Gevolgen van ouderlijke scheiding voor het opleidingsniveau van allochtonen

25-6-2012 15:00

Voor de meeste niet-westerse allochtone groepen geldt, net als voor autochtonen, dat kinderen van gescheiden ouders minder vaak een diploma in het hoger onderwijs halen dan kinderen van niet-gescheiden ouders. Zo ook wanneer rekening wordt gehouden met factoren die de kans op een hoge opleiding kunnen beïnvloeden.

1. Inleiding

Gevolgen van echtscheiding
Ouderlijke echtscheiding heeft gevolgen voor de levensloop van kinderen, van relatievorming en –ontbinding, tot welzijn op volwassen leeftijd, opleidingsniveau en de kans op werkloosheid (overzicht in Fischer, 2004). Een echtscheiding betekent veel onrust, conflicten en onprettige veranderingen, zoals een verhuizing. Ook geeft het verlies van hulpbronnen voor een groot deel een verklaring voor de negatieve gevolgen van een echtscheiding.
Culturele en financiële hulpbronnen van de ouders bepalen in grote mate het latere maatschappelijke succes van de kinderen. In de eerste plaats komt dit door intergenerationele overdracht: ouders en kinderen lijken op elkaar, zowel genetisch als dankzij de opvoeding. Ten tweede kunnen rijke en cultureel onderlegde ouders meer in de maatschappelijke kansen van hun kinderen investeren (Liefbroer, 2005). Voorbeelden van deze investeringen zijn bijvoorbeeld een huis met een eigen kamer om rustig huiswerk te kunnen maken, bijles, en het investeren in de algemene ontwikkeling van het kind door boeken, muzieklessen of museumbezoek (Brinkgreve en Van Stolk, 1997).
Een echtscheiding betekent vaak ook een financiële achteruitgang voor de kinderen. Bij een echtscheiding vallen de schaalvoordelen van een gezamenlijk huishouden weg en in de meeste gevallen, wanneer de kinderen bij de moeder blijven wonen, vallen ook de hulpbronnen van de vader gedeeltelijk weg. Het negatieve effect van echtscheiding op het opleidingsniveau en de beroepsloopbaan van de kinderen is het sterkst wanneer de vader veel hulpbronnen heeft. (Fischer, 2004, Van Gaalen en Stoeldraijer, 2012). Door de echtscheiding raken kinderen dan relatief het meeste kwijt. Wanneer de moeder echter veel hulpbronnen heeft, kan zij deze negatieve gevolgen deels compenseren. Echtscheiding zou het opleidingsniveau van kinderen zelfs helemaal niet beïnvloeden als de moeder veel hulpbronnen heeft (Fischer 2004). Daarnaast hebben hulpbronnen en sociale positie ook een direct effect op de scheidingskansen. Tegenwoordig scheiden laagopgeleiden onder autochtonen vaker dan hoogopgeleiden (De Graaf en Kalmijn, 2006). Voor niet-westerse allochtonen is dit niet bekend.

Dit artikel richt zich op het opleidingsniveau van allochtone volwassen kinderen en specifiek op het al dan niet behalen van een universitaire of hbo-opleiding. In de eerste plaats worden de effecten van echtscheiding op opleidingsniveau tussen autochtonen en niet-westerse allochtonen met elkaar vergeleken. Daarnaast onderzoekt het artikel de rol van het verlies van financiële hulpbronnen. De vraag is of het verlies van veel hulpbronnen van de vader tot grotere negatieve gevolgen van de echtscheiding leidt, hoe hulpbronnen van de moeder deze eventuele negatieve gevolgen compenseren, en of hierbij een verschil bestaat tussen de verschillende herkomstgroepen.
Omdat dit artikel zich op het maatschappelijk succes van ouders en volwassen kinderen in Nederland richt, is de doelpopulatie volwassen niet-westerse allochtonen waarvan de ouders ook al langere tijd- in Nederland wonen. De onderzoeksgroep woont over het algemeen al lang in Nederland of is hier geboren. Vergeleken met de totale groep niet-westerse allochtonen in deze leeftijdscategorie is dit waarschijnlijk een goed geïntegreerde groep die in veel opzichten op autochtonen lijkt.

Theoretisch kader
Vandaag de dag is de kans op echtscheiding voor Turken en Marokkanen vergelijkbaar (De Valk, 2010) en voor andere niet-westerse allochtonen groter dan voor autochtonen (Van Huis en Steenhof, 2003). Vooral onder Surinaamse en Antilliaanse huishoudens zijn veel eenoudergezinnen, bijna allemaal alleenstaande moeders (Van Agtmaal-Wobma en Nicolaas, 2009).
De gevolgen van echtscheiding voor het maatschappelijk succes van de kinderen en de rol die hulpbronnen van de ouders daarbij spelen zijn voor allochtonen nog weinig onderzocht. Door culturele verschillen kan een ouderlijke echtscheiding allochtonen wel eens op een andere manier beïnvloeden dan autochtonen. Aan de ene kant vinden allochtonen hulp en steun van familie belangrijker dan autochtonen (Liefbroer en Mulder, 2004). Een familievangnet dat praktische en morele steun bij een echtscheiding biedt, kan de gevolgen mogelijk beperken. Aan de andere kant denken niet-westerse allochtonen gemiddeld conservatiever over de rol van de vrouw, het huwelijk en het gezin dan autochtonen (Merens et al., 2006). Conservatieve opvattingen binnen de eigen gemeenschap stigmatiseren mogelijk een eenoudergezin, dat vervolgens in een isolement kan raken (Cense et al., 2006).
Binnen en tussen verschillende allochtone groepen bestaan grote verschillen over de rol van familie en gezin en de steun binnen familienetwerken. Sterk religieus georiënteerde personen hebben vooral conservatievere opvattingen (De Valk, 2006). De gevolgen van een echtscheiding zijn waarschijnlijk groter in groepen waarbinnen de opvattingen over rolpatronen, huwelijk en gezin behoudender zijn en echtscheiding minder wordt geaccepteerd. In groepen met grote familienetwerken en waarin onderlinge steun belangrijk is, zijn de negatieve gevolgen van echtscheiding naar verwachting juist kleiner.
Turken en Marokkanen hebben, gemiddeld genomen, conservatievere opvattingen dan andere groepen (Merens et al., 2006). Daardoor heeft een echtscheiding voor Turkse en Marokkaanse kinderen mogelijk een grotere impact dan voor andere kinderen. Aan de andere kant hebben Turken en Marokkanen in Nederland vaak een groot (familie)netwerk, wat deze negatieve effecten weer beperkt.
Onder Surinamers en Antillianen worden gescheiden ouders mogelijk beter geaccepteerd. Dit beperkt misschien de negatieve gevolgen voor kinderen in die groepen. Zo speelt voor Surinaamse en Antilliaanse kinderen, in tegenstelling tot autochtone kinderen, ouderlijke echtscheiding geen rol bij het moment van uit huis gaan, samenwonen en bij de kans op een eigen scheiding. Voor de sociaaleconomische uitkomsten van de kinderen is wel een negatief scheidingseffect zichtbaar, vergelijkbaar met het effect bij autochtonen (Kalmijn, 2010).
De overige niet-westerse allochtonen in de onderzoekspopulatie, personen van wie de ouders al in 1999 in Nederland woonden, vormen een zeer gemêleerde groep. Binnen deze groep vormen Chinezen met ruim 20 procent de grootste. Verder behoren tot deze groep mensen uit het Midden-Oosten, Zuidoost Azië en Zuid-Amerika. Bij Chinezen van de eerste generatie die voor 2000 zijn geïmmigreerd, hebben de ouders uit de onderzoekspopulatie een tamelijk gesloten netwerk binnen de eigen herkomstgroep. Ook hebben zij traditionele opvattingen (Gijsberts et al., 2011). Ten opzichte van de vier grootste herkomstgroepen is naar verwachting het familienetwerk in Nederland van de overige herkomstgroepen juist relatief klein.

Het verlies van (financiële) hulpbronnen verklaart bij autochtonen gedeeltelijk het negatieve effect van de echtscheiding van de ouders op de kinderen (Fischer, 2004). Bij niet-westerse allochtonen is de rol van de financiële hulpbronnen bij het echtscheidingseffect, naast de invloed van het sociale netwerk en de invloed van opvattingen en stigmatisering, nog niet bekend. De financiële hulpbronnen van de ouders zijn voor het maatschappelijke succes van kinderen bij allochtonen waarschijnlijk minder belangrijk omdat de hulpbronnen van hun ouders vaak geen goede afspiegeling zijn van hun talenten en cultureel kapitaal. Allochtone ouders hebben door een minder goede taalbeheersing en gebrekkige opleidingskansen in het land van herkomst relatief vaak een baan die geen recht doet aan hun ‘potentieel’. Voor de kinderen is dit veel minder het geval, vooral als ze al op jonge leeftijd of zelfs vanaf hun geboorte in Nederland wonen, zoals bij de onderzoeksgroep het geval is. Het potentieel, dat naar verwachting wél van ouder op kind wordt overgedragen, komt bij de kinderen dan tot volle wasdom. Dit leidt tot minder intergenerationele overdracht van maatschappelijk succes en een grotere sociale stijging bij allochtonen. De verwachting is dan ook dat de rol van financiële hulpbronnen bij scheiding voor allochtonen minder groot is dan bij autochtonen.

2. Methode

De analyses hebben als bron het Sociaal Statistisch Bestand (SSB), dat is gebaseerd op (vrijwel) integrale data voor de Nederlandse bevolking. De definitieve versie van het SSB is een stelsel van koppelbare registers die onderling op elkaar zijn afgestemd en consistent zijn gemaakt (Arts en Hoogteijling, 2002; Bakker, 2009). Het SSB bevat gegevens op het gebied van onder andere demografie, arbeidsmarkt, criminaliteit en onderwijs. Op het moment van onderzoek waren deze gegevens vanaf de jaren 1999 tot en met 2008 beschikbaar.

Onderzoekspopulatie
De basis van deze studie zijn alle oudste kinderen geboren in de jaren 1970 tot en met 1979 van wie de ouders in 1999 in leven zijn en in Nederland wonen. Wanneer de vader en/of de moeder nooit in Nederland hebben gewoond en daardoor onbekend zijn binnen het SSB, of in 1999 ouder dan 65 jaar, overleden of geëmigreerd zijn, zijn de kinderen niet in de analyses opgenomen. Hierdoor zijn personen met oudere ouders ondervertegenwoordigd. In de verschillende groepen leidt dit tot slechts weinig uitval: tussen de 0,5 en 1,8 procent. Kinderen met maar één bekende ouder vallen ook buiten het onderzoek. Dit komt relatief veel voor bij Surinamers en Antillianen. Van deze bevolkingsgroepen heeft 23 procent maar één ouder in Nederland, in de meeste gevallen de moeder. Het gaat dan om ouders die ofwel al in het herkomstland waren gescheiden, of nooit zijn getrouwd. In het SSB valt niet te bepalen of het volwassen kind in deze gevallen de vader wel kent.
Omdat kinderen zonder bekende ouder(s) buiten de onderzoekspopulatie vallen, betekent dit dat de geselecteerde personen voor het grootste deel al vanaf de vroege jeugd in Nederland wonen of daar zelfs zijn geboren. Jongvolwassenen die zelfstandig, zonder de ouders, zijn geïmmigreerd, zitten niet in de onderzoekspopulatie, omdat de gegevens van de ouders niet bekend zijn. De onderzoekspopulatie bevat ongeveer 20 procent van de niet-westerse allochtonen in de betreffende leeftijdsgroep en 88 procent van de autochtonen. De allochtonen uit de onderzoekspopulatie hebben vaker een hogere opleiding dan allochtonen in dezelfde leeftijd van wie ouders niet in Nederland woonden. Dat komt hoogstwaarschijnlijk doordat deze laatste groep over het algemeen veel korter in Nederland woont. Recent geïmmigreerde allochtonen hebben waarschijnlijk een grotere achterstand in opleidingsniveau dan allochtonen die al van jonge leeftijd in Nederland wonen. Ook zijn eventuele opleidingen die immigranten in het land van herkomst hebben genoten niet in de (Nederlandse) onderwijsregisters van het SSB geregistreerd. De uiteindelijke onderzoekspopulatie bestaat uit 733 duizend personen (autochtonen en allochtonen).

Meetmoment
Het peilmoment van de gegevens over de kinderen ligt op ultimo september 2008. De kinderen waren toen tussen de 28 en 38 jaar oud. De situatie van de ouders is gemeten op ultimo september 1999. Dit is het oudst beschikbare jaar voor wat betreft de sociaaleconomische gegevens en daarmee de best mogelijke benadering van de situatie in het ouderlijk gezin in de jeugd. De kinderen waren echter feitelijk op dat moment al volwassen; tussen de 19 en 29 jaar oud. De sociaaleconomische positie en ouderlijke structuur in de jeugd is onbekend. Het peilmoment ultimo september is gekozen omdat dit moment weinig last heeft van dag- en seizoensinvloeden in aantallen uitkeringen en banen. Hierdoor zijn de sociaaleconomische cijfers stabiel en over de jaren heen goed vergelijkbaar.

Gescheiden en intact
Als ouders in 1999 op aparte adressen wonen, worden de ouders als gescheiden beschouwd. Als ze op één adres wonen, wordt het gezin als intact gekenschetst. In de dataset is onbekend wanneer de scheiding precies heeft plaatsgevonden. Onbekend is ook bij wie het kind na de scheiding woont. De hypothesen gaan uit van de traditionele situatie waarbij de kinderen bij de moeder blijven wonen. In werkelijkheid geldt maar voor 80 procent van de kinderen dat het kind voornamelijk bij één van de ouders woont, vaak bij de moeder (De Graaf, 2011). De overige 20 procent woont in een co-ouderschapssituatie afwisselend bij de vader en de moeder. Dit kan een zekere ruis in de resultaten veroorzaken, waardoor patronen minder duidelijk naar voren komen dan ze feitelijk zijn. Er is echter geen aanleiding te veronderstellen dat deze ruis tot een vertekening van de resultaten leidt en dus tot onjuiste conclusies.

Hulpbronnen
In het onderzoek worden hulpbronnen van ouders gedefinieerd als inkomsten uit werk, zoals loon of winst van zelfstandigen, uitkeringen, pre-pensioenen en studiefinanciering in de peilmaand. Deze totaalbedragen zijn in vijf categorieën ingedeeld: de laagste categorie verdieners, de een na laagste categorie, de middelste categorie, de een na hoogste en de hoogste categorie verdieners. De categorieindeling is gebaseerd op steeds 20 percentielen, op basis van de verdeling van de gehele Nederlandse bevolking (zie Van Gaalen en de Vos (2011) voor een grafiek van de gemiddelde bedragen naar percentielen in 2008). De groep vaders met geen of negatieve bedragen is in een zesde categorie ‘Geen inkomstenbronnen’ ingedeeld. Negatieve bedragen komen bij zelfstandigen in een beperkt aantal gevallen voor. De groep vaders zonder inkomstenbronnen is divers van samenstelling. Er zitten relatief veel hoogopgeleide mannen met veel cultureel kapitaal tussen, zoals kunstenaars en vaders die van hun vermogen leven. Dit laatste meet het SSB niet. Een groot deel van deze groep behoort dus niet tot een lage sociale klasse. Als deze groep bij de laagste categorie verdieners wordt gevoegd, ontstaat er een vertekend beeld. Voor vrouwen zonder inkomsten is geen aparte categorie toegevoegd, zij vallen in de laagste categorie verdieners. In tegenstelling tot mannen zonder inkomstenbronnen zijn vrouwen zonder inkomsten namelijk vaak juist de meer traditioneel ingestelde vrouwen, die niet speciaal vaak hoogopgeleid zijn en van wie de man kostwinner is.

Variabelen
De doelvariabele is het al dan niet afronden van een hoge opleiding, zoals een hbo-opleiding of een universitaire opleiding op bachelor-, master- of doctoraal niveau, door het (volwassen) kind. Deze informatie is voor nagenoeg de gehele onderzoekspopulatie bekend. Als de persoon geen hoger onderwijs heeft genoten en een diploma heeft behaald, heeft de doelvariabele de waarde 0. Is dit wel het geval, dan is de waarde 1.
Met een logistische regressie wordt de kans op het behalen van een hoge opleiding door het volwassen kind geschat. De verklarende variabelen zijn hierbij de ouderlijke gezinsstructuur, intact of gescheiden, de leeftijd van de vader bij de geboorte en de leeftijd van de moeder bij de geboorte. De leeftijd van de ouder bij de geboorte is een indicator voor cultureel kapitaal: oudere ouders zijn vaker hoogopgeleid (Kalmijn en Kraaykamp, 2005). Andere variabelen zijn de herkomstgroepering, het geslacht, de leeftijd en de afzonderlijke hulpbronnen van de vader en de moeder. De regressieanalyse bevat een interactie tussen hulpbronnen van de vader/moeder en gezinsstructuur om te bepalen of de effecten van de scheiding toenemen als de vader meer hulpbronnen heeft en afnemen als de moeder meer hulpbronnen heeft. Daarnaast zijn nog aanvullende regressies gedraaid voor alle afzonderlijke herkomstgroeperingen en regressies met een interactie tussen gezinsstructuur en herkomstgroepering. Dit bepaalt of de scheidingseffecten groter of kleiner zijn voor allochtonen dan voor autochtonen. De resultaten daarvan worden beschreven, maar de odds ratio’s worden niet gepresenteerd.

3. Resultaten

Effect van scheiding
Marokkanen en Turken binnen deze populatie hebben wat minder vaak gescheiden ouders dan autochtonen. Bij andere allochtone groepen is het aandeel personen uit een gescheiden gezin groter dan onder autochtonen. Zo heeft zelfs de helft van de Surinamers gescheiden ouders. Bovendien heeft nog een aanzienlijke groep Surinamers en Antillianen maar één bekende ouder in Nederland, meestal de moeder. Personen met maar één bekende ouder zijn niet in de onderzoekspopulatie opgenomen

Percentages per herkomstgroep van personen uit niet-intacte gezinnen, personen met een hoge opleiding, en personen met veelverdienende ouders

Het aandeel personen met een hoge opleiding is onder Turken, Marokkanen en Surinamers lager dan onder de andere allochtone groepen en onder autochtonen. Dit resultaat is in overeenstemming met de bekende achterstand van niet-westerse allochtonen, vooral Turken en Marokkanen, in het onderwijs en het uiteindelijk behaalde opleidingsniveau. Zelfs de jongere generaties hebben nog steeds vaak een minder hoge opleiding dan autochtonen. Wel lopen zij deze achterstand in (Hartgers, 2010). Voor bijna alle herkomstgroepen hebben personen uit een intact gezin duidelijk vaker een hoge opleiding afgerond dan mensen uit een gescheiden gezin (grafiek 1, regressiemodel hier niet gepresenteerd).

1. Percentage personen met een hoge opleiding, uit intacte en niet-intacte gezinnen

Percentage personen met een hoge opleiding, uit intacte en niet-intacte gezinnen

Alleen bij Marokkanen heeft een ouderlijke echtscheiding geen duidelijke invloed op de kans op het afronden van een hoge opleiding.
Bij autochtonen bestaat er een negatief verband tussen opleidingsniveau van een persoon en de kans op echtscheiding (cf. De Graaf en Kalmijn, 2006). Omdat het opleidingsniveau van ouder op kind wordt overgedragen, betekent dit dat kinderen van gescheiden ouders alleen al om deze reden een lager opleidingsniveau zullen hebben. De analyses corrigeren dit voor een groot deel via de financiële hulpbronnen van beide ouders en de leeftijd waarop zij kinderen kregen. Beide factoren laten een sterke relatie met het hoogst behaalde opleidingsniveau zien. Een volledige correctie is echter niet mogelijk, omdat dit onderzoek niet over het opleidingsniveau van de ouders beschikt. De discussie gaat dieper in op de mogelijke consequenties voor de resultaten van vooral Turken en Marokkanen.

Uit de logistische regressie met een interactie tussen scheiding en herkomstgroepering blijkt dat het negatieve effect van echtscheiding voor Turken en Marokkanen duidelijk kleiner is dan voor autochtonen. Voor overige niet-westerse allochtonen is het effect juist groter dan voor autochtonen. Overige niet-westerse allochtonen hebben in Nederland vermoedelijk vaak een kleiner (familie)netwerk, mogelijk met uitzondering van de Chinezen. Turken en Marokkanen hebben behoudende opvattingen, maar hebben vaak wel weer een uitgebreid netwerk. Opvattingen van Surinamers en Antillianen over de rol van de vrouw en over familiesteun lijken sterk op die van autochtonen. Ook het effect van de echtscheiding verschilt niet van dat van autochtonen. Deze resultaten ondersteunen voorzichtig het idee dat kinderen in groepen met een uitgebreid familienetwerk minder last hebben van een echtscheiding. Hierbij kunnen, zie de discussie, echter ook kanttekeningen worden geplaatst.

Scheiding en financiële gevolgen
Tussen de herkomstgroeperingen bestaan grote verschillen in financiële hulpbronnen van de ouders. Zo heeft de helft van de autochtone volwassen kinderen een vader die veel verdient, dat wil zeggen tot de 20 procent mensen die het meest verdienen behoort (Staat 1).
Dit geldt ook voor overige westerse allochtonen en voor Antillianen. Van de Marokkanen en Turken heeft maar 10 procent een vader die veel verdient. Surinamers hebben een tussenpositie.
Van de autochtonen heeft slechts 5 procent van de kinderen een veelverdienende moeder. Bij een aantal herkomstgroepen is dat wat meer, maar bij Turken en Marokkanen is het nog veel minder. Hier is het percentage slechts 1 procent.
Voor autochtonen met veelverdienende moeders is het effect van een echtscheiding veel kleiner dan voor autochtonen met moeders die minder verdienen (grafiek 2, Tabel 1). De financiële hulpbronnen van de moeder compenseren kennelijk gedeeltelijk de negatieve effecten van de echtscheiding.

Logistische regressie op de kans op het behalen van een hoge opleiding, apart voor autochtonen en niet westerse allochtonen

2. Percentage autochtonen met een hoge opleiding naar hulpbronnen van de moeder en wel/niet gescheiden ouders

Percentage autochtonen met een hoge opleiding naar hulpbronnen van de moeder en wel/niet gescheiden ouders

Welke rol de hulpbronnen van de vader spelen, is minder duidelijk. Een veelverdienende vader kwijtraken door een scheiding lijkt ongunstiger uit te pakken dan het verlies van een vader met gemiddelde verdiensten. Het kwijtraken van een vader die weinig inkomsten heeft, lijkt ook ongunstig. Het meest ongunstige effect is wanneer de vader helemaal geen gemeten inkomsten heeft (grafiek 3). Zie de regressiecoëfficiënten in Tabel 1.

3. Percentage autochtonen met een hoge opleiding naar hulpbronnen van de vader en wel/niet gescheiden ouders

Percentage autochtonen met een hoge opleiding naar hulpbronnen van de vader en wel/niet gescheiden ouders

Bij niet-westerse allochtonen zijn deze patronen duidelijk anders. Om groepen van voldoende omvang te creëren, zijn voor deze analyse alle niet-westerse allochtone groepen samengevoegd. Uit de regressie blijkt dat een veelverdienende moeder de gevolgen van scheiding bij niet-westerse allochtonen nauwelijks kan compenseren (grafiek 4).

4. Percentage niet-westerse allochtonen met een hoge opleiding, naar hulpbronnen van de moeder en wel/niet gescheiden ouders

Percentage niet-westerse allochtonen met een hoge opleiding, naar hulpbronnen van de moeder en wel/niet gescheiden ouders

Ook voor vaders is bij niet-westerse allochtonen de invloed van financiële hulpbronnen op het echtscheidingseffect in de regressie niet groot en nauwelijks in de ongecorrigeerde percentages herkenbaar (grafiek 5).

5. Percentage niet-westerse allochtonen met een hoge opleiding, naar hulpbronnen van de vader en wel/niet gescheiden ouders

 Percentage niet-westerse allochtonen met een hoge opleiding, naar hulpbronnen van de vader en wel/niet gescheiden ouders

Ten slotte valt op, los van het effect van hulpbronnen op echtscheiding, dat kinderen van veelverdienende vaders en moeders veel vaker een hoge opleiding hebben dan anderen (grafiek 2 tot en met 5). Deze intergenerationele overdracht van maatschappelijk succes is bij autochtonen en allochtonen te zien, ook na correctie voor andere achtergrondkenmerken in de regressie.

4. Conclusies en discussie

Dit artikel beschrijft de effecten van ouderlijke echtscheiding voor volwassen niet-westerse allochtonen van wie de ouders al langere tijd in Nederland wonen. Dit is dus een relatief geïntegreerde groep die al lang in Nederland woont of daar zelfs is geboren. Voor de meeste herkomstgroeperingen heeft een echtscheiding van de ouders negatieve gevolgen voor de kans dat de kinderen een hoge opleiding kunnen afronden. Het verlies van financiële hulpbronnen door de scheiding speelt daarbij voor niet-westerse allochtonen geen belangrijke rol.

Scheiding heeft negatieve gevolgen
Een echtscheiding van de ouders heeft, net als voor autochtonen, voor niet-westerse allochtonen een negatieve relatie met het opleidingsniveau op volwassen leeftijd. Deze samenhang blijft intact na correctie op kenmerken als sociaaleconomische positie van de ouders en de leeftijd waarop zij vader en moeder werden.
De negatieve invloed van de echtscheiding is voor Turken kleiner dan voor autochtonen. Voor Marokkanen is er zelfs geen negatieve invloed van de echtscheiding.
De invloed was juist weer groter voor de groep overige niet-westerse allochtonen. Dit resultaat ondersteunt voorzichtig het idee dat het effect van een echtscheiding op de kinderen in groepen met een uitgebreid familienetwerk kleiner is. Turken en Marokkanen hebben vaak een groot (familie)netwerk binnen de eigen gemeenschap, terwijl overige niet-westerse allochtonen waarschijnlijk in veel gevallen een veel kleiner familienetwerk hebben. De Chinezen vormen hier mogelijk een uitzondering op. Dat niet-westerse allochtonen het geven van familiesteun over het algemeen belangrijk vinden, betekent overigens niet dat deze opvatting per definitie tot meer daadwerkelijke steun binnen allochtone dan binnen autochtone families leidt (Schans, 2008).
Dat Marokkanen geen en Turken minder last hebben van een echtscheiding dan autochtonen, strookt niet met het idee dat het effect van een echtscheiding in groepen met conservatievere opvattingen groter is. Mogelijk weegt de praktische steun van de familie op tegen een eventuele moreel/ethische afkeuring vanuit de gemeenschap.

Het echtscheidingseffect onder Marokkanen en Turken moet met enige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd. Bij Marokkanen, Turken, Antillianen en overige niet-westerse allochtonen bestaat er een verschil tussen gescheiden moeders en niet-gescheiden moeders: Gescheiden moeders hebben bij deze groepen meer financiële hulpbronnen. Bij autochtonen en Surinamers hebben moeders uit intacte gezinnen, op basis van financiële inkomsten, gemiddeld genomen juist een lagere sociaaleconomische positie. Dit duidt erop dat het onder Marokkanen en Turken mogelijk relatief vaak de ‘moderne’ stellen zijn, met veel cultureel kapitaal, die gaan scheiden. Omdat ouders met veel cultureel kapitaal vaak kinderen met een hoge opleiding hebben, zou dit onderzoek het effect van echtscheiding bij Marokkanen en Turken kunnen onderschatten. Dit onderzoek heeft namelijk geen directe indicator van cultureel kapitaal van de ouders. Het opleidingsniveau van de ouders is onbekend. Er zijn alleen indirecte indicatoren, zoals de leeftijd van de ouders bij de geboorte van het kind en de sociaaleconomische positie. Dit onderzoek kan dus wel gedeeltelijk, maar niet volledig corrigeren voor mogelijke selectieve verschillen in cultureel kapitaal tussen intacte en niet-intacte gezinnen.

Financiële hulpbronnen
Bij autochtonen kan de moeder het negatieve gevolg van een scheiding, als zij veel financiële hulpbronnen heeft, gedeeltelijk compenseren. Dit komt overeen met bevindingen uit eerdere studies, dat een deel van het echtscheidingseffect door de verslechterde financiële situatie van het gezin wordt veroorzaakt. Een moeder met een hoog inkomen kan dit effect gedeeltelijk compenseren (Fischer, 2004).
Ook de hulpbronnen van de vader beïnvloeden bij autochtonen het echtscheidingseffect, hoewel niet helemaal in overeenstemming met de theorie dat kinderen van vaders met hoge inkomens bij een scheiding het meeste hebben te verliezen. Kinderen van vaders die gemiddeld verdienen zijn relatief het beste af na scheiding. Het verlies van een vader die weinig verdient, is net zo ongunstig als het verlies van een vader die veel verdient. Het verlies door echtscheiding van een vader zonder gemeten inkomsten is de meest ongunstige situatie. Deze laatste groep is geen homogeen arme groep, maar heeft vaak inkomsten die in dit onderzoek niet worden gemeten, zoals inkomen uit vermogen.
Verder kan een rol spelen dat dit onderzoek geen daadwerkelijk contact, steun en financiële bijdragen meet van de vader aan het kind. Het is goed mogelijk dat juist vaders die weinig verdienen ook relatief minder alimentatie betalen en niet zo vaak co-ouderschap hebben. Dit is echter niet bekend.

Bij niet-westerse allochtonen is de situatie anders. Hoewel zeker de eerste generatie niet-westerse allochtonen in Nederland hun potentieel en talenten mogelijk niet helemaal kunnen omzetten in maatschappelijk succes, wordt maatschappelijk succes toch duidelijk intergenerationeel overgedragen: kinderen van veelverdienende vaders en moeders binnen deze groep hebben veel vaker een hoge opleiding dan anderen.
Financiële hulpbronnen van de ouders hebben echter nauwelijks tot geen invloed op de gevolgen van echtscheiding. Dat betekent dat de negatieve gevolgen van echtscheiding bij niet-westerse allochtonen niet door het verlies van financiële hulpbronnen kunnen worden verklaard. Wellicht wordt het negatieve effect van echtscheiding bij allochtonen niet zozeer door verlies aan inkomsten veroorzaakt, maar door het grotere stigma op echtscheiding en de dagelijkse gevolgen daarvan voor de kinderen. Aanvullend onderzoek kan op deze processen meer licht werpen.

Culturele hulpbronnen
De theorie over het verlies van hulpbronnen gaat verder dan alleen de financiële hulpbronnen. Ook culturele hulpbronnen van ouders beïnvloeden het echtscheidingseffect. Bij autochtonen bestaat er een sterk verband tussen beide hulpbronnen. Hoogopgeleiden verdienen over het algemeen ook meer. Financiële hulpbronnen zijn daarom, onder voorwaarden, redelijk als proxy inzetbaar voor cultureel kapitaal. Bij niet-westerse allochtonen is dit minder het geval. Vanwege de taalproblemen en de soms minder goede opleidingskansen in het land van herkomst hebben deze allochtone ouders in Nederland lang niet altijd een baan op hun niveau. Hun financiële hulpbronnen zijn dan ook geen goede afspiegeling van hun talenten en culturele kapitaal. Het is daarom de moeite waard de specifieke rol van culturele hulpbronnen bij echtscheiding onder allochtonen verder te onderzoeken.

Marjolijn Das en Ruben van Gaalen

Bronnen

Literatuur

  • Agtmaal-Wobma, E. van, en H. Nicolaas, 2009, Demografie. In: Jaarrapport Integratie 2009, M. Gijsberts en J. Dagevos, eds. Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag, blz 39-67.
  • Arts, C. H., en E. M. J. Hoogteijling, 2002, Sociaal Statistisch Bestand 1998 en 1999. Sociaal-Economische Maandstatistiek, 12, blz 13-21.
  • Bakker, B. F. M., 2009, Micro-integratie. CBS Methodenreeks, Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen.
  • Brinkgreve, C., en B. van Stolk, 1997, Van huis uit: een onderzoek naar sociale erfenissen. Amsterdam: Meulenhoff.`
  • Cense, M., W. Smeenk, S. Oudshoorn en M. Malsch, 2006, Geweld tegen vrouwen en meisjes. In: Sociale atlas van vrouwen uit etnische minderheden, blz. 163-189. Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag.
  • Fischer, T. F. C., 2004, Parental Divorce, Conflict, and Resources. The Effects on Children's Behavior Problems, Socioeconomic Attainment, and Transitions in the Demographic Career. Nijmegen University (ICS-Dissertation), Nijmegen.
  • Gaalen, R. van, en A. de Vos, 2011, Sociaaleconomische positie van ouders en kinderen naar herkomst. Bevolkingstrends 3e kwartaal 2011, blz 22-27. CBS, Den Haag/Heerlen.
  • Gaalen, R. van, en L. Stoeldraijer, 2012, Gezinssituatie, ouderlijke inkomsten en schoolniveau van 15-jarigen in Nederland (1999-2008). Bevolkingstrends (5 juni), Den Haag/Heerlen.
  • Graaf, A. de, 2011, Gezinnen in cijfers. In SCP (Ed.), Gezinsrapport 2011, blz. 35-61. Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag.
  • Graaf, P.M. de en M. Kalmijn, 2006, Change and stability in the social determinants of divorce: a comparison of marriage cohorts in the Netherlands. European Sociological Review 2006 (22), blz. 561-572.
  • Gijsberts, M, W. Huijnk en R. Vogels, 2011, Chinese Nederlanders. Van horeca naar hogeschool. Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag.
  • Huis, M., van en L. Steenhof, 2003, Echtscheidingskansen van allochtonen: specifieke groepen. Bevolkingstrends 1e kwartaal 2003, blz 54-57. CBS, Den Haag/Heerlen.
  • Hartgers, M., 2010, Onderwijs. In: Jaarrapport Integratie 2010, blz. 61-86. CBS, Den Haag/Heerlen.
  • Kalmijn, M., 2010, Racial differences in the effects of parental divorce and separation on children: Generalizing the evidence to a European case. Social Science Research, 39, blz. 845-856
  • Kalmijn, M., en G. Kraaykamp, 2005, Late or later? A sibling analysis of the effect of maternal age on children's schooling. Social Science Research, 34, blz. 634-650.
  • Liefbroer, A. en C. Mulder, 2004, Op je familie kun je rekenen; opvattingen over familiesolidariteit onder autochtonen en allochtonen. Demos, 20 (10). blz. 87-88.
  • Liefbroer, A.C., 2005, Valt de appel nog steeds niet ver van de boom? Over intergenerationele overdracht van demografisch gedrag. Inaugurele rede, VU, Amsterdam.
  • Merens, A., S. Keuzekamp en M. Das, 2006, Combinatie van arbeid en zorg. In: Sociale atlas van vrouwen uit etnische minderheden, blz. 91-127. Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag.
  • Schans, D., 2008, Solidariteit tussen generaties. Beeldvorming allochtonen/autochtonen genuanceerd. Demos 24(5), blz 7.
  • Valk, H.A.G. de, 2006, Pathways into adulthood. A comparative study on family life transitions among migrant and Dutch youth. PhD-thesis. Universiteit Utrecht, Utrecht.
  • Valk, H. A. G. de, 2010, Children of immigrants in the Netherlands: Growing up in diversity. Child Indicators Research, 3(4), blz. 503-524.