Waarom werkt het CBS aan een aangepaste methode voor het meten van energieprijzen?

In de huidige methode gebruikt het CBS de tarieven voor nieuwe klanten die energiemaatschappijen maandelijks aan de Autoriteit Consument en Markt (ACM) leveren. De meeste huishoudens betalen andere tarieven, bijvoorbeeld omdat ze die voor langere tijd hebben vastgezet in een contract voor bepaalde tijd.

In een min of meer stabiele energiemarkt maakt dit voor het meten van de consumentenprijsindex (CPI) en de daaruit afgeleide inflatie niet uit. Door de snelle stijging van de energieprijzen is er een verschil ontstaan. Deze hogere prijzen worden direct meegenomen in de CPI, maar veel mensen merken daar pas iets van als hun vaste tarieven aflopen. Dit betekent dat de gemeten inflatie voorloopt op en dus hoger is dan de werkelijke inflatie zoals veel huishoudens die ervaren. Tegen de tijd dat deze huishoudens alsnog met de prijsverhoging geconfronteerd worden zijn die hogere prijzen al in de CPI verwerkt en is de gemeten inflatie juist lager dan de werkelijke inflatie die deze huishoudens ervaren.

Met het gebruiken van de energietarieven die huishoudens werkelijk betalen gaat de CPI de prijzen van energie meten in de maand waarin huishoudens deze prijzen daadwerkelijk betalen.