompen (een voorloper van de Vereniging Warmtepompen) een andere indeling gehanteerd die geen onderscheid maakte naar warmtebron (bodemwarmte of buitenluchtwarmte). Het CBS heeft de oude indeling herleid tot de nieuwe indeling. Daarbij is gebruik gemaakt van enkele aannames en van gegevens uit 2007 en 2008, waarin data zijn verzameld volgens zowel de oude als de nieuwe indeling.
De hernieuwbare energie uit koude en de benutting van warmte zonder warmtepompen is afgeleid uit gegevens over het grondwaterdebiet van de provincies en kengetallen uit het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie
Lastig daarbij is dat uit de informatie van de provincies niet altijd duidelijk is of een project al in gebruik is. Ook is de informatie over de debieten niet compleet. Het CBS maakt schattingen voor ontbrekende informatie, maar daardoor worden de cijfers wel minder nauwkeurig. Vanwege deze grote onzekerheid en de benodigde analysetijd heeft het CBS besloten deze cijfers niet meer met de status voorlopig te publiceren maar alleen nog met de status definitief in december. Als gevolg daarvan zijn in deze publicatie nog geen koudecijfers over 2020 opgenomen.

Koude is gedefinieerd als het grondwaterdebiet voor koeling maal de soortelijke warmte van water maal het temperatuurverschil tussen opgepompt en weer geïnfiltreerd water. Het temperatuurverschil is dus een cruciale parameter. In 2016 is een studie verschenen naar het temperatuurverschil (RVO, 2016) waaruit bleek dat gemiddelde het temperatuurverschil tussen 2009 en 2015 niet veel is veranderd. Er is daarom geen reden is om de kengetallen uit het Protocol te herzien.

De benutting van bodemwarmte zonder warmtepompen (betreft vaak de voorverwarming van ventilatielucht) telt niet bij het bruto eindverbruik, omdat er geen mogelijkheid is om dit te rapporteren bij Eurostat. Reden daarvoor is dat het om een beperkte hoeveelheid energie gaat. 

Koude telt ook niet mee bij het bruto eindverbruik, omdat koude geen energiedrager is volgens de internationale energiestatistieken en ook niet valt onder de definitie van hernieuwbare energie in de EU-Richtlijn Hernieuwbare energie, waarin expliciet wordt gesproken over geothermal heat. Koude telt wel mee bij de berekening van het vermeden verbruik van fossiele primaire energie. Het CBS schat de onnauwkeurigheid in de cijfers over de hernieuwbare energie uit bodemenergie op ongeveer 25 procent.

7. Buitenluchtwarmte

Warmte uit de buitenlucht kan gebruikt worden om gebouwen te verwarmen met een warmtepomp. Het principe is hetzelfde als bij warmtepompen die gebruik maken van bodemenergie. Een belangrijk verschil is dat de gebruikte bodemwarmte gemiddeld een hogere temperatuur heeft dan de buitenlucht. Daardoor is het verschil tussen de temperatuur van de warmtebron en het afgiftesysteem hoger en heeft een warmtepomp op buitenlucht relatief meer elektriciteit (of gas) nodig dan een warmtepomp op bodemwarmte. Daar staat tegenover dat de aanleg van een systeem voor het benutten van de bodemwarmte een stuk duurder is dan een aanzuigpomp voor de buitenlucht. Buitenluchtwarmte is goed voor 4 procent van het eindverbruik van hernieuwbare energie in 2020.

Ontwikkelingen

Het gebruik van buitenluchtwarmte met warmtepompen groeit gestaag. De laatste jaren is de populariteit van dit type warmtepomp zelfs flink gestegen. In 2020 werden 230 duizend installaties geplaatst met een totaal vermogen van 1 350 megawatt. Het jaar daarvoor waren dit 154 duizend installaties met 990 megawatt aan vermogen. De groei van 2020 zit vooral in de afzet van warmtepompen gekoppeld aan luchtverwarmingssystemen. Veel van deze warmtepompen, in het bijzonder die geïnstalleerd zijn in woningen (150 duizend stuks), hebben een kleine capaciteit en zullen relatief vaak uitsluitend voor koeling gebruikt worden. 
Daarnaast neemt ook het aantal warmtepompen gekoppeld aan verwarmingssystemen op basis van water sterk toe. Het gaat dan ook vooral om installaties in woningen.

Warmtepompen met gebruik van buitenluchtwarmte kunnen relatief goedkoop geïnstalleerd worden in een nieuw gebouw en de toegenomen bouw van woningen en kantoren zal dan ook aan de stijging van de afzet hebben bijgedragen. Daarbij speelt ook dat de steeds strengere energienormen in de nieuwbouw en het vervallen van de aansluitplicht op het gasnet voor nieuwe woningen per 1 juli 2018 een extra aanzet zullen geven om warmtepompen te installeren. 

Daarnaast heeft de ISDE-regeling een impuls gegeven voor de afzet van warmtepompen. Uit een analyse van ontvangen RVO-databestanden met gegevens over aanvragen voor ISDE-subsidie blijkt dat in 2018 voor 110 megawatt aan warmtepompen met buitenlucht met ISDE is geplaatst, in 2019 was dit 150 megawatt en 2020 120 megawatt. Het ging dan in alle gevallen om warmtepompen met water als afgiftesysteem, want voor warmtepompen met lucht als afgiftesysteem geldt geen subsidie. In tegenstelling tot bij warmtepompen op bodemwarmte (zie paragraaf 6.2) worden ISDE warmtepompen op buitenluchtwarmte voor het grootste deel in bestaande gebouwen geplaatst. Ongeveer de helft van de ISDE warmtepompen met buitenluchtwarmte werd bij woningen geplaatst in 2020.

De benutting van de buitenlucht voor verwarming met verwarmingssystemen op basis van lucht gebeurt van oudsher vooral in kantoorgebouwen. Het gaat dan vaak om omkeerbare warmtepompen. Dat zijn warmtepompen die in de zomer kunnen worden gebruikt als airco om te koelen, en in de winter om te verwarmen. De meerkosten van koelmachines die niet alleen kunnen koelen maar ook kunnen verwarmen zijn beperkt. Daardoor worden de omkeerbare warmtepompen vaak verkocht zonder veel subsidie. Wel is het mogelijk om voor efficiënte omkeerbare warmtepompen een korting te krijgen op de belasting via de Energie-investeringsaftrekregeling (EIA).
De laatste jaren zijn er veel lucht-lucht systemen bij woningen geplaatst. Over de wijze van functioneren van deze systemen is weinig bekend, maar het zou kunnen dat deze apparaten primair voor koeling zijn aangeschaft en heel weinig voor verwarming worden gebruikt. 

Opvallend is dat de vermeden emissies van CO2 voor warmtepompen op buitenlucht tot en met 2017 vaak negatief zijn, maar dat het vermeden verbruik van fossiele primaire energie positief is. De verklaring hiervoor is dat de besparing van deze warmtepompen afhangt van het verschil tussen het uitgespaarde aardgasverbruik en de daaraan gerelateerde emissies enerzijds (aardgasketel) en het extra verbruik van elektriciteit en de daaraan gerelateerde primaire energie en emissies anderzijds (warmtepomp). Elektriciteitsopwekking heeft volgens de huidige referenties een hogere CO2-emissie per eenheid verbruikte energie dan warmteopwekking in een aardgasketel. De laatste tijd neemt de bijdrage van steenkool aan de elektriciteitsproductie in Nederland af, daardoor wordt de referentie elektriciteitsproductie minder CO2-intensief en neemt de berekende CO2 besparing van de warmtepompen met gebruik van buitenluchtwarmte weer toe tot ongeveer 100 kton.

Overigens is het belangrijk om te weten dat zowel het vermeden verbruik van primaire energie als de vermeden emissies van CO2 sterk afhangen van de energieprestatiefactor van de warmtepompen. Deze waarde voor deze factor is overgenomen van een richtsnoer van de Europese Commissie (zie RVO.nl en CBS, 2015), maar feitelijk is nog erg weinig bekend over de prestaties van warmtepompen op buitenlucht in de praktijk.

7.0.1 Buitenluchtwarmte
Onttrekking van warmte uit buitenlucht (TJ)Bruto eindverbruik (TJ)Vermeden verbruik van fossiele primaire energie (TJ)Vermeden emissie CO2 (kton)
Totaal2000 23 23 3 0
Totaal2005 81 81 12- 1
Totaal2010 536 536 133- 1
Totaal20152 0192 019 439- 39
Totaal20184 6684 6681 598 1
Totaal20196 1686 1682 370 74
Totaal2020**7 9997 9993 063 95
Utiliteitsgebouwen20182 6952 695 925 1
Utiliteitsgebouwen20193 2493 2491 251 39
Utiliteitsgebouwen2020**3 8613 8611 483 46
Woningen20181 9721 972 673 0
Woningen20192 9192 9191 119 35
Woningen2020**4 1394 1391 580 49
Bron: CBS.
**Nader voorlopige cijfers

Bijlage 6: Warmtepompen met gebruik van buitenluchtwarmte is beschikbaar in de bijlage.

Methode

In de EU-Richtlijn voor hernieuwbare energie wordt buitenluchtwarmte aerothermische warmte genoemd.
De statistische methode voor de buitenluchtwarmte is dezelfde als voor bodemenergie die benut wordt met warmtepompen. Via gegevens over de afzet en een aanname over de levensduur wordt het opgesteld vermogen bepaald. Daaruit worden vervolgens de relevante energiestromen bepaald op basis van kengetallen.

Verkoopgegevens van de warmtepompen zijn verzameld in samenwerking met de branchevereniging. De Vereniging Warmtepompen (voorheen DHPA Dutch Heat Pump Association en daarvoor Stichting Warmtepompen) heeft de verkoopgegevens van de leden geleverd. Het CBS heeft zelf de leveranciers geënquêteerd die geen lid zijn van de branchevereniging. In het verleden is voor de warmtepompen door het CBS en de Stichting Warmtepompen een andere indeling gehanteerd die geen onderscheid maakte naar warmtebron (bodemwarmte of buitenluchtwarmte). Het CBS heeft de oude indeling herleid tot de nieuwe indeling. Daarbij is gebruik gemaakt van enkele aannames en van gegevens uit 2007 en 2008 waarin data zijn verzameld volgens zowel de oude als de nieuwe indeling.

Omkeerbare warmtepompen worden regelmatig alleen gebruikt voor koeling, als gewone airco, samen met bijvoorbeeld een gewone verwarmingsketel die de gehele of een gedeelte van de warmtevoorziening regelt. Voor leveranciers van warmtepompen is het erg lastig om in te schatten welk deel van de omkeerbare warmtepompen daadwerkelijk wordt ingezet voor verwarming. Als gevolg van de onzekerheid in het daadwerkelijk gebruik van omkeerbare warmtepompen voor verwarming is het kengetal voor omrekening van het vermogen in de warmteproductie uit het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie onzeker. Om deze onzekerheid te reduceren is er onderzoek verricht onder de installateurs van de omkeerbare warmtepompen. Zij zitten dichter op de projecten dan de leveranciers en hebben dus beter zicht op het gebruik van omkeerbare warmtepompen voor verwarming. Segers en Busker (2015) beschrijven de uitkomsten van dit onderzoek en de aanvullende aannames die nodig zijn om de resultaten uit het onderzoek te benutten. 

Volgens de EU Richtlijn Hernieuwbare Energie mogen warmtepompen alleen meetellen als ze de energieprestatie (warmteproductie gedeeld door elektriciteitsverbruik) groter is dan een bepaalde norm. Vooral bij (oude) warmtepompen op buitenlucht is het onzeker of ze voldoen aan deze norm. In de Richtsnoer voor de rekenmethodiek voor warmtepompen (Europese Commissie, 2013) is vervolgens bepaald dat lidstaten zelf een expertschatting mogen maken voor het deel van de warmtepompen dat voldoet aan deze norm. Deze expertschatting hebben Segers en Busker (2015) verdisconteerd in de rekenfactor voor de omrekening van het vermogen naar de warmteproductie.

Het onderzoek onder de installateurs was helaas te laat om mee te worden genomen in de meest recente update van het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie. Voor de kengetallen waarmee de vermogens worden omgerekend naar warmteproductie, onttrekking van hernieuwbare energie, eigen energieverbruik en vermeden verbruik van fossiele energie en vermeden emissies van CO2 is daarom gebruik gemaakt van het Protocol aangevuld met de nieuwe informatie uit Segers en Busker (2015). 

Het onderzoek van Segers en Busker (2015) omvat data over schattingen van installateurs over in 2014 geplaatste systemen. Over de oude en nieuwere systemen is weinig bekend. Daarnaast zijn er geen goede representatieve data over de energieprestatie van de warmtepompen in de praktijk, waardoor het onduidelijk is welk deel van de aerothermische warmtepompen voldoet aan de ondergrens voor de energieprestatie uit de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie. Daarom blijft het eindverbruik van de aerothermische warmtepompen onzeker.
Het CBS schat de onnauwkeurigheid voor de hernieuwbare energie uit buitenluchtwarmte op 40 procent.

8. Biomassa

Biomassa kan vele vormen aannemen, zoals voedsel of papier. In de energiestatistieken wordt biomassa echter alleen meegenomen als het wordt gebruikt als energiedrager. De import van bijvoorbeeld palmolie voor de voedingsindustrie wordt dus niet meegenomen. Biomassa is de belangrijkste bron van hernieuwbare energie en wordt op vele manieren gebruikt. In dit hoofdstuk worden alle technieken systematisch langs gelopen. De bijdrage van biomassa aan het bruto eindverbruik van hernieuwbare energie was 54 procent in 2020.

8.1 Inleiding 

De belangrijkste toepassingen, goed voor 73 procent van het biomassaverbruik, zijn: afvalverbrandingsinstallaties (paragraaf 8.2), meestoken van biomassa in elektriciteitscentrales (paragraaf 8.3) het gebruik van vloeibare biotransportbrandstoffen (8.11) en het verbruik van biomassa in WKK-installaties (8.4). De resterende 27 procent betreft niet alleen het gebruik van biomassa door huishoudens (8.6) en het verbruik van biomassa voor (uitsluitend) warmte bij bedrijven (8.5). Ook kan, naast direct verbranden, de biomassa eerst worden omgezet in biogas, wat op stortplaatsen (8.7) gebeurt. Ook natte organische afvalstromen zijn vaak geschikt om te worden omgezet in biogas via vergisting. Dat gebeurt in veel rioolwaterzuiveringsinstallaties (8.8), in afvalwaterzuiveringsinstallaties in de industrie (8.10) en veel biogas wordt gemaakt uit vergisting van mest samen met ander organisch materiaal (co-vergisting van mest) (8.9). 

Ontwikkelingen

8.1.1 Biomassaverbruik
 Afvalverbrandingsinstallaties (PJ)Bij- en meestoken biomassa in centrales (PJ)Biomassaketels bedrijven, WKK (PJ)Biomassaketels bedrijven voor alleen warmte (PJ)Biomassa huishoudens (PJ)Biogas (PJ)Vloeibare biotransportbrandstoffen (PJ)
'0025,5121,7553,3332,21214,0275,2110
'0124,6375,4083,512,26813,9385,360
'0225,519,8663,1142,52913,8565,5620
'0325,0597,1273,0252,83614,1865,3920,134
'0426,06614,1233,0943,68614,9015,2850,134
'0526,65930,5223,5244,10615,6645,0950,101
'0626,61629,4453,6775,50116,3945,8791,766
'0727,84515,7023,9816,14516,3777,15313,031
'0830,54919,6929,9296,43416,5229,25812,048
'0932,44122,78813,1526,51216,76310,93915,606
'1034,20828,54512,7255,47717,09911,9849,577
'1137,36127,85510,1385,22217,41411,96813,438
'1239,79426,29512,4825,34416,93812,16514,017
'1340,68915,69113,4365,48517,01212,77713,378
'1440,2658,17314,1277,62216,89813,09415,686
'1540,774,67516,6248,82716,74313,69313,439
'1642,2824,08318,0759,69916,56913,45310,747
'1740,4154,88318,9349,99616,43213,37713,891
'1838,6575,67418,52412,03716,44613,84622,993
'1938,4815,52522,15612,99916,27815,15628,437
'20**38,26840,62123,76113,9116,16817,04724,329
**Nader voorlopige cijfers

Het primair verbruik van biomassa is vooral vanaf 2003 hard gegroeid en bereikte een piek in 2012. Het ging in eerste instantie vooral om een toename van het meestoken van biomassa in elektriciteitscentrales, gestimuleerd door de MEP-subsidies (zie ook 2.8). Later nam ook het gebruik van biomassa voor het wegverkeer toe door de introductie van de verplichting voor leveranciers van benzine en diesel tot het verbruik daarvan, veelal ingevuld door biobrandstoffen bij te mengen in gewone benzine en diesel. Ook het verbruik van biomassa voor elektriciteitsproductie nam toe. Het gaat hierbij vooral om enkele installaties die afvalhout verbranden en elektriciteit maken. Het verbruik van biomassa door afvalverbrandingsinstallaties en als biogas groeit meer geleidelijk. 

Na de piek in 2012 daalde het verbruik van biomassa door het teruglopen van het meestoken van biomassa als gevolg van het aflopen van de subsidie. Echter, vanaf 2018 is er weer groei te zien in het totale verbruik van biomassa. In 2020 is deze groei grotendeels te danken aan de toename in de meestook van biomassa in centrales. Ook nam het verbruik van biogas toe met 12 procent ten opzichte van een jaar eerder. De overige technieken laten een kleinere groei zien in het verbruik (0 tot 10 procent) met als uitzondering de vloeibare biotransportbrandstoffen. Hier daalde het biomassaverbruik met 14 procent.

8.1.2 Biomassa verbruik (TJ)
Primair verbruikBruto energetisch eindverbruikVermeden verbruik van fossiele primaire energie
201820192020**201820192020**201820192020**
Afvalverbrandingsinstallaties38 65738 48038 26816 58816 64816 70221 66020 80621 357
Bij- en meestoken biomassa in centrales5 67415 52540 6212 8867 92519 7225 67415 52540 621
Biomassaketels bedrijven, WKK18 52422 15623 76111 00214 10014 94310 97214 05915 004
Biomassaketels bedrijven, alleen warmte12 03712 99913 91011 48212 55913 33210 21911 91613 057
Totaal biomassa huishoudens16 44616 27816 16816 44616 27816 16811 11511 16811 215
Biogas uit stortplaatsen 532 437 437 279 297 297 376 368 368
Biogas rioolwaterzuiveringsinstallaties2 4272 5652 8982 0732 1872 4931 9632 0522 343
Biogas, co-vergisting van mest5 3136 0616 8134 4745 0635 7385 6045 9956 574
Overig biogas5 5746 0936 8994 4694 9165 6494 7105 2095 869
Vloeibare biotransportbrandstof, totaal22 99328 43724 32922 86828 43724 32822 86828 43724 328
Totaal128 177149 031174 10492 567108 410119 37295 161115 535140 736
Bron: CBS.
**Nader voorlopige cijfers

Tabel 8.1.2 geeft het verbruik van biomassa op drie manieren: eindverbruik, primair verbruik en vermeden verbruik van fossiele energie. Bij het eindverbruik van energie gaat het om de vorm waarin het aan de eindverbruiker wordt geleverd: elektriciteit, warmte of brandstof. Bij het primair verbruik gaat het om de energie-inhoud van de eerst meetbare vorm van de verbruikte biomassa. Vooral bij elektriciteit is het verschil tussen primair en eindverbruik groot, omdat het omzettingsverlies bij de productie van elektriciteit uit biomassa groot is. 

Het vermeden verbruik van fossiele primaire energie is in de regel lager dan het verbruik van biomassa (8.1.2). Dat betekent dat 1 joule biomassa minder dan 1 joule fossiele energie uitspaart. Dit komt doordat het energetisch rendement van de installaties die biomassa verbruiken relatief laag is ten opzichte van de fossiele referentie. Het sterkst speelt dit bij afvalverbrandingsinstallaties en bij houtkachels in huishoudens. Voor de berekening van het vermeden verbruik van fossiele primaire energie is geen complete levenscyclusanalyse (LCA) uitgevoerd (RVO.nl en CBS, 2015), omdat dat ingewikkeld is en omdat er veel gegevens voor nodig zijn. Zeker bij de vloeibare biotransportbrandstoffen zou een complete LCA wel wat nauwkeuriger zijn, omdat het maken van biotransportbrandstoffen uit ruwe plantaardige grondstoffen meer energie kost dan het maken van benzine en diesel uit ruwe aardolie (Edwards et. al, 2007).

Groen gas

Groen gas is biogas dat is opgewerkt tot aardgaskwaliteit en geïnjecteerd wordt in het aardgasnet. Soms wordt ook ruw biogas tot groen gas gerekend of biogas dat wordt opgewerkt tot Compressed Natural Gas (CNG) voor verbruik in vervoer. Hier gaat het alleen over groen gas dat geïnjecteerd wordt in het aardgasnet. Directe injectie van ruw biogas in het aardgasnet kan niet, onder andere omdat de verbrandingswaarde van biogas een stuk lager is. 

8.1.3 Groen gas: biogas, opgewaardeerd tot aardgaskwaliteit en geïnjecteerd in aardgasnet
ProductieAandeelBruto energetisch eindverbruik
uit stortgas (mln m3)uit RWZI-gas (mln m3)uit mestvergisting (mln m3)uit overig biogas (mln m3)totaal (mln m3)totaal (TJ)1in totaal aardgas-verbruik (%)als elektriciteit (TJ)1als warmte (TJ)1voor vervoer (TJ)1totaal (TJ)1
1990 3 3 1010,01 10 67 0 78
2000 17 17 5490,04 69 364 0 433
2005 14 14 4460,03 62 283 0 345
2010 11 11 3450,02 57 212 0 269
2015 6.. 74 802 5230,21 3391 549 1792 066
2018 4 2 20 80 1073 3750,26 5001 874 3082 681
2019 5 4 51 84 1424 5020,34 7062 109 7813 597
2020** 5 9 87 100 2016 3510,48 9722 6791 4515 101
Bron: CBS.
1) Onderwaarde
Een punt (.) betekent dat een cijfer onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim is. Niets (blanco) geeft aan dat een cijfer op logische gronden niet kan voorkomen of dat de waarde nihil is.
**Nader voorlopige cijfers

Op stortplaatsen wordt al jaren groen gas gemaakt. De biogasproductie op stortplaatsen loopt echter terug, omdat er nog maar weinig afval voor lange tijd wordt gestort. Het meeste biogas voor groen gas is afkomstig van andere bronnen zoals vergisters van afvalverwerkingsbedrijven, industrie en landbouw. In de jaren na 2011 zijn er telkens nieuwe projecten bijgekomen met groen gas productie uit overig biogas. In de laatste jaren neemt ook de productie van groen gas uit mestvergisting toe. In 2020 groeide de totale productie van groen gas met 41 procent naar 201 miljoen kubieke meter. Dit komt overeen met bijna vijf promille van het totale aardgasverbruik in Nederland. 

De groei in de productie van groen gas heeft vooral te maken met de subsidieregeling Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE), die, in tegenstelling tot de voorgaande MEP, ook open staat voor groengasprojecten. Begin 2021 waren nog 44 projecten met een beschikking te realiseren met een gezamenlijk vermogen van 320 megawatt (RVO, 2021a). Ook de mogelijkheid om groen gas mee te laten tellen voor het voldoen aan de verplichting voor hernieuwbare energie voor vervoer, in plaats van SDE subsidie, is een stimulans voor de productie. In 2020 werd 1,4 PJ voor dat doel ingezet.

Het bruto energetisch eindverbruik van groen gas wordt berekend door uit de Europese energiestatistieken voor Nederland af te leiden welk deel van het primair aardgasverbruik leidt tot bruto energetisch eindverbruik (Eurostat, 2011). Sinds eind 2018 is voor deze verdeling daarnaast mogelijk om onder bepaalde voorwaarden groen gas administratief over te boeken naar de sector vervoer (zie ook paragraaf 2.4). De gebruikte methode is geïmplementeerd in de tool SHARES van Eurostat en zit er op dit moment als volgt uit:

1. Bepaal hoeveel groen gas dat is ingevoed in het nationale net wordt overgeboekt naar vervoer. In 2020 was dit 23 procent van alle groen gas.

2. Verdeel de rest van het groen gas over vijf bestemmingen, evenredig met de bestemmingen van aardgas:

  • energetisch eindverbruik voor warmte. Dit is verbruik in warmteketels plus de warmte uit aardgasinzet in warmtekrachtinstallatie
  • energetisch eindverbruik voor elektriciteit. Dit is de productie van elektriciteit uit aardgas
  • energetisch eindverbruik voor vervoer. Dit is de levering van aardgas voor vervoer
  • niet-energetisch eindverbruik , vooral voor de productie van kunstmest
  • transformatieverliezen, vooral voor de productie van elektriciteit al dan niet in combinatie met warmte.

De eerste drie bestemmingen vallen onder het bruto energetisch eindverbruik voor de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie uit 2009 (Europees Parlement en Raad, 2009). In 2020 telde 80 procent van het groen gasproductie als bruto energetisch eindverbruik, waarvan 42 voor warmte, 15 voor elektriciteit en 23 voor vervoer)

In eerste instantie is het misschien wat tegen intuïtief dat niet alle groen gas meetelt bij het verbruik van hernieuwbare energie. Echter, ook het aardgasverbruik telt ook niet volledig mee bij het bepalen van de noemer voor het berekenen van het aandeel hernieuwbare energie.

Duurzaamheid biomassa

Biomassa telt als bron voor hernieuwbare energie omdat de CO2-emissie die vrijkomt bij het verbruik van biomassa gecompenseerd wordt door CO2-vastlegging bij de groei van planten die weer zorgt voor nieuwe biomassa (kortcyclische CO2). Toch zijn er ook zorgen over de duurzaamheid van het gebruik van biomassa. Het gaat dan vaak over de bescherming van tropische bossen, de CO2-effectiviteit over de hele keten, de lange tijd die er nodig is om nieuwe bomen te laten groeien en effecten op voedselprijzen. In de EU-richtlijn voor hernieuwbare energie uit 2009 zijn duurzaamheidscriteria opgenomen voor vloeibare biomassa en biogas voor vervoer. Dat heeft tot gevolg dat vanaf 2011 vloeibare biomassa die niet voldoet aan de criteria, niet meetelt voor de realisatie van de doelstelling en ook geen steun mag ontvangen van nationale regeringen via een subsidie, een korting op de accijns of een verplichting. Voor andere vormen van biomassa gelden nog geen duurzaamheidscriteria. In de nieuwe EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie, welke zich richt op de periode 2021 tot en met 2030, is afgesproken om voor installaties op vaste en gasvormig biomassa boven een bepaalde capaciteitsgrens wel duurzaamheidscriteria te gaan hanteren. Op nationaal niveau is besloten om de subsidie voor het meestoken van biomassa in elektriciteitscentrales alleen mee te tellen voor duurzaam gecertificeerde biomassa, al is er wel kritiek op bestaande criteria en certificeringssystemen.

Vanaf 2012 heeft de Nederlandse Emissieautoriteit gecontroleerd of biobrandstoffen voor vervoer die opgevoerd zijn voor de nationale bijmengplicht voldoen aan de duurzaamheidcriteria uit de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie (NEa, 2015). Het CBS heeft gegevens per bedrijf ontvangen van de NEa en vergeleken met eigen gegevens over biobrandstoffen. Daaruit is naar voren gekomen dat nagenoeg alle Nederlandse biobrandstoffen die geleverd zijn voor vervoer in Nederland voldoen aan de duurzaamheidscriteria. 

In september 2020 is de laatste editie van een rapportage gepubliceerd door het Platform Bio-Energie (PBE) in samenwerking met RVO over het verbruik van hout in energie-installaties voor elektriciteit en warmte. Deze rapportage en voorgaande zijn in opvolging gemaakt van de Green Deal Duurzaamheid Vaste Biomassa die in 2015 afliep. 
De bedrijven waar de installaties (vanaf 1 megawatt) in gebruik zijn, hebben net als tijdens de Green Deal op vrijwillige basis aan het onderzoek meegewerkt (respons: 69 procent). De deelnemende partijen beogen met de jaarlijkse rapportage bij te dragen aan de gewenste openheid over de omvang, aard, herkomst en duurzaamheidsaspecten van de gebruikte biomassa. Zij hopen daarnaast dat de rapportage het draagvlak voor deze vorm van hernieuwbare energie bevordert. 
Deze rapportage heeft betrekking op vaste - houtachtige - biomassa die in 2019 direct of indirect is ingezet om elektriciteit en/of warmte op te wekken.
Een interessante uitkomst in de rapportage is dat de meeste houtige biomassa (61% van in totaal 2,6 miljoen ton) afkomstig is uit eigen land. Bijna een kwart komt uit Noord-Oost Europa (Baltische staten, Rusland of Wit-Rusland). Duitsland en België zijn verantwoordelijk voor 8% van de ingevoerde biomassa. Het gaat om resthout dat vrijkomt bij onderhoud van bos, landschap en gemeentelijk groen, bij timmerfabrieken, uit bouw- en sloopwerkzaamheden en dergelijke. Niet opgenomen in deze rapportage zijn: gasvormige of vloeibare biobrandstoffen, fossiele brandstoffen of andere vaste biomassa (PBE/RVO, 2020). 
Tijdens het samenstellen van deze editie van Hernieuwbare energie in Nederland is de rapportage van PBE over verslagjaar 2020 niet beschikbaar gekomen. 

Ook weer voor 2020 was er een aparte rapportage over de aard, herkomst en certificering van biomassa die is meegestookt in kolencentrales (CE, 2021). In tegenstelling tot de rapportage van PBE en RVO worden andere installaties die houtige biomassa gebruiken hier niet meegenomen. Uit de rapportage van CE volgt dat de kolencentrales in 2020 vooral houtpellets meestoken, waarvan ongeveer de helft uit Europa (inclusief Rusland) kwam en ongeveer 45 procent uit Noord-Amerika. Het overige deel is afkomstig uit Zuid-Amerika (2%) en Azië (1%). In 2020 bestond 92 massaprocent van de meegestookte biomassa uit biogene rest- en afvalstromen (categorie 5) en 8% uit houtige biomassa uit bosbeheereenheden kleiner dan 500 hectare (categorie 2). 

Op nationaal niveau is discussie over de wenselijkheid van biomassa de laatste jaren geïntensifieerd, wat heeft geresulteerd  in een SER advies over biomassa (SER, 2020), waarin de SER de overheid adviseert om het verbruik biomassa voor warmte met lage temperaturen (verwarming van gebouwen) af te bouwen en de regering is voornemens dit advies over te nemen (EZK, 2020b). Lastig is wel dat alternatieven voor biomassa voor het halen van de (internationaal afgesproken) duurzaamheidsdoelen een stuk duurder zijn en dat de opschaling daarvan nog veel onzekerheden kent (PBL, 2020b). Vanwege de verontreinigende emissies heef de overheid de ISDE subsidie (voor kleinere systemen bij woningen en bedrijven) met ingang van aanvragen al met ingang 2020 stopgezet (Staatscourant, 2019).

Aanbod van vaste biomassa

Het binnenlands verbruik van vaste biomassa, in hoofdzaak houtachtige producten uit reststromen, kon de periode 2014 tot en met 2018 geheel voorzien worden vanuit binnenlandse productie. Per saldo was Nederland in deze periode exporteur van vaste biomassa voor energie. In 2013 was dat nog niet het geval toen houtpellets op grote schaal werden geïmporteerd. Met de sterke vermindering van het bij- en meestoken van houtpellets viel de noodzaak voor deze importen vrijwel geheel weg. 

In 2019 groeide het binnenlands verbruik van vaste biomassa naar 65 petajoule, dat is 29 procent meer dan in 2018. Met name het verbruik van houtpellets nam toe door de toename in meestook van biomassa bij centrales. Hierdoor is Nederland sinds 2019 weer netto-importeur van houtpellets geworden, zie tabel 8.1.4. Voor 2020 zijn nog niet voldoende data beschikbaar om de tabel van een update te voorzien, hoewel op basis van de data van CE (2021) het aannemelijk lijkt dat de invoer van houtpellets weer fors is toegenomen in 2020.

Balans vaste biomassa voor energie, 2013-2019 (cbs.nl)

In de volgende paragrafen van deze publicatie wordt nader ingegaan op het verbruik van andere niet-houtachtige biomassa zoals huishoudelijk afval en biogas.

8.2 Afvalverbrandingsinstallaties

Afval dat verbrand wordt door afvalverbrandingsinstallaties is op energiebasis voor ongeveer de helft van biogene oorsprong. Daarom telt ongeveer de helft van de energieproductie door afvalverbrandingsinstallaties als hernieuwbare energie. In Nederland zijn er twaalf afvalverbrandingsinstallaties. Deze grote installaties waren in 2020 goed voor 8 procent van het eindverbruik van hernieuwbare energie.

Ontwikkelingen

De productie van hernieuwbare energie uit afvalverbrandingsinstallaties (AVI’s) toont vanaf 2009 tot en met 2017 een duidelijke stijging. Tot en met 2011 had de stijging vooral te maken met het in gebruik nemen van nieuwe installaties, daarna kwam de stijging door nieuwe leidingen voor leveringen van stoom aan nabijgelegen industrie en warm water vooral voor bestaande stadsverwarmingsnetten. Bij veel installaties werd de warmte nog lang niet volledig benut, waardoor de extra warmteleveringen slechts in beperkte mate ten koste gingen van de elektriciteitsproductie. In 2020 is iets meer dan 72 petajoule afval verbrand, ongeveer even veel als in 2019. 

Vanaf 1990 tot en met 2002 is het biogene aandeel van het verbrande afval langzaam gedaald. Dat had te maken met het opkomen van het apart inzamelen van groente-, fruit- en tuinafval. In 2003 kwam aan deze daling een eind en tot en met 2012 steeg de biogene fractie weer om tot 2016 min of meer constant te blijven (rond 55%). Een betere scheiding van het plastic afval speelde daarbij een rol (Agentschap NL, 2013). In 2016 zette weer een lichte daling in van de biogene aandeel naar 53 procent in 2019; dit percentage is overgenomen voor de berekeningen over 2020.

Voor huishoudelijk afval is de import belangrijk. Reden daarvoor is dat de capaciteit van de afvalverbrandingsinstallaties de laatste jaren is uitgebreid en dat het binnenlandse aanbod van afval is afgenomen. Om de investering in de dure installaties terug te verdienen is het voor de bedrijven van belang om de installatie zoveel mogelijk te gebruiken. Dankzij de nabijheid van zeehavens is het relatief goedkoop om afval te importeren uit Europese landen waar de capaciteit voor verwerking van afval schaars is. Per 1 januari 2020 is een importheffing op buitenlands afval ingevoerd als onderdeel van het Urgenda-pakket om CO2-uitstoot in Nederland te beperken. De Vereniging Afvalbedrijven heeft in 2019 een onderzoek laten uitvoeren dat aantoonde dat de importheffing geen CO2-besparing oplevert in Nederland (PwC, 2019). Een onderzoek van TNO van vorig jaar ondersteunt dit: de gevolgen van het storten van het niet-geïmporteerde afval in het land van herkomst leiden op Europees niveau tot meer CO2-uitstoot (TNO, 2020a). Afvalbedrijven voorspelden ook dat het economisch onaantrekkelijk zou worden om afval te importeren door de nieuwe heffing (Vereniging Afvalbedrijven, 2019). Dit is nog niet terug te zien in de cijfers voor 2020, maar deze cijfers zijn nog voorlopig. Na de deadline van deze publicatie zal CBS complete en direct informatie ontvangen over invoer en inzet van afval in afvalverbrandingsinstallaties. 

8.2.1 Afvalverbrandingsinstallaties: vermogen, verbrand afval, energiebalans
Verbrand afvalElektriciteitWarmteFossiele brandstoffen
massa (kton)energie (TJ)vermogen (MW)bruto productie (mln kWh)verbruik (mln kWh)netto productie (mln kWh)productie (TJ)verbruik (TJ)
19902 78022 840 196 933 134 7993 3250
20004 89649 767 3942 520 5651 9567 129796
20055 45456 722 4292 738 6092 1299 014938
20106 58664 543 5863 376 7012 67511 194950
20157 56474 127 6493 676 8232 85323 157935
20187 43474 340 8004 177 8073 37114 847870
20197 38672 604 7783 928 8123 11615 201703
2020**7 34572 203 7784 061 7663 29614 873677
Bron: CBS.
**Nader voorlopige cijfers

8.2.2 Afvalverbrandingsinstallaties: hernieuwbare fractie en hernieuwbare energie
AfvalElektriciteitWarmteBruto energetisch eindverbruikEffect
hernieuwbare fractie (%)inzet biogeen afval (TJ)bruto hernieuwbare productie (mln kWh)netto hernieuwbare productie (mln kWh)hernieuwbare productie (TJ)elektriciteit (TJ)warmte (TJ)totaal (TJ)vermeden verbruik fossiele primaire energie (TJ)vermeden emissie CO2 (kton)
19905813 205 539 4621 9221 9422 2034 1456 453432
20005125 5121 272 9873 5974 5784 5489 12612 420835
20054726 6591 266 9844 1684 5575 2419 79812 793834
20105334 2081 7631 3975 8476 3487 70814 05617 4361 115
20155540 7701 9971 55012 5787 18813 52320 71126 4621 783
20185238 6572 1721 7537 7207 8208 76816 58821 6601 422
20195338 4802 0821 6518 0577 4949 15416 64820 8061 271
2020**5338 2682 1521 7477 8837 7488 95316 70221 3571 308
Bron: CBS.
**Nader voorlopige cijfers

Het verschil tussen de bruto en de netto elektriciteitsproductie is bij de AVI’s groter dan bij de andere conversietechnieken. Dit komt vooral doordat de AVI’s veel elektriciteit gebruiken voor rookgasreiniging. Sommige AVI’s gebruiken ook redelijk wat fossiele brandstoffen en warmte voor rookgasreiniging. Het verbruik van fossiele brandstoffen wordt verdisconteerd in de berekening van de productie van hernieuwbare elektriciteit en warmte (Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie).

Methode

Afvalverbrandingsinstallaties zijn verbrandingsinstallaties die geschikt zijn voor gemengde afvalstromen. Installaties die ontwikkeld zijn voor specifieke afvalstromen, zoals de thermische conversie-installatie in Duiven voor papierslib en de afvalhoutverbranders bij Twence in Hengelo, de AVR Rijnmond en de Huisvuilcentrale in Alkmaar, worden niet meegenomen bij de afvalverbrandingsinstallaties. Deze installaties tellen wel mee voor de hernieuwbare energie, maar dan bij de bedrijven die biomassa stoken voor elektriciteit (8.4).

Het elektrisch vermogen is afkomstig uit de CBS-statistiek Productiemiddelen Elektriciteit. De tijdreeks van het verbrande afval afkomstig van Rijkswaterstaat Leefomgeving.

Voor de calorische waarde en de biogene fractie is ook gebruik gemaakt van gegevens die Rijkswaterstaat Leefomgeving jaarlijks maakt voor de IPCC monitoring . Voor 2020 waren er nog geen nieuwe cijfers en zijn de cijfers voor 2019 aangehouden.

De elektriciteits- en warmteproductie van de AVI’s is tot en met het verslagjaar 2016 bepaald op basis van energie-enquêtes van het CBS. Met ingang van het verslagjaar 2017 maakt het CBS hiervoor gebruik van de rapportages die de AVI’s leveren aan Rijkswaterstaat Leefomgeving voor de WAR en de vaststelling van de zogenoemde R1-status (‘nuttige toepassing’). De eventuele ontbrekende gegevens zijn bijgeschat op basis van milieujaarverslagen. De R1-status maakt het AVI’s vergunningstechnisch makkelijker om afval uit andere landen te importeren. 

Met het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie (2015) is bepaald dat warmte benut voor rookgasreiniging meetelt in het bruto eindverbruik, net als elektriciteit. Hoewel het gaat om ‘onverkochte warmte’ is hier sprake van nuttig gebruik van energie in het proces en daarom telt het mee in de totale prestatie van het bedrijf. De hoeveelheden warmte voor rookgasreiniging zijn ook afkomstig uit de R1-rapportage. Als hernieuwbaar bruto eindverbruik telt de verbrandingswaarde van het biogene deel van de voor dit doel ingezette hoeveelheid afval. Cijfers over de warmte voor rookgasreiniging zijn alleen beschikbaar voor 2014 en daarna. Cijfers over oudere jaren zijn geschat op basis van de leeftijd van de afvalverbrandingsinstallaties en kennis bij Rijkswaterstaat Leefomgeving over belangrijke aanpassingen aan de installaties in het verleden.

Op basis van de vergelijking tussen de milieujaarverslagen, R1-rapportages en de energie-enquêtes schat het CBS de onnauwkeurigheid in de geleverde energieproductie van de AVI’s op ongeveer 5 procent. De niet verkochte warmte is relatief gezien wat onzekerder, omdat het complex kan zijn om de stromen op een eenduidige manier af te bakenen. Alles bij elkaar genomen ligt de grootste onzekerheid in de hernieuwbare energie uit AVI’s bij de bepaling van de biogene fractie. Deze onzekerheid wordt geschat op 10 procent.

8.3 Meestoken van biomassa in elektriciteitscentrales

Bij het meestoken van biomassa in elektriciteitscentrales gaat het om centrales die kolen gebruiken als hoofdbrandstof. Een gedeelte van deze kolen kan vervangen worden door verschillende soorten biomassa. In 2020 was het meestoken van biomassa verantwoordelijk voor 9 procent van het eindverbruik van hernieuwbare energie.

Ontwikkelingen

De ontwikkeling van het meestoken van biomassa in elektriciteitscentrales verliep in de periode 2003-2012 met horten en stoten. Aanvankelijk zorgden technische aanpassingen van de centrales voor groei, maar halverwege de periode zorgde de afbouw van de MEP-subsidie voor stagnatie. Tussen 2013 en 2015 waren er geen subsidieregelingen die het meestoken van biomassa bij kolencentrales aantrekkelijk maakten. 

In 2016 en 2017 zijn in het kader van SDE+ weer nieuwe subsidieaanvragen voor het meestoken van biomassa in grote installaties geaccepteerd (RVO, 2021a). Sindsdien is er een duidelijke groei te zien. In 2020 werd ruim 40 petajoule aan biomassa meegestookt in de elektriciteitscentrales. Dat was meer dan anderhalve keer zo veel als in 2019 en ook de grootste hoeveelheid meegestookte biomassa sinds deze techniek wordt toegepast. Het aandeel biomassa in kolencentrales groeide van 10 procent in 2019 naar 39 procent in 2020. 

8.3.1 Meestoken van biomassa in elektriciteitscentrales
BiomassaElektriciteitWarmteBruto energetisch eindverbruikEffect
inzet (TJ)brutoproductie (mln kWh)nettoproductie (mln kWh)productie (TJ)elektriciteit (TJ)warmte (TJ)totaal (TJ)vermeden verbruik fossiele primaire energie (TJ)vermeden emissie CO2 (kton)
20001 755 208 198 15 748 15 7631 755 166
200530 5223 4493 310 69312 416 69313 10930 5222 394
201028 5453 2373 0431 26711 6531 26712 92028 5452 703
20154 675 514 485 381 849 351 8844 675 443
20185 674 654 608 5332 353 5332 8865 674 537
201915 5251 8651 7301 2106 7151 2107 92515 5251 470
2020**40 6214 7664 4092 56417 1582 56419 72240 6213 847
Bron: CBS.
Niets (blanco) geeft aan dat een cijfer op logische gronden niet kan voorkomen of dat de waarde nihil is.
**Nader voorlopige cijfers

Methode

De gegevens over de hernieuwbare-elektriciteitsproductie zijn afkomstig uit de administratie achter de certificaten voor Garanties van Oorsprong voor groene stroom van CertiQ. Daarbij is de hernieuwbare-elektriciteitsproductie berekend door de totale elektriciteitsproductie van een installatie te vermenigvuldigen met het aandeel ‘hernieuwbaar’ van de ingezette brandstoffen (op energetische basis). De impliciete aanname daarbij is dat 1 joule biomassa 1 joule fossiele brandstoffen vervangt. Deze aanname wordt ook gemaakt in de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie. Waarschijnlijk is deze brandstofsubstitutie niet 100 procent, maar enkele procenten lager. Voor de berekening van de subsidietarieven voor het meestoken (MEP-regeling, Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie) werd uitgegaan van 93 procent voor de kolencentrales (De Vries et al., 2005 en Tilburg, et al., 2007). 

Voor de inzet van biomassa is gebruik gemaakt van de opgaven van bedrijven uit de CBS-enquêtes. De gegevens uit de administratie van CertiQ en de CBS-enquêtes zijn op individueel niveau met elkaar geconfronteerd. Als controle is daarnaast ook gebruik gemaakt van de milieujaarverslagen. Bij verschillen groter dan 200 TJ inzet biomassa was altijd duidelijk wat de oorzaak was, of is deze achterhaald door het doen van navraag bij de centrales. Afgezien van de onzekerheid in de brandstofsubstitutie wordt de onnauwkeurigheid in de hernieuwbare energie uit het meestoken van biomassa in centrales geschat op 5 procent. 

8.4 Stoken van biomassa voor elektriciteit en warmte (WKK) bij bedrijven 

Het gaat hier om installaties die vaste of vloeibare biomassa verbranden voor de productie van elektriciteit, meestal in combinatie met warmteproductie, uitgezonderd het meestoken van biomassa in elektriciteitscentrales. De belangrijkste groep zijn de vier installaties voor het verbranden van afvalhout in Hengelo, Alkmaar, Rotterdam en Delfzijl. Daarnaast gaat het om het verbranden van diverse afvalstromen zoals kippenmest of papierslib in installaties die speciaal ontworpen zijn voor deze soort biomassa en meerdere kleinschalige installaties die vooral schoon resthout verbranden. Voor deze kleine installaties is vaak warmte het hoofdproduct en elektriciteit het bijproduct.

De ongeveer dertig installaties waren in 2020 goed voor 7 procent van het eindverbruik van hernieuwbare energie. 

Ontwikkelingen

De jaarlijkse productie van de diverse individuele installaties kan sterk fluctueren door het al dan niet optreden van storingen en de noodzaak tot onderhoud. MEP-subsidie is de belangrijkste subsidieregeling geweest voor het bouwen van installaties in deze categorie. De SDE-subsidieregeling heeft nog niet geleid tot veel grote nieuwe installaties. Wel is er met steun van de SDE een aantal kleinere installaties bijgekomen die vooral warmte leveren. Nieuw is ook dat bestaande installaties met steun van de SDE worden aangepast en (veel) warmte gaan leveren. Belangrijk in 2017 was de aansluiting van de afvalhoutverbrander in Delfzijl op het lokale stoomnet. Sinds 2018 leveren de drie andere grote installaties voor het verbranden van afvalhout (in Alkmaar, Hengelo en Rotterdam) warmte aan stadsverwarming, voor een groot gedeelte in plaats van leveringen van warmte door afvalverbrandingsinstallaties.

8.4.1 Stoken van biomassa voor elektriciteit en warmte (WKK) bij bedrijven
Aantal installatiesBiomassaElektriciteitWarmteBruto energetisch eindverbruikEffect
aantal einde jaarverbruik (TJ)bruto-productie (mln kWh)netto-productie (mln kWh)totale productie (TJ)wv. Verkochte warmte (TJ)elektriciteit (TJ)warmte (TJ)totaal (TJ)vermeden verbruik van fossiele primaire energie (TJ)vermeden emissie CO2 (kton)
1990. 440 34 33 233233 124 233 357 574 37
200043 333 234 216 188188 843 1881 0312 166 151
200553 524 253 235 468468 910 4681 3782 641 176
20101812 7251 015 894 7847843 653 7844 4368 481 562
20151916 6241 3881 2191 1798594 9951 4646 45911 909 900
20182118 524 849 6926 13149343 0557 94711 00210 972 698
20193322 156 972 8148 47370313 50010 60014 10014 059 842
2020**3323 7611 021 8619 06375573 67411 26814 94315 004 898
Bron: CBS.
Een punt (.) betekent dat een cijfer onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim is. 
**Nader voorlopige cijfers

Methode

Voor de elektriciteitsproductie is CertiQ de belangrijkste bron, met informatie uit de winning- en omzettingsenquêtes van het CBS als aanvulling. De laatste tijd komt ook voor meer installaties de warmteproductie via CertiQ beschikbaar. Als verdere aanvulling en controle is gebruik gemaakt van milieujaarverslagen en informatie van RVO over de Energie-investeringsaftrekregeling (EIA). De onzekerheid in de hernieuwbare energie uit de decentrale biomassaverbranding voor elektriciteit wordt geschat op ongeveer 10 procent.

8.5 Stoken van biomassa voor warmte bij bedrijven

Biomassa kan in vaste en vloeibare vorm (afvalhout, slachtafval, papierslib) verstookt worden in ketels en kachels voor warmteproductie. Zo heeft de houtverwerkende industrie al jaren houtketels waarin de bedrijven hun eigen afvalhout stoken. Sinds 2006 hebben ook steeds meer bedrijven uit de intensieve veehouderij houtketels voor het verwarmen van stallen. In de meeste gevallen wordt de warmte door de producent zelf verbruikt, maar de laatste jaren worden biomassa warmteketels ook voor stadsverwarming gebruikt. Er is ook een aantal biomassaketels voor stadsverwarming die naast warmte ook wat elektriciteit leveren. Deze installaties tellen mee bij “Stoken van biomassa voor elektriciteit bij bedrijven” (paragraaf 8.4).

Het stoken van biomassa voor warmte draagt in 2020 voor 6 procent bij aan het totale verbruik van hernieuwbare energie.

Ontwikkelingen

In 2020 groeide de inzet van biomassa met 7 procent en de warmteproductie met 10 procent; in 2019 was dat respectievelijk 8 procent en 13 procent. De toegenomen inzet van hout (verbranden in houtketels) laat zich voor een belangrijk deel verklaren door de eveneens toegenomen capaciteit (+12%). 

Steeds meer warmte wordt geproduceerd, vooral door energiebedrijven, voor gebruik door derden. Bijvoorbeeld voor stadverwarming. De inzet van biomassa voor die ‘verkochte warmte’ steeg in 2020 met 36 procent naar 3,8 petajoule.

8.5.1 Stoken van vaste en vloeibare biomassa voor warmte bij bedrijven
Inzet van biomassaWarmte-productie Bruto eindverbruikEffect
Totaal (TJ)voor verkochte warmte (TJ)voor zelf verbruikte warmte (TJ)Totaal (TJ)wv. verkochte warmte (TJ)Totaal bruto eindverbruik (TJ)vermeden verbruik fossiele primaire energie (TJ)vermeden emissie CO2 (kton)
Totaal19901 725 01 7251 208 01 7251 342 76
Totaal20002 212 02 2121 724 02 2121 916 109
Totaal20054 106 04 1063 448 04 1063 831 218
Totaal20105 477 05 4774 568 05 4775 076 287
Totaal20158 827 9197 9087 771 7848 6928 634 488
Totaal201812 0371 48610 5519 5021 27311 48210 219 578
Totaal201912 9992 79210 20710 7242 34512 55911 916 674
Totaal2020**13 9103 80210 10811 7513 27813 33213 057 739
Hout20187 408..6 297.7 2186 996 396
Hout20198 998..7 648.8 6948 498 481
Hout2020**10 439..8 873.10 0099 859 558
Overige vaste en vloeibare biomassa20184 629..3 205.4 2633 223 182
Overige vaste en vloeibare biomassa20194 001..3 076.3 8583 418 193
Overige vaste en vloeibare biomassa2020**3 471..2 878.3 3243 198 181
Bron: CBS.
Een punt (.) betekent dat een cijfer onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim is.
**Nader voorlopige cijfers

8.5.2 Opgesteld thermisch vermogen (MW) van houtketels voor warmte bij bedrijven uitgesplitst naar sector
200520102015201820192020**
Opgesteld thermisch vermogen (MW)Houtindustrie131134121767773
Opgesteld thermisch vermogen (MW)Meubelindustrie615635191816
Opgesteld thermisch vermogen (MW)Bouw91116212525
Opgesteld thermisch vermogen (MW)Handel433322222531
Opgesteld thermisch vermogen (MW)Landbouw23139205350423501
Opgesteld thermisch vermogen (MW)Energiebedrijven006284135159
Opgesteld thermisch vermogen (MW)Overig18366295115115
Opgesteld thermisch vermogen (MW)Totaal284409522668818920
Warmteproductie (TJ)Houtindustrie705722781426445417
Warmteproductie (TJ)Meubelindustrie3313051881079891
Warmteproductie (TJ)Bouw485984114135137
Warmteproductie (TJ)Handel230177117122137166
Warmteproductie (TJ)Landbouw2441 5062 1333 7554 3034 809
Warmteproductie (TJ)Energiebedrijven007321 0751 7262 438
Warmteproductie (TJ)Overig98194346699805815
Warmteproductie (TJ)Totaal1 6552 9644 3816 2977 6488 873
Bron: CBS.
**Nader voorlopige cijfers

8.5.3 Opgesteld aantal en vermogen houtketels voor warmte bij bedrijven uitgesplitst naar vermogensklasse
AantalVermogen (MW)
≤ 0,1 MW> 0,1 t/m 0,5 MW> 0,5 t/m 1,0 MW> 1 MWTotaal≤ 0,1 MW> 0,1 t/m 0,5 MW> 0,5 t/m 1,0 MW> 1 MWTotaal
2005 425 140 53 89 707244838174 284
20101 671 347 73 872 178949252171 409
20152 186 545 93 742 89812113868195 522
20183 335 966 121 654 48717822288180 668
20193 5871 289 140 715 087187279103249 818
2020**3 6691 382 143 745 268186299105330 920
Bron: CBS.
**Nader voorlopige cijfers

8.5.4 Houtketels voor warmte bij bedrijven naar provincie, 2020**
AantalVermogen (MW)Bruto eindverbruik (TJ)
Groningen19620191
Fryslân56975707
Drenthe25629291
Overijssel637991 195
Flevoland72104423
Gelderland9171191 171
Utrecht375711 328
Noord-Holland3881442 117
Zuid-Holland44747425
Zeeland7628477
Noord-Brabant8871131 046
Limburg44870638
Totaal5 268 92010 009
Bron: CBS.
**Nader voorlopige cijfers

Sinds 2012 komen de grotere ketels (vanaf 500 kW) voor SDE-subsidie in aanmerking. Dat heeft geleid tot een toename van de grotere ketels (groter dan 1 MW). Van 2016 tot 2020 konden particulieren en bedrijven voor klein zakelijk gebruik met subsidie uit de ISDE-regeling een biomassaketel (of pelletkachel) met een vermogen tot en met 500 kW aanschaffen. Met name de zakelijke markt was geïnteresseerd in biomassaketels, de aanvragen namen tot 2019 jaarlijks toe. De ISDE-regeling geldt niet meer voor aanvragen in 2020; voor zakelijk gebruik (bedrijven) is de regeling per 1 januari 2020 geheel gestopt maar voor particulieren geldt een overgangsregeling. Dit is terug te zien in de aanvragen van dit jaar; het totale vermogen van de aangevraagde ketels was bijna 17 megawatt in 2020 en volledig bestemd voor woningen. Een jaar eerder werd er nog ruim 340 megawatt aan ketels aangevraagd, waarvan ongeveer 280 megawatt bestemd was voor bedrijven. Desondanks was er in 2020 groei van het opgesteld vermogen van houtketels kleiner dan 500 kW (tabel 8.5.3). 

In paragraaf 8.1 is aandacht voor de ontwikkelingen op het gebied van de discussie over de wenselijkheid van de toepassing van biomassa als energiedrager.

De meeste houtketels staan in Gelderland, Noord-Brabant en Overijssel. Dit zijn grote provincies met intensieve veehouderij en hout- en meubelindustrie, de sectoren waar de meeste houtketels staan. Noord-Holland staat ook hoog in de lijst wegens de grote installatie van de stadverwarming in Purmerend.

Methode

De informatie over de warmteproductie en het brandstofverbruik van de ketels en kachels op brandstoffen anders dan hout komt uit overheidsregistraties zoals een subsidieregeling of milieujaarverslag dan wel uit directe waarneming (bij de grotere installaties) door het CBS.

De gegevens over de aantallen en het vermogen van houtkachels voor warmte bij bedrijven zijn gebaseerd op inventarisaties onder de leveranciers van houtketels en houtkachels groter dan 18 kW met peiljaren 1991 (Sulilatu, 1992), 1997 (Sulilatu, 1998) en vanaf 2004 door het CBS. Voor ontbrekende jaren is geïnterpoleerd. Voor deze inventarisatie stuurt het CBS elk jaar een vragenlijst naar de leveranciers. 
De warmteproductie van ketels tot 500 kW is berekend uit het vermogen op basis van 3 000 vollasturen bij landbouwbedrijven en 1 500 vollasturen bij bedrijven in de overige sectoren (Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie 2015). Voor de inzet van biomassa is uitgegaan van de warmteproductie en de rendementen zoals beschreven in het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie. Voor de nieuwe ketels van 500 kW en groter wordt sinds de start van de SDE+-regeling de warmteproductie overgenomen uit de registratie van de SDE-regeling.

De uitsplitsing naar sector is gebaseerd op opgaven van de leveranciers van ketels en kachels. Ook de uitsplitsing naar provincie is gebaseerd op opgaven per installatie van de leveranciers van de ketels en kachels voor installaties groter dan 100 kW. Voor ketels en kachels kleiner dan 100 kW heeft het CBS geen gegevens per installatie. Voor deze ketels is de verdeling gebaseerd op de gemeenten van vestiging van de bedrijven die via de ISDE 2016-2019 een aanvraag voor een biomassaketel hebben gedaan. Daarnaast is ook de vragenlijst die aan de leveranciers is verstuurd zodanig aangepast dat het verstrekken van informatie over sector en locatie (provincie) is vereenvoudigd. 
Door de non-respons op de CBS-vragenlijst, de onzekerheid over het aantal vollasturen van de houtketels en de timing van het uit gebruik nemen, bevatten de cijfers over de houtketels bij bedrijven een behoorlijke onzekerheid. Deze onzekerheid neemt echter iets af door de groei van het aandeel warmteproductie die volgt uit de data die overgenomen wordt uit de SDE-registratie. Al met al schat het CBS schat de onzekerheid op 30 procent.

8.6 Stoken van biomassa door huishoudens

Ongeveer een miljoen huishoudens hebben een houtgestookte installatie. Meestal worden deze installaties niet als hoofdverwarming gebruikt, maar bij elkaar wordt er toch een aanzienlijke hoeveelheid hout verstookt. Voor het eindverbruik van hernieuwbare energie telt de hoeveelheid verstookt hout en dit kwam in 2020 overeen met 7 procent van het bruto eindverbruik van hernieuwbare energie in Nederland.

Daarnaast verbruiken veel Nederlandse huishoudens af en toe wat houtskool op de barbecue. Dit telt ook als verbruik van hernieuwbare energie. Het gaat om een tiende procent van het totale eindverbruik van hernieuwbare energie.

Ontwikkelingen

8.6.1 Biomassa bij huishoudens
Aantal in gebruik (x 1 000)Inzet biomassa (kton)Inzet biomassa (TJ)Warmte-productie (TJ)Bruto eindverbruik (TJ)Vermeden verbruik van fossiele primaire energie (TJ)Vermeden emissie CO2 (kton)
Totaal1990899 93412 8514 83912 8515 094 289
Totaal20009421 02114 0276 36414 0276 699 380
Totaal20059481 14115 6648 08215 6648 507 483
Totaal20109811 24617 0999 82217 09910 339 585
Totaal20159961 21716 74310 30516 74310 847 613
Totaal20189881 18416 44610 56016 44611 115 629
Totaal20199851 16516 27810 60916 27811 168 632
Totaal2020**9831 15216 16810 65416 16811 215 635
Openhaarden2018 299 1552 103 2102 103 221 13
Openhaarden2019 289 1482 008 2012 008 211 12
Openhaarden2020** 280 1411 917 1921 917 202 11
Inzethaarden2018 184 1782 4211 5882 4211 672 95
Inzethaarden2019 185 1672 2661 5332 2661 613 91
Inzethaarden2020** 185 1652 2421 5362 2421 617 92
Houtkachels201846178810 7137 96310 7138 382 474
Houtkachels201945576610 4217 76010 4218 168 462
Houtkachels2020**44874010 0607 49910 0607 894 447
Pelletkachels20184454 939 798 939 840 48
Pelletkachels201957761 3131 1161 3131 175 67
Pelletkachels2020**70971 6791 4271 6791 503 85
Houtskool (elk jaar)2000-2020**9 270. 270..
Bron: CBS en TNO.
Een punt (.) betekent dat een cijfer onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim is. Niets (blanco) geeft aan dat een cijfer op logische gronden niet kan voorkomen of dat de waarde nihil is.
*Voorlopige cijfers
**Nader voorlopige cijfers

Binnen de huishoudelijke houtkachels worden vier soorten onderscheiden: open haarden, inzethaarden, vrijstaande kachels en pelletkachels. De laatste twee groepen worden veel vaker gebruikt en hebben een hoger rendement dan open haarden. Het aantal openhaarden daalt en het aantal inzethaarden blijft min of meer stabiel. Mogelijk door de concurrentie van de toegenomen verkopen van pelletkachels (met ISDE-subsidie) daalt het aantal houtkachels. Het totale verbruik van hout door huishoudens is de laatste jaren ongeveer constant en was in 2020 goed voor 7 procent van het bruto eindverbruik van hernieuwbare energie.

Methode 

De gegevens voor de aantallen in gebruik zijnde huishoudelijke houtkachels, het houtverbruik en het rendement zijn afkomstig van TNO. TNO stelt deze gegevens samen voor de nationale emissiejaarrapportage. TNO baseert zich op steekproefonderzoeken naar het houtverbruik onder huishoudens waarvan de laatste beschreven is door Middelkoop en Segers (2019). Ontbrekende gegevens worden aangevuld met een parkmodel van de houtkachels, verkoopcijfers en expertschattingen van rendementen en levensduur van kachels (TNO, 2020b). 

De verschillen met een schatting van het houtverbruik via de aanbodzijde zijn groot (Segers, 2013). Zowel de bepaling van het houtverbruik via de aanbodzijde (schatting van de opbrengst van brandhout uit bos, landschap, stedelijk groen en afval) als via de vraagzijde (enquête onder huishoudens) kent veel onzekerheden. Het CBS schat de onzekerheid in het houtverbruik op 30 procent (Middelkoop en Segers, 2019). 

De schatting van het houtskoolverbruik is gebaseerd op expertkennis van buiten het CBS. De database van het CBS-Budgetonderzoek bevat ook gegevens over het houtskoolverbruik. Door de beperkte waarneemperiode is het aantal waarnemingen van houtskoolaankopen klein en zit er veel statistische ruis in de uitkomsten. Gemiddeld gaven huishoudens in de periode 2003–2010 1,50 euro per jaar uit aan houtskool. Met een gemiddelde prijs van 1,65 euro per kg en 7 miljoen huishoudens komt dat neer op 6,4 miljoen kg per jaar voor heel Nederland. Dat komt dus redelijk in de buurt van de 9 miljoen kg waar het CBS nu vanuit gaat. Het CBS schat de onzekerheid in het houtskoolverbruik op 50 procent.

Het vermeden verbruik van primaire energie door het gebruik van houtskool is nihil (Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie).

8.7 Stortgas

Stortgas is biogas uit stortplaatsen. Het meeste afgevangen stortgas wordt omgezet in elektriciteit. Op vijf stortplaatsen wordt stortgas omgezet in een gas met eigenschappen die sterk lijken op die van aardgas. Dit groen gas wordt vervolgens in het aardgasnet geïnjecteerd. Daarnaast wordt er nog een beetje stortgas direct voor warmtetoepassingen gebruikt. In 2020 leverde het stortgas ongeveer 0,1 procent van het eindverbruik van hernieuwbare energie.

Ontwikkelingen

De productie van hernieuwbare energie uit stortgas is over haar hoogtepunt heen. De afname wordt veroorzaakt doordat steeds minder afval gestort wordt en het afval dat reeds gestort is steeds minder gas produceert (Rijkwaterstaat, 2015). De laatste tien jaar wordt er jaarlijks steeds tussen 5 en 10 procent minder stortgas geproduceerd. In deze trend zou een verandering kunnen komen omdat de hoeveelheden gestort afval sinds 2014 licht toenemen (Rijkswaterstaat, 2018). Echter, het is daarmee niet zeker dat hieruit ook meer biogas gewonnen gaat worden. In 2018 is de winning van stortgas afgenomen naar ruim 400 terajoule. Voor 2020 zijn nog geen uitkomsten beschikbaar en zijn de winningscijfers van 2019 overgenomen. 

8.7.1 Stortgas
BiogasElektriciteitWarmteBruto energetisch eindverbruikEffect
totaal verbruik (TJ)inzet voor elektriciteits-productie (TJ)omzetting in aardgas = productie aardgas (TJ)1)finaal verbruik (TJ)bruto-productie (mln kWh)productie uit warmte-kracht-koppeling (TJ)elektriciteit (TJ)2)warmte (TJ)2)vervoer (TJ)2)totaal (TJ)vermeden verbruik van fossiele primaire energie (TJ)vermeden emissie CO2 (kton)
1990 392 221 101 70 17 20 70 157. 227 337 22
20002 3131 697 549 67 158 44 638 475.1 1132 000 135
20051 9091 463 446 0 131 68 533 351. 8841 623 107
20101 5381 193 345 0 93 55 392 267. 6591 142 74
2015 815 550 186 79 43 0 180 19313 386 610 43
2018 532 312 127 93 23 0 103 16512 279 376 24
2019 437 188 144 105 21 0 99 17225 297 368 22
2020** 437 188 144 105 21 0 98 16532 297 368 23
Bron: CBS.
1) Inclusief beperkte hoeveelheid extern geleverd ruw stortgas.
2) Inclusief elektriciteit, warmte of vervoer toegerekend aan de productie van groen gas (biogas opgewaardeerd tot aardgaskwaliteit en geïnjecteerd in aardgasnet).
Een punt (.) betekent dat een cijfer onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim is. 
**Nader voorlopige cijfers

Methode

Tot en met 1996 komen de gegevens uit de energie-enquêtes van het CBS. Vanaf het jaar 1997 zijn de gegevens afkomstig uit de stortgasenquête in het kader van de Werkgroep Afvalregistratie (Rijkswaterstaat, 2015). Tot en met het verslagjaar 2004 werd deze enquête uitgevoerd door de Vereniging Afvalbedrijven, vanaf 2005 door Rijkswaterstaat Leefomgeving (voorheen Agentschap NL). In deze enquête worden energiegegevens van alle stortplaatsen gevraagd. 

Voor de nader voorlopige cijfers van 2020 waren de gegevens uit de Werkgroep Afvalregistratie (WAR) nog niet beschikbaar. Daarom is voor de elektriciteitsproductie en voor de aardgasproductie 2020 gebruik gemaakt van data uit 2019. In eerdere jaren werd informatie van CertiQ en Vertogas gebruikt voor een wat nauwkeuriger voorlopig cijfer, maar gezien het minder wordende belang van energie uit stortgas is dat nu niet meer gedaan.

De respons op de WAR-enquête is de laatste jaren (bijna) 100 procent. Eventuele ontbrekende gegevens zijn geschat op basis van de wel bekende gegevens. Het bruto eindverbruik van het in aardgas omgezette stortgas is berekend zoals beschreven in 8.1. De onzekerheid in het bruto eindverbruik van energie uit stortgas schat het CBS op 10 procent.

8.8 Biogas uit rioolwaterzuiveringsinstallaties

Biogas uit rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s) komt vrij door het vergisten van het uit het zuiveringsproces geproduceerde zuiveringsslib. Slibgisting wordt vooral bij de grotere RWZI’s toegepast. Er zijn ongeveer 330 RWZI’s in Nederland en bij circa 70 RWZI’s wordt biogas gewonnen en nuttig gebruikt. Biogas uit RWZI’s draagt in 2020 ongeveer 1 procent bij aan het eindverbruik van hernieuwbare energie.

Ontwikkelingen

De productie van hernieuwbare energie met behulp van biogas uit RWZI’s was ongeveer stabiel tot en met 2010 maar nam daarna langzaam maar gestaag toe tot 2015. In de laatste drie jaar blijft het geleidelijk groeien. In 2020 komt de winning van biogas uit RWZI’s uit op 2,9 petajoule.

8.8.1 Biogas uit rioolwaterzuiveringsinstallaties
BiogasElektriciteitWarmte uit warmte-krachtinstallatiesBruto energetisch eindverbruikEffect
totaal verbruik (TJ)inzet voor warmtekrachtinstallaties (TJ)omzetting in aardgas = productie aardgas (TJ)finaal verbruik (TJ)bruto-productie (mln kWh)bruto-productie (TJ)elektriciteit (TJ)1)warmte (TJ)1)vervoer (TJ)1)totaal (TJ)vermeden verbruik van fossiele primaire energie (TJ)vermeden emissie CO2 (kton)
19901 516 891 625 71 352 2541 1421 3961 026 68
20001 9251 345 579 111 553 3981 3611 7601 467 97
20051 9461 575 370 123 649 4441 3061 7501 461 96
20102 1011 926 175 164 758 5901 2581 8481 508 100
20152 3162 177. 140 206 713 7431 205.1 9481 940 146
20182 4272 077 75 275 195 741 7141 353 72 0731 963 132
20192 5652 121 113 331 202 739 7451 422 202 1872 052 128
2020**2 8982 180 289 429 203 802 7751 651 652 4932 343 145
Bron: CBS.
1) Inclusief elektriciteit, warmte of vervoer toegerekend aan de productie van groen gas (biogas opgewaardeerd tot aardgaskwaliteit en geïnjecteerd in aardgasnet).
Een punt (.) betekent dat een cijfer onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim is. Niets (blanco) geeft aan dat een cijfer op logische gronden niet kan voorkomen of dat de waarde nihil is.
**Nader voorlopige cijfers

Methode

De gegevens zijn afkomstig uit de CBS-enquête Zuivering van Afvalwater. De respons op deze enquête is 100 procent. Vanaf het verslagjaar 2011 is het energiegedeelte van deze enquête gecombineerd met de uitvraag voor de Meerjarenafspraken Energiebesparing in samenwerking met Unie van Waterschappen, RVO en Arcadis. De grootste onzekerheid zit in de warmte; deze warmte wordt vaak niet gemeten maar geschat. 

Vanaf verslagjaar 2004 is voor het eerst gevraagd om de warmte uit te splitsen naar gebruiksdoel. Het blijkt dat een groot deel van de warmte wordt gebruikt om het productieproces van het biogas op temperatuur te houden. Deze warmte telt niet mee bij de berekening van het vermeden verbruik van fossiele primaire energie, maar wel bij de berekening van het bruto eindverbruik. Vóór 2004 is niet bekend welk deel van de geproduceerde warmte uit de warmtekrachtinstallaties is gebruikt voor de gisting. Aangenomen is dat de verdeling over gisting en andere processen voor 2004 gelijk is aan de verdeling daarna.

Het bruto eindverbruik voor warmte van RWZI-biogas bestaat uit het finaal verbruik van het biogas (warmteketels) plus een bijdrage die gerelateerd is aan de warmte uit warmtekrachtinstallaties op RWZI-biogas. De warmte uit warmtekrachtinstallaties wordt niet verkocht maar zelf verbruikt en komt daardoor niet direct in de internationale energiestatistieken. Maar wel indirect omdat de inzet van biogas voor die zelf verbruikte warmte als finaal verbruik wordt toegerekend aan de warmteproductie. Voor dit toerekenen is het nodig om de inzet van biogas voor de warmtekrachtinstallaties te verdelen over de geproduceerde elektriciteit en warmte. Het CBS maakt deze verdeling op basis van de productie van elektriciteit en warmte in joules volgens de suggestie in de handleiding voor energiestatistieken (IEA/Eurostat, 2004). 

Bij een zestal RWZI’s wordt het biogas omgezet in aardgas. Vanwege de geringe hoeveelheid, mogelijke vertrouwelijkheid van de gegevens en eenvoud werd deze aardgasproductie tot en met 2017 geteld als finaal verbruik van biogas. 

De onnauwkeurigheid van de hernieuwbare energie uit biogas van RWZI’s wordt geschat op 10 procent.

8.9 Biogas, co- en monovergisting van mest

Co- en monovergisting van mest omvat de productie van biogas uit het vergisten van mest, al dan niet samen met andere plantaardige materialen. Gemakshalve wordt co- en monovergisting van mest ook aangeduid als mestvergisting. Monovergisting van mest komt in kleine hoeveelheden voor, in 2020 was 6 procent van de energieproductie uit mestvergisting afkomstig uit een monovergister. Co- en monovergisting van mest leverde in 2020 ongeveer 3 procent van het eindverbruik van hernieuwbare energie. 

Ontwikkelingen

Na een snelle opkomst van de mestvergisting onder invloed van de MEP subsidie in de jaren tot en met 2008 vlakte de groei of trad er zelfs een daling op mede door de hoge prijzen van de co-substraten (Peene et al., 2011 en van den Boom en van der Elst, 2013), Daarna groeide het eindverbruik doordat, onder invloed van de aangepaste subsidieregels, er steeds meer warmte geproduceerd door de WKK-installaties. Vanaf 2018 is er voor het sinds lange tijd weer een duidelijke groei van het totale winning en verbruik van biogas uit mestvergisting, Dat hangt vooral samen met de toename van de productie van groen gas. In 2020 werd 40 procent van het biogas daarvoor ingezet. 

8.9.1 Co-vergisting van mest
Aantal locatiesBiogasElektriciteitWarmte uit warmtekrachtinstallatiesBruto energetisch eindverbruikEffect
totaal verbruik (TJ)inzet voor warmtekrachtinstallaties (TJ)omzetting in aardgas = productie aardgas (TJ)vermogen (MW)1)bruto-productie (mln kWh)bruto-productie (TJ)elektriciteit (TJ)2)warmte (TJ)2)vervoer (TJ)2)totaal (TJ)vermeden verbruik van fossiele primaire energie (TJ)vermeden emissie CO2 (kton)
200517 85 8559 32 18 50805
2010925 4455 445985752 0691 3333 4024 990331
2015975 2415 241.133553.1 9922 300.4 2915 910428
2018915 3134 675 6381234936381 8712 544 584 4745 604371
2019956 0614 4621 5991004711 5991 9462 839 2775 0635 995371
2020**956 8134 0742 739 1034302 7391 9673 145 6255 7386 574410
Bron: CBS.
1) Aan het einde van het verslagjaar.
2) Inclusief elektriciteit, warmte of vervoer toegerekend aan de productie van groen gas (biogas opgewaardeerd tot aardgaskwaliteit en geïnjecteerd in aardgasnet).
Een punt (.) betekent dat een cijfer onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim is. Niets (blanco) geeft aan dat een cijfer op logische gronden niet kan voorkomen of dat de waarde nihil is.
**Nader voorlopige cijfers

Methode

De bruto elektriciteitsproductie van de mestvergisters is bepaald aan de hand van gegevens uit de administratie van de certificaten voor Garanties van Oorsprong voor groene stroom van CertiQ. De productie van biogas is geschat op basis van de elektriciteitsproductie en een standaard bruto elektrisch rendement van 38 procent. Het eigen verbruik van elektriciteit is bepaald met behulp van de biogasproductie en kengetallen uit het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie.

De warmteproductie bestaat uit drie componenten:

  • eigen verbruik van warmte voor het op temperatuur houden van de vergister
  • niet gesubsidieerde warmteproductie voor toepassingen buiten de vergister
  • gesubsidieerde warmteproductie

Het eigen verbruik van warmte is bepaald op basis van een kengetal uit het Protocol: 0,04 joule warmte voor de productie van 1 joule biogas. Het verbruik van warmte voor de gisting telt niet mee bij de berekening van het vermeden verbruik van fossiele primaire energie, maar wel voor het bruto eindverbruik. De niet gesubsidieerde warmteproductie is afkomstig van een aanvullende enquête van het CBS onder de landbouwbedrijven in het kader van de meststatistiek tot en met 2011,voor 2013 en 2014. Voor 2012, 2015 en 2016 is aangenomen dat de niet-gesubsidieerde warmteproductie gelijk is aan het voorafgaande jaar en beperkt is tot enkele procenten van het totaal. Na het verslagjaar 2016 is deze warmteproductie om praktische redenen en de geringe omvang niet meer meegenomen in de uitkomsten. 

De gesubsidieerde warmteproductie is afgeleid uit gegevens van CertiQ.

Net als bij biogas uit rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s) wordt de warmte uit warmtekrachtkoppelingsinstallaties (WKK) op biogas uit co-vergisting van mest meestal niet verkocht maar zelf gebruikt. Niet verkochte WKK-warmte komt niet direct terug in internationale energiestatistieken, wat de berekening van het bruto eindverbruik voor verwarming compliceert. In paragraaf 8.8 over de RWZI’s wordt daar uitgebreider op ingegaan.

De certificaten voor Garanties van Oorsprong voor groene stroom van CertiQ of groen gas van Vertogas zijn een noodzakelijke voorwaarde voor de subsidie of claim voor de verplichting hernieuwbare energie voor vervoer, die weer een noodzakelijke voorwaarde is voor het rendabel exploiteren van mestvergisters. Het is dus zeer waarschijnlijk dat de administratie van CertiQ en Vertogas samen een nagenoeg volledig beeld geeft van de elektriciteits- en groen gasproductie door biogasinstallaties op landbouwbedrijven. De onzekerheid in de bruto elektriciteits- en groen gasproductie wordt daarom geschat op maximaal 5 procent. De onzekerheid in de warmteproductie is iets groter, omdat de warmte voor de gisting geschat wordt met een kengetal. Het CBS schat de totale onzekerheid in het bruto eindverbruik van co-vergisting van mest op 5 á 10 procent.

8.10 Overig biogas

Overig biogas omvat vanaf de jaren negentig biogas uit afvalwater dat gewonnen en gebruikt wordt in de voedingsmiddelenindustrie. Daar wordt via anaerobe afvalwaterzuivering biogas gewonnen dat wordt gebruikt voor de opwekking van elektriciteit en/of proceswarmte. Later zijn daar andere natte biomassastromen bijgekomen, zoals groente- fruit- en tuinafval of afval uit de voedingsmiddelenindustrie. Het gaat momenteel om projecten op ongeveer 40 locaties die in 2020 goed zijn voor bijna 3 procent van het bruto eindverbruik van hernieuwbare energie.

Ontwikkelingen

8.10.1 Overig biogas
BiogasElektriciteitWarmte uit warmtekrachtinstallatiesBruto energetisch eindverbruikEffect
totaal verbruik (TJ)inzet voor warmtekrachtinstallaties (TJ)omzetting in aardgas = productie aardgas (TJ)finaal verbruik (TJ)bruto-productie (mln kWh)bruto-productie (TJ)elektriciteit (TJ)1)warmte (TJ)1)vervoer (TJ)totaal (TJ)vermeden verbruik van fossiele primaire energie (TJ)vermeden emissie CO2 (kton)
1990 468 45 0 423 4 15 15 446 0 461 432 25
2000 974 274 0 700 17 155 61 897 0 957 928 54
20051 155 405 0 750 32 116 114 954 01 0681 046 62
20102 9002 243 0 657 196 523 7071 424 02 1312 593 163
20155 3202 5012 337 482 233 6331 1532 958 1664 2774 615 310
20185 5742 0822 535 957 175 6621 0053 232 2314 4694 710 295
20196 0932 3222 6461 125 201 7631 1383 319 4594 9165 209 317
2020**6 8992 3353 1781 385 192 8781 1753 747 7255 6495 869 359
Bron: CBS.
1) Inclusief elektriciteit of warmte toegerekend aan de productie van groen gas (biogas opgewaardeerd tot aardgaskwaliteit en geïnjecteerd in aardgasnet).
Een punt (.) betekent dat een cijfer onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim is. Niets (blanco) geeft aan dat een cijfer op logische gronden niet kan voorkomen of dat de waarde nihil is.
**Nader voorlopige cijfers

De productie van hernieuwbare energie uit overig biogas neemt, met een uitschieter in 2015, gestaag toe; in 2020 nam het energetisch eindverbruik toe met 15 procent. De toename tot en met 2010 betreft vooral nieuwe projecten waarbij elektriciteit wordt gemaakt uit biogas. Het opstarten was toen relatief aantrekkelijk vanwege de ondersteuning via de MEP-regeling.

Vanaf 2011 wordt steeds meer overig biogas ingezet voor de productie van aardgas, ook wel groen gas genoemd. De productie van groen gas wordt ondersteund door de SDE–subsidieregeling en de mogelijkheid om groen gas mee te laten voor het voldoen aan de verplichting hernieuwbare energie voor vervoer. Eind 2020 werd op ongeveer 20 locaties groen gas gemaakt uit overig biogas. De productie van groen gas uit overig biogas nam in 2020 toe met 20 procent. Groen gas blijft hiermee de belangrijkste bestemming van het biogas. De inzet van het biogas voor de productie van warmte en elektriciteit via warmtekrachtinstallaties bleef in 2020 nagenoeg gelijk aan 2019. 

Methode

Voor biogas in de industrie berust de waarneming deels op de reguliere CBS-enquêtes voor de winning, omzetting en het gebruik van energie. Non-respons wordt bijgeschat op basis van historische gegevens. 

Van veel nieuwere projecten, vaak buiten de industrie, is de elektriciteitsproductie bekend bij CertiQ en de groengasproductie bij Vertogas. Het CBS ontvangt deze productiegegevens van CertiQ en Vertogas en gebruikt de gegevens als basis om de benodigde gegevens uit te rekenen zonder directe waarneming. De winning van biogas wordt berekend via een geschat rendement van de elektriciteitsproductie en de groengasproductie. De warmteproductie voor deze nieuwere projecten is vaak beperkt tot de warmte die nodig is om de gisting aan de gang te houden en kan geschat worden als een vaste fractie van de productie van biogas (Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie). Andere informatiebronnen voor de warmte zijn gegevens uit de Energie-investeringsaftrekregeling (EIA), overheidsmilieujaarverslagen, internet en soms belt het CBS bedrijven met productie van biogas.

De warmte voor gisting telt niet mee bij de berekening van het vermeden verbruik van primaire fossiele energie, maar wel bij de berekening van het bruto eindverbruik. Net als bij biogas uit rioolwaterzuiveringsinstallaties wordt de nuttig gebruikte warmte uit warmtekrachtinstallaties op biogas meestal niet verkocht maar zelf gebruikt.

Het zwakste punt in de waarneming is de schatting van de warmteproductie, omdat warmte vaak niet wordt verkocht en daarom ook vaak niet wordt gemeten. Het CBS schat de onzekerheid in de hernieuwbare energie uit overig biogas op 10 procent. 

8.11 Vloeibare biotransportbrandstoffen

Biobrandstoffen voor het wegverkeer zijn duurder dan de op aardolie gebaseerde brandstoffen. Om het verbruik van biobrandstoffen te stimuleren heeft de overheid de leveranciers van benzine en diesel vanaf 2007 verplicht om deze te leveren.

De meeste biobrandstoffen kunnen in pure vorm niet in gewone motoren van wegvoertuigen gebruikt worden. Motoren van bestaande wegvoertuigen draaien wel op met biobrandstoffen bijgemengde benzine en diesel, zolang de bijmengpercentages niet te groot worden. De meeste biobrandstoffen worden daarom in bijgemengde vorm op de markt gebracht.

Het overheidsbeleid voor biobrandstoffen wordt sterk beïnvloed door Europese richtlijnen. Eerst was er de EU-Richtlijn voor Hernieuwbare Brandstoffen in het vervoer uit 2003 (Europees Parlement en de Raad, 2003). In deze richtlijn hebben lidstaten een niet bindende afspraak gemaakt om het aandeel biobrandstoffen op te laten lopen van 2 procent in 2005 tot 5,75 procent in 2010. De richtlijn was aanleiding voor het Besluit Biobrandstoffen (Staatsblad, 2006), dat leveranciers verplichtte om biobrandstoffen te leveren. 

Later kwam er discussie over de wenselijkheid van biobrandstoffen. Als voordelen van biobrandstoffen worden genoemd: de reductie van broeikasgasemissies en de verminderde afhankelijkheid van de steeds schaarser wordende fossiele olie, die regelmatig afkomstig is uit landen waarmee de politieke relatie als instabiel wordt ervaren. Als nadeel van biobrandstoffen wordt vaak genoemd dat reductie van broeikasgasemissies maar zeer beperkt is, soms zelfs nihil, als alle, vaak indirecte, effecten worden meegenomen (Europese Commissie, 2012), ook al is het lastig om de indirecte effecten te berekenen. Ook kunnen biobrandstoffen concurreren met voedsel, wat daardoor duurder kan worden. Tot slot kunnen natuurgebieden bedreigd worden door een toename van de teelt van biobrandstoffen. 

In de EU-Richtlijn voor Hernieuwbare Energie uit 2009 is bindend afgesproken dat in 2020 10 procent van alle energie voor vervoer uit hernieuwbare bronnen afkomstig is. Hernieuwbare elektriciteit voor vervoer telt daarbij ook mee (zie paragraaf 2.4). Biobrandstoffen voor vervoer zijn de belangrijkste component voor deze vervoersdoelstelling en de verwachting is dat dit voorlopig zo blijft (Rijksoverheid, 2010). Als gevolg van de discussie over de wenselijkheid van biobrandstoffen zijn in de EU-Richtlijn hernieuwbare energie duurzaamheidscriteria opgenomen voor vloeibare biomassa. Deze criteria moeten waarborgen dat bij de productie van de gebruikte vloeibare biomassa mensen, natuur en milieu voldoende worden beschermd. In 2015 is de Richtlijn aangepast en is afgesproken dat het verbruik van biobrandstoffen uit voedselgewassen beperkt wordt tot 7 procent van het totaal verbruik van benzine, diesel en elektriciteit voor vervoer. Zie ook paragraaf 2.4.

In de afgelopen jaren liep de verplichting voor oliebedrijven tot het leveren van biobrandstoffen langzaam op van 4 procent in 2010 tot en met 8,5 procent in 2018 (Besluit Hernieuwbare Energie Vervoer 2015, Staatsblad, 2014), geleidelijk oplopend naar 16,4 procent in 2020 (Besluit Energie Vervoer Staatsblad, 2018). Bedrijven moeten aantonen dat de door hen geleverde biobrandstoffen voldoen aan de duurzaamheidscriteria uit de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie. Dat doen ze door gebruik te maken van certificeringssystemen. De Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) controleert of bedrijven voldoende gecertificeerde biobrandstoffen op de markt hebben gebracht.

Biobrandstoffen uit afval en houtachtige materialen worden als extra duurzaam gezien. Om het gebruik van deze biobrandstoffen extra te stimuleren mogen deze dubbel geteld worden voor de transportdoelstelling uit de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie. Voor de overall doelstelling voor hernieuwbare energie geldt deze dubbeltelling niet. Voor de nationale bijmengplicht geldt een dubbeltelling vanaf het verslagjaar 2009 (Staatscourant, 2009)
In 2020 was de bijdrage van biobrandstoffen voor het wegverkeer aan het totaal bruto eindverbruik van hernieuwbare energie 11,1 procent. 

Ontwikkelingen

8.11.1 Verbruik duurzame vloeibare biotransportbrandstoffen voor vervoer
 Dubbel tellend (PJ)Enkel tellend (PJ)
'050,1
'061,8
'0713
'0812
'093,212,4
'103,66
'1176,5
'127,45,2
'137,54,6
'148,95,2
'1566,4
'1654,8
'177,15,4
'1814,66,4
'1920,25,6
'20**15,36,8
**Nader voorlopige cijfers

Het fysieke verbruik van duurzame vloeibare biobrandstoffen is in 2020 gedaald van 28 naar 24 petajoule. Het verbruik van biobenzine nam toe met 14 procent en dat van biodiesel nam af, met 26 procent. Bij biodiesel wordt grotendeels gebruik gemaakt van dubbeltellende biobrandstoffen, bij biobenzine voor het grootste deel van enkeltellende.

Het verbruik van biobrandstoffen voor vervoer loopt niet gelijk op met de verplichting, onder andere omdat de bedrijven de mogelijkheid hebben om het ene jaar extra hernieuwbare energie op de markt te brengen en deze extra inspanning administratief mee te nemen naar een volgend jaar. Daarnaast bood voor de jaren 2015 tot en met 2017 de wet- en regelgeving Energie voor Vervoer de bedrijven de mogelijkheid om biobrandstoffen te tellen voor de verplichting op een moment dat nog niet zeker was dat ze daadwerkelijk fysiek op de Nederlandse markt zouden komen (het telmoment van het CBS). Met ingang van het verslagjaar 2018 is wet- en regelgeving aangescherpt en zijn de verschillen tussen de bij NEa getelde biobrandstoffen en de door het CBS getelde biobrandstoffen veel kleiner geworden.

Vanaf verslagjaar 2018 is het voor oliebedrijven mogelijk om biobrandstoffen geleverd aan schepen mee te tellen voor de verplichting om hernieuwbare energie voor vervoer te leveren. Als gevolg daarvan worden sinds 2018 ook biobrandstoffen geleverd aan schepen. De meeste van deze schepen varen naar het buitenland en als gevolg daarvan tellen deze leveringen als bunkers, een soort export, en niet bij het verbruik. De hoeveelheid bijgemengde biodiesel in bunkerbrandstoffen is enorm gestegen afgelopen jaar, van 2 naar bijna 10 petajoule. 

8.11.2 Duurzame1) vloeibare biotransportbrandstoffen, afleveringen op binnenlandse gebruikersmarkt
Afleveringen, totaal = Bruto energetisch eindverbruik2),zonder verrekening dubbeltellingAfleveringen, dubbeltellend3), zonder verrekening dubbeltellingEffect
Mobiele werktuigen (telt als warmte) (TJ)Weg- en railverkeer+ binnenvaart (telt als vervoer) (TJ)Totaal (TJ)Weg- en railverkeer+ binnenvaart (telt als vervoer) (TJ)Vermeden verbruik fossiele primaire energie (TJ)vermeden emissie CO2 (kton)
Totaal2010 09 5779 5773 5749 577518
Totaal2015 92312 39213 3156 03313 315845
Totaal2016 7189 71810 4354 96510 435693
Totaal20171 02212 46113 4837 06213 483935
Totaal20181 93320 93522 86814 56422 8681 604
Totaal20192 64025 79728 43720 24428 4372 083
Totaal2020**2 23122 09624 32815 26324 3281 742
Biobenzine20105 6145 614.5 614.
Biobenzine20155 9505 950.5 950323
Biobenzine20164 7524 752.4 752257
Biobenzine20175 3995 399.5 399314
Biobenzine20187 1467 146.7 146415
Biobenzine20198 3218 321.8 321530
Biobenzine2020**9 4809 480.9 481592
Biodiesel20103 9633 963.3 963.
Biodiesel2015 9236 4427 365.7 365522
Biodiesel2016 7184 9665 683.5 683436
Biodiesel20171 0227 0628 084.8 084620
Biodiesel20181 93313 78815 722.15 7221 189
Biodiesel20192 64017 47620 116.20 1161 553
Biodiesel2020**2 23112 61514 847.14 8471 150
Bron: CBS.
1) Vanaf 2011 afgeleid uit opgaven van oliebedrijven aan NEa. In de jaren daarvoor was er nog geen verplichting tot het gebruik van systemen voor certificatie van de duurzaamheid van biomassa. In Europees verband is afgesproken om tot en met 2010 alle vloeibare biomassa als duurzaam te tellen. 
2) Volgens de berekening van de doelstelling voor hernieuwbare energie totaal uit de EU-richtlijn Hernieuwbare Energie uit 2009, dus zonder dubbeltelling. 
3) Dubbeltellend voor de verplichting uit de wet Hernieuwbare Energie Vervoer en de doelstelling voor hernieuwbare energie voor vervoer uit de EU-richtlijn Hernieuwbare Energie uit 2009.
Een punt (.) betekent dat een cijfer onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim is. Niets (blanco) geeft aan dat een cijfer op logische gronden niet kan voorkomen of dat de waarde nihil is.
**Nader voorlopige cijfers

8.11.3 Vloeibare biotransportbrandstoffen1), balans (TJ)
ProductiecapaciteitAanbodVerbruik.Bijmenging
Totaal.ProductieNetto invoer,
puur en
bijgemengd
Netto invoer, puurNetto invoer, bijgemengdVoorraadmutatie,
puur en
bijgemengd
Bunkers2), puur en bijgemengdTotaal
Totaal2010.9 577...9402 585.9 5778 637
Totaal2015.13 439...-2 074498.13 43915 513
Totaal2016.10 747...-1 492-684.10 74712 239
Totaal2017.13 891...-2 944-4 039.13 89116 835
Totaal2018.22 993...-2 336-6 69769822 99326 027
Totaal2019.28 437...-4 7051461 98228 43735 124
Totaal2020**.24 329...-10 5442 0429 89424 32944 778
Biobenzine2010.5 614...1 0101995 6144 604
Biobenzine2015.5 950...-280575 9506 230
Biobenzine2016.5 049...-444-4385 0495 493
Biobenzine2017.5 399...-683-1905 3996 082
Biobenzine2018.7 146...-4562547 1467 603
Biobenzine2019.8 321...-1 41648 3219 737
Biobenzine2020**.9 481...-2 746-1 747.9 48112 227
Biodiesel201048 32213 89114 134-12 557-12 487-702 386.3 9634 033
Biodiesel201580 5127 48860 273-53 226-51 431-1 795442.7 4889 283
Biodiesel201671 2995 69854 094-48 150-47 102-1 047-246.5 6986 745
Biodiesel201776 1468 49371 373-59 031-56 770-2 261-3 849.8 49310 754
Biodiesel201877 03415 84668 043-44 547-42 667-1 880-6 95269815 84618 424
Biodiesel201981 34920 11672 832-50 876-47 586-3 2891421 98220 11625 387
Biodiesel2020**80 93014 84873 301-52 347-44 539-7 8083 7899 89414 84832 551
Bron: CBS.
1) Het gaat in deze tabel om alle biobrandstoffen, ongeacht of ze voldoen aan de duurzaamheidscriteria. Dit in tegenstelling tot tabel 8.11.2 waar het alleen gaat om duurzame biobrandstoffen.
2) Dit zijn leveringen aan schepen die naar het buitenland varen en telt mee als een soort export en niet bij het verbruik.
Een punt (.) betekent dat een cijfer onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim is. Niets (blanco) geeft aan dat een cijfer op logische gronden niet kan voorkomen of dat de waarde nihil is.
**Nader voorlopige cijfers

In 2020 was de Nederlandse productie van biodiesel ruim 73 petajoule. Dat is veel meer dan het binnenlands verbruik (14 petajoule) en de hoeveelheid in Nederland gebunkerde biobrandstoffen (9,8 petajoue). Een groot deel van de geproduceerde biodiesel gaat dan ook naar het buitenland.

De productiecapaciteit van de biodieselfabrieken is in 2020, gelijk gebleven met 81 petajoule. Hiermee komt de bezettingsgraad van de installaties voor biodiesel uit op 91 procent. 

In Nederland wordt ook biobenzine geproduceerd. Het gaat om bio-ethanol, bio-methanol en bionafta. Ook voor biobenzine geldt in 2013 dat de productie veel groter is dan het verbruik. Er zijn niet zoveel fabrieken voor de productie van biobenzine. Daarom zijn de uitkomsten over de productie voor veel jaren vertrouwelijk.

Methode

De cijfers over de productie van biobrandstoffen zijn afgeleid uit een enquête van het CBS. De respons op deze enquête was bijna 100 procent. Voor de energie-inhoud is gebruik gemaakt van de standaardwaarden uit de EU-Richtlijn voor Hernieuwbare Energie.

De waarneming voor de handel, bijmenging en het verbruik van biobrandstoffen is gebaseerd op een combinatie van gegevens uit:

  • de biobrandstoffenrapportages die oliebedrijven inleveren bij de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa)
  • de aardoliestatistiek van het CBS. 

In het kader van de bijmengplicht leveren oliebedrijven jaarlijks een rapportage aan de overheid over de hoeveelheid voor de markt geclaimde duurzame biobrandstoffen per locatie, inclusief de aard en oorsprong van de grondstoffen van de geleverde biobrandstoffen. Het CBS heeft per bedrijf de fysieke gegevens uit deze rapportages ontvangen van de NEa.

Voor de CBS-oliestatistiek vullen alle belangrijke spelers op de oliemarkt (raffinaderijen, petrochemische industrie, handelaren en opslagbedrijven) elke maand een formulier in, met per olieproduct een complete balans. Bio-ETBE, bio-MTBE, biobenzine