Migranten, vreemdelingen en vluchtelingen: begrippen op het terrein van asiel en buitenlandse migratie

23-10-2012 15:00

De gebruikte terminologie in de berichtgeving over migranten is niet altijd even duidelijk en consequent. Regelmatig verschijnen er berichten over asielzoekers, migranten, vreemdelingen, vluchtelingen en allochtonen. Vaak worden deze begrippen door elkaar gebruikt en is niet altijd duidelijk wat de boodschapper bedoelt. Wat betekenen deze begrippen nu precies en wat zijn de verschillen tussen deze termen? In dit artikel wordt één en ander op een rij gezet.

1. Inleiding

In de wereld van internationale migratie en asiel circuleren vele begrippen en definities. In kranten en nieuwsberichten staat vrijwel dagelijks informatie over immigranten, vreemdelingen, asielzoekers en vluchtelingen. Wat betekenen deze begrippen en wat zijn de verschillen tussen deze termen? In dit artikel wordt een overzicht gegeven van begrippen en definities die het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) hanteert.

IND

In Nederland is de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verantwoordelijk voor de uitvoering van het vreemdelingenbeleid. De uitdrukking ‘vreemdeling’ is een juridische term voor een niet-Nederlander: iemand die niet de Nederlandse nationaliteit heeft. Het CBS gebruikt de term niet-Nederlander in plaats van vreemdeling.
Inhoudelijk is er ook een verschil tussen beide termen. Zo beschouwt het CBS niet-Nederlandse diplomaten en niet-Nederlandse NAVO-militairen als personen met een niet-Nederlandse nationaliteit. Deze categorieën hebben geen verblijfsvergunning nodig en zijn dan ook niet bij de IND geregistreerd.
De IND beoordeelt alle aanvragen van niet-Nederlanders die in Nederland willen verblijven. Uit de door de IND afgegeven verblijfsvergunningen is het verblijfsdoel of migratiemotief van niet-Nederlandse immigranten af te leiden. De informatie in dit artikel over asielzoekers en migratiemotieven van niet-Nederlanders is daarom afkomstig van de IND.
De IND houdt zich alleen bezig met de toelating van personen die niet de Nederlandse nationaliteit hebben. Informatie over personen met de Nederlandse nationaliteit heeft de IND niet. Nederlanders hoeven zich immers niet bij de IND te melden voor een verblijfsvergunning.
De IND heeft evenmin cijfers over emigratie. Dat zijn twee belangrijke verschillen ten opzichte van de gegevens die bij het CBS beschikbaar zijn. Het CBS heeft informatie over zowel immigratie en emigratie van alle personen ongeacht nationaliteit. Het CBS heeft daarmee een overzicht van de totale migratiestromen van en naar Nederland.

2. Allochtonen, autochtonen, immigratie en emigratie

2.1 Allochtonen en autochtonen

In 1999 heeft het CBS in samenspraak met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een nieuwe definitie van het begrip allochtonen opgesteld. Vóór die tijd werden binnen het CBS, maar ook daarbuiten, meerdere definities gebruikt voor de beschrijving van allochtonen en minderheden. Vanaf 1999 worden allochtonen volgens de nieuwe standaarddefinitie gedefinieerd als personen van wie ten minste één ouder in het buitenland is geboren. Vaak wordt een onderscheid gemaakt in eerstegeneratieallochtonen (personen die zelf in het buitenland zijn geboren) en tweedegeneratieallochtonen (personen die in Nederland zijn geboren).
Een ander veelgemaakt onderscheid is dat tussen niet-westerse allochtonen en westerse allochtonen. Niet-westerse allochtonen zijn allochtonen met als herkomstgroepering een van de landen in Afrika, Latijns-Amerika of Azië (exclusief Indonesië en Japan) of Turkije. Westerse allochtonen zijn allochtonen met als herkomstgroepering een van de landen in Europa (exclusief Turkije), Noord-Amerika, Oceanië, Indonesië of Japan.
De herkomstgroepering van een persoon geeft aan met welk land een persoon is verbonden op basis van het geboorteland van de ouders of van zichzelf. Een eerstegeneratieallochtoon heeft als herkomstgroepering het land waar hij of zij is geboren. Een tweedegeneratieallochtoon heeft als herkomstgroepering het geboorteland van de moeder, tenzij dat ook Nederland is. In dat geval wordt de herkomstgroepering door het geboorteland van de vader bepaald. Uit de definitie van allochtonen volgt automatisch dat autochtonen zijn gedefinieerd als personen van wie beide ouders in Nederland zijn geboren.

2.2 Immigratie

Bij immigratie gaat het om de vestiging van personen vanuit het buitenland in Nederland. Om als immigrant te kunnen worden geteld, moeten deze personen in de Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens (GBA) worden ingeschreven. In de regel wordt iemand als immigrant in de GBA ingeschreven als hij of zij “naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derde van de tijd in Nederland verblijf zal houden” (Wet GBA, artikel 26). In de praktijk zal dit in veel gevallen worden geïnterpreteerd als dat de betrokkene van plan is de komende vier maanden in Nederland te blijven. De inschrijving van asielzoekers in de GBA is anders geregeld dan de inschrijving van andere immigranten. Zie hiervoor paragraaf 3.3.

2.3 Migratiemotieven

Het migratiemotief van niet-Nederlandse immigranten - ofwel de reden waarom immigranten naar Nederland komen - wordt niet in de GBA vastgelegd. De informatie over het migratiemotief van niet-Nederlandse immigranten komt van de IND. Tot en met 2003 werd deze informatie ontleend aan het Centraal Register Vreemdelingen (CRV) van de IND. Het CRV is een registratie met gegevens over alle in Nederland wonende niet-Nederlanders. Vanaf 2004 komen de gegevens uit het informatiesysteem INDIS van de IND. Aangezien bij de IND alleen personen met een niet-Nederlandse nationaliteit zijn geregistreerd, heeft het CBS alleen informatie over de motieven van immigranten met een niet-Nederlandse nationaliteit. Migratiemotieven van Nederlanders zijn niet bekend.

Verblijfsdoel
Van een aantal niet-Nederlandse immigranten is het verblijfsdoel niet bekend. Deze onbekende verblijfsdoelen houden de laatste jaren verband met nog niet afgeronde procedures voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning. In deze gevallen is ervoor gekozen de verdeling van de bekende verblijfsdoelen toe te passen op de 'onbekenden'. Bij de hiervoor uitgevoerde imputatie is uitgegaan van de variabelen die het sterkst samenhangen met het verblijfsdoel, geslacht, leeftijd, burgerlijke staat, het jaar van vestiging in Nederland en geboorteland.
Als bijvoorbeeld de helft van de immigrerende, ongehuwde mannen uit India van 30 jaar in een bepaald jaar naar Nederland komt om te werken en de andere helft in het kader van gezinsmigratie, dan wordt in de helft van de gevallen waarin het migratiemotief van immigrerende, 30-jarige, ongehuwde mannen uit India in dat jaar onbekend is, als motief ‘arbeid’ ingevuld en in de helft van de gevallen ‘gezinsmigratie’.

Migratie westerse immigranten
Voor een groot deel van de westerse immigranten is geen migratiemotief bekend. Sinds mei 2006 hebben EU-onderdanen, met uitzondering van Bulgaren en Roemenen, namelijk geen verblijfsvergunning meer nodig als ze voor langer dan drie maanden in Nederland willen verblijven. Dit geldt ook voor personen uit de EFTA-landen (IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en Zwitserland). Beide groepen moeten zich officieel nog wel inschrijven bij de IND, waarbij het doel van het verblijf moet worden aangetoond met behulp van documenten. Zij krijgen dan een verklaring van inschrijving die als sticker in het identiteitsbewijs wordt geplakt. Hoewel inschrijving bij de IND verplicht is, heeft het nalaten ervan voor deze groepen immigranten geen gevolgen voor hun verblijfsrecht in Nederland. Zo lang zij voldoen aan de voorwaarden mogen zij legaal in Nederland verblijven op grond van het EG-verdrag, zonder zich bij de IND te hebben gemeld.
Dit heeft tot gevolg dat grote groepen immigranten uit de desbetreffende landen zich niet bij de IND melden. Van deze groep is dan ook geen motief voor dekomst naar Nederland bekend. Zo was van ongeveer een kwart van de EU-immigranten die in de periode 1995-2005 naar Nederland kwamen het motief niet bekend. Dit aandeel steeg in 2006 naar bijna de helft en was in 2009 ruim 80 procent. Met behulp van informatie uit de GBA, zoals het jaar van vestiging van de partner, het jaar waarin zij trouwden of gingen samenwonen en de leeftijd op het moment van immigratie, is vanaf 2007 voor personen uit EU- en EFTA-landen het aantal gezinsmigranten (gezinsherenigers en gezinsvormers) geschat. Onder gezinshereniging wordt de vestiging in Nederland verstaan van personen uit gezinnen die al vóór de immigratie bestonden, waarbij één of meer gezinsleden bij gezinsleden gaan wonen die eerder naar Nederland zijn gekomen. Hierbij kan het onder andere gaan om huwelijks(partners), minderjarige kinderen (niet gehuwd, geen geregistreerd partner) of ouders die bij hun kinderen gaan wonen. Een partner van een arbeidsmigrant bijvoorbeeld die een half jaar later op hetzelfde adres gaat wonen, wordt door het CBS als een gezinshereniger beschouwd.
Gezinsvorming betreft de vestiging in Nederland van personen die hier komen om te trouwen, een partnerschap af te sluiten, of te gaan samenwonen met een al in Nederland wonende partner, met wie betrokkene nooit eerder heeft samengewoond.
De overige, onbekende migratiemotieven (voor deze groep vooral arbeid en studie) zijn geïmputeerd zoals hierboven beschreven. Ten slotte zijn de uitkomsten zoveel mogelijk consistent gemaakt met de totalen volgens de statistiek van de buitenlandse migratie.

Migratiemotieven emigranten
Migratiemotieven van emigranten zijn niet bekend. Ze worden niet in de GBA geregistreerd wanneer mensen zich bij de gemeente uitschrijven en de IND heeft in het geheel geen informatie over emigranten. Het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI) heeft hier in het verleden wel onderzoek naar gedaan. De resultaten van dit onderzoek zijn te vinden in het aprilnummer van DEMOS uit 2005 (Ter Bekke et al., 2005).

Grafiek 1. Immigratie van niet-Nederlanders naar motief

1. Immigratie van niet-Nederlanders naar motief

2.4 Emigratie

Bij emigratie gaat het om het vertrek van personen naar het buitenland. Personen worden uit de GBA uitgeschreven wanneer de verwachte verblijfsduur in het buitenland ten minste acht maanden bedraagt.
Strikt genomen worden emigranten niet uit de GBA uitgeschreven. Hun persoonslijst (PL, of  het geheel van gegevens die over een persoon in de GBA zijn opgeslagen) blijft opgenomen in de basisadministratie van de gemeente waar ze voorafgaand aan hun vertrek uit Nederland woonden. Dat het emigratie betreft, wordt geregeld door op de PL de datum van vertrek uit Nederland in te vullen. Zodra dat is gebeurd, is verdere bijhouding van de PL niet langer toegestaan tot de betreffende persoon eventueel naar Nederland terugkeert. In de GBA is dan ‘de bijhouding van de PL opgeschort’. Voor iemand die Nederland verlaat, wordt de bijhouding van de PL opgeschort als de verwachte verblijfsduur buiten Nederland langer dan twee derde van de komende twaalf maanden bedraagt (Wet GBA, artikel 68). In de praktijk betekent dit dus dat personen worden ‘uitgeschreven’ als deze ten minste acht maanden in het buitenland denken te verblijven.
Niet iedereen meldt zich bij vertrek naar het buitenland af bij de gemeente waar ze wonen. Als de gemeente na een onderzoek vaststelt dat de verblijfplaats van een persoon niet bekend is, deze persoon niet bereikbaar is en waarschijnlijk geen inwoner meer is van een Nederlandse gemeente, kan de gemeente weinig anders doen dan de desbetreffende persoon uit schrijven met de registratie ‘vertrek onbekend waarheen’. Het CBS boekt dit soort vertrek als administratieve afvoering (zie ook CBS, 2000).

Gemeentelijk onderzoek
Het gemeentelijke onderzoek kan bestaan uit een daadwerkelijke controle door de gemeente van het adres waarop de persoon het meest recent was geregistreerd, zoals door huisbezoek. Daarnaast kan een gemeente bestandsvergelijkingen uitvoeren om hiermee meer informatie te krijgen over een eventuele verblijfplaats van een persoon. Zo controleerde de gemeente Rotterdam in 2005 de informatie uit de GBA met bestanden van de Belastingdienst, informatie van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en bestanden van de Dienst Stedenbouw en Volkshuisvesting (dS+V) en Jeugd, Onderwijs en Samenleving (JOS). Deze controle leverde eenmalig een extra aantal personen op die in dat jaar werden uitgeschreven met de label ‘vertrek onbekend waarheen’ (COS, 2009).

Administratieve correcties
Een persoon die ooit administratief is afgevoerd, kan slechts door administratieve opneming (vestiging met onbekende herkomst) of door een immigratie (herkomstland is bekend) weer in de bevolkingsregistratie worden opgenomen. Het saldo administratieve correcties betreft personen die administratief zijn afgevoerd, zonder dat daar een opneming tegenover staat. In de migratiestatistieken wordt dit saldo als niet-gemelde emigratie geïnterpreteerd. Om het totale vertrek uit Nederland in beeld te krijgen worden daarom, naast de cijfers over de ‘echte’, geregistreerde emigratie, ook de cijfers over de emigratie inclusief het saldo administratieve correcties gepresenteerd. Overigens is het niet zeker of het volledige saldo administratieve correcties als niet-gemelde emigratie kan worden beschouwd. Het is ook mogelijk dat het voor een deel gaat om personen die, zonder te zijn ingeschreven, nog wel in Nederland verblijven. Het saldo correcties kan dus ook ruimer worden geïnterpreteerd als personen die uit het bevolkingsregister (anders dan door sterfte) zijn uitgeschreven en van wie de huidige verblijfplaats onbekend is. De huidige verblijfplaats kan zowel binnen als buiten Nederland liggen (Alders en Nicolaas, 2003).

Grafiek 2. Emigratie inclusief en exclusief saldo administratieve correcties

2. Emigratie inclusief en exclusief saldo administratieve correcties

3. Asielzoekers, asielmigranten en vluchtelingen

3.1. Asielprocedure

Asielzoekers zijn personen die een aanvraag voor toelating als vluchteling, een ‘asielverzoek’, indienen. Asielverzoeken worden door personen ingediend die om uiteenlopenden redenen hun land hebben verlaten om in een ander land asiel te zoeken. In Nederland kunnen asielzoekers zich voor een asielaanvraag melden in de centrale ontvangstlocaties in Ter Apel of op Schiphol. Vervolgens worden de asielzoekers naar één van de aanmeldcentra in Ter Apel, Schiphol, Den Bosch of Zevenaar overgebracht. Sinds de wijziging van de Vreemdelingenwet op 1 juli 2010 gaat aan de asielprocedure een rust- en voorbereidingstermijn van minimaal 6 dagen vooraf. In deze periode kunnen asielzoekers tot rust komen en zich op de asielprocedure voorbereiden. Ook kan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) dan vooronderzoek doen. Daarna begint de algemene asielprocedure. Deze algemene procedure duurt 8 procesdagen, met de mogelijkheid van verlenging tot 14 dagen. Hierdoor is er meer ruimte voor rechtsbijstand aan asielzoekers. Het doel van de aangepaste procedure is dat asielzoekers sneller duidelijkheid krijgen over hun asielverzoek.

Procedure
In het aanmeldcentrum worden door de IND vragen gesteld over onder meer de identiteit en nationaliteit van de asielzoekers, over de gevolgde reisroute en over de redenen voor het vertrek uit het land van herkomst. Als de IND meer tijd nodig heeft om over het asielverzoek een beslissing te nemen, dan wordt de aanvraag verder behandeld in de verlengde asielprocedure. De verlengde procedure duurt maximaal een half jaar. De asielzoekers worden dan in een asielzoekerscentrum opgevangen. Het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA) is verantwoordelijk voor de opvang van asielzoekers in deze centra.
Als het asielverzoek wordt afgewezen in de algemene asielprocedure, moet asielzoekers binnen vier weken vertrekken. Om zoveel mogelijk te voorkomen dat afgewezen asielzoekers op straat terecht komen, mogen de asielzoekers gedurende deze periode in de opvang blijven. Als het asielverzoek wordt afgewezen in de verlengde asielprocedure, mogen de asielzoekers een eventuele beroepsprocedure in Nederland in de opvang afwachten.
Tot april 2001, toen de Vreemdelingenwet 2000 werd ingevoerd, konden asielzoekers tegen een afwijzing bezwaar aantekenen. Deze bezwaarfase is in de Vreemdelingenwet 2000 komen te vervallen. Voordat een asielverzoek wordt afgewezen, worden de asielzoekers wel in staat gesteld om op het voornemen de aanvraag af te wijzen te reageren. Dit kunnen zij doen door het indienen van een een zogenoemde zienswijze.
Tegen een afwijzing van de aanvraag staat beroep open bij de Vreemdelingenkamer van de rechtbank in Den Haag en de nevenzittingsplaatsen bij andere rechtbanken. Tegen een uitspraak van de rechtbank kunnen asielzoekers hoger beroep aantekenen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

3.2. Asielvergunning voor bepaalde en onbepaalde tijd

Een asielvergunning wordt verleend wanneer de asielzoekers gegronde redenen hebben te vrezen voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een sociale groep, zoals homoseksuelen, of politieke overtuiging. Een vergunning kan ook worden verleend wanneer asielzoekers bij terugkeer naar hun land het risico lopen te worden gemarteld, of als terugkeer niet kan worden verlangd vanwege bepaalde (traumatische) gebeurtenissen die in het land van herkomst hebben plaatsgevonden of omdat terugkeer van bijzondere hardheid wordt geacht in verband met de algemene situatie in het land van herkomst. Asielzoekers worden als een vluchteling beschouwd wanneer is vastgesteld dat zij in het herkomstland ‘gegronde vrees hebben voor vervolging vanwege een godsdienstige of politieke overtuiging, nationaliteit, ras of het behoren tot een bepaalde sociale groep’.

Soorten asielvergunningen
Sinds de invoering van de Vreemdelingenwet in 2001 zijn er twee soorten asielvergunningen. Dit zijn de vergunning voor bepaalde tijd en de vergunning voor onbepaalde tijd. Na vijf jaar kunnen houders van een vergunning voor bepaalde tijd in aanmerking komen voor een vergunning voor onbepaalde tijd. Aan asielzoekers worden in bepaalde gevallen ook asielgerelateerde reguliere verblijfsvergunningen verleend. Onder andere alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’ers) kunnen voor een dergelijke asielgerelateerde reguliere vergunning in aanmerking komen.

Onder de oude Vreemdelingenwet (vóór 1 april 2001) werden de volgende verblijfsvergunningen verleend: de A-status, de Vergunning tot Verblijf (VTV) en de Voorwaardelijke Vergunning tot Verblijf (VVTV). Een A-status werd verleend aan asielzoekers die gegronde redenen hebben om te vrezen voor vervolging in de zin van het Verdrag van Genève en de Vreemdelingenwet. Zij zijn als politiek vluchteling toegelaten en hebben de vluchtelingenstatus gekregen. Asielzoekers aan wie een Vergunning tot Verblijf is verleend, worden niet als politiek vluchteling erkend, maar zijn op grond van humanitaire overwegingen toegelaten. De in 1994 ingevoerde Voorwaardelijke Vergunning tot Verblijf wordt toegekend aan asielzoekers die vooralsnog niet naar hun land kunnen terugkeren omdat de situatie daar te gevaarlijk wordt geacht.

Vluchtelingenstatus
Asielzoekers die als vluchteling worden erkend, krijgen de vluchtelingenstatus. Asielzoekers die niet voor deze vluchtelingenstatus in aanmerking komen, kunnen toch in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning. Dit kan bijvoorbeeld als er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat zij, bij terugkeer naar hun land van herkomst, een reëel risico zouden lopen. Het gaat dan bijvoorbeeld om situaties waarbij asielzoekers het risico lopen op de doodstraf, van marteling of van ernstige en individuele bedreiging als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict.Asielzoekers kunnen dan in aanmerking komen voor de zogenoemde subsidiaire status. In andere gevallen kan aan asielzoekers wegens klemmende humanitaire redenen een verblijfsvergunning worden verleend, bijvoorbeeld wanneer iemand traumatische ervaringen heeft gehad, zoals de gewelddadige dood van familieleden (EMN, 2010).

Categoriaal beschermingsbeleid
Onder uitzonderlijke omstandigheden kan het kabinet een categoriaal beschermingsbeleid voor asielzoekers uit een bepaald land, een bepaalde regio of een bepaalde bevolkingsgroep instellen. Een reden voor een categoriaal beschermingsbeleid kan zijn dat de veiligheids- en mensenrechtensituatie in een bepaald gebied of voor een bepaalde groep zeer zorgwekkend is en een terugkeer daarom niet verantwoord zou zijn. Wanneer een categoriaal beschermingsbeleid van kracht is, kijkt de IND in eerste instantie of aanvragers op individuele gronden recht hebben op een verblijfsvergunning. Wanneer dit niet het geval is, krijgen zij op grond van het categoriale beschermingsbeleid toch een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, op voorwaarde dat er geen contra-indicaties zijn, zoals crimineel gedrag.
In de afgelopen periode betrof het merendeel van de door de IND verleende asielvergunningen internationale subsidiaire bescherming en categoriale bescherming. Verdragsvluchtelingen maakten nog geen 10 procent uit van alle houders van een asielvergunning (EMN, 2010). Het CBS maakt in zijn publicaties overigens geen onderscheid naar de grond waarop asielvergunningen wordt verleend.

Uitgenodigde vluchtelingen
Een categorie die niet in de asielstatistiek wordt geteld, zijn de uitgenodigde vluchtelingen. Uitgenodigde vluchtelingen zijn mensen die vaak al jaren in vluchtelingenkampen leven en niet aar het land van herkomst kunnen terugkeren. Uitgenodigde vluchtelingen worden geselecteerd tijdens zogenaamde, door de IND georganiseerde, ‘selectiemissies’. De bestemmingen worden vastgesteld in overleg met de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties (UNHCR) en de landen die het programma ondersteunen (www.coa.nl). Deze vluchtelingen komen naar Nederland in het kader van het ‘resettlement’-programma van de UNHCR. Uitgenodigde vluchtelingen hebben recht op een verblijfsvergunning en hoeven de Nederlandse asielprocedure niet te doorlopen. Daarom worden ze ook niet in de asielcijfers meegeteld. Het jaarlijks aantal uitgenodigde vluchtelingen bedraagt circa 500.

3.3. Inschrijving van asielzoekers en statushouders in de GBA

De inschrijvingsprocedure van asielzoekers in de GBA is niet hetzelfde als de inschrijving van andere immigranten. Asielzoekers worden doorgaans in de GBA ingeschreven – en als asielmigrant beschouwd – als zij een verblijfsvergunning krijgen en vanuit de opvang voor asielzoekers naar een woning doorstromen. Asielzoekers die in de opvang voor asielzoekers verblijven worden in de regel na een verblijf van een half jaar in Nederland in de GBA ingeschreven, ook als zij nog geen verblijfsvergunning hebben. Zij komen op grond van artikel 55 van het Besluit GBA gedurende de eerste zes maanden van hun verblijf in Nederland niet voor inschrijving in aanmerking, tenzij zij een vergunning tot verblijf hebben gekregen van de IND (Prins en Kuijper, 2007).
Kinderen die in een asielzoekerscentrum worden geboren worden in de GBA ingeschreven, ook als de ouders (nog) geen verblijfsvergunning hebben en niet in de GBA staan ingeschreven.

3. Eerste asielverzoeken en asielmigranten

Eerste asielverzoeken en asielmigranten

Han Nicolaas en Arno Sprangers

Bijlage

Begrippenlijst Migratie en Asiel

Literatuur

• Alders, M.P.C. en H. Nicolaas, 2003, Administratieve correcties in de bevolkingsstatistieken. Bevolkingstrends 51(4), blz. 46-51.
• Bekke, S. ter, H.P. van Dalen en K. Henkens, 2005, Emigratie van Nederlanders: geprikkeld door bevolkingsdruk. DEMOS 21(4), blz. 25–28.
• CBS, 2000, Bevolkingscijfers: wie tellen mee en wie niet? Maandstatistiek van de Bevolking, juli 2000, blz. 7.
• Centrum voor Onderzoek en Statistiek, 2009, Bevolkingsprognose Rotterdam 2010-2025, december 2009. COS, Rotterdam.
• EMN, 2010, Niet binnen de EU geharmoniseerde bescherming in Nederland.
• Prins, C.J.M. en H. Kuijper, 2007, Bevolkingsstatistieken onder het persoonskaartenstelsel en het GBA-stelsel: overeenkomsten en verschillen. Bevolkingstrends 55(1), blz. 14-33.