De samenhang tussen geluk en het krijgen van kinderen

11-3-2013 09:30

In de periode rond het krijgen van een kind zijn mensen tijdelijk gelukkiger. Het gelukkigst zijn mensen tijdens de zwangerschap. Na de geboorte daalt het geluksgevoel langzaam tot het na 1 tot 2 jaar na de geboorte terug is op het niveau van voor de zwangerschap. Dit effect is er alleen voor de geboorte van het eerste kind. Rond de geboorte van het tweede en derde kind is geen gelukspiek zichtbaar.
De komst van een kind maakt vrouwen gelukkiger dan mannen. Hoewel bij zowel mannen als vrouwen het geluksgevoel stijgt voorafgaand aan de geboorte is de stijging voor vrouwen sterker. Na de geboorte daalt het geluksgevoel in dezelfde mate voor mannen als vrouwen. De leeftijd van de ouders bij de geboorte van het eerste kind noch het geslacht van het kind heeft een relatie met de gelukstoename voor en afname na de geboorte.

1. Inleiding

Ingrijpende levensgebeurtenissen zoals trouwen of werkeloos worden zijn van invloed op het subjectief welzijn van mensen. Deze invloed is soms kortdurend, maar kan ook langdurig zijn. In twee recente artikelen onderzochten Wingen, de Jonge en Arts de relatie tussen veranderingen in burgerlijke staat (2010) en arbeidsmarktpositie (2012) enerzijds en subjectief welzijn anderzijds. In dit artikel wordt een andere belangrijke levensgebeurtenis bekeken: het krijgen van een kind. Centraal staat de vraag hoe het krijgen van een kind samenhangt met het geluksgevoel van mensen.

Onderzoek naar de relatie tussen het krijgen of hebben van kinderen en subjectief welzijn vergelijkt vaak mensen die wel en mensen die geen kinderen hebben. Dit soort onderzoek kan echter niet de vraag beantwoorden hoe het subjectief welzijn van individuen verandert als gevolg van de geboorte van een kind. Om hier iets over te zeggen is longitudinaal onderzoek nodig, waarin dezelfde persoon over langere tijd wordt gevolgd en subjectief welzijn op gezette tijden wordt gemeten. Slechts een handvol studies heeft tot nu toe op deze manier de relatie tussen subjectief welzijn en het krijgen van kinderen bestudeerd. Clark et al. (2008) gingen na hoe de algemene tevredenheid van mensen verandert rond de geboorte van hun eerste kind. Hiertoe maakten ze gebruik van gegevens van het Duitse Socio-Economische Panel uit de jaren 1984 tot en met 2003. Zij vonden dat tevredenheid steeg rond de geboorte, maar daarna snel afnam. Vijf jaar na de geboorte waren de ouders echter weer net zo tevreden als voor de geboorte van hun eerste kind. Het gevoel van tevredenheid van vrouwen steeg voorafgaand aan de geboorte sneller dan dat van mannen, maar na de geboorte nam het voor mannen en vrouwen net zo snel af. Keizer et al. (2010) keken eveneens naar de relatie tussen subjectief welzijn en voor de eerste keer ouder worden. Zij gingen na hoe verschillende indicatoren van subjectief welzijn, zoals tevredenheid met het leven, positief en negatief affect veranderden voor mensen die tussen het eerste meetmoment in de Netherlands Kinship Study in 2002/2003 en het tweede meetmoment in 2006/2007 voor het eerst een kind hadden kregen. Vrouwen bleken minder negatief affect en mannen iets minder positief affect te rapporteren nadat zij ouder waren geworden. Tevredenheid met het leven, positief affect bij vrouwen en negatief affect bij mannen bleken niet veranderd. Pouwels (2011) bestudeerde, evenals Clark et al. (2008), veranderingen in algemene tevredenheid rond de geboorte van het eerste kind met behulp van data uit het Duitse Socio-Economische Panel. Zij gebruikte hiervoor de gegevens uit de jaren 1984 tot en met 2005. Haar resultaten laten zien dat in de aanloop naar de geboorte de tevredenheid van ouders in korte tijd sterk toeneemt en dat dat in gelijke mate geldt voor mannen als vrouwen. Onmiddellijk na de geboorte begint de algemene tevredenheid echter langzaam af te nemen en worden de nieuwe ouders minder tevreden dan zij voorheen waren. Het dieptepunt in tevredenheid bereiken vaders als het kind 7,5 is moeders als het kind 15 jaar is. Daarna neemt hun tevredenheid weer toe.

Bovengenoemde studies geven geen antwoord op de vraag hoe het geluk van mensen zich ontwikkelt als gevolg van het krijgen van een kind. Zowel Clark et al. (2008) als Pouwels (2011) bestudeerden hoe tevreden mensen in het algemeen met hun leven zijn, maar keken niet hoe gelukkig mensen zich voelden. Uit het onderzoek van Wingen et al. (2010, 2012) komt echter duidelijk naar voren dat geluk en tevredenheid twee verschillende aspecten van subjectief welzijn zijn. Zo heeft het verlies van een partner een grotere invloed op geluksgevoel dan op tevredenheid met het leven, terwijl arbeidsongeschikt, werkloos of bijstandsgerechtigd worden een grotere invloed heeft op de tevredenheid dan op het geluksgevoel. Keizer et al. (2010) vroegen wel naar geluksgevoelens, maar zij vergeleken slechts twee meetmomenten met elkaar. Op deze manier is het wel mogelijk om te kijken of mensen na het krijgen van hun eerste kind gelukkiger of minder gelukkig zijn dan voor de geboorte van hun eerste kind, maar kan de ontwikkeling van geluk niet in kaart gebracht worden. Daarvoor zijn meer meetmomenten nodig.

Om na te gaan hoe het geluk van mensen zich ontwikkelt als gevolg van het krijgen van een kind is gebruik gemaakt van gegevens over geluk uit het Permanent Onderzoek Leefsituatie (POLS). POLS is een grootschalig enquête-onderzoek dat jaarlijks wordt uitgevoerd onder een steeds wisselende dwarsdoorsnede van de Nederlandse bevolking. Het geluk van één en dezelfde persoon voor en na het krijgen van een kind kan daarom niet met deze gegevens vergeleken worden: er is geen sprake van paneldata. Echter, voor sommige respondenten zal gelden dat hun geluk enkele jaren voor de geboorte van een kind gemeten is, terwijl voor anderen hun geluk kort voor de geboorte gemeten is. Bij weer anderen is hun geluk na de geboorte van hun kind gemeten, voor sommigen kort daarna, voor anderen wat langer daarna. Door nu de geluksgevoelens van al deze personen met elkaar te vergelijken kan een indicatie worden verkregen van de ontwikkeling in geluk rondom de geboorte van een kind.

In dit artikel wordt niet alleen gekeken hoe geluk zich ontwikkelt voor de gehele groep ouders; ook zullen enkele subgroepen onderzocht worden. Uit alle studies die de ontwikkeling van subjectief welzijn in relatie tot het krijgen van een kind bestudeerden, bleken verschillen tussen mannen en vrouwen. Het is dus belangrijk om het geslacht van de ouders in de analyses te betrekken. Daarnaast zal bekeken worden of de leeftijd van de ouders bij de geboorte van invloed is op de ontwikkeling van geluk. Naast kenmerken van de ouders kunnen ook kenmerken van het kind van invloed zijn op de ontwikkeling van geluk van de ouders. Een van deze kenmerken, het geslacht van het kind, zal in dit onderzoek worden bekeken. Tenslotte zal ook worden onderzocht hoe geluk zich ontwikkelt rond de geboorte van het tweede en derde kind. Een beperking van de drie studies die de relatie tussen subjectief welzijn en het krijgen van kinderen bekeken is dat zij zich alleen hebben gericht op het krijgen van het eerste kind. De meeste mensen die kinderen krijgen, krijgen echter meerdere kinderen.

2. Methode

2.1 Analysebestand

Voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van de enquêtegegevens uit de jaren 1998 tot en met 2009 uit het Permanent Onderzoek Leef Situatie (POLS). In POLS wordt aan mensen van 12 jaar en ouder gevraagd hoe gelukkig zij zijn. In totaal hebben 277 372 mensen in deze periode meegedaan aan POLS, van wie 941 twee keer. Bij de mensen die twee keer hebben meegedaan, is gebruik gemaakt van de meest recente enquêtegegevens. Van alle mensen die tussen 1998 en 2009 aan POLS hebben deelgenomen is nagegaan of zij als ouder voorkomen in het ouder-kindbestand. Het ouder-kindbestand bevat persoonsidentificatienummers van mensen en hun juridische ouders. Van de eventuele kinderen van de respondenten zijn via de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) de volgende kenmerken achterhaald: geslacht, geboortemaand en –jaar en, indien van toepassing, sterfdatum. Deze kenmerken zijn vervolgens teruggekoppeld aan de POLS-gegevens van hun vader of moeder. Het analysebestand bevat op deze manier naast gegevens over het welzijn van de respondenten ook gegevens over het geslacht en de geboorte- en eventuele sterfdatum van hun kinderen.

Niet alle respondenten zijn meegenomen in de analyses. In de eerste plaats zijn alle mensen zonder kinderen verwijderd. Daarnaast is ervoor gekozen om respondenten die op 1 januari 1966 ouder dan 15 jaar waren weg te laten uit de analyses. De reden hiervoor is dat het ouder-kindbestand het betrouwbaarst is voor kinderen geboren vanaf 1966. Bij oudere geboortecohorten neemt de kans op gevonden kind-oudercombinaties af en kan het selectief ontbreken van ouder-kindrelaties tot onbetrouwbare uitkomsten leiden. De grens van 15 jaar is gekozen omdat ouders jonger dan 15 jaar slechts bij uitzondering voorkomen. Een kleine groep respondenten bleek wel als ouder in het ouder-kindbestand voor te komen, maar hun kinderen konden niet worden teruggevonden in de Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens (GBA). Deze respondenten zijn uit het analysebestand verwijderd. Bij een andere kleine groep respondenten was er sprake van een onwaarschijnlijke of onmogelijke leeftijd ten opzichte van de leeftijd van hun kind. Een leeftijdsverschil werd onwaarschijnlijk of onmogelijk geacht wanneer dit minder dan 15 jaar bedroeg. Deze groep respondenten is eveneens uit het analysebestand verwijderd. In dit onderzoek wordt bekeken hoe het krijgen van een kind van invloed is op iemands geluk. Het is mogelijk dat het krijgen van een meerling op een andere manier het geluk van de ouders beïnvloedt dan het krijgen van een enkel kind. Om deze reden zijn alle personen die minimaal een meerling hebben gehad weggelaten uit de analyses. Ook personen van wie een of meerdere kinderen overleden zijn, zijn buiten beschouwing gelaten, omdat het overlijden van een kind het welzijn van de ouders langdurig negatief kan beïnvloeden (Wijngaards-de Meij, 2007). In totaal waren ongeveer 112 duizend respondenten beschikbaar voor analyse. Zie de tabellen voor de opbouw van het analysebestand.

2.2 Analyse

Informatie over geluk is beschikbaar via de volgende vraag: ‘In welke mate vindt u zichzelf een gelukkig mens?’ met als antwoordcategorieën (1) erg gelukkig, (2) gelukkig, (3) niet gelukkig/niet ongelukkig, (4) niet zo gelukkig en (5) ongelukkig. De laatste drie categorieën bevatten relatief weinig respondenten en zijn daarom in de analyses samengevoegd tot één categorie: ‘niet gelukkig’. Voor iedere respondent is met behulp van de enquêtedatum en de geboortedatum van het eerste kind nagegaan hoe lang voor of na de geboorte van dit eerste kind de meting van geluk heeft plaatsgevonden. Deze tijd is ingedeeld in 11 perioden voor en dezelfde 11 perioden na de geboorte: 0 tot 1 jaar, 1 tot 2 jaar, 2 tot 3 jaar, 3 tot 4 jaar, 4 tot 5 jaar, 5 tot 6 jaar, 6 tot 7 jaar, 7 tot 8 jaar, 8 tot 9 jaar, 9 tot 10 jaar, en 10 jaar en langer. Ter verduidelijking wordt in tabel 2 aangegeven wat dat voor de volgende drie respondenten betekent.

Elke respondent is op deze manier ingedeeld in een van 22 perioden. Door vervolgens het aandeel erg gelukkigen, gelukkigen en niet-gelukkigen over perioden met elkaar te vergelijken ontstaat een beeld van het effect van het krijgen van een eerste kind op het geluk van de ouders. Belangrijk is om te benadrukken dat het hier geen longitudinaal onderzoek betreft: aanstaande ouders werden niet gevolgd over tijd. Wanneer het percentage erg gelukkigen het jaar voorafgaand aan de geboorte wordt vergeleken met het percentage erg gelukkigen in het jaar na de geboorte gaat het om een vergelijking tussen twee verschillende groepen respondenten. Omdat per periode geluksgegevens van een groot aantal respondenten beschikbaar zijn, wordt verondersteld dat eventuele verschillen tussen respondenten in onderscheiden perioden tegen elkaar wegvallen.

Bovenstaande vergelijking is niet alleen uitgevoerd voor de gehele groep respondenten, maar ook voor mannen en vrouwen afzonderlijk, voor verschillende leeftijden van de ouder bij geboorte en voor het krijgen van een zoon en een dochter (tabel 3). Met behulp van regressie-analyse is nagegaan of het geluksgevoel van deze groepen zich rond de geboorte op dezelfde wijze ontwikkelt. Op deze manier kan niet alleen bekeken worden of en in welke mate het krijgen van een eerste kind samenhangt met het geluk van mensen, maar ook of dit effect afhankelijk is van het geslacht van de ouder en van het kind en van de leeftijd van de ouder bij geboorte. Tot slot zal op vergelijkbare wijze als bij de geboorte van het eerste kind voor respondenten met meer kinderen nagegaan worden hoe hun geluk zich heeft ontwikkeld rond de geboorte van het tweede en het derde kind.

Van kinderen zijn de geboortemaand en het geboortejaar bekend, maar niet de geboortedag. Daarom is het voor respondenten van wie het eerste kind geboren werd in de maand waarin de enquête is afgenomen niet mogelijk om na te gaan of de meting van geluk voor of na de geboorte plaatsvond. De gegevens van deze respondenten zijn buiten de analyses gelaten. In totaal ging het om 557 van de 11 989 respondenten.
In totaal kregen 88 651 respondenten twee of meer kinderen. Van 510 respondenten kon niet worden nagegaan of de meting van geluk plaats vond voor of na de geboorte van het tweede kind. Zij zijn buiten de analyses gelaten. Hetzelfde geldt voor 161 van de 29 378 respondenten die drie of meer kinderen kregen. Ook van hen kon niet worden nagegaan of de meting van geluk plaats vond voor of na de geboorte van het derde kind. Zij zijn eveneens buiten de analyses gelaten.

3. Resultaten

3.1 De geboorte van het eerste kind en geluk

Er is een duidelijk effect zichtbaar van het krijgen van een eerste kind op het geluksgevoel van mensen. Waar in het jaar voorafgaand aan de zwangerschap 31 procent van de mensen aangeeft zeer gelukkig te zijn, is dat in het jaar van de zwangerschap 42 procent: een stijging van 11 procentpunten (tabel 4). Het aandeel zeer gelukkigen daalt licht als het eerste kind eenmaal geboren is, naar 39 procent, maar ligt nog steeds aanzienlijk hoger dan in het jaar voorafgaand aan de zwangerschap. Een tot twee jaar na de geboorte van het eerste kind is het aandeel erg gelukkige mensen gedaald naar het niveau van voor de zwangerschap. Het aandeel niet-gelukkigen is over de gehele linie al klein, dus is een groot effect van het krijgen van een eerste kind hierop niet te verwachten. Toch is ook hier het effect van het krijgen van een eerste kind zichtbaar, maar alleen in het jaar van de zwangerschap. Slechts 4 procent van de mensen die hun eerste kind verwachten geven dan aan niet gelukkig te zijn. Dit aandeel stijgt echter weer tot het niveau van voor de zwangerschap zodra het kind geboren is.

Aandeel erg gelukkige, gelukkige en niet-gelukkige personen en het krijgen van een eerste kind
1. Aandeel erg gelukkige, gelukkige en niet-gelukkige personen en het krijgen van een eerste kind.

3.2 Naar kenmerken van ouders en kinderen

Voor zowel aanstaande vaders als aanstaande moeders zorgt de komst van het eerste kind voor een sterke toename in het geluksgevoel. Dit effect is bij vrouwen wel aanzienlijk groter dan bij mannen. Het aandeel vrouwen dat aangeeft erg gelukkig te zijn in het jaar voorafgaand aan de geboorte van hun eerste kind bedraagt 45 procent. Een stijging van maar liefst 15 procentpunten ten opzichte van het jaar daarvoor. Bij de mannen geeft 39 procent aan erg gelukkig te zijn, 7 procentpunt meer dan het jaar voorafgaand aan de zwangerschap. Na de geboorte van het eerste kind neemt het aandeel ouders dat aangeeft erg gelukkig te zijn af. Deze afname houdt gelijke tred voor mannen en vrouwen. Maar omdat bij mannen het geluksgevoel minder sterk gestegen is, zijn zij ook sneller terug op hun oude geluksniveau. Waar vrouwen twee tot drie jaar na de geboorte van hun eerste kind net zo gelukkig zijn als voor de zwangerschap, zijn mannen dat al binnen een jaar na de geboorte van hun eerste kind.

Aandeel erg gelukkige, gelukkige en niet-gelukkige personen en het krijgen van een eerste kind, naar geslacht ouder
Aandeel erg gelukkige, gelukkige en niet-gelukkige personen en het krijgen van een eerste kind, naar geslacht ouder

Het maakt voor het geluksgevoel van ouders niet uit of hun eerste kind een zoon of een dochter is. Het aandeel ouders dat in het jaar voorafgaand aan de geboorte van hun eerste kind aangeeft erg gelukkig te zijn ligt rond de 42 procent, zowel voor ouders die een dochter als voor ouders die een zoon krijgen. Wat hier mee kan spelen is dat een aanzienlijk deel van de ouders het geslacht van hun toekomstige kind voor de geboorte niet kent. Ook na de geboorte ontwikkelt het geluksgevoel van ouders die een zoon hebben gekregen zich echter niet anders dan het geluksgevoel van ouders die een dochter hebben gekregen.

Het is mogelijk dat het geslacht van het kind er wel toe doet, maar dat dit effect verschillend is voor mannen en vrouwen. Als vrouwen gelukkiger zijn met een dochter (of zoon) en mannen met een zoon (of dochter), zou het netto effect van het geslacht van het kind op het geluksniveau van ouders op nul kunnen uitkomen. Het geluksgevoel van vrouwen die een dochter krijgen blijkt zich rond de geboorte echter op dezelfde manier te ontwikkelen als het geluksgevoel van vrouwen die een zoon krijgen. En het geluksgevoel van mannen die een zoon krijgen verandert rond de geboorte op gelijke wijze als het geluksgevoel van mannen die een dochter krijgen.

De leeftijd van de ouder op het moment van geboorte van het eerste kind maakt evenmin uit voor het effect van de geboorte op geluk. Jonge ouders (tot 25 jaar), iets oudere ouders (25 tot 35 jaar) en nog iets oudere ouders (vanaf 35 jaar) laten allemaal een sterke stijging in geluk zien in het jaar van de zwangerschap gevolgd door een geleidelijke daling. Wel zijn 25- tot 35-jarige ouders gemiddeld gelukkiger dan jongere of oudere ouders.

3.3 De geboorte van het tweede of derde kind en geluk

Waar de geboorte van het eerste kind maakt dat mensen zich tijdelijk gelukkiger voelen, is een dergelijke gelukspiek niet zichtbaar voor de geboorte van een tweede kind. Enkele jaren voor de geboorte van het tweede kind ligt het aandeel erg gelukkige mensen wel beduidend hoger. Vermoedelijk heeft dit te maken met de geboorte van het eerste kind. Ruim een derde van de eerstgeborenen in het databestand wordt 2 tot 3 jaar voor het tweede kind geboren. Ook rondom de geboorte van een derde kind zijn mensen niet gelukkiger.

Aandeel erg gelukkige, gelukkige en niet-gelukkige personen en het krijgen van een tweede kind
Aandeel erg gelukkige, gelukkige en niet-gelukkige personen en het krijgen van een tweede kind

4. Conclusies

Het krijgen van een eerste kind heeft een tijdelijk positief effect op het geluksgevoel van mensen. Het gelukkigst zijn mensen wanneer er een kind op komst is, in het jaar voorafgaand aan de geboorte. Na de geboorte van het kind neemt het geluksgevoel geleidelijk af totdat ouders een tot twee jaar na de geboorte weer net zo gelukkig zijn als voorafgaand aan de zwangerschap. Dat het subjectief welzijn snel toeneemt wanneer het eerste kind op komst is en na geboorte ook weer snel afneemt, blijkt ook uit de onderzoeken van Clarke et al. (2008) en Pouwels (2011). In tegenstelling tot in deze studies daalde het niveau van subjectief welzijn in dit onderzoek echter niet tot onder het niveau van voor de geboorte. Dit zou te maken kunnen hebben met het feit dat in het voorliggende onderzoek gekeken werd naar geluk, niet naar tevredenheid. Een andere mogelijke verklaring heeft te maken met de wijze waarop subjectief welzijn gemeten is. In het Duitse Socio-Economische panel wordt algemene tevredenheid gemeten op een 11-puntsschaal, die loopt van 0 (volledig ontevreden) tot 10 (volledig tevreden). In POLS wordt geluk gemeten op een 5-puntsschaal met als antwoordcategorieën (1) erg gelukkig, (2) gelukkig, (3) niet gelukkig/niet ongelukkig, (4) niet zo gelukkig en (5) ongelukkig. De positieve kant van de schaal bevat in het Duitse panel vijf antwoordmogelijkheden (i.e. scores 6 tot en met 10), in POLS slechts twee (i.e. categorieën 4 en 5). In POLS hebben respondenten dus weinig mogelijkheden om te differentiëren tussen verschillende intensiteiten van geluk. Dat maakt het lastiger om een eventuele afname in geluk ook daadwerkelijk waar te nemen. De hierboven beschreven gelukspiek rond de geboorte blijkt overigens alleen zichtbaar bij de geboorte van het eerste kind. Bij een tweede of derde kind treedt een dergelijk effect niet op.

Zowel mannen als vrouwen worden gelukkiger als zij hun eerste kind verwachten, maar bij vrouwen is dit effect sterker. Clarke et al. (2008) vonden een vergelijkbaar resultaat voor tevredenheid. Dat vrouwen in afwachting van de geboorte van hun eerste kind gelukkiger zijn dan mannen zou kunnen samenhangen met het feit dat vrouwen zich door hun zwangerschap voortdurend bewust zijn van de komst van hun kind. De leeftijd van de ouders bij de geboorte van hun eerste kind blijkt niet van invloed op de gelukstoename rondom de geboorte van het eerste kind, al zijn 25- tot 35-jarige ouders wel gemiddeld gelukkiger dan jongere of oudere ouders. Ook het geslacht van het kind doet hiervoor niet terzake: gemiddeld genomen zijn ouders net zo blij met een zoon als met een dochter. Dit geldt voor zowel vaders als moeders

Het is mogelijk dat in dit onderzoek de grootte van het effect van het krijgen van een kind op geluksgevoelens enigszins is onderschat. Kinderen die geboren werden in de maand dat de enquête werd afgenomen, konden niet worden meegenomen in de analyses, omdat door ontbrekende informatie over hun geboortedag onduidelijk was of zij voor of na de enquête waren geboren. Verondersteld kan worden dat het geluk in de maand rond de geboorte het grootst is. Daarnaast is er in dit onderzoek gekeken naar juridische ouders, omdat informatie ontbrak op grond waarvan een onderscheid gemaakt kon worden tussen biologische en niet-biologische ouders. Dit houdt in dat ook adoptie-ouders zijn meegenomen in de analyses. De meeste kinderen worden echter geadopteerd wanneer zij ouder zijn dan 1 jaar (CBS: StatLine, tabel ‘Adopties exclusief partneradopties; geboorteland, geslacht en leeftijd kind’). Maar, omdat deze twee groepen (i.e. kinderen geboren in de maand van de enquête en adoptie-ouders) relatief klein zijn, is de onderschatting van het gelukseffect vermoedelijk zeer gering.

Karolijne van der Houwen en Linda Moonen

Literatuur

  • Clark, A.E., E. Diener, Y. Georgellis en R. E. Lucas, 2008, Lags and leads in life satisfaction: a test of the baseline hypothesis. The Economic Journal, 118, blz. F222-F243.
  • Keizer, R., Dykstra, P. A. and Poortman, A. R., 2010, The transition to parenthood and well-being:
    The impact of partner status and work hour transitions. Journal of Family Psychology, 24, blz. 429-438.
  • Pouwels, B. J., 2011, Work, family, and happiness: Essays on interdependencies within families, life events, and time allocation decisions. Proefschrift, Universiteit Utrecht, Utrecht, Nederland.
  • Wijngaards-de Meij, L. D. N. V. (2007). Psychological adjustment among bereaved parents: individual and interpersonal predictors. Proefschrift, Universiteit Utrecht, Utrecht, Nederland.
  • Wingen, M., T. de Jonge en K. Arts, 2010, Veranderingen in burgerlijke staat en de beleving van welzijn. Bevolkingstrends (58)3, blz.50-55.
  • Wingen, M., T. de Jonge en K. Arts, 2012, De invloed van emotionele gebeurtenissen op geluk en tevredenheid. In: CBS Bevolkingstrends, 20 juni 2012.