Arbeidspositie naar migratieachtergrond 2003-2017

/ Auteur: Dion Dieleman (CBS) en Arjen Verweij (Sociale Zaken en Werkgelegenheid)
Sinds 2005 stelt het CBS op verzoek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid jaarlijks diverse kernindicatoren van het integratiebeleid samen. De kernindicatoren hebben als doel een gedegen beeld te schetsen van de situatie van mensen van 15 tot 75 jaar met een migratieachtergrond in Nederland.

Dit artikel gaat nader in op drie kernindicatoren voor de arbeidspositie: de nettoarbeidsparticipatie, het werkloosheidspercentage en het percentage van de bevolking dat werkt als werknemer voor meer dan 20 uur per week in de grootste werkkring. Hierbij wordt de algehele trend voor de periode 2003-2017 beschreven voor personen met een westerse en niet-westerse migratieachtergrond ten opzichte van personen met een Nederlandse achtergrond. Voor iedere indicator wordt nader ingegaan op de ontwikkelingen voor personen met een Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaanse migratieachtergrond, de vier grootste niet-westerse herkomstgroeperingen in Nederland, en verschillen tussen de eerste en tweede generatie.

Arbeidsparticipatie klimt uit dal

De nettoarbeidsparticipatie onder de Nederlandse bevolking van 15 tot 75 jaar is over het afgelopen anderhalve decennium toegenomen. Dit geldt voor zowel de bevolking met een westerse of niet-westerse migratieachtergrond, als voor personen met een Nederlandse achtergrond. Door de crisis kende de nettoarbeidsparticipatie tussen 2008 en 2014 een dalende trend. Sindsdien zijn tekenen van herstel te zien.

In de periode 2003 tot en met 2017 was de nettoarbeidsparticipatie onder personen met een Nederlandse achtergrond het hoogst. In 2017 behoorde 68 procent van de 15- tot 75-jarigen met een Nederlandse achtergrond tot de werkzame beroepsbevolking. Onder personen met een westerse migratieachtergrond was de nettoarbeidsparticipatie 65 procent. Daarmee was de arbeidsdeelname voor beide groepen bijna op hetzelfde niveau gekomen als op het hoogtepunt in 2008. De nettoarbeidsparticipatie voor de groep met een niet-westerse migratieachtergrond blijft achter op personen met een westerse of Nederlandse achtergrond en bedroeg 57 procent in 2017. Daarmee was in 2017 het niveau van vlak voor de start van de economische crisis in 2008 nog niet bereikt: de nettoarbeidsparticipatie lag toen op 61 procent voor personen met een niet-westerse migratieachtergrond.

Tijdens de economische opgang na 2003 daalde het verschil in nettoarbeidsparticipatie tussen de groep met een niet-westerse migratieachtergrond en personen met een Nederlandse achtergrond tot 8 procentpunt in 2008. In de periode van de economische crisis die volgde, liep dit verschil echter weer op, tot 12 procentpunt in 2015. Sinds 2015 neemt het verschil in nettoarbeidsparticipatie tussen personen met een Nederlandse achtergrond en een niet-westerse migratieachtergrond weer langzaam af. In 2017 bedroeg dit verschil 11 procent.
Het verschil tussen personen met een Nederlandse achtergrond en een westerse migratieachtergrond is kleiner. In de periode 2003 tot 2017 bedroeg dit ongeveer 3 tot 5 procentpunt.

Nettoarbeidsparticipatie naar achtergrond (% van 15- tot 75-jarigen)
JaarNederlandsWestersNiet-westers
200365,961,353,0
200465,561,452,3
200565,861,353,5
200666,662,454,3
200768,163,558,1
200869,065,261,1
200968,964,859,8
201068,363,457,5
201168,063,058,6
201267,963,957,7
201367,162,755,8
201466,562,655,2
201567,163,255,3
201667,464,256,3
201768,364,757,4

Nettoarbeidsparticipatie eerste generatie Surinamers en Antillianen laatste decennium fors gedaald

Mede door de crisis lag de nettoarbeidsparticipatie van eerste generatie Surinamers en Antillianen in 2017 fors lager dan in 2008 . Van de Surinaamse eerste generatie had 59 procent in 2017 betaald werk, tegen 70 procent in 2008. Voor de Antilliaanse eerste generatie was de daling nog wat groter. Hun nettoarbeidsparticipatie bedroeg 51 procent in 2017, tegen 64 procent in 2008. Wel nam de arbeidsparticipatie van de Surinaamse eerste generatie in 2017 licht toe. Ook de Turkse en Marokkaanse eerste generatie had in 2017 een lagere nettoarbeidsparticipatie dan in 2008, maar het verschil tussen beide jaren was kleiner.

De afstand ten opzichte van personen met een Nederlandse achtergrond blijft voor de eerste generatie van de vier grootste niet-westerse herkomstgroeperingen vrijwel even groot. In 2017 was dit verschil bij de Surinaamse eerste generatie het kleinst (9 procentpunt) en bij de Marokkaanse eerste generatie het grootst (18 procentpunt).
Voor de eerste generaties met een Surinaamse en Antilliaanse migratieachtergrond is de achterstand met de groep met een Nederlandse achtergrond ten opzichte van 2003 met ongeveer 7 procentpunt toegenomen. Bij de groepen met een eerste generatie Turkse of Marokkaanse migratieachtergrond is het verschil in 2017 ten opzichte van 2003 met ongeveer 2 procentpunt verminderd.

Nettoarbeidsparticipatie naar achtergrond, eerste generatie (% van 15- tot 75-jarigen)
JaarNederlandsTurksMarokkaansSurinaamsAntilliaans
200365,952,846,463,755,2
200465,551,248,063,956,6
200565,852,448,364,855,8
200666,651,348,264,958,6
200768,155,453,365,859,7
200869,059,753,969,663,6
200968,961,453,064,355,9
201068,357,553,562,457,8
201168,058,752,563,754,5
201267,957,449,461,456,4
201367,154,252,357,653,8
201466,554,149,359,351,6
201567,152,747,557,952,7
201667,457,050,656,451,8
201768,356,750,659,351,1

Nettoarbeidsparticipatie Turkse tweede generatie op hoogste niveau in 15 jaar

De tweede generatie van de grootste vier grootste groepen niet-westerse migratieachtergrond laat een ander beeld zien dan de eerste generatie. Zo lag de nettoarbeidsparticipatie in 2017 onder de tweede generatie hoger dan onder de eerste generatie. In de onderzochte periode was de nettoarbeidsparticipatie onder de Turkse tweede generatie nooit hoger dan in 2017: 60 procent. Onder de Marokkaanse en Surinaamse tweede generatie nadert de nettoarbeidsparticipatie in 2017 met 60 en 66 procent het hoogste punt van de onderzochte periode.

Het verschil in de nettoarbeidsparticipatie met personen met een Nederlandse achtergrond was een stuk kleiner voor de tweede dan voor de eerste generatie in 2017. De nettoarbeidsparticipatie van de Surinaamse tweede generatie nadert die van de groep met een Nederlandse achtergrond. Het verschil tussen beide groepen bedroeg 3 procentpunt in 2017. Voor de Turkse tweede generatie was dit verschil met 9 procentpunt het grootste. Verder laten groepen van de Turkse, Marokkaanse of Surinaamse tweede generatie de laatste jaren een opwaartse trend zien in de nettoarbeidsparticipatie. De enige uitzondering is de Antilliaanse tweede generatie. Hun nettoarbeidsparticipatie lag tot 2013 relatief dichtbij die van personen met een Nederlandse achtergrond. Sindsdien is de nettoarbeidsparticipatie onder de Antilliaanse tweede generatie afgenomen en bedroeg het verschil met personen met een Nederlandse achtergrond 5 procentpunt in 2017.

Nettoarbeidsparticipatie naar achtergrond, tweede generatie (% van 15- tot 75-jarigen)
JaarNederlandsTurksMarokkaansSurinaamsAntilliaans
200365,950,843,555,865,9
200465,548,141,854,066,2
200565,845,951,554,469,2
200666,652,151,558,865,2
200768,157,056,461,570,6
200869,057,157,064,868,4
200968,955,856,666,170,0
201068,352,051,859,566,2
201168,058,761,662,763,4
201267,956,855,961,172,3
201367,152,653,365,067,2
201466,551,553,161,363,8
201567,155,952,663,664,1
201667,456,859,762,764,4
201768,359,760,165,663,0

Werkloosheid onder niet-westerse migranten blijft het hoogst

Ook in de hoogte van de werkloosheid zijn verschillen tussen herkomstgroepen te constateren. In 2008 lag het werkloosheidspercentage onder personen met een niet-westerse migratieachtergrond 5 procentpunt hoger dan onder personen met een Nederlandse achtergrond. In 2014 was dit verschil bijna verdubbeld. Sinds de piek van de werkloosheid in 2013-2014, is deze de laatste jaren voor alle herkomstgroepen continu gedaald.
In 2017 bedroeg het werkloosheidspercentage voor personen met een westerse migratieachtergrond 6 procent en voor personen met een niet-westerse migratieachtergrond 11 procent. Onder personen met een Nederlandse achtergrond was de werkloosheid in 2017 het laagst: 4 procent. Voor personen met een Nederlandse achtergrond en personen met een westerse migratieachtergrond ging het werkloosheidsniveau in 2017 weer richting het niveau van voor de crisis. In 2008 lag de werkloosheid voor deze groepen 1 procentpunt lager dan in 2017. Voor de groep met een niet-westerse migratieachtergrond was in 2017 het verschil met 2008 nog wat groter: 3 procentpunt.

Wanneer wordt gekeken naar het patroon van de werkloosheid door de tijd zijn de verschillen tussen herkomstgroepen kleiner. Tussen 2008 en 2013 was er bijna een verdubbeling in werkloosheid voor zowel de groep met een Nederlandse achtergrond als de groep met een niet-westerse migratieachtergrond. Ook de groep met een westerse migratieachtergrond kende een forse stijging van de werkloosheid in diezelfde periode, maar deze was iets minder sterk. Tijdens de laatste jaren van economisch herstel daalde de werkloosheid voor de drie groepen ongeveer even hard en lag dit in 2017 ongeveer een derde lager dan in 2013.

Ondanks dat het verschil in werkloosheid tussen personen met een Nederlandse achtergrond en mensen met een niet-westerse migratieachtergrond de laatste jaren afnam (van ruim 10 procentpunt in 2014 naar ruim 7 procentpunt in 2017), was het verschil in 2017 nog altijd groter dan voor de crisis in 2008.

Werkloosheid naar achtergrond (% van 15- tot 75-jarige beroepsbevolking)
JaarNederlandsWestersNiet-westers
20033,96,012,4
20044,67,113,9
20054,77,214,9
20064,16,112,6
20073,45,49,5
20083,04,88,4
20093,55,410,0
20104,15,711,7
20113,96,511,8
20124,67,314,1
20135,88,916,5
20146,18,716,5
20155,68,615,2
20164,97,213,2
20173,95,711,1

Hoge werkloosheid onder eerste generatie niet-westerse migranten

Onder zowel de eerste als tweede generatie van de vier grootste groepen met een niet-westerse migratieachtergrond was de trend in de werkloosheid dalend sinds 2014. Voor de eerste generatie met een Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaanse achtergrond volgt deze daling op een periode van stijgende werkloosheid. Deze stijging vond vooral plaats in de periode 2008-2013 en was relatief het hoogst onder de Antilliaanse en Surinaamse eerste generatie. Zo verdubbelde in die periode het werkloosheidspercentage van de eerste generatie Antillianen tot 21 procent. Voor de Surinaamse eerste generatie was er een verdrievoudiging van 5 naar bijna 15 procent werkloosheid in dezelfde periode.

Sinds 2013 is de werkloosheid onder de eerste generatie migranten met een Surinaamse of Turkse migratieachtergrond gedaald. Onder de Antilliaanse en Marokkaanse eerste generatie liet het herstel een jaar langer op zich wachten. Net als voor de crisis is de werkloosheid onder de Antilliaanse eerste generatie in 2017 het hoogst van de vier onderzochte groepen (17 procent). Onder de Turkse eerste generatie was de werkloosheid in 2017 het laagst (8 procent). De werkloosheid onder de eerste generatie Turken, Marokkanen, Surinamers en Antillianen lag in 2017 nog altijd ruim twee tot vier keer zo hoog als onder personen met een Nederlandse achtergrond.

Werkloosheid naar achtergrond, eerste generatie (% van 15- tot 75-jarige beroepsbevolking)
JaarNederlandsTurksMarokkaansSurinaamsAntilliaans
20033,910,614,88,515,1
20044,612,513,89,515,8
20054,710,016,310,516,7
20064,111,812,98,115,3
20073,46,88,85,412,3
20083,06,98,65,29,8
20093,58,09,27,912,7
20104,17,911,28,912,0
20113,98,311,27,917,1
20124,610,514,811,217,7
20135,812,615,214,820,9
20146,110,916,913,720,8
20155,610,515,713,218,1
20164,99,510,912,417,0
20173,98,410,39,817,4

Daling werkloosheid sterkst onder Antilliaanse tweede generatie

Ook onder de tweede generatie steeg de werkloosheid in de periode 2008-2013. Deze stijging was het sterkst onder de Marokkaanse tweede generatie. In 2013 was de werkloosheid voor deze groep met 22 procent meer dan tweemaal zo hoog als in 2008 (9 procent). Ook onder de andere tweede generaties steeg de werkloosheid in deze periode, maar was de stijging minder groot.

Sinds 2014 is de werkloosheid onder de Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaanse tweede generatie sterk verminderd. Voor de Antilliaanse tweede generatiemigranten is de werkloosheid in 2017 ten opzichte van 2014 meer dan gehalveerd. Onder de Turkse en Marokkaanse tweede generatie was de werkloosheid in dezelfde periode bijna gehalveerd. Ook onder de Surinaamse tweede generatie was een forse daling in de periode 2014-2017 te constateren: ruim een kwart. Met 8 procent was de werkloosheid in 2017 het laagst onder de Antilliaanse tweede generatie. Onder de Turkse (11 procent), Marokkaanse en Surinaamse (beide 13 procent) tweede generatie lag de werkloosheid in 2017 wat hoger.

De laatste jaren is het verschil tussen de Turkse, Marokkaanse en Antilliaanse tweede generatie en de groep met een Nederlandse achtergrond verkleind. Toch blijft ook hier het verschil in niveau tussen de groepen nog groot. De werkloosheid lag in 2017 onder de vier grootste niet-westerse herkomstgroeperingen ruim twee- tot driemaal zo hoog als onder de groep met een Nederlandse achtergrond.

Over het algemeen was de daling in werkloosheid onder de tweede generatie relatief sterker dan onder de eerste generatie. Alleen onder de groep personen met een Surinaamse migratieachtergrond was de daling voor beide generaties relatief even sterk. De werkloosheid onder de tweede generatie Turken, Marokkanen en Surinamers ligt nog altijd hoger dan onder de eerste generatie. De groep met een Antilliaanse migratieachtergrond vertoont op het gebied van werkloosheid een groot contrast tussen de eerste en de tweede generatie. De tweede generatie Antillianen kent in 2017 de laagste werkloosheid van alle niet-westerse migratiegroepen, terwijl de eerste generatie juist de hoogste werkloosheid kent.

Werkloosheid naar achtergrond, tweede generatie (% van 15- tot 75-jarige beroepsbevolking)
JaarNederlandsTurksMarokkaansSurinaamsAntilliaans
20033,912,825,013,2
20044,615,724,716,29,5
20054,722,217,519,89,5
20064,116,315,714,48,7
20073,412,112,314,45,6
20083,010,79,09,510,8
20093,59,416,113,28,7
20104,115,318,614,011,0
20113,913,013,212,412,6
20124,616,022,117,09,9
20135,817,921,916,913,4
20146,120,222,517,517,4
20155,618,421,716,115,3
20164,915,216,014,412,4
20173,910,912,512,67,8

Personen met Nederlandse of westerse achtergrond hebben bijna even vaak werkkring van meer dan 20 uur per week als voor de crisis

Behalve cijfers over nettoarbeidsparticipatie en werkloosheid, geeft ook de arbeidsduur inzicht in de arbeidspositie van personen. Gekeken is naar het percentage onder de bevolking van 15 tot 75 jaar dat werkt als werknemer met een grootste werkkring van meer dan 20 uur per week. Het gaat hierbij om de eerste werkkring, oftewel de werkkring waarin het meeste aantal uren per week wordt gewerkt.

Personen met een Nederlandse of westerse achtergrond hebben het vaakst een baan als werknemer van meer dan 20 uur per week: respectievelijk 43 en 42 procent in 2017. Daarmee naderden zij het niveau van voor de crisis. Voor personen met een niet-westerse migratieachtergrond lag dit aandeel met 36 procent in 2017 lager. Ook voor deze groep geldt dat na een sterke daling sinds 2008, de laatste jaren tekenen van herstel zijn te constateren.

Waar de verschillen tussen personen met een Nederlandse en een westerse migratieachtergrond klein zijn gebleven door de jaren heen, is het verschil ten opzichte van mensen met een niet-westerse migratieachtergrond groter. In 2008 was dit verschil met 2 procentpunt op het laagste punt in 15 jaar. Vooral in de periode 2012-2015 nam het verschil tussen de groep met een niet-westerse migratieachtergrond en een Nederlandse achtergrond in het aandeel werknemers met een werkkring van meer dan 20 uur per week toe. De laatste jaren is dit verschil redelijk constant gebleven en bedroeg dit ruim 7 procentpunt in 2017.

Werknemers met eerste werkkring van meer dan 20 uur per week naar achtergrond (% van 15- tot 75-jarigen)
JaarNederlandsWestersNiet-westers
200342,141,537,4
200441,540,737,4
200541,440,637,0
200642,140,637,0
200742,840,839,5
200843,542,041,9
200943,242,339,5
201042,641,137,4
201142,340,138,2
201242,140,737,3
201341,439,134,2
201440,839,233,8
201541,140,233,2
201641,741,034,6
201742,641,535,5

Meer dan 20 uur per week werken na crisis relatief sterk afgenomen bij eerste generatie Surinamers

Het percentage dat in 2017 betaald werk had voor meer dan 20 uur per week als werknemer, was met 46 procent onder de Surinaamse eerste generatie het hoogst van alle onderzochte groepen. Daarmee is het aandeel van de Surinaamse eerste generatie ook hoger dan onder personen met een Nederlandse achtergrond (43 procent). Onder de eerste generatie met een Turkse (38 procent), Marokkaanse (32 procent) of Antilliaanse migratieachtergrond (37 procent) lag dit percentage wat lager.

Onder de eerste generatie met een Turkse, Marokkaanse, Surinaamse of Antilliaanse migratieachtergrond is vooral in de periode 2008 tot 2015 een dalende trend te constateren in het aandeel werknemers met een werkkring van meer dan 20 uur per week. In deze periode daalde het aandeel personen met een baan van meer dan 20 uur per week onder de Turkse, Marokkaanse en Antilliaanse eerste generatie met ongeveer 9 procentpunt. Voor de Surinaamse eerste generatie was deze daling ruim 14 procentpunt. De laatste jaren zijn er tekenen van herstel onder de eerste generatie. Met uitzondering van de Antilliaanse eerste generatie, is onder de overige groepen het aandeel werknemers met betaald werk voor meer dan 20 uur per week sinds 2015 weer gestegen.

Werknemers met eerste werkkring van meer dan 20 uur per week naar achtergrond, eerste generatie (% van 15- tot 75-jarigen)
JaarNederlandsTurksMarokkaansSurinaamsAntilliaans
200342,139,136,752,242,0
200441,537,736,952,443,0
200541,437,037,852,142,9
200642,136,436,452,144,6
200742,837,140,253,445,1
200843,542,540,956,245,6
200943,241,339,349,340,5
201042,637,141,047,942,1
201142,339,439,549,140,0
201242,138,336,647,940,2
201341,435,636,443,435,7
201440,835,935,142,836,9
201541,133,932,241,936,7
201641,734,333,842,638,9
201742,637,534,446,035,6

Antilliaanse en Surinaamse tweede generatie heeft vaakst werkkring van meer dan 20 uur per week

De tweede generatie van de vier grootste groepen met een niet-westerse migratieachtergrond laat een meer divers beeld zien dan de eerste generatie. Zo zijn de onderlinge verschillen tussen de groepen de laatste jaren groter onder de tweede dan onder de eerste generatie. Ook ligt het percentage werknemers met een baan van meer dan 20 uur per week overwegend lager onder de tweede dan de eerste generatie. Alleen onder de groep met een Antilliaanse migratieachtergrond is dit aandeel hoger onder de tweede generatie dan onder de eerste. De verschillen tussen beide generaties kunnen deels worden verklaard doordat de gemiddelde leeftijd van de tweede generatie lager ligt dan die van de eerste generatie. Zo combineren jongeren relatief vaker een opleiding met betaald werk voor een klein aantal uren per week.

Van de Turkse tweede generatie had 33 procent in 2017 betaald werk als werknemer voor meer dan 20 uur per week. Dat is ongeveer evenveel als in 2008 het geval was. Onder de Marokkaanse tweede generatie bedroeg dit 27 procent in 2017, tegenover 34 procent in 2008. Voor de tweede generatie met een Surinaamse of Antilliaanse migratieachtergrond is een ander beeld zichtbaar. Het niveau van deze groepen ligt de laatste jaren structureel hoger dan onder de tweede generatie met een Turkse of Marokkaanse migratieachtergrond. Zo lag het aandeel werknemers met een werkkring van meer dan 20 uur per week in de periode 2003-2017 voor de tweede generatie met een Antilliaanse achtergrond relatief dichtbij dat van mensen met een Nederlandse achtergrond.

Ook de ontwikkeling van de Surinaamse tweede generatie springt in het oog. Zij kenden tijdens de economische opgang tussen 2003 en 2008 een sterk stijgende trend in het percentage werknemers met een baan van meer dan 20 uur per week. Ook lieten zij na de economische crisis relatief snel tekenen van herstel zien. In 2017 had 42 procent van de Surinaamse tweede generatie betaald werk als werknemer voor meer dan 20 uur per week.

De totale populatie personen met een Surinaamse migratieachtergrond (eerste en tweede generatie) had over bijna de hele verslagperiode 2003-2017 het hoogste percentage werknemers met betaald werk voor meer dan 20 uur per week, hoger dan onder personen met een Nederlandse achtergrond.

Werknemers met eerste werkkring van meer dan 20 uur per week naar achtergrond, tweede generatie (% van 15- tot 75-jarigen)
JaarNederlandsTurksMarokkaansSurinaamsAntilliaans
200342,133,424,129,840,3
200441,534,321,534,840,6
200541,429,530,032,843,8
200642,131,328,035,742,4
200742,833,931,038,744,3
200843,533,333,541,144,3
200943,231,031,941,046,1
201042,629,825,837,442,9
201142,334,734,638,535,9
201242,131,930,937,145,8
201341,428,423,539,439,5
201440,828,123,538,239,8
201541,128,823,941,042,3
201641,732,130,538,044,3
201742,633,127,442,037,3

Conclusie

Personen met een niet-westerse migratieachtergrond hebben minder vaak een baan en zijn vaker werkloos dan personen met een Nederlandse achtergrond. Ook hebben werknemers in deze groep minder vaak een baan van meer dan 20 uur per week. Daarbij zijn verschillen zichtbaar tussen de onderzochte herkomstgroepen en ook tussen de generaties binnen die herkomstgroepen. De hier gepresenteerde analyse is louter beschrijvend en gaat eraan voorbij dat verschillende achtergrondkenmerken van groepen een (deel)verklaring kunnen bieden voor de geconstateerde verschillen. Zo zijn bijvoorbeeld de groepen met een migratieachtergrond gemiddeld jonger dan de groep met een Nederlandse achtergrond. Dergelijke compositie-effecten zijn van invloed op verschillen in de nettoarbeidsparticipatie, de werkloosheid en de arbeidsduur.

Uit de vergelijking van de ontwikkeling in de tijd kan worden geconstateerd dat de arbeidsmarktindicatoren bij mensen met een niet-westerse migratieachtergrond sterker meebewegen met de economische conjunctuur dan bij mensen met een westerse migratieachtergrond of Nederlandse achtergrond. Dit geldt vooral voor de nettoarbeidsparticipatie en het percentage werknemers met een baan van meer dan 20 uur per week. In de periode van de crisis laten de cijfers over de groep met een niet-westerse migratieachtergrond een relatief grote afname zien in nettoarbeidsparticipatie en in het percentage werknemers met een grootste werkkring van meer dan 20 uur per week. Deze ontwikkelingen kunnen zowel worden gezien onder de totale groep met een niet-westerse migratieachtergrond als voor de groepen met een Turkse, Marokkaanse, Surinaamse of Antilliaanse migratieachtergrond. Beide zaken herstellen tijdens de economische opgang na de crisis ook iets sneller onder de groep met een niet-westerse migratieachtergrond dan onder de groep met een Nederlandse achtergrond.

De cijfers op gebied van werkloosheid laten een wat ander beeld te zien. Hoewel het werkloosheidsniveau voor de groep met een niet-westerse migratieachtergrond tijdens de crisis fors hoger lag dan onder de groep met een Nederlandse achtergrond, is de relatieve afname van het werkloosheidspercentage voor beide groepen tijdens het economisch herstel van de laatste jaren ongeveer van dezelfde omvang.

Binnen de groep met een niet-westerse migratieachtergrond wordt het herstel na de economische crisis vooral binnen de tweede generatie sneller ingezet. Van mensen met een tweede generatie Turkse, Marokkaanse en Surinaamse migratieachtergrond lag de nettoarbeidsparticipatie in 2017 weer ongeveer op hetzelfde niveau als voor de crisis. Voor de onderzochte eerste generaties en de tweede generatie met een Antilliaanse migratieachtergrond was dit (nog) niet het geval. Verder daalde de werkloosheid sneller onder de tweede generatie Turken, Marokkanen en Antillianen dan onder de eerste generaties van dezelfde herkomstgroep tijdens de periode van economisch herstel (2014-2017). Onder deze groepen daalde de werkloosheid in die periode ook aanzienlijk sneller dan onder de groep met een Nederlandse achtergrond. Onder de personen met een Surinaamse migratieachtergrond was de daling in werkloosheid in diezelfde periode voor beide generaties relatief even groot. Qua omvang in procentpunten was de daling onder de Surinaamse tweede generatie wel groter dan onder de groep met een Nederlandse achtergrond.

Op gebied van het percentage werknemers met een werkkring van meer dan 20 uur per week zijn dergelijke verschillen tussen beide generaties minder duidelijk. De eerste generatie met een Turkse, Marokkaanse, Surinaamse of Antilliaanse migratieachtergrond kende gedurende de economische crisis een dalende trend in het aandeel werknemers met een grootste werkkring voor meer dan 20 uur per week. Ondanks tekenen van herstel hadden zij het niveau van voor de crisis nog niet bereikt. Onder de tweede generatie is dit beeld meer divers dan onder de eerste. Het herstel na de crisis vindt vooral plaats onder de groepen met een tweede generatie Turkse en Surinaamse migratieachtergrond. Zij naderden in 2017 het niveau van voor de crisis in het percentage werknemers met een baan van meer dan 20 uur per week.

Relevante links