Flexwerk in Nederland en de EU

Met flexwerkers wordt in Europees verband meestal gedoeld op werknemers met een contract voor bepaalde tijd (tijdelijke werknemers) en zelfstandigen zonder personeel (zzp). De afbakening van tijdelijke werknemers die de EU hanteert is iets anders dan de definitie die in Nederland gangbaar is. Het verschil zit hierin dat de EU enkel naar het contract kijkt: is dat vast of tijdelijk? In Nederland zijn zowel het contract als de contracturen bepalend. Bovendien worden uitzendkrachten en oproepkrachten, ongeacht deze kenmerken, tot de flexwerkers gerekend. Het EU-cijfer over tijdelijk werk in Nederland ligt daarom lager dan het CBS-cijfer over werknemers met een flexibele arbeidsrelatie.

Het percentage flexwerkers in Europa (EU-28) lag in 2016 op 23. Het aandeel tijdelijke werknemers (12 procent) was iets groter dan het aandeel zzp’ers (11 procent). In deze percentages is in de periode sinds 2006 weinig veranderd.

Dat geldt echter niet voor de afzonderlijke landen. Nederland neemt voor wat betreft de toename van flexwerk een uitzonderlijke positie in. Voor zowel het aandeel tijdelijk werk als zzp behoorde Nederland tot de grootste groeiers binnen de EU, 7 procentpunt groei in de afgelopen 10 jaar. Met een aandeel van 29 procent flexwerkers staat Nederland nu op een vijfde plek. Landen als Polen, Spanje en Portugal, die met name een hoog percentage tijdelijke werknemers kennen, en Griekenland, waar vooral het aandeel zzp’ers in de landbouw hoog is, kennen een groter aandeel flexwerk. In Nederland betrof de groei iets meer zzp’ers dan tijdelijke werknemers.

Bronnen