5,4 miljoen Zuid- en Noord-Nederlanders in 1815

Op 16 maart 1815 werd het Koninkrijk der Nederlanden uitgeroepen. Daarin waren het huidige Nederland en België verenigd. Het Koninkrijk had op dat moment 5,4 miljoen inwoners. Zes van de 10 inwoners woonden in de zuidelijke provincies. In 2015 is de verhouding omgekeerd.

6 op de 10 Nederlanders woonde in zuidelijke provincie

De zuidelijke provincies (waaronder Limburg) telden in 1815 samen met het Groothertogdom Luxemburg 3,4 miljoen inwoners, tegen 2,1 miljoen in het noorden. De drie provincies met de meeste inwoners, Henegouwen en Oost- en West-Vlaanderen, lagen in het zuiden. Hun bevolking bedroeg ieder meer dan een half miljoen inwoners. In Zuid-Holland, de noordelijke provincie met de meeste inwoners, woonden daarentegen nog geen 400 duizend mensen.

Stedelijke en landelijke bevolking 1815

Stedelijke en landelijke bevolking 1815

Stichting van het Koninkrijk

In 1813 maakte de huidige Benelux nog deel uit van het Franse rijk van Napoleon. In november van dat jaar maakte Nederland zich met hulp van andere Europese grootmachten zelfstandig van Frankrijk. Willem van Oranje, zoon van de laatste stadhouder van de Republiek, werd uitgenodigd staatshoofd te worden. Kort daarna verdreven deze grootmachten Napoleon ook uit Frankrijk. Bij het Congres van Wenen in 1815 besloten de grootmachten dat de gebieden ten zuiden van Nederland met het noorden verenigd zouden worden. Op 16 maart 1815 riep Willem I het Koninkrijk der Nederlanden uit. Limburg behoorde tot de zuidelijke provincies. Het Groothertogdom Luxemburg maakte geen deel uit van het Koninkrijk maar werd bij het Congres van Wenen ook toebedeeld aan koning Willem I.

Noordelijke provincies sterker verstedelijkt

In het noorden woonde in 1815 38 procent van de bevolking in steden, in het zuiden was dat 23 procent. In Noord-Holland en Zuid-Holland woonde meer dan de helft van de bevolking in een stad, in Utrecht net iets minder dan de helft. In de provincie Namen en het Groothertogdom Luxemburg was dat nog geen 15 procent van de mensen. Het platteland was in het zuiden veel dichter bevolkt dan in het noorden. Dit had te maken met de intensieve landbouw in Vlaanderen en Brabant en het feit dat de nijverheid zich meer dan in het noorden op het platteland afspeelde.

Verstedelijkingsgraad 1815

Klik hier voor de interactieve versie van deze kaart.

Van 5,4 naar 28,6 miljoen inwoners

Sinds 1815 is het aantal inwoners van de zuidelijke provincies en Luxemburg verviervoudigd van 3,4 miljoen naar 12,8 miljoen. De bevolking van de noordelijke provincies (exclusief Limburg) is echter twee keer zo hard gegroeid en heeft nu acht keer zoveel inwoners als tweehonderd jaar geleden; 2,1 miljoen in 1815 tegen 15,8 miljoen in 2015. In totaal wonen er nu 28,6 miljoen mensen in de Benelux.

Tot het einde van de negentiende eeuw ging de groei in noord en zuid nog ongeveer gelijk op. In het zuiden nam de bevolkingsgroei daarna af, terwijl het noorden kinderrijk bleef. De vroege industrialisatie van België ging gepaard met een daling van het geboortecijfer. In Nederland bleef het geboortecijfer tot in de twintigste eeuw hoog.

De bevolking van het Groothertogdom Luxemburg begon aan het einde van de negentiende eeuw sneller te groeien door de instroom van buitenlandse arbeiders voor de staalindustrie. In de twintigste eeuw zorgden de bankensector en EU-instelling voor immigratie.

Splitsing van het Koninkrijk

In 1830 kwamen de Belgen in opstand tegen koning Willem I en met het verdrag van Londen in 1839 scheidden zij zich definitief van het Koninkrijk der Nederlanden af. Daarbij werden de provincie Limburg en het Groothertogdom Luxemburg gesplitst. De Oranjes bleven tot 1890 groothertogen van Luxemburg.

Bronnen:

De volkstelling van 1815 werd in 1816 ook in de zuidelijke provincies van het nieuwe Koninkrijk en het Groothertogdom Luxemburg uitgevoerd. Latere volkstellingen werden door de onafhankelijke staten georganiseerd, en ook niet altijd in precies dezelfde jaren. De cijfers voor de Nederlandse volkstellingen zijn aangepast om ze vergelijkbaar te maken over de tijd.