Bevolkingstrends

Welkom op de site van Bevolkingstrends

Bevolkingstrends is een online publicatie met artikelen over de demografie van Nederland.
Deze online publicatie is de opvolger van de papieren versie van Bevolkingstrends.

Voor auteurs

Voor publicatie op cbs.nl/bevolkingstrends komen artikelen over de demografie van Nederland in aanmerking. Dit geldt ook voor onderzoek naar variabelen die de demografische ontwikkelingen en ruimtelijke verschillen in bevolkingskenmerken beïnvloeden, zoals onderwijs en gezondheid.

Omdat het CBS onafhankelijk en objectief is, moeten bijdragen vrij zijn van subjectieve interpretaties en beleidsaanbevelingen.

Alle bijdragen worden door een CBS-redacteur geredigeerd en vervolgens afgestemd met de auteur(s).

Voor verdere informatie over de mogelijkheden tot plaatsing en de redactionele richtlijnen kunt u contact opnemen met de redactie op Bevolkingstrends@cbs.nl.

Bevolkingstrends

Op welke manier worden woningbouwveronderstellingen meegenomen in de regionale prognose

verschillen in levensverwachting en doodsoorzaken tussen verschillende etnische groepen Surinamers in Nederland

Welke factoren leiden tot regionale verschillen in de vruchtbaarheid?

Achtergrondartikel in Bevolkinsgtrends over “Gerapporteerde spanningen in de samenleving en eigen ervaringen daarmee”

De periode-levensverwachting als maat voor de sterfte, de cohort-levensverwachting als maat voor de levensduur.

In dit artikel wordt een schatting gegeven van de gewoonlijk in Nederland verblijvende bevolking.

De Nederlandse bevolking heeft meer auto’s en legt meer kilometers af dan tien jaar geleden.

De relatie tussen het hebben van betaald werk en de snelheid van naturalisatie voor verschillende migrantengroepen.

De verwachte ontwikkeling van de Nederlandse bevolking tussen 2016 en 2060

Verschillen de Europese landen in de mate van sociaal kapitaal?

De Regionale prognose geeft een beeld van de ontwikkeling van bevolking en huishoudens per gemeente.

De meeste mensen in Nederland zijn gelukkig en tevreden met het leven dat zij leiden.

Wat vonden Nederlanders in 2010 en 2014 de belangrijkste problemen in ons land?

Nederland is de afgelopen jaren aan de randen sterk vergrijsd terwijl stedelijke regio’s relatief jong zijn gebleven.

Huishoudensprognose CBS: het aantal huishoudens neemt toe van de huidige 7,7 miljoen tot 8,6 miljoen in 2060.

Mensen met astma of COPD voelen zich minder gezond en kampen vaak met andere chronische aandoeningen.

Dit artikel is een eerste verkenning van de relaties van Poolse migranten in Nederland met hun ouders die in Polen wonen. Om de familierelaties in kaart te brengen is gebruik gemaakt van een grootschalige enquête onder Polen in Nederland: Families van Polen in Nederland (FPN). Naast het beschrijven van de achtergrondkenmerken van de populatie, beschrijft dit artikel verschillende types familierelaties die Poolse migranten met hun in Polen wonende moeders hebben.(Auteurs: Kasia Karpinska en Jeroen Ooijevaar)

Voor de meeste mensen is hulp en steun tussen ouders en kinderen niet altijd vanzelfsprekend. Vooral als de hulp die gegeven moet worden sterk ingrijpt in het leven van de gever, is een kleiner aandeel het ermee eens dat ouders en kinderen deze hulp voor elkaar over moeten hebben. Van degenen die hun ouders nog hebben, geeft zo'n 40 procent hulp. Ruim de helft van de mensen met volwassen kinderen ondersteunt hun kinderen. Vaak is dit bij de opvang en verzorging van de kleinkinderen.

De kernprognose 2015–2060 beschrijft de verwachte ontwikkeling van de Nederlandse bevolking tussen 2015 en 2060. Deze prognose is een update van de Bevolkingsprognose 2014–2060, die in december 2014 werd gepubliceerd. In de kernprognose zijn de veronderstellingen voor kindertal, migratie en sterfte geactualiseerd. Voor de korte termijn is er in elk van deze componenten een aanzienlijke bijstelling, omdat de immigratie, de geboorten en de sterfte zich in 2015 beduidend anders ontwikkelden dan was voorzien. Door de sterk gestegen asielmigratie wordt in de eerste prognosejaren een aanzienlijk sterkere bevolkingsgroei verwacht. (Auteurs: Coen van Duin, Lenny Stoeldraijer, Han Nicolaas, Jeroen Ooijevaar, Arno Sprangers)

Hoewel de bevolking van Nederland in de afgelopen twintig jaar gegroeid is, kregen gedurende deze periode steeds meer deelgebieden te maken met bevolkingskrimp.Veel stedelijke gebieden blijven groeien, terwijl in de landelijke gebieden de bevolkingsaantallen vaker teruglopen. Verhuispatronen van jongvolwassenen spelen daarbij een belangrijke rol.(Auteur: Niels Kooiman)

Het schoolniveau van 15-jarige kinderen is lager wanneer ze opgroeien in een gezin waar niet beide ouders deel van uitmaken. Dit verband is sterker wanneer de scheiding of het overlijden van een ouder op jongere leeftijd van het kind plaatsvindt.

Niet iedereen die een partner heeft, woont daar ook mee samen. Van de volwassen Nederlanders heeft ongeveer 7 procent een dergelijke latrelatie. Dit aandeel is in de afgelopen tien jaar vrijwel gelijk gebleven. Ongeveer driekwart van de latters wil in de toekomst met de huidige partner samenwonen of trouwen, een kwart wil dat niet. (Auteurs: Kasper Otten, Saskia te Riele)

Naturalisatie biedt bepaalde voordelen, zoals een permanente verblijfsstatus en de toegangtot banen. Echter, niet alle migranten naturaliseren vanaf het moment dat zij hiertoe in staat zijn, en sommige migranten kiezen nooit voor naturalisatie. Dit artikel beschrijft welke immigranten vooral naturaliseren en hun motivering. Zo blijkt dat een groter deel van de jonge immigranten naturaliseert dan ouderen. Tevens speelt de partner een belangrijke rol in de keuze om al dan niet te naturaliseren. Migranten met een Nederlandse partner hebben een grotere kans zelf ook te naturaliseren, terwijl dit voor migranten met een niet-Nederlandse partner juist omgekeerd is. Ook het herkomstland is relevant: migranten uit economisch minder ontwikkelde en politiek instabielere landen zijn meer geneigd te naturaliseren.(Auteurs: Floris Peters, Hans Schmeets, Maarten Vink)

Hoe wordt in ons land gedacht over het betalen van een eigen bijdrage voor een aantal uiteenlopende zorgkosten? Dit onderzoek laat zien dat volwassenen eerder voorstander zijn van een eigen bijdrage wanneer de zorgkosten het gevolg zijn van een ongezonde leefstijl, zoals ziekenhuisbehandeling van jongeren bij overmatig alcoholgebruik en hulp bij het stoppen met roken. Andere zorgkosten, zoals psychische hulp, een totale bodyscan en een second opinion zouden daarentegen volgens de meerderheid volledig vergoed moeten worden.Mensen die gebruikmaken van bepaalde zorg of dit in de toekomst mogelijk gaan doen, zijn vaker voor het volledig vergoeden van de kosten van deze zorg. (Auteurs: Judit Arends en Rianne Kloosterman)

De religieuze betrokkenheid in Nederland is tussen 2010 en 2014 verder afgenomen. Nog maar een krappe meerderheid noemt zichzelf godsdienstig, en minder dan een op de vijf gaat regelmatig naar een religieuze dienst. Er zijn duidelijke verschillen tussen de provincieste zien, en de ontwikkelingen in religieuze betrokkenheid variëren naar geslacht, leeftijd, opleiding en herkomst.(Auteurs: Hans Schmeets en Carly van Mensvoort)

Vanaf de jaren 1980 heeft het CBS bijgehouden welke geboorteregelende middelen er in Nederland werden en worden gebruikt. Gegevens daarover kwamen vooral beschikbaar via het vijfjaarlijkse Onderzoek Gezinsvorming. Aan die reeks is inmiddels de nieuwe momentopname van 2013 toegevoegd. Dit artikel geeft in vogelvlucht een overzicht van de ontwikkelingen sinds 1988 en enkele achtergronden daarbij: wie gebruikt welke methode en hoelang maakt men daarvan gebruik? Verder komt aan de orde of Nederland, internationaal gezien, nog steeds behoort tot de groep van ‘perfect geboorteregelende landen’. (Auteurs: Arie de Graaf [CBS] en Gijs Beets [NIDI])

Van de risicofactoren die bijdragen aan de ziektelast in Nederland zijn roken en ernstig overgewicht de belangrijkste. De meeste mensen zijn het erover eens dat de overheid een taak heeft bij het voorlichten van de bevolking over de schadelijkheid van roken en overgewicht en het bevorderen van een gezonde leefstijl. Zij zijn bijvoorbeeld voor het nemen van maatregelen om roken duurder te maken en het roken in cafés te verbieden. Betalen voor hulp aan mensen die willen stoppen met roken of voor begeleiding van mensen met overgewicht vinden de meesten daarentegen geen taak van de overheid. (Auteurs: Kim Knoops en Linda Moonen)

Er is emigratie over relatief lange afstand, en emigratie die nauwelijks meer behelst dan een binnenlandse verhuizing. Dergelijke semigraties vinden plaats over korte afstand en hebben dan ook weinig impact op het dagelijkse leven van de betrokkenen. Dat de grens tussen verhuizen en emigreren zeer dun kan zijn, is goed te illustreren met het voorbeeld van Eurode, een samenwerkingsverband tussen de Nederlandse gemeente Kerkrade en de Duitse stad Herzogenrath. (Auteurs: Jeroen Ooijevaar [CBS] en Roel Jennissen [WODC])

Ondanks de toegenomen zorguitgaven en hogere zorgpremie is de solidariteit in de gezondheidszorg sinds 2010 niet veranderd. Ouderen, mensen met een niet zo goede gezondheid en mensen die erfelijk belast zijn, kunnen nog altijd op een grote solidariteit vanuit de samenleving rekenen. Daarentegen vindt ruim de helft van de volwassenen dat rokers en mensen die veel alcohol drinken een hogere zorgpremie zouden moeten betalen. Ook is de meerderheid voorstander van een hogere premie voor hoge inkomens, en een lagere premie voor lage inkomens. (Auteur: Rianne Kloosterman)

Ongeveer negen op de tien Nederlanders zijn gelukkig. Dat geluksgevoel hangt onder andere samen met het hebben van veel vrienden en kennissen, de inzet als vrijwilliger en met vertrouwen in de medemens, de politie en de politiek. In dit artikel wordt nagegaan welke rol het sociaal kapitaal speelt bij de verklaring van ervaren geluk in Nederland, België, Duitsland en Frankrijk. (auteurs: Hans Schmeets en Willem Gielen)

De tot 2060 voorziene aantallen buitenlandse migranten zijn in de CBS Bevolkingsprognose 2014–2060 hoger dan in de vorige prognose, uit 2012. Voor de korte termijn wordt een aanmerkelijk hoger vestigingsoverschot verwacht, voor de lange termijn een iets lager overschot. Gemiddeld wordt over de hele periode tot 2060 een vestigingsoverschot van 20 duizend migranten voorzien, duizend hoger dan volgens de vorige prognose. Dit artikel beschrijft in detail de gebruikte veronderstellingen voor de buitenlandse migratie.(Auteurs: Coen van Duin, Lenny Stoeldraijer en Jeroen Ooijevaar)

De mate waarin mensen meedoen met de samenleving en vertrouwen hebben in de samenleving verschilt tussen de provincies. Hoe verhouden deze bevindingen zich ten opzichte ten opzichte van onze buurlanden? Zijn in België en Duitsland ook regionale verschillen te zien? En wat gebeurt er in de grensregio’s? Met cijfers uit het European Social Survey 2012 (ESS 2012) is dit onderzocht. (Auteurs: Hans Schmeets en Willem Gielen)

Het krijgen van kinderen wordt steeds nauwkeuriger gepland. Hoewel kinderen de wens zijn van velen, lukt het niet iedereen om ze te krijgen, om diverse redenen. Onvrijwillige onvruchtbaarheid hindert meer dan 10 procent van de vrouwen tussen 35 en 42 jaar. Veel laagopgeleiden hebben moeite om een geschikte partner te vinden, of hebben te weinig geld om aan kinderen te beginnen. Vrouwen verwachten dat het moederschap hun kansen op de arbeidsmarkt zal verminderen. (Auteurs: Niels Kooiman, Lenny Stoeldraijer)

Iedereen die in Nederland woont en 12 jaar of ouder is, kan zich laten registreren in het donorregister. Hiermee wordt diens besluit met betrekking tot orgaan- en weefseldonatie vastgelegd voor nabestaanden, artsen en verpleegkundigen. Registratie is echter niet verplicht. Wie heeft zich (ooit) laten registreren en wat was het besluit? In welke mate verschillen bevolkingsgroepen in deze registratie? En wat zijn de redenen om zich niet in te schrijven in het donorregister?

In 2012 en 2013 heeft 58 procent vertrouwen in de medemens. Bijna zeven op de tien burgers hebben in beide jaren vertrouwen in rechters en politie. Het vertrouwen in het leger is tussen 2012 en 2013 met drie procentpunt gestegen naar 62 procent. Het vertrouwen in andere instituties is minder groot en gedaald, bijvoorbeeld het vertrouwen in kerken, ambtenaren, de Tweede Kamer, de Europese Unie, banken en grote bedrijven. Vooral opleidingsniveau en leeftijd zijn relevant voor de mate van vertrouwen. (Auteurs: Judit Arends en Hans Schmeets)

Volgens de nieuwe bevolkingsprognose van het CBS groeit de Nederlandse bevolking nog door tot 18 miljoen inwoners rond 2044, waarna de groei sterk vertraagt. Internationale migratie speelt een belangrijke rol bij de toekomstige bevolkingsgroei. Nederland telt in de toekomst meer ouderen en allochtonen. (Auteurs: Coen van Duin en Lenny Stoeldraijer)

Nederland kent een hoge mate van participatie en vertrouwen in de samenleving. Er zijn wel verschillen tussen de provincies. Zo is in Limburg het vertrouwen in instituten en in de medemens over het algemeen lager dan in andere provincies, vooral vergeleken met Utrecht, Friesland en Zeeland. Dat ligt niet aan de verschillen in bevolkingssamenstelling. (Auteur: Hans Schmeets)

In dit artikel zal voor de vier grootste niet-westerse minderheidsgroepen in Nederland, te weten personen met een Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaanse herkomst, nagegaan worden welke factoren bijdragen aan hun geluk. (Auteurs: Karolijne van der Houwen en Linda Moonen)

Met nieuwe, regionaal gedetailleerde, cijfers die in de periode 2010–2013 zijn verzameld, wordt een begin gemaakt om de witte vlekken in de religieuze kaart in te kleuren. Ingegaan wordt op de kerkelijke gezindte en het bijwonen van religieuze diensten in provincies en gemeenten. In sommige regionale gebieden is de religieuze betrokkenheid sterker verminderd dan in andere. (Auteur Hans Schmeets)

Van de verschillen in schoolprestaties tussen kinderen wordt 42 procent verklaard door verschillen tussen ouderlijk milieus. Bijna één derde hiervan wordt verklaard door de opleidingsniveaus van beide ouders. Daarnaast spelen het gezinsinkomen, echtscheiding van de ouders en de herkomstgroepering van het kind een kleine rol. (Auteurs: Ruben van Gaalen, Bart Bakker, Jan van der Laan, Sue Westerman en Sander Scholtus)

In deze studie is een meetlat sociaal kapitaal ontwikkeld op basis van de gegevens uit het onderzoek Sociale samenhang en Welzijn dat in 2012 is uitgevoerd. De meetlat is gebaseerd op zeventien indicatoren over het ‘meedoen met’ en het ‘vertrouwen hebben in’ de samenleving. (Auteurs: Hans Schmeets en Jacqueline van Beuningen)

Dit is een herziene versie van het artikel van 7 juli j.l. Daarin zaten enkele foutjes. In bijgaande herziene versie staan de correcte cijfers.

In dit artikel zijn combinaties van demografische gedragingen (samenwonen, huwen, scheiden, kinderen krijgen) van drie opeenvolgende geboortecohorten (1970, 1975 en 1980) 30-jarigen met elkaar vergeleken. Een algemene conclusie is dat er een verschuiving plaatsvindt van meer traditionelere leefsituaties naar steeds lossere partnerrelaties en gezinsverbanden. Maar dit geldt niet voor iedereen en hangt af van opleiding, het hebben van een baan en een inkomen. (Auteur: Ruben van Gaalen)

Rooms-katholieken en de protestantse groeperingen zijn gelukkiger dan onkerkelijken. En degenen die éénmaal per week of vaker naar de kerk gaan zijn gelukkiger dan mensen die zelden of nooit gaan. (Auteur: Moniek Coumans)

In 2012 waren jongeren gemiddeld 22,8 jaar oud bij het verlaten van het ouderlijk huis. Tien jaar daarvoor lag dat rond 22,4 jaar. De tendens om langer thuis te blijven wonen is vooral de laatste jaren versterkt: in twee jaar tijd steeg de gemiddelde leeftijd bij uit huisgaan met ruim 0,3 jaar. Dit patroon is sterker bij jongeren van Turkse en Marokkaanse afkomst. Het leeftijdspatroon bij uit huis gaan van jongeren van Turkse en Marokkaanse afkomst is meer op dat van autochtonen gaan lijken. (Auteur: Lenny Stoeldraijer)

Mensen die regelmatig sociale contacten hebben of deelnemen aan verenigingsactiviteiten, zijn vaker gelukkig dan anderen. Geen geïsoleerd gevoel, een vriendengroep en iemand in je leven die je echt begrijpt, zijn het sterkst gerelateerd aan geluk. Hoe sociale context en welzijn precies samenhangen, verschilt tussen mannen en vrouwen, tussen jongeren en ouderen en tussen hoog- en laagopgeleiden. (Auteurs: Jacqueline van Beuningen en Linda Moonen)

Uit nieuwe berekeningen blijkt dat, als de waargenomen trends doorzetten, de levensverwachting zonder fysieke beperkingen tot 2030 stijgt met bijna vijf jaar voor mannen en ruim vier jaar voor vrouwen. Dat is meer dan de voorziene stijging van de totale levensverwachting. De levensverwachting in als goed ervaren gezondheid stijgt in dat geval met drie jaar voor mannen en twee jaar voor vrouwen, iets minder dan de toename van de levensverwachting.

Tot eind jaren zeventig werden vrijwel alle kinderen binnen het huwelijk geboren. Sindsdien komt het steeds vaker voor dat ouders bij de geboorte van hun kind niet getrouwd zijn, namelijk bij vier op de tien kinderen. Van de eerstgeborenen wordt zelfs iets meer dan de helft buiten het huwelijk geboren. Wanneer een kind wordt geboren bij een ongehuwde moeder, hoe ziet het huishouden er dan uit? Maakt de vader ook deel uit van het huishouden of woont hij elders? Auteurs: Suzanne Loozen, Marina Pool, Carel Harmsen.

Buurten verschillen van elkaar, onder andere in inkomensniveau. Maar ook binnen een buurt zijn niet alle inkomens gelijk. Bewoners met een inkomen dat sterk afwijkt van het mediane buurtinkomen verhuizen vaker, en gaan dan vaak in buurten wonen waar zij qua inkomen beter tussen de andere bewoners passen. Met andere woorden: het verhuisgedrag van burgers zorgt er ook voor dat zij de sociale afstand tot hun buurtgenoten reduceren. (Auteurs: Jan Latten, Marjolijn Das, Sako Musterd, Wouter van Gent)

Dit artikel beschrijft de berekeningswijze en de uitkomsten van de levensverwachting voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba, die sinds 2010 als drie bijzondere gemeenten deel zijn van Nederland. Vanwege het relatief kleine aantal inwoners van Caribisch Nederland is de methodiek van het Centraal Bureau voor de Statistiek voor de berekening van de levensverwachting van het Europese deel van Nederland aangepast. Auteur: Lenny Stoeldraijer

Een groot deel van de Nederlandse bevolking heeft frequent contact met familieleden, vrienden en – in iets mindere mate – buren. Degenen met frequent contact zijn vooral jongeren, niet-westerse allochtonen, laagopgeleiden en mensen met een laag inkomen. De contactfrequentie hangt samen met de contactbehoefte. Naarmate mensen familieleden, vrienden of buren minder vaak zien of spreken, geven ze vaker aan meer contact te willen. Verder hebben mensen met frequente contacten ook vaker hechte relaties. Mannen, ouderen, niet-westerse allochtonen, laagopgeleiden, mensen met een laag inkomen en alleenstaanden hebben doorgaans minder hechte relaties. Auteurs: Rianne Kloosterman en Karolijne van der Houwen

De kernprognose 2013–2060 beschrijft de verwachte ontwikkeling van de Nederlandse bevolking tussen 2013 en 2060. De kernprognose is een update van de Bevolkingsprognose 2012–2060, die in december 2012 werd gepubliceerd. In de kernprognose zijn de veronderstellingen voor geboorten, migratie en sterfte voor de eerste prognosejaren geactualiseerd. Auteurs: Coen van Duijn en Lenny Stoeldraijer

Dit onderzoek combineert twee perspectieven van het ouder worden, namelijk subjectieve leeftijd (afstand vanaf de geboorte) en subjectieve resterende levensverwachting (afstand tot de dood). Beide perspectieven duiden op een discrepantie tussen waargenomen en werkelijke veroudering. Vanuit het eerste perspectief, afstand vanaf de geboorte, zagen mensen zich gemiddeld dichter bij hun geboorte dan hun werkelijke leeftijd.In het tweede perspectief, afstand tot de dood, schatten mensen zich verder verwijderd van de dood in dan hun actuariële resterende levensverwachting. (Auteurs: A. Thijsen, S.B. Wiegersma, D.J.H. Deeg en F. Janssen.)

Religieuze binding wordt van belang geacht voor de sociale cohesie in de samenleving. In 2012 rekende 54 procent van de volwassen bevolking zich tot een godsdienstige groepering, maar ging slechts een op de zeven nog regelmatig naar een religieuze dienst. De participatie, en in mindere mate het vertrouwen, in de samenleving verschilt tussen geloofsgroepen. (Auteur: Hans Schmeets)

Een op de tien Nederlanders kampte in 2012 met depressieve gevoelens, bijna 6 procent van de Nederlanders kreeg in 2011 een antidepressivum. Vrouwen voelen zich vaker depressief en krijgen vaker antidepressiva dan mannen. Nederlanders van Turkse herkomst krijgen relatief vaak een antidepressivum, Nederlanders van Antilliaanse/Arubaanse herkomst juist weinig. (Auteurs: Gerard Verweij, Marieke Houben-van Herten)

Vrij verkeer van personen in de Europese Unie heeft geleid tot veel migratie, al dan niet van tijdelijke aard. Dit artikel geeft een overzicht van het aantal migranten dat zich in Nederland wel of niet heeft ingeschreven. Niet-ingeschreven werknemers zijn vooral seizoenswerkers afkomstig uit de nieuwe Oost-Europese lidstaten, of Duitse en Belgische grensarbeiders. Let op: dit artikel is gebaseerd op de cijfers van februari 2013. Er is inmiddels een data-update beschikbaar met de meest recente cijfers over 2011 en 2012. (Auteurs: Jeroen Ooijevaar, Nicol Sluiter, Stephan Verschuren)

Voor de nieuwe Bevolkingsprognose van het CBS, die op 13 december 2012 is gepubliceerd, is de wijze waarop de veronderstellingen over de migratie worden opgesteld aangepast ten opzichte van eerdere prognoses. Voor de immigratie worden de veronderstellingen nu per migratiemotief opgesteld en pas in een tweede stap uitgesplitst naar herkomstgroep. Ook is voor een meer modelmatige aanpak gekozen, waardoor het aantal parameters waarvoor expliciete veronderstellingen moeten worden gemaakt kleiner is. (Auteurs: Coen van Duin, Han Nicolaas en Nicole van der Gaag)

In 2012 verwacht 4 procent van de huizenbezitters dat zij hun woning binnen drie maanden zullen verkopen. Ongeveer 45 procent verwacht een verkooptijd van minstens een jaar, een vijfde zelfs van twee jaar of langer. Ook over het vinden van een passende en betaalbare koopwoning zijn de meesten niet zo positief. Ruim de helft van de mensen gaat ervan uit dat het (heel) moeilijk zal zijn om een passende en betaalbare koopwoning te vinden. (Auteur: Moniek Coumans)

Van de vier grootste gemeenten in ons land is het aantal inwoners in Utrecht de afgelopen tien jaar het sterkst gegroeid. Dit komt vooral door de groei van de Vinexwijken Vleuten-De Meern en Leidsche Rijn. In Rotterdam nam het aantal inwoners buiten de Vinex-wijk Nesselande zelfs af. (Auteur: Frank Bloot)

Mobiliteit van mensen over lange afstanden heeft tussen 2005 en 2011 niet geleid tot kleinere sociaal-economische verschillen tussen regio’s. Integendeel, de verschillen zijn groter geworden. In vertrekregio’s blijven de lonen verder achter bij de lonen in vestigingsregio’s, het aandeel hoogopgeleiden blijft er duidelijk lager, de verhouding tussen werkenden en niet-werkenden is er ongunstiger en de arbeidsdeelname van vrouwen is er geringer. (Auteurs: Niels Kooiman, Jan Latten, Andrea Annema)

Volgens de nieuwe prognose zet de stijging van de levensverwachting op de lange termijn sterker door dan in 2010 werd verondersteld. De periode-levensverwachting bij geboorte stijgt daardoor voor mannen van 79,2 jaar in 2011 naar 87,1 jaar in 2060 en bij vrouwen van 82,9 naar 89,9 jaar. Daarmee valt de levensverwachting voor mannen 2,6 jaar hoger uit dan volgens de prognose van 2010 en voor vrouwen 2,5 jaar hoger. (Auteurs: Coen van Duin en Lenny Stoeldraijer)

De grote steden zijn de laatste jaren weer gegroeid, vooral door een vestigingsoverschot. Het afgelopen decennium zijn er per saldo meer autochtonen en westerse allochtonen in de vier grote steden gaan wonen. De veranderingen in de verhuisstromen dragen bij aan een verbetering van het waargenomen ‘economische’ saldo, in termen van fiscale jaarlonen. (Auteurs: Jan Latten en Ingeborg Deerenberg)

Dit onderzoek benadrukt het belang van sociaal kapitaal voor de samenleving.Verschillende achtergrondkenmerken van de bevolking in een gebied zijn gerelateerd aan criminaliteit en sociaal kapitaal. Meer etnische diversiteit in een buurt gaat samen met meer criminaliteit. Deze relatie hangt samen met een gebrek aan sociaal kapitaal, in de vorm van lage buurtcohesie en minder vrijwilligers. (Auteurs: Jacqueline van Beuningen, Hans Schmeets, Koos Arts, Saskia te Riele)

In de laatste bevolkingsprognose van het CBS, die in december 2012 uitkwam, wordt verondersteld dat jonge generaties vrouwen gemiddeld 1,75 kind per vrouw zullen krijgen. Al ruim een decennium zijn er geen aanwijzingen gevonden om het toekomstig kindertal bij te stellen. Dat heeft vooral te maken met de waarneming dat het uitstelgedrag van het eerste kind nagenoeg voltooid is en ‘uitgestelde kinderen’ zijn ‘ingehaald’. De leeftijd- en rangnummerspecifieke vruchtbaarheidscijfers worden dus constant verondersteld. (Auteurs: Gijs Beets, Arie de Graaf, Coen van Duin)

Ongeveer zeven op de tien Nederlandse internetgebruikers van 12 jaar en ouder maakten in 2012 gebruik van sociale media. Vooral sociale netwerken als Facebook, Hyves en Twitter zijn populair. Het gebruik van deze sociale netwerken en ook van professionele netwerken zoals LinkedIn is tussen 2011 en 2012 toegenomen. (Auteurs: Simon van den Bighelaar en Math Akkermans)

Kinderen uit eenoudergezinnen en kinderen uit stiefgezinnen gaan eerder uit huis dan kinderen die bij de eigen ouders wonen. De regio waar het ouderlijk huis staat en de inkomstenbron van de ouders spelen een rol, maar ook het opleidingsniveau van de kinderen zelf is een factor: hoger opgeleiden gaan vaker eerder uit huis en op zichzelf wonen. (Auteurs: Anette Roest, Carel Harmsen)

De nieuwe CBS-huishoudensprognose voorziet een toename van het aantal huishoudens van de huidige 7,6 miljoen tot 8,6 miljoen in 2060. Deze groei komt grotendeels voor rekening van de eenpersoonshuishoudens. Momenteel maken deze kleinste huishoudens 37 procent uit van alle huishoudens. In 2060 zal dit 44 procent zijn. Vooral het aantal oudere alleenstaanden neemt sterk toe. (Auteurs: Coen van Duin, Lenny Stoeldraijer, Joop Garssen)

In dit artikel is nagegaan in hoeverre het ruimtelijk interactiemodel dat in de vorige regionale prognose is gebruikt voor de schatting van korteafstandsmigratie verder kan worden verbeterd. Op basis van dit onderzoek is het ruimtelijk interactiemodel aangepast door het toevoegen van extra verklarende variabelen in de regressievergelijking. Met de toevoegingen kunnen de schattingen worden verbeterd. Auteurs: Rob Loke en Andries de Jong (PBL)

Nederland telt 22 buurten met woningen met een woningwaarde van gemiddeld meer dan een miljoen euro. Een aantal daarvan ligt in Wassenaar, Huizen en Laren. In deze buurten is de WOZ-waarde sterker dan gemiddeld gedaald sinds 2009. Auteur: Bert Raets

Het CBS heeft de prognose van de levensverwachting voor de lange termijn onlangs omhoog bijgesteld. In de nieuwe prognose verwacht het CBS dat de levensverwachting voor mannen in 2060 zal toenemen tot bijna 87 jaar en voor vrouwen tot bijna 90 jaar. Dit is 2,5 jaar hoger dan de prognose die het CBS twee jaar geleden uitbracht. Enkele jaren terug had het CBS de prognoses ook al enkele keren bijgesteld. Dergelijke aanpassingen hebben invloed op de pensioneringleeftijd en de dekkingsgraad van pensioenfondsen. Auteur: Joop de Beer (NIDI)

Volgens de nieuwe CBS-prognose stijgt de periode-levensverwachting bij geboorte tussen 2012 en 2060 voor mannen met 7,8 jaar, voor vrouwen met 7,0 jaar. De levensverwachting komt uit op respectievelijk 87,1 jaar (mannen) en 89,9 jaar (vrouwen). Auteurs: Lenny Stoeldraijer, Coen van Duin en Fanny Janssen

Bevolkingskrimp wordt in de toekomst een belangrijk fenomeen. Bij aanhoudende economische tegenwind zal de bevolking in Europa tot 2050 op de huidige omvang blijven staan. Bij duurzame economische groei waarbij milieuproblemen worden overwonnen, kan de bevolking in Europa met zo’n 20 procent stijgen. Bevolkingsgroei zal regionaal sterk variëren. Afhankelijk van het beleid kunnen de demografische verschillen tussen regio’s toenemen of afnemen. Auteurs: Andries de Jong, Mark ter Veer, en Gijs Beets

De vruchtbaarheid van vrouwen van niet-westerse herkomst blijft convergeren naar het niveau van autochtone vrouwen. Het kindertal van de tweede generatie Turkse en Marokkaanse vrouwen is lager dan dat van de eerste generatie, maar nog steeds hoger dan dat van autochtone vrouwen. Vrouwen van Surinaamse en Antilliaanse herkomst van de tweede generatie krijgen gemiddeld evenveel of zelfs minder kinderen dan autochtonen. Auteur: Mila van Huis.

De gezinsfase speelt bij de verhuisgeneigde huurders een belangrijke rol in de huur- of koopplannen. Zo hebben jonge kinderloze paren een veel sterkere intentie om te kopen dan paren met kinderen. Ook huurders die nog alleen wonen, verwachten relatief vaak een woning te kopen, vooral als ze jonger zijn dan 40. Huurders die willen verhuizen om te gaan samenwonen hebben een duidelijke voorkeur voor een koopwoning, terwijl degenen die willen verhuizen vanwege de gezondheid of zorgbehoefte vrijwel allemaal willen huren. Auteurs: Ingrid Esveldt en Andries de Jong.

Geluk blijkt sterker samen te hangen met gezondheid dan met leefstijl: ten opzichte van de gezondheidsfactoren dragen leefstijl- en leefstijlgerelateerde factoren weinig bij aan geluk. Voor mannen, vrouwen, jongeren en ouderen zijn er wel verschillen in het verband tussen BMI (de verhouding tussen lichaamsgewicht en -lengte) en geluk. Voor jongeren en ouderen is er ook een verschil in het verband tussen een aantal gezondheidsindicatoren en geluk. Auteurs: Jacqueline van Beuningen en Linda Moonen

De leeftijd bij eerste samenwonen is gerelateerd aan de huwelijksleeftijd van de ouders. Ook andere factoren spelen een rol bij de timing van het samenwonen. Zo gaan kinderen na een scheiding van de ouders eerder samenwonen. Zij huwen wel later en blijven vaker ongehuwd dan kinderen van ouders die niet scheidden. Hoger opgeleide vrouwen gaan later samenwonen dan lager opgeleide vrouwen. Voor mannen is qua opleidingsniveau juist vrijwel geen verschil in leeftijd waarop ze voor het eerst gaan samenwonen. Auteurs: Carel Harmsen, Elma Wobma en Ruben van Gaalen.

In de periode rond het krijgen van een kind zijn mensen tijdelijk gelukkiger. Het gelukkigst zijn mensen tijdens de zwangerschap. Na de geboorte daalt het geluksgevoel langzaam tot het na 1 tot 2 jaar na de geboorte terug is op het niveau van voor de zwangerschap. Dit effect is er alleen voor de geboorte van het eerste kind. Auteurs: Karolijne van der Houwen en Linda Moonen

Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het CBS hebben in 2011 voor de vierde keer de Regionale bevolkings- en huishoudensprognose met het model PEARL uitgebracht. In deze prognose spelen veronderstellingen over de gemeentelijke sterfte een belangrijke rol. In dit kader is een analyse uitgevoerd naar de verklaring van gemeentelijke verschillen in de levensverwachting aan de hand van een multivariaat regressiemodel. Auteurs: Rob Loke (PBL tot november 2011) en Andries de Jong (PBL)

In Den Haag zijn er op buurtniveau grote verschillen in de aandelen zogenoemde scheefwoners. In de nieuwbouwwijken wordt bijna de helft van alle corporatiewoningen bewoond door scheefwoners. De oude stadswijken tellen amper 15 procent scheefwoners. Auteur: Bert Raets

In de periode 2001-2011 maakte gemiddeld 95 procent van de vrouwen van 15 tot 50 jaar die in de voorgaande twee jaar waren bevallen gebruik van kraamzorg. Dit percentage is behoorlijk stabiel gebleven in de periode 2001-2011. Wel zijn vrouwen steeds minder vaak hele dagen zorg gaan gebruiken. Vrouwen van niet-westerse afkomst gebruikten minder vaak kraamzorg dan autochtone en westers allochtone vrouwen, en namen ook minder dagen of uren en minder vaak hele dagen kraamzorg af. Het aandeel niet-westers allochtone vrouwen dat gebruik maakt van kraamhulp is door de jaren heen wel gestegen. De ondervraagde vrouwen zijn over het algemeen heel tevreden over de ontvangen kraamzorg. Auteur: Marieke Houben - van Herten

De bevolking in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht zal tot 2040 toenemen met 333 duizend inwoners. Dit blijkt uit de regionale bevolkingsprognose uit 2011 van het CBS en het Planbureau voor de Leefomgeving. Als gevolg van de vergrijzing neemt ook het aantal personen van 65 jaar of ouder fors toe.

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2010. De kredietcrisis die zich in de tweede helft van 2008 openbaarde, had ook haar weerslag op demografische ontwikkelingen. Dit blijkt het duidelijkst uit de ontwikkeling van het aantal verhuizingen. Vanaf het laatste kwartaal van 2008 liep het aantal verhuizingen in Nederland fors terug. In het voorjaar van 2009 werd een dieptepunt bereikt. Het aantal verhuizingen lag toen meer dan 10 procent lager dan in het voorjaar van 2008. Auteur: Carel Harmsen

Mensen die plannen hebben om naar een koopwoning te verhuizen, slagen daar lang niet altijd in. Onvoorziene gebeurtenissen in de privésfeer geven soms een extra push om toch te verhuizen. Mensen met koopplannen die uit elkaar zijn gegaan of zijn gaan samenwonen verhuizen vaker, maar hebben ook vaker water bij de wijn gedaan: velen verhuisden naar een huurwoning in plaats van naar een (andere) koopwoning. Onvoorziene gebeurtenissen kunnen ook koopplannen doorkruisen. Mensen met koopplannen die veranderingen meemaakten in hun arbeidsloopbaan zijn juist minder vaak verhuisd dan anderen, en al helemaal weinig naar een koopwoning. Auteurs: Marjolijn Das (Centraal Bureau voor de Statistiek) en Carola de Groot (Planbureau voor de Leefomgeving)

Als het economisch goed gaat, besluiten mensen eerder te trouwen en kinderen te krijgen dan als er een recessie is. De relatie tussen echtscheidingen en de economie is minder duidelijk. Als mensen uit elkaar gaan omdat ze financiële problemen hebben, kan een recessie leiden tot meer echtscheidingen. Maar omdat scheiden duur is, kan economische teruggang ook leiden tot een daling van het aantal scheidingen. In dit artikel wordt getoond hoe huwelijkssluitingen, geboorten en echtscheidingen de afgelopen veertig jaar samenhangen met de economische conjunctuur. Auteur: Joop de Beer (NIDI)

De discussie over het vermeende verlies van normen en waarden heeft betrekking op zaken als overlast, diefstal en agressie op straat en de taak van de (grensstellende) overheid, maar gaat ook over het verlies van gemeenschappelijke waarden in onze moderne, multiculturele samenleving. In dit verband wordt Nederland wel eens afgeschilderd als een verdeelde natie zonder overkoepelende nationale identiteit. Dat blijkt erg mee te vallen. Van een radicale omwenteling van centrale levenswaarden is geen sprake. Wel verschuiven de laatste dertig jaar de waarden van de Nederlandse bevolking langzaam in de richting van meer calculerende, economische burgerlijkheid en een toegenomen hang naar consumptief hedonisme, zonder diepgang. Auteurs: Rob Eisinga, Peer Schepers en Per Bles (Radboud Universiteit Nijmegen)

De gebruikte terminologie in de berichtgeving over migranten is niet altijd even duidelijk en consequent. Regelmatig verschijnen er berichten over asielzoekers, migranten, vreemdelingen, vluchtelingen en allochtonen. Vaak worden deze begrippen door elkaar gebruikt en is niet altijd duidelijk wat de boodschapper bedoelt. Wat betekenen deze begrippen nu precies en wat zijn de verschillen tussen deze termen? In dit artikel wordt één en ander op een rij gezet. Auteurs: Arno Sprangers en Han Nicolaas.

In dit artikel wordt nagegaan hoe de Nederlandse bevolking denkt over de eigen bijdrage voor een aantal zorgkosten. De resultaten laten zien dat veel mensen voorstander zijn van een eigen bijdrage wanneer de zorgkosten het gevolg zijn van een ongezonde leefstijl, zoals roken en overmatig alcoholgebruik. Wanneer het gaat om de kosten van loophulpmiddelen of de anticonceptiepil, vindt meer dan de helft dat deze volledig moeten worden vergoed. Auteurs: Rianne Kloosterman en Saskia te Riele

De leeftijd waarop vrouwen kinderen krijgen, het aandeel kinderlozen en de totale vruchtbaarheid zijn sterk aan het opleidingsniveau gerelateerd. Hoger opgeleide vrouwen stellen het moederschap het meest uit en zijn het vaakst kinderloos. Bij mannen doet de relatie tussen vruchtbaarheid en opleidingsniveau zich alleen voor bij de leeftijd van het eerste kind. Het vruchtbaarheidsgedrag van verschillende generaties mannen en vrouwen naar opleidingsniveau heeft zich in verschillend tempo ontwikkeld. Auteurs: Elma Wobma en Mila van Huis.

In de kernprognose voor de periode 2011-2060, die december 2011 uitkwam, zijn, sinds de publicatie van de bevolkingsprognose 2010-2060 een jaar eerder, de veronderstellingen voor de korte termijn geactualiseerd. De nu gepresenteerde bijstelling leidt slechts tot kleine aanpassingen ten opzichte van de prognose uit 2010. Auteurs: Coen van Duin en Han Nicolaas

In de periode 2001- 2011 is het aantal buurten in Nederland gestegen, terwijl het aantal gemeenten juist afnam. Door de bevolkingstoename van Nederland is het gemiddeld aantal inwoners per buurt in diezelfde periode echter nauwelijks veranderd. Auteur: Hilde Keuning-Van Oirschot

Delen van de provincie Zeeland zijn door de Rijksoverheid aangewezen als krimpgebieden. Toch krimpen niet alle gemeenten, er is in de periode tussen 2005 en 2012 ook groei waar te nemen. Kleinere kernen hebben het echter moeilijker. Auteur: Hilde Keuning–van Oirschot

Meer dan de helft van de gemeenten ziet, volgens de bevolkingsprognose tot 2040, zijn inwonertal toenemen. Hierdoor zal ook het aantal 65-plussers per gemeente verder oplopen. Auteur: Bert Raets

De meeste Nederlanders hebben familie, vrienden of kennissen met praktische vaardigheden die zij eventueel kunnen gebruiken, zoals computerkennis of kunnen klussen in huis. Ook voor persoonlijke steun, zoals advies bij familieconflicten of boodschappen doen bij ziekte, verwachten de meeste mensen op hun sociale netwerk te kunnen terugvallen. Minder vaak is er iemand in de kring van bekenden met financiële of juridische kennis. Vooral politiek actieve bekenden zijn relatief schaars. Ouderen, niet-westerse allochtonen en laagopgeleiden kennen doorgaans minder vaak mensen met vaardigheden die van pas kunnen komen dan jongeren, autochtonen en hoogopgeleiden. Auteurs: Rianne Kloosterman en Saskia te Riele

In de PBL/CBS regionale bevolkings- en huishoudensprognose wordt op gemeentelijk niveau de geboorte naar herkomstgroepering voorspeld. Voor het opstellen van veronderstellingen is een analyse uitgevoerd naar de vruchtbaarheid naar herkomstgroepering. In Nederland zijn er duidelijke verschillen tussen regio’s en tussen herkomstgroepen in vruchtbaarheid. Ook regionaal verschilt de vruchtbaarheid en deze regionale verschillen zijn niet voor alle herkomstgroepen hetzelfde. Auteur: Sanne Boschman

In 2011 bestond een gemiddeld huishouden in Nederland uit 2,2 personen. Binnen gemeenten, bijvoorbeeld in de vier grote steden, bestaan er echter flinke verschillen op buurtniveau. Nieuwbouwbuurten, zoals Vinex-locaties, trekken meer gezinnen, terwijl in binnensteden veel eenpersoonshuishoudens wonen. Auteur: Ingeborg Deerenberg

Voor de meeste niet-westerse allochtone groepen geldt, net als voor autochtonen, dat kinderen van gescheiden ouders minder vaak een diploma in het hoger onderwijs halen dan kinderen van niet-gescheiden ouders. Zo ook wanneer rekening wordt gehouden met factoren die de kans op een hoge opleiding kunnen beïnvloeden. Auteurs: Marjolijn Das en Ruben van Gaalen

Emotionele gebeurtenissen, ook wel aangeduid als life events, beïnvloeden geluk en tevredenheid in iemands leven. Dit is vaak al zichtbaar in de aanloop naar de emotionele gebeurtenis. Veel personen zijn al ruim voor een echtscheiding ongelukkig en minder tevreden. Rond een huwelijk zijn de meeste mensen juist het gelukkigst. Mensen die arbeidsongeschikt worden, hun baan verliezen of in de bijstand komen, zijn vooraf al minder gelukkig en tevreden dan mensen die geen verandering in hun werksituatie meemaken. Wanneer mensen weer aan het werk gaan, neemt hun gevoel van geluk en tevredenheid weer toe. Auteurs: Marleen Wingen, Tineke de Jonge en Koos Arts.

Al enkele decennia loopt de bevolkingsgroei in Europa terug. Dit is een gevolg van de daling van het gemiddeld aantal kinderen per vrouw in de jaren zestig van de vorige eeuw. Aanvankelijk kwam dit tot uiting in een daling van het aantal jongeren. Later werd dit gevolgd door een afname van de groei van de potentiële beroepsbevolking (de bevolking van 20-64 jaar). Nu de naoorlogse geboortecohorten de pensioengerechtigde leeftijd bereiken gaat de groei van de potentiële beroepsbevolking omslaan in krimp. Auteur: Nicole van der Gaag

Op basis van het Sociaal Statistisch Bestand (SSB) is de gezinssituatie beschreven van alle 15-jarigen die tussen 1999 en 2008 in Nederland woonden. Nagegaan wordt of deze kinderen bij beide ouders, bij de vader of de moeder, bij de vader of de moeder en een stiefouder of zonder beide ouders woonden. Daarnaast wordt de samenhang onderzocht tussen de gezinsstructuur en hulpbronnen enerzijds en het schoolniveau van het kind anderzijds. Hebben kinderen van ouders uit de hogere sociale klassen gemiddeld meer of juist minder hinder van een scheiding? Auteurs: Ruben van Gaalen en Lenny Stoeldraijer

Experimenteren met roken, alcohol en drugs hoort bij de overgang van jeugd naar volwassenheid. Daarnaast is onvoldoende lichaamsbeweging en overgewicht een toenemend probleem bij Nederlandse jongeren. De vraag is welke invloed deze ongezonde leefgewoonten hebben op de verdere levensloop van jongeren. Dit artikel geeft een indicatie dat dagelijks roken en onvoldoende beweging gepaard gaan met een minder succesvolle onderwijsloopbaan. Auteurs: Henk-Jan Dirven en Francis van der Mooren

Ruim de helft van de Nederlandse bevolking geeft aan bij overlijden organen te willen afstaan. Ruim 60 procent zou een orgaan willen ontvangen indien zij dit nodig zouden hebben. Opvattingen over het afstaan van organen worden vooral bepaald door kerkelijke gezindte, opleiding en ervaren gezondheid. Vooral jongeren staan open voor het ontvangen van een donororgaan. Auteurs: Rianne Kloosterman en Karolijne van der Houwen

Of mensen ergens graag wonen is voor een deel afhankelijk van de aanwezigheid van voorzieningen als scholen, winkels en gezondheidszorg. In de Nabijheidsstatistiek publiceert het CBS sinds 2009 de afstand tot diverse voorzieningen en het aantal voorzieningen binnen een bepaalde afstand. Deze gegevens zijn bruikbaar voor onder meer onderzoekers en beleidsmedewerkers. Auteurs: Ingeborg Deerenberg en Chantal Melser

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2011. Terwijl vrouwen het moederschap de afgelopen 40 jaar steeds meer uitstelden, is het interval tussen de geboorte van het eerste kind en het tweede kind opvallend stabiel gebleven op een gemiddelde van 3 jaar. Oudere moeders (35-plus) krijgen hun tweede kind relatief kort na de geboorte van hun eerste kind. Jonge moeders stellen de komst van het tweede kind langer uit. Deze verschillen in geboorteinvallen zijn sinds 1970 groter geworden. Auteur: Lenny Stoeldraijer

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2011. In demografisch opzicht is de naoorlogse geboortegolf een opvallend verschijnsel in de dalende reeks geboortecijfers vanaf 1870. Deze daling is een kenmerk van de Eerste Demografische Transitie. Rond 1965 vond een Tweede Demografische Transitie plaats waarbij het gangbare standaardlevensloopmodel (als jonge man/vrouw thuis wonen tot het huwelijk, trouwen en kinderen krijgen) wordt vervangen door het keuzelevensloopmodel (jong zelfstandig wonen, ongehuwd of gehuwd samenwonen met partner en op latere leeftijd kinderen krijgen of kinderloos blijven). Toch is deze cesuur rond 1965 minder scherp als de levensloop van de babyboomgeneratie (1945–1954) nader wordt onderzocht. Eerder is sprake van een vloeiende overgang waarbij het keuzelevensloopmodel eerst bij de generatie van de jaren zestig volledig tot ontwikkeling komt. Auteurs: Jacques van Maarseveen en Carel Harmsen

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2011. Op 1 januari 2011 telde Nederland ruim 7,7 miljoen personenauto’s. Dat betekent dat er per duizend inwoners van 18 jaar of ouder 588 auto’s waren. In 2001 bedroeg dit aantal nog 525.

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2011. In dit artikel wordt op basis van het Woon Onderzoek Nederland 2009 gekeken naar de mate waarin huizenbezitters met verhuisplannen een huurwoning verkiezen boven een koopwoning. Hoewel veruit de meeste eigenaar-bewoners op zoek zijn naar een koopwoning wil toch 16 procent een huurwoning. Dit percentage ligt nog veel hoger onder eenpersoonshuishoudens en paren van 75 jaar of ouder. Ook eigenaar-bewoners die vanwege een scheiding of een slechte gezondheid willen verhuizen, hebben een grotere voorkeur voor een huurwoning. Daarnaast prefereren vooral huishoudens in koopwoningen die geen baan hebben of een inkomen hebben beneden het minimumloon een huurwoning. In het algemeen bepalen de gezinsfase, verhuismotief en de financiële situatie van het huishouden de voorkeur voor huren onder eigenaar-bewoners het sterkst. Auteurs: Ingrid Esveldt en Andries de Jong

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2011. Het afgelopen decennium is het aantal Chinezen in Nederland bijna verdubbeld. De groei hangt deels samen met de geboorte van tweede generatie Chinezen. Belangrijker nog is dat in de loop van het eerste decennium bijna 25 duizend Chinezen voor werk en/of studie naar Nederland zijn gekomen. Hiermee is de Chinese bevolkingsgroep qua omvang de vijfde groep niet-westerse allochtonen in Nederland geworden. Auteurs: Frank Linder, Lotte van Oostrom, Frank van der Linden en Carel Harmsen

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2011. Subjectief welzijn, in termen van geluk en tevredenheid met het leven, is gerelateerd aan verschillende factoren die betrekking hebben op de kwaliteit van leven. De ervaren gezondheid is het meest van belang. Maar ook regelmatig op vakantie gaan, een partner, contact met familieleden en het wonen in een buurt waar mensen prettig met elkaar omgaan, gaan gepaard met meer welzijn. Onveiligheidsgevoelens hangen negatief samen met geluk en de tevredenheid met het leven. Auteurs: Jacqueline van Beuningen en Rianne Kloosterman

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2011. Op 1 januari 2010 was bij 44 procent van alle Nederlandse woningen sprake van een huurwoning. Het aandeel huurwoningen van een corporatie bedroeg bijna een derde van de gehele woningvoorraad.

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2011. Gemiddeld over alle 27 landen van de Europese Unie in 2010 was de groene druk 35 procent en de grijze druk 28 procent. Dat betekent dat er op elke 65-plusser 3,5 werkenden zijn. Deze aandelen lopen echterflink uiteen tussen de lidstaten.

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2011. In 1971 telde Nederland 3,3 miljoen meerpersoonshuishoudens en iets minder dan 0,7 miljoen eenpersoonshuishoudens. Tussen 1971 en 2011 is het aantal meerpersoonshuishoudens gestegen naar 4,7 miljoen, een stijging van ruim 40 procent.

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2011. De 40 aandachtswijken die in 2007 door minister Vogelaar zijn aangewezen, zijn in de periode 1999–2008 in vergelijking met de sociaaleconomische positie van de andere stadswijken tamelijk stabiel gebleven. Ook de sociaaleconomische ontwikkeling van de bewoners was gelijk aan die van andere stadsbewoners. Net als andere stadswijken kunnen aandachtswijken als springplank fungeren: onder personen die zich nieuw vestigden waren lage-inkomstengroepen oververtegenwoordigd, terwijl de mensen die in de wijk bleven wonen vaker sociaal stegen dan daalden, en ook de vertrekkers vaker sociale stijgers waren. Auteurs: Matthieu Permentier, Marjolijn Das en Karin Wittebrood

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2011. In 2010 zijn ruim 184 duizend kinderen in Nederland geboren. De gemiddelde leeftijd van de vader was met 34 jaar drie jaar hoger dan die van de moeder. De meeste vaders (80 procent) en moeders (85 procent) van deze kinderen waren tussen de 25 en 40 jaar oud.

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2011. Met data uit de eerste wave van de Nederlandse LevensLoop Studie (NELLS) vergelijken we Marokkanen, Turken en autochtonen (in de leeftijd 15–45 jaar) op een breed scala van sociale en culturele uitkomsten. De resultaten laten zien dat de gemiddelde Marokkaan/Turk traditioneler is dan de gemiddelde autochtone Nederlander. Dat uit zich zowel op sociaal gebied (meer familiaal) als op cultureel gebied (meer conservatief). De verschillen tussen eerste en tweede generatie immigranten zijn aanzienlijk op het gebied van waarden en normen, maar veel kleiner op het gebied van sociale kenmerken. Alle gepresenteerde verschillen zijn gecorrigeerd voor verschillen in opleidingsniveau, regio, urbanisatiegraad, leeftijd en sekse. Het NELLS werd mogelijk gemaakt door subsidie van NWO (via het Investeringen Middelgroot programma) en bijdragen van de universiteiten van Tilburg en Nijmegen. De tweede wave is voorzien voor 2012/2013. Auteurs: Paul M. de Graaf, Matthijs Kalmijn, Gerbert Kraaykamp en Christiaan W.S. Monden

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2011. Hoe lager het inkomen of het vermogen, hoe meer mensen zorg zonder verblijf (voorheen thuiszorg) krijgen. Dat geldt met name voor het ontvangen van huishoudelijke hulp. Inkomen en vermogen zijn onafhankelijk van elkaar gerelateerd aan zorg zonder verblijf. Tevens is er sprake van een interactie tussen inkomen en vermogen ten aanzien van zorg zonder verblijf. De combinatie resulteert in effecten die op onderdelen fors groter zijn dan de som van de effecten van inkomen en vermogen afzonderlijk. Zo is er een verhoogde kans op zorg zonder verblijf bij ouderen met een laag inkomen én een laag vermogen. In de beschrijving van verschillen in het krijgen van zorg zonder verblijf heeft de samenvoeging van inkomen en vermogen tot één welvaartsindicator daarom zeker een toegevoegde waarde naast het gebruik van inkomen of vermogen als aparte indicatoren. Auteurs: Marleen Wingen, Mirthe Bronsveld-de Groot, Anton Kunst en Ferdy Otten

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2011. In het dagelijks leven bestaan allerlei noties over verschillen en overeenkomsten tussen groepen Surinamers in Nederland: Hindostanen met relatief weinig gemengde relaties; Creolen en Marrons met veel alleenstaande ouders; Chinese Surinamers met veel hoogopgeleiden, relatief veel zelfstandigen en relatief hoge inkomsten, vooral uit arbeid; en Javaanse Surinamers die relatief vaak werknemer zijn. Wordt rekening gehouden met opleidingsniveau, dan worden de verschillen tussen de Surinaamse bevolkingsgroepen veel kleiner. Auteurs: Ko Oudhof en Carel Harmsen

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2011. Van de 7,4 miljoen huishoudens in Nederland betreft een derde een huishouden met een of meer kind(eren). In bijna zeven op de tien gezinnen met een of meer kind(eren) gaat het om een gehuwd ouderpaar en bij 13 procent om een niet-gehuwd ouderpaar.

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2011. De integratie van immigranten vergt doorgaans enkele generaties. Dit artikel vergelijkt de sociaaleconomische positie van allochtone en autochtone ouders en hun 25- tot 35-jarige kinderen. Allochtone ouders en hun kinderen blijken minder vaak werk en een lager inkomen te hebben dan hun autochtone generatiegenoten. Niet-westers allochtone zoons overtreffen vooral hun vader wat betreft inkomsten vaker dan autochtone zoons. De ten opzichte van autochtonen slechtere sociaaleconomische positie van niet-westerse allochtone ouders speelt hierbij een belangrijke rol. Auteurs: Ruben van Gaalen en Annemarie de Vos

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2011. Sociale samenhang gaat samen met geluk en tevredenheid. Vooral mensen die meer contact hebben met familie, maandelijks deelnemen aan verenigingsactiviteiten en in een buurt wonen waar de sfeer goed is, geven relatief vaak aan dat ze gelukkig zijn. Ook frequent contact met vrienden of buren en vrienden in de buurt zijn van belang voor het ervaren van geluk en tevredenheid met het eigen leven. Tot slot blijken mensen die zich inzetten als vrijwilliger doorgaans gelukkiger en tevredener met hun leven dan mensen die dit niet doen. Auteurs: Godelief Mars en Hans Schmeets

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2011. Het Nederlandse zorgstelsel is gebaseerd op solidariteit. De meeste Nederlanders ondersteunen dit principe. Zij zijn van mening dat ouderen, mensen met een niet zo goede gezondheid en mensen die erfelijk belast zijn geen hogere zorgpremie zouden moeten betalen. Mensen met een ongezonde leefstijl kunnen op minder solidariteit rekenen: hun premie zou volgens ruim de helft hoger moeten zijn. Daarnaast zouden lage inkomens minder en hoge inkomens meer zorgpremie moeten betalen. Mensen blijken vooral solidair met groepen waartoe zij zelf behoren. Zo vinden vooral niet-rokers dat mensen die roken meer premiezouden moeten betalen. Auteur: Rianne Kloosterman

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2011. In 2010 woonden Nederlanders op gemiddeld 1,1 kilometer van het dichtstbijzijnde kinderdagverblijf. In Noord-Holland was de afstand met 800 meter het kleinst en in Friesland met gemiddeld 2,1 kilometer het grootst. Inwoners van het Friese eiland Schiermonnikoog woonden gemiddeld het verst van een kinderdagverblijf, met een gemiddelde afstand van meer dan 30 kilometer.

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2011. Het overgrote deel van de Nederlandse bevolking kan bij buurtgenoten terecht voor praktische hulp. Minder vaak is er een steun en toeverlaat in de buurt: ruim de helft kan na een droevige gebeurtenis bij buren terecht. Een vergelijkbaar deel is van de partij als er een buurtactiviteit plaatsvindt. Het aandeel dat dergelijke activiteiten helpt organiseren is met een kleine 20 procent een stuk kleiner. Verder is ruim een vijfde wel eens als vrijwilliger actief geweest in de buurt. De oudere en middelbare leeftijdsgroepen, autochtonen en mensen in niet-stedelijke buurten hebben naar verhouding de meeste binding met hun buurt en buurtgenoten. Auteurs: Rianne Kloosterman, Karolijne van der Houwen en Saskia te Riele

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2011. In Utrecht wonen kinderen vooral in de Vinex-wijken Vleuten-De Meern en Leidsche Rijn, hebben zich in de omgeving van opleidingen veel studenten gevestigd en blijven mensen van middelbare leeftijd wonen waar zij zijn opgegroeid of op de comfortabele plek die ze later hebben verworven.

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2011. In de afgelopen halve eeuw is de bevolking van Nederland naar verhouding veel sterker gegroeid dan die van de meeste andere Europese landen. In deze periode groeide de Nederlandse bevolking met 45 procent, van 11,4 naar 16,6 miljoen inwoners.

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2011. In Nederland beschikken 1,1 miljoen personen over meerdere nationaliteiten. Ruim 60 procent van de Nederlanders vindt dat bij het verkrijgen van een Nederlands paspoort het andere paspoort moet worden afgestaan. Een kwart is van mening dat het andere paspoort niet hoeft worden afgestaan. Over de stelling ‘Ministers mogen geen dubbele nationaliteit hebben’ zijn de opvattingen nog meer uitgesproken: 70 procent vindt dat dit niet mag worden toegestaan, tegenover 18 procent voor wie dit geen probleem is. Vooral opvattingen over minderheden spelen een rol bij de mening over dubbele nationaliteiten. Iets minder belangrijk is de mening over de Europese eenwording en over Turkije als toekomstige EU-lidstaat. Auteurs: Hans Schmeets en Maarten Vink

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2011. Thuiswonende kinderen die op zichzelf gaan wonen verhuizen verreweg het vaakst in augustus of september. In die twee maanden vindt bijna een kwart van de verhuizingen plaats van thuiswonende kinderen die als alleenstaande gaan wonen.

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2011. Omdat de belangstelling voor vruchtbaarheidscijfers van mannen is toegenomen, publiceert het CBS nu ook de (gemiddelde) leeftijd van vaders en het totale vruchtbaarheidscijfer van mannen vanaf 1996. In 2010 waren vaders gemiddeld 32,4 jaar bij de geboorte van het eerste kind. Dat is 3 jaar ouder dan de gemiddelde moeder. Het totaal vruchtbaarheidscijfer van mannen lag met 1,72 iets onder dat van vrouwen. Auteurs: Elma Wobma en Mila van Huis

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2011. Op 1 januari 2011 woonden er 1,9 miljoen niet-westerse allochtonen in Nederland. Daarmee vormden ze 11,4 procent van de totale bevolking. De afgelopen decennia is dit aandeel fors toegenomen.

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2011. Op 1 januari 2010 telde Rotterdam 593 duizend inwoners. Van hen was bijna 37 procent (219 duizend) niet-westers allochtoon. In heel Nederland is ruim één op de tien inwoners van niet-westerse herkomst. Rotterdam heeft dus ruim drie keer zoveel niet-westerse inwoners als gemiddeld.

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2011. Hedendaagse gezinnen kenmerken zich door een grote diversiteit in samenstelling. Veranderingen in demografisch gedrag, zoals uitstel en afstel van trouwen, uit elkaar gaan en het vormen van nieuwe gezinnen, hebben geleid tot meer variatie in gezinstypen. Gezien de demografische ontwikkelingen van de afgelopen tien à vijftien jaar lijkt het erop dat de Tweede Demografische Transitie wat betreft een aantal transities in de eindfase zit of deze eindfase heeft bereikt. Auteur: Arie de Graaf

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2011. Onder personen met een lager vermogen of inkomen is het aandeel dat naar de huisarts gaat groter dan onder personen met een hoger vermogen of inkomen. Hoe lager het inkomen of het vermogen, hoe groter bovendien de kans op de diagnose psychische problemen, problemen met de luchtwegen of diabetes mellitus. De combinatie van inkomen en vermogen tot een welvaartsindicator laat eenzelfde beeld zien als vermogen en inkomen afzonderlijk. Bij de diagnose psychische problemen is er bovendien een sterke interactie tussen inkomen en vermogen. Auteurs: Marleen Wingen, Marije Berger-Van Sijl, Anton Kunst en Ferdy Otten

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2011. Eind september 2008 woonden er 338 duizend Surinamers van uiteenlopende etnische achtergrond in Nederland. Aan de hand van een nieuwe indelingsmethode op basis van de familienaam, kunnen de omvang, samenstelling en regionale spreiding van de diverse etnische groepen worden berekend. In dit artikel wordt deze methode beschreven en worden de aantallen Hindostanen, Creolen, Javanen, Chinezen en Marrons gepresenteerd. Auteurs: Ko Oudhof, Carel Harmsen, Suzanne Loozen en Chan Choenn

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2011. In veel landen, vooral in het noordelijke deel van de Europese Unie (EU), is niet-gehuwd samenwonen voor jonge mensen zonder kinderen inmiddels de norm geworden. Het aandeel niet-gehuwd samenwonenden is het hoogst bij paren waarin de vrouw een twintiger is, en neemt af met de leeftijd.

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2011. De emigratieveronderstellingen voor de bevolkingsprognose zijn voor een groot deel gebaseerd op retourpercentages: het aandeel immigranten dat weer uit Nederland vertrekt. De retourpercentages liggen relatief hoog voor arbeids- en studiemigranten en laag voor asiel- en gezinsmigranten. Het toegenomen belang van arbeidsmigratie betekent dat de retourpercentages voor veel herkomstgroepen naar verwachting ook in de toekomst rond het hoge niveau van het afgelopen tien jaar zullen liggen. De emigratiegeneigdheid van in Nederland geboren personen is in 2009 scherp gedaald, maar in 2010 weer iets hersteld. Verondersteld wordt dat deze in de toekomst gemiddeld genomen rond het niveau uit de jaren 2002–2003 zal liggen, nog iets boven het huidige niveau. Auteurs: Han Nicolaas, Coen van Duin, Stephan Verschuren en Elma Wobma

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2011. De uitkomsten van de nieuwe bevolkingsprognose voor de periode 2010–2060 zijn mede gebaseerd op veronderstellingen over de immigratie. Op grond van analyses van migratiepatronen en migratiemotieven naar herkomstgroepen wordt verwacht dat op termijn jaarlijks 144 duizend immigranten naar Nederland komen. De meesten van hen zijn afkomstig uit de Europese Unie, gevolgd door Azië. In toenemende mate zijn arbeid en studie belangrijke motieven voor migratie. Auteurs: Han Nicolaas, Coen van Duin, Stephan Verschuren en Elma Wobma

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2011. Het karakter van arbeidsmigratie is sterk veranderd. Gastarbeiders uit de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw vestigden zich vaker permanent in Nederland dan de ‘nieuwe’ arbeidsmigranten. Dit artikel is gericht op de populatie immigranten die zich in de periode 2000-2006 inschrijven in de Gemeentelijke Basisadministratie en binnen een jaar een baan als werknemer hebben. Een deel is afkomstig uit westerse landen, goed geïntegreerd op de arbeidsmarkt en wordt op basis van hun toegevoegde waarde voor de Nederlandse economie geselecteerd. Tegelijkertijd lijkt er nog steeds een meer klassieke groep arbeidsmigranten te bestaan, met een relatief laag inkomen en opleidingsniveau. Het hebben van een partner of kind zorgt voor meer binding met Nederland dan de sociaaleconomische situatie. Auteurs: Stephan Verschuren, Ruben van Gaalen en Han Nicolaas

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2011. Voor bevolkingsprognoses maakt het CBS onder meer gebruik van gegevens over de sterfte naar doodsoorzaak. In de voorgaande prognoses werden vanaf 80-jarige leeftijd geen doodsoorzaken meer onderscheiden, omdat de codering ervan weinig valide werd geacht. Het doel van dit onderzoek is het bepalen van de leeftijd waarboven het onderscheiden van (specifieke) doodsoorzaken voor bevolkingsprognoses niet meer zinvol is. Daartoe zijn tijdreeksen opgesteld voor onvoldoende specifieke codes (‘verlegenheidscodes’) bij de groepen overledenen tot en vanaf 80 jaar. De hiervoor gebruikte lijst met verlegenheidscodes volgens Mathers et al. bevat code I50.9 (decompensatio cordis), waarvan we menen dat deze in Nederland niet als verlegenheidscode hoeft te worden aangemerkt. De resultaten worden daarom met en zonder I50.9 als verlegenheidscode gepresenteerd. Aan de hand van WHO-kwaliteitscriteria wordt geconcludeerd dat het optrekken van de leeftijdsgrens voor het onderscheiden van doodsoorzaken voor bevolkingsprognoses naar 85 jaar, en mogelijk zelfs tot 90 jaar, verantwoord is. Auteurs: Peter Harteloh en Kim de Bruin

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2011. Uit een analyse van de relatie tussen sterfte en temperatuur in week 22 tot en met 30, de periode van de zomer waarin een hittegolf viel, blijkt dat voor Nederland als geheel de extra sterfte als gevolg van de hitte uitkwam op 22 personen per week per graad temperatuurstijging.

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2011. Vooral door een naar Europese maatstaven langdurig hoog geboortecijfer is Nederland nu nog minder sterk vergrijsd dan zijn buurlanden en de meeste andere Europese landen. Binnen ons land bestaan echter wel zeer grote verschillen in vergrijzing. In perifere en welvarende gemeenten is de grijze druk tot bijna vijf keer zo hoog als in de jongste gemeenten. De toename van het aantal 65-plussers is in het afgelopen decennium onder mannen twee keer zo groot geweest als onder vrouwen. Deze ontwikkeling hangt sterk samen met de historische seksespecifieke trends in de sterfterisico’s. In absolute zin hebben de dalende sterftecijfers voor hart- en vaatziekten in de afgelopen vier decennia het meest bijgedragen aan de stijging van de levensverwachting. Sinds 2002 neemt de levensverwachting – en daarmee de vergrijzing – sneller toe dan voorheen en loopt ons land weer in de pas met andere West-Europese landen. Vanaf 2011 vergrijst Nederland in versneld tempo. De omvangrijke babyboomgeneratie en het snel gegroeide aantal niet-westerse allochtonen leveren in de komende decennia een grote bijdrage aan de vergrijzing. Auteurs: Joop Garssen

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2011. Als onderdeel van de bevolkingsprognose publiceert het CBS om het jaar een langetermijnprognose voor de sterftekansen en de levensverwachting. De nieuwste update van deze prognose is 17 december 2010 verschenen. Het model voor de sterfteprognose maakt onderscheid tussen sterfte aan een aantal belangrijke doodsoorzaken. Ten opzichte van de prognose uit 2008 zijn er een aantal veranderingen in het model doorgevoerd. Er wordt in meer detail naar doodsoorzaken onderscheiden en dit onderscheid wordt tot hogere leeftijden gebruikt. Volgens de nieuwe prognose stijgt de periode-levensverwachting bij geboorte voor mannen tot 84,5 jaar in 2060 en voor vrouwen tot 87,4 jaar. De vorige prognose keek vooruit tot 2050. Voor dat jaar geeft de nieuwe prognose een bijstelling van de levensverwachting voor mannen met 0,5 jaar en voor vrouwen met 1,0 jaar. Volgens de nieuwe prognose zullen de mannen die in 1960 geboren werden een (cohort-)levensverwachting van 79 jaar hebben en zullen de vrouwen met dat geboortejaar gemiddeld 83 worden. Auteurs: Coen van Duin, Gwen de Jong, Lenny Stoeldraaijer en Joop Garssen

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2011. Tussen nu en 2040 zal meer dan een derde van alle Nederlandse gemeenten te maken krijgen met een afname van de bevolking. In ongeveer een tiende van de gemeenten zal ook het aantal huishoudens dalen. Bevolkingsgroei en -krimp raken tal van maatschappelijke aspecten, waaronder lokale voorzieningen, arbeids- en woningmarkt en onderwijs. Uitstroom van kenniskapitaal, vermogenden en jongeren, leegstand en dalende vastgoedwaarden kunnen zich voordoen. Op snel groeiende plaatsen gebeurt vaak het tegenovergestelde. Dit artikel laat zien welke regio’s in de periode 2005 tot 2010 zijn gegroeid of gekrompen, en hoe de aantrekkingskracht van regio’s samenhangt met hun sociaaldemografische ontwikkeling. Regio’s die per saldo zowel buitenlandse nieuwkomers als binnenlandse toestromers aantrekken ‘vertwintigen’ en vergrijzen daarmee beduidend minder snel dan gemiddeld. De grijze druk neemt er zelfs af. Regio’s die relatief minder aantrekkend zijn, kennen meestal geen binnenlandse toestroom van jongeren, en de minst aantrekkende per saldo ook geen toestroom van andere leeftijdscategorieën. Frappant is ook dat in gebieden zonder aantrekkende werking onder twintigers vooral mannen overblijven. Auteurs: Jan Latten en Niels

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2011. In 2010 kwamen 13,3 duizend asielzoekers naar Nederland. Dit is een daling van 11 procent ten opzichte van 2009, toen 14,9 duizend mensen een asielverzoek indienden. Bijna de helft van de asielzoekers was afkomstig uit Irak, Somalië of Afghanistan. De aantallen asielzoekers uit Irak en Somalië zijn ten opzichte van 2009 sterk afgenomen, terwijl het aantal asielzoekers uit Afghanistan juist licht is toegenomen. Auteurs: Arno Sprangers en John de Winter

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2011. In 2009 was de levensverwachting van pasgeboren jongens 78,5 jaar (grafi ek 1). In 1950 was dit nog 70,3 jaar. Deze stijging in de levensverwachting van jongens vond grotendeels plaats vanaf het midden van de jaren zeventig.

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2011. Volgens de nieuwe huishoudensprognose groeit het aantal huishoudens in Nederland nog met een miljoen, tot een maximum van 8,5 miljoen rond 2045. Daarna is een beperkte krimp voorzien. De toename betreft bijna geheel eenpersoonshuishoudens, voornamelijk van ouderen. Ten opzichte van de vorige prognose zijn de verwachtingen wat betreft de relatieve verdeling van de verschillende huishoudenstypen bijna ongewijzigd. De aantallen liggen hoger door de bijgestelde verwachtingen voor de migratie en de levensverwachting in de bevolkingsprognose. Auteurs: Coen van Duin en Lenny Stoeldraijer

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2011. Op 1 januari 2010 telde Nederland ruim 2,5 miljoen 65-plussers. Daarmee behoorde 15 procent van de totale bevolking tot deze leeftijdscategorie. De verschillen in het aandeel ouderen per provincie zijn groot: in Zeeland zijn ongeveer twee op de tien personen 65 jaar of ouder, terwijl dat in Flevoland slechts een op de tien is.

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2011. Op 1 januari 2010 woonden er in Nederland 342 duizend Surinamers. Dat was ruim 2 procent van de totale bevolking. In 1972 bedroeg het aantal Surinamers nog slechts 53 duizend.

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2011. In 2009 vonden er 3 153 geboorten plaats van tweelingen en 44 geboorten van drie- of meerlingen. Het aandeel van de tweelinggeboorten ligt sinds 2007 rond de 17 per duizend geboorten. In de jaren daarvoor, sinds 1998, waren dat er ruim 18.

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2011. De behaalde opleiding bepaalt in hoge mate of iemand werkt en wat het niveau is van zijn of haar beroep. Dit artikel gaat in op de verschillen tussen provincies in het aandeel hoogopgeleiden en hun arbeidsparticipatie. In de Randstedelijke provincies van Nederland blijken relatief veel hoogopgeleide mensen te wonen. De arbeidsparticipatie van hoogopgeleiden is hoog en laat weinig provinciale verschillen zien. Zeeuwse vrouwen met een hoge opleiding maken relatief vaak geen deel uit van de werkzame beroepsbevolking. Een op de drie hoogopgeleiden heeft een beroep dat beneden zijn of haar opleidingsniveau ligt. Auteurs: Kasper Leufkens en Martijn Souren.

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 201. Bijna 80 procent van de volwassen Nederlandse bevolking geeft aan de meeste mensen in hun buurt te vertrouwen. Het overgrote deel heeft contact met directe buren en overige buurtgenoten. Het contact met directe buren is vaak hecht, het contact met overige buurtgenoten blijft eerder wat oppervlakkig. Ouderen, mensen met een hoog inkomen, autochtonen en degenen die al wat langer in een buurtwonen hebben meestal veel vertrouwen en een hecht burencontact. In buurten met een groot aandeel niet-westerse allochtonen, lage inkomens, een hoge stedelijkheidsgraaden /of veel verhuizingen is het vertrouwen relatief laag en hebben mensen minder (hecht) contact met elkaar. Auteurs: Karolijne van der Houwen en Rianne Kloosterman.

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2011. Bij een naar verhouding slechte arbeidsmarkt met een stijgend aantal werklozen daalde in 2009 toch de langdurige werkloosheid. Dit is echter een naijleffect van een gunstige periode met minder kortdurige werklozen. Daardoor is de langdurige werkloosheid minder gevoed. In 2005, eveneens een slecht arbeidsmarktjaar, deed zich het omgekeerde voor. Toen steeg de langdurige werkloosheid als gevolg van de toename van de kortdurige werkloosheid een jaar eerder. Jongeren waren het minst vaak langdurig werkloos. Zij zijn ook beter in staat dan ouderen om langdurige werkloosheid te voorkomen, zelfs als de situatie op de arbeidmarkt verbetert. Verder waren allochtonen relatief vaker langdurig werkloos dan autochtonen. Auterus: Harry Bierings, Léander Kuijvenhoven, Jan van der Laan en Robert de Vries

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2011. Inwoners van Nederland gingen in 2008 gemiddeld 2,8 keer naar de huisarts. Degenen die de dichtstbijzijnde huisarts kozen, hoefden voor dit doktersbezoek meestal geen grote afstand af te leggen: de gemiddelde afstand bedroeg 0,9 kilometer.

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2011. De inkomstenontwikkeling van een persoon wordt vooral bepaald door zijn persoonlijke kenmerken en hangt veel minder sterk samen met de kenmerken van zijn woonbuurt. Bovendien is het niet zeker dat de samenhangen tussen buurtkenmerken en inkomstenontwikkeling echte buurteffecten zijn. Mogelijk verschillen inwoners van verschillende buurten van elkaar op ongemeten persoonlijke kenmerken, en daarnaast is de vraag met wie ze daadwerkelijk omgaan. Auterus: Marjolijn Das, Sako Musterd, Sjoerd de Vos en Jan Latten

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2011. In 2060 zal Nederland ruim 17,7 miljoen inwoners tellen, 1,1 miljoen meer dan op dit moment. De samenstelling van de bevolking zal naar verhouding sterker veranderen dan de omvang. Het aandeel van de niet-westerse allochtonen in de bevolking groeit van 11,4 naar 18,5 procent. Over een halve eeuw zullen naar verwachting 5,4 miljoen inwoners (westers of niet-westers) allochtoon zijn. Zij maken dan31 procent uit van de Nederlandse bevolking. Het aantal autochtonen neemt vanaf medio jaren twintig af, van 13,3 naar 12,3 miljoen. In 2060 bedraagt hun aandeel in de bevolking 69 procent, tegen 79 procent op dit moment. De niet-westerse bevolkingsgroep is nu nog aanzienlijk jonger dan de autochtone bevolking, maar zal in snel tempo vergrijzen. Met 22 procent 65-plussers zijn de niet-westerse allochtonen in 2060 bijna even sterk vergrijsd als de autochtonen. Auteur: Lenny Stoeldraijer en Joop Garssen

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2011. In de periode 2007/2009 hield één op de vijf jongeren er een ongezonde leefstijl op na. Onvoldoende bewegen, overgewicht en het gebruik van tabak, alcohol en cannabis maken daar deel van uit. In de periode 2007/2009 rookte een op de vijf jongeren dagelijks, was een op de vijf een zware drinkeren had een op de tien in de maand voorafgaand aan het onderzoek cannabis gebruikt. De helft van de jongeren bewoog onvoldoende en een op de zes kampte met overgewicht. Het zijn vooral de jongens die meerdere genotmiddelen gebruiken en te weinig bewegen. De leefstijl van jongeren met overgewicht verschilt weinig van die van jongeren zonder overgewicht. Auteurs: Doreen Ewalds en Francis van der Mooren.

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2011. Echtscheidingen waren vroeger nog uitzonderlijk, maar in de decennia die volgden veranderde dit snel. Sinds het begin van de vorige eeuw nam het aantal scheidingen toe van circa 600 naar 34 duizend per jaar.

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2011. Recente demografische ontwikkelingen en enkele aanpassingen in het prognosemodel liggen ten grondslag aan een nieuwe CBS-bevolkingsprognose die op enkele punten afwijkt van de vorige prognose uit 2008. Het meest opvallend is een snellere vergrijzing en hogere levensverwachting dan eerder werd aangenomen. Het aantal 65-plussers groeit tussen nu en 2040 van 2,4 naar 4,6 miljoen, 143 duizend meer dan volgens de vorige prognose. De levensverwachting bij geboorte stijgt in de komende halve eeuw voor mannen van 78,8 naar 84,5 jaar. Bij vrouwen neemt deze levensverwachting toe van 82,7 naar 87,4 jaar. Met 17,8 miljoenmensen is het maximale inwonertal van ons land, in 2040, ongeveer 360 duizend hoger dan twee jaar geleden werd verwacht. Auteurs: Coen van Duin en Joop Garssen

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2011. Ondanks de voortdurend veranderende samenstelling vande Nederlandse bevolking en huishoudens zijn vrouwen in de hoogste leeftijdsgroepen nog steeds fors oververtegenwoordigd. Voorts maken vrouwen vaker dan mannen deel uit van een eenoudergezin en wonen ze op hogere leeftijden vaker alleen. Dit artikel geeft een overzicht van de belangrijkste demografische ontwikkelingen in de afgelopen jaren, waarbij de nadruk ligt op de verschillen tussen mannenen vrouwen. Auteur: Elma Wobma

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2011. Op 1 januari 2010 woonden er 138 duizend Nederlands Antillianen en Arubanen in Nederland. Dat is iets minder dan 1 procent van de totale bevolking.

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2011. Van de Poolse immigranten die in de jaren 2000–2009 naar Nederland kwamen, is inmiddels bijna 60 procent weer vertrokken. Dit aandeel is iets kleiner dan onder de Spaanse en Italiaanse immigranten uit de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, maar beduidend groter dan onder Turken en Marokkanen die in die tijd naar Nederland kwamen. Anders dan destijds onder Turken en Marokkanen is van grootschalige gezinshereniging onder Poolse immigranten (vooralsnog) geen sprake. Auteur: Han Nicolaas

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2011. Van alle lidstaten van de Europese Unie is Malta het dichtstbevolkt. In 2008 telde dit land 1 304 inwoners per vierkante kilometer. Geen enkele andere lidstaat komt ook maar in de buurt van dit aantal. Op de tweede plek staat Nederland, met 487 inwoners per vierkante kilometer in 2008.

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2011. Op 1 januari 2009 was een op de tien Nederlandse woningen gebouwd na 2000. Op gemeenteniveau waren er echter grote verschillen in het aandeel van de woningvoorraad dat na 2000 is gebouwd.

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2011. De levensverwachting zonder chronische ziektes geeft een indicatie van de kwaliteit van het (resterende) leven. Deze maat is gebaseerd op het vóórkomen van een selectie van ziektes. De ziektes in deze selectie hebben verschillende invloeden op de gezonde levensverwachting. Ze komen niet allemaal evenveel voor en treffen groepen met verschillende sociaaleconomische en demografische kenmerken in verschillende mate. Laagopgeleiden hebben vooral op jongvolwassen en middelbare leeftijd vaker te kampen met bepaalde chronische ziektes. De ziektevrije levensverwachting van lager opgeleiden is hierdoor lager dan die van hoger opgeleiden. Auteur: Jan-Willem Bruggink

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2011. Sinds de invoering van de adoptiewet in 1956 zijn in Nederland ruim 55 duizend kinderen geadopteerd. Tot midden jarenzeventig waren dit vooral Nederlandse kinderen, daarna hoofdzakelijk buitenlandse. Het totaal aantal geadopteerde buitenlandse kinderen is met 39 duizend meer dan twee keer zo groot als het aantal geadopteerde Nederlandse kinderen. Het aantal geadopteerde meisjes is iets groter dan het aantal geadopteerde jongens. De laatste jaren is China het belangrijkste herkomstland van adoptiekinderen. Auteurs: John de Winter, Arie Eilbracht en Arno Sprangers.

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2010. In de prognose 2010–2060, die het CBS in december 2010 publiceert, wordt een nieuwe methode gebruikt om het aantal geboorten van tweede generatie kinderen te schatten. Deze nieuwe methode is gebaseerd op veronderstellingen over het gedrag van eerste generatie allochtonen, van autochtonen en van tweede generatie allochtonen op het gebied van partnerkeuze en vruchtbaarheid. Om na te gaan hoe de nieuwe aanpak de uitkomsten beïnvloedt, is de prognose van 2008 herberekend. De westerse tweede generatie groeit volgens de nieuwe schatting minder snel, de niet-westerse tweede generatie sneller. Volgens de nieuwemethode zijn er in de toekomst meer niet-westerse tweede generatie allochtonen met één in Nederland geboren ouder dan eerder gedacht. Bij de westerse allochtonen komt dit aantal lager uit dan volgens de prognose uit 2008. Auteurs: Coen van Duin en Elma Wobma

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2010. Dit artikel doet verslag van een onderzoek naar de omvang en het profiel van de populatie feitelijk daklozen in Nederland. Hoewel er op lokaal niveau diverse betrouwbare schattingen zijn gedaan, ontbreken actuele en betrouwbare cijfers op nationaal niveau. In dit onderzoek wordt hierin voorzien door gebruik te maken van de zogeheten vangsthervangst methode. De resultaten laten zien dat nog een aanzienlijke groep mensen geen dak boven het hoofd heeft. Daarnaast blijkt dat het profiel van de daklozen nogal afwijkt van dat van de algemene bevolking. Mannen, ongehuwden en personen tussen de 30 en 50 jaar zijn bij de daklozen fors oververtegenwoordigd. Auteurs: Moniek Coumans, Maarten Cruyff, Peter van der Heijden, Hans Schmeets en Judith Wolf

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2010. Tegenwoordig worden ruim vier op de tien kinderen buiten het huwelijk geboren. Van de eerstgeborenen wordt zelfs iets meer dan de helft buiten het huwelijk geboren. In veel gevallen betreft het geboorten bij samenwonende paren. Dit is echter niet op te maken uit de huidige CBS-cijfers naar burgerlijke staat van de moeder. In dit artikel wordt een nieuwe indeling naar samenleefvorm van de moeder beschreven, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen moeders die gehuwd samenwonen, niet-gehuwd samenwonen en zonder partner wonen ten tijde van de geboorte van hun kind. Auteurs: Mila van Huis en Suzanne Loozen

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2010. Statistieken over emigratie en immigratie tussen twee landen komen vaak slecht met elkaar overeen. Dit heeft te maken met verschillen in registratie en definities. Internationaal is er veel aandacht voor het verbeteren van de vergelijkbaarheid van migratiestromen. In dit kader hebben het CBS en het Zweedse statistiekbureau hun registraties van de migratie tussen beide landen met elkaar vergeleken. Op jaarbasis blijken aanzienlijke verschillen te bestaan, die niet door definitieverschillen verklaard kunnen worden. Auteurs: Elma Wobma, Han Nicolaas en Annika Klintefelt

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2010. Op 1 januari 2010 telde Nederland 16,6 miljoen inwoners. Een op de vijf inwoners behoort tot de allochtone bevolking. Dit artikel biedt een overzicht van de huidige omvang en samenstelling van de allochtone bevolking in Nederland waarbij de nadruk ligt op de niet-westerse groepen. Verder komen de ontwikkelingen in de immigratie en emigratie aan bod, met speciale aandacht voor kenmerken van niet-westerse emigranten. Daarna beschrijft dit artikel de kenmerken van allochtone huishoudens, met daarbij aandacht voor relatievorming en moederschap. Ten slotte komt de spreiding van de niet-westerse allochtonen in Nederland aan de orde. Auteurs: Han Nicolaas, Elma Wobma en Jeroen Ooijevaar

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2010

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2010

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2010

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2010

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2010. Na een verandering in burgerlijke staat zijn er duidelijke verschillen in welzijnsbeleving. Pasgetrouwden zijn gelukkiger dan personen van wie de burgerlijke staat niet is gewijzigd, terwijl pasverweduwden en pas gescheiden personen minder gelukkig zijn. Voor tevredenheid worden vergelijkbare resultaten gevonden. Naarmate de tijd vordert beoordelen getrouwden hun welzijn minder positief, terwijl verweduwde of gescheiden personen dit juist positiever gaan beoordelen. Dit onderschrijft de setpointtheorie, die stelt dat mensen zich aanpassen aan veranderende situaties en zich na verloop van tijd weer net zo tevreden en gelukkig voelen als voorheen. Auteurs: Marleen Wingen, Tineke de Jonge en Koos Arts

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2010. De levensverwachting zonder lichamelijke beperkingen is een maat die aangeeft hoeveel jaren iemand naar verwachting nog kan leven zonder beperkingen op het gebied van horen, zien en bewegen. Deze maat zegt daarmee iets over de kwaliteit van iemands (resterende) leven. Het is echter ook een tamelijk grove maat. De mate waarin iemand beperkt is, is immers ook van belang bij de bepaling van de kwaliteit van leven. Betekent een beperking op het gebied van horen, zien of bewegen ook dat iemand belemmerd is in zijn mogelijkheden tot het verrichten van alledaagse handelingen? Auteur: Jan-Willem Bruggink

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2010. In de periode 2000–2006 vestigden zich jaarlijks gemiddeld 40 duizend werknemers in Nederland en vertrokken jaarlijks gemiddeld 36 duizend werknemers uit Nederland. Zeven van de tien geïmmigreerde werknemers waren Nederlander of burger van een ander EU-land. Van de geëmigreerde werknemers was zelfs bijna 90 procent EU-burger. De nationaliteiten, banen en persoonlijke kenmerken van migrerende werknemers lopen sterk uiteen. Veel werknemers die in Nederland komen wonen gaan in een uitzend- of deeltijdbaan aan de slag. Hoogbetaalde voltijdbanen komen relatief het meest voor bij Amerikaanse, Britse en Japanse werknemers. Auteur: André Corpeleijn

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2010. Inkomen en vermogen zijn onafhankelijk van elkaar sterk gerelateerd aan gezondheid. Hoe hoger het inkomen, maar ook hoe hoger het vermogen, hoe meer mensen hun gezondheid als goed ervaren en hoe minder gezondheidsbeperkingen ze hebben. Los van deze hoofdeffecten heeft de combinatie van inkomen en vermogen een aanvullend effect op gezondheid. Van de diverse hier uitgewerkte varianten levert een combinatie gebaseerd op percentielen van inkomen en vermogen de meest praktische welvaartsmaat. Voor ouderen heeft deze bovendien de grootste onderscheidende waarde in gezondheidsverschillen. Auteurs: Marleen Wingen, Marije Berger-Van Sijl, Anton Kunst en Ferdy Otten

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2010. Limburg staat bekend als een sociaal-economisch achterstandsgebied met een hoge werkloosheid en veel laagopgeleiden. Daarnaast kampt Limburg met bevolkingskrimp en vergrijzing. Ook blijkt er minder sociale samenhang te zijn. In vergelijking met andere provincies kenmerkt Limburg zich door relatief weinig burencontacten, weinig vrijwilligers, een lage opkomst bij verkiezingen en minder vertrouwen in zowel de medemens als politici, het parlement en politieke partijen. Auteurs: Hans Schmeets en Koos Arts

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2010. De meerderheid van de Nederlandse bevolking heeft vertrouwen in elkaar en in veel nationale en internationale instellingen en organisaties. Vooral hoogopgeleiden, frequente kerkbezoekers, studenten en mensen met een betaalde baan hebben over het algemeen veel sociaal en institutioneel vertrouwen. In de periode 2002–2008 is het vertrouwen in instellingen en organisaties toegenomen; voor het onderlinge vertrouwen geldt dit minder sterk. Auteurs: Rianne Kloosterman en Hans Schmeets

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2010. Het krijgen van kinderen dwingt ouders keuzes te maken over de combinatie van arbeid en zorg. In de meeste gezinnen combineren beide ouders deze taken. Als een van hen niet kan of wil werken, speelt de zorg voor het gezin echter vooral bij moeders een rol in de afweging, en bijna niet bij vaders. Ook ligt het aandeel dat ouderschapsverlof opneemt om voor de kinderen te zorgen onder werkende vaders een stuk lager dan onder moeders. Wel is de periode waarin ouders verlof opnemen de afgelopen jaren ook onder vaders iets toegenomen. Auteurs: Marjolein Korvorst en Tanja Traag

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2010. De vruchtbaarheid van mannen verschilt van die van vrouwen. Het aandeel kinderlozen ligt hoger onder mannen, maar mannen die vader zijn hebben gemiddeld meer kinderen dan moeders. Evenals vrouwen hebben opeenvolgende generaties mannen het ouderschap steeds verder uitgesteld. Auteurs: Elma Wobma en Mila van Huis

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2010. Om gebruikers inzicht te geven in de verwachte trefzekerheid publiceert het Centraal Bureau voor de Statistiek onzekerheidsmarges voor zijn sterfteprognose. Deze worden berekend met een stochastisch prognosemodel. Als input daarvoor zijn veronderstellingen nodig over de levensverwachting. Voor de prognose van 2008 zijn verschillende analyses uitgevoerd om tot een herschatting van de onzekerheid in de levensverwachting te komen. Daarbij is gekeken naar fouten in sterfteprognoses uit het verleden en de variabiliteit in de in het verleden waargenomen trend voor de levensverwachting. Op basis van deze analyses en soortgelijke analyses uit de literatuur is gekozen voor een symmetrisch 95%-onzekerheidsinterval met een breedte van 10 jaar in 2050. Voor mannen en vrouwen wordt hetzelfde interval aangehouden. Auteurs: Nathaly Carolina en Coen van Duin

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2010. In 2009 zijn in Nederland bijna 15 duizend eerste asielverzoeken ingediend. Dit is 11 procent meer dan in 2008. Ruim de helft van de asielzoekers was afkomstig uit Irak of Somalië. In de 27 landen van de Europese Unie nam het aantal asielverzoeken in 2009 met 1,5 procent toe tot 261 duizend. Auteurs: Arno Sprangers en Han Nicolaas

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2010. Nederlandse ouders hebben een duidelijke voorkeur voor een gezin met tenminste één zoon en tenminste één dochter. Voorkeuren voor jongens of meisjes zijn niet duidelijk aanwezig; alleen ouders met één kind hebben een lichte voorkeur voor meisjes. De voorkeur voor een gemengde gezinssamenstelling is in jongere cohorten zwakker dan in oudere. Auteurs: Matthijs Kalmijn en Anouk van Steensel

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2010. Voortijdig schoolverlaters hebben ruim zes keer zo veel kans om in aanraking te komen met de politie dan jongeren die het onderwijs met een startkwalifi catie verlaten. In dit onderzoek is nagegaan welke factoren van invloed zijn op de kans dat jongeren in aanraking komen met de politie en in welke mate dit verloopt via voortijdig schoolverlaten, zowel direct als via niet waargenomen kenmerken. De regressie-analyses in dit onderzoek laten zien dat jongeren zonder diploma of startkwalifi catie een grotere kans hebben om in aanraking te komen met de politie, ook in vergelijking met jongeren die gelijk zijn op alle gemeten achtergrondkenmerken behalve het hoogst behaalde onderwijsniveau. Schoolverlaten houdt dus een substantieel effect. Auteurs: Tanja Traag, Olivier Marie en Rolf van der Velden

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2010. De laatste jaren worden in Nederland minder kinderen geadopteerd dan begin deze eeuw. Tussen 2004 en 2008 is het aantal adoptiekinderen bijna gehalveerd. Vooral het aantal adoptiekinderen uit China is afgenomen. Auteurs: Arno Sprangers, Arie Eilbracht en Han Nicolaas

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2010. Van de kinderen die sinds de jaren negentig uit huis gingen is ongeveer 15 procent een boemerangkind: zij keerden na verloop van tijd voor een poosje terug naar het ouderlijk huis. Het aandeel boemerangkinderen ligt onder kinderen die sinds de jaren negentig uit huis gingen bijna twee keer zo hoog als onder nestverlaters in de jaren zeventig. De belangrijkste verklaring voor deze toename is het feit dat de laatste decennia steeds minder kinderen direct gaan samenwonen of trouwen en meer kinderen om een andere reden uit huis gaan, bijvoorbeeld om te gaan studeren. Deze laatsten komen vaker weer even bij de ouders terug dan de samenwoners en de gehuwden. Auteurs: Elma Wobma en Arie de Graaf

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2010. Op 1 januari 2009 woonden er in Nederland 378 duizend Turken. Daarmee is ruim 2 procent van de Nederlandse bevolking van Turkse herkomst. In de leeftijdsgroep van 12 tot en met 17 jaar bedroeg het aantal Turken 43 duizend. Dat is 3,6 procent van alle 12–17-jarigen in Nederland.

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2010. Christenen hebben vaker een groot vermogen dan personen met een andere of zonder kerkelijke gezindte. Binnen de christelijke bevolking hebben trouwe protestantse kerkgangers het vaakst een groot vermogen. Bij katholieken is er geen onderscheid naar kerkgang. Zowel katholieken als protestanten sparen meer dan de rest van de bevolking en katholieken bezitten vaker een duur huis. In tegenstelling tot het vermogen is het inkomen geen onderscheidend kenmerk bij protestanten en katholieken. Auteurs: ReinderLok, Marleen Wingen en Ferdy Otten.

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2010. Van de ruim 38 duizend vluchtelingen met een verblijfsstatus die zich voor 2000 in Nederland vestigden, woonden op 1 januari 2008 nog bijna zeven op de tien in Nederland. De spreiding van deze vluchtelingen over Nederland wijkt af van die van de totale bevolking. Bijna de helft woonde in de stad, maar er zijn grote verschillen tussen de herkomstlanden. Auteurs: Nicol Sluiter en Frank van der Linden

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2010. Amsterdammers woonden in 2007 gemiddeld een halve kilometer van de dichtstbijzijnde huisarts vandaan. Van de 90 buurten waarover informatie bekend was, was in 60 procent de dichtstbijzijnde huisarts binnen een halve kilometer aanwezig.

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2010. De meeste Nederlanders gaan vaak om met anderen in hun omgeving. Deze sociale contacten zijn de laatste jaren eerder toegenomen dan afgenomen. Wel lijkt het aandeel mensen dat vrijwilligerswerk doet, informele hulp verleent of maandelijks meedoet aan activiteiten van verenigingen, licht te dalen. Vooral niet-westerse allochtonen zijn minder actief in organisaties dan autochtonen, als vrijwilliger of als deelnemer aan verenigingsactiviteiten. Zij geven daarentegen net zo vaak als autochtonen informele hulp. Eenzelfde beeld komt naar voren bij laagopgeleiden. Ook ouderen participeren doorgaans wat minder en hebben met name minder frequent contact met vrienden. Auteurs: Moniek Coumans en Saskia te Riele

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2010. Naast inkomen is ook vermogen een belangrijke welvaartsindicator om gezondheidsverschillen te onderzoeken. Meer ouderen met een laag vermogen hebben gezondheidsproblemen dan ouderen met een hoger vermogen. Ouderen met zowel een laag vermogen als een laag inkomen hebben de grootste kans op gezondheidsproblemen. Vermogen maakt bij personen ouder dan 50 jaar een beter onderscheid in gezondheidsverschillen dan bij personen jonger dan 50 jaar. Auteurs: Marleen Wingen en Ferdy Otten

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2010. Vrouwen in Nederland worden steeds later moeder. Dit is echter geen typisch Nederlands verschijnsel, maar doet zich in de gehele westerse wereld voor. Het steeds later kinderen krijgen is een van de belangrijkste kenmerken van het hedendaagse vruchtbaarheidspatroon.

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2010. Niet-westerse allochtonen verhuizen naar wijken waar bijna 19 procent minder autochtonen wonen dan in wijken waar autochtonen naartoe verhuizen. Er is dus sprake van selectief verhuisgedrag. Circa twee derde van het verschil in verhuisresultaat kan statistisch worden toegerekend aan verschillen in achtergrondkenmerken als leeftijd, inkomen of gezinssituatie. Het resterend deel kan worden gezien als maximale schatting van voorkeuren voor wonen in wijken met een gewenste bevolkingssamenstelling. Het kan dan gaan om de wens te wonen dichtbij familie, vrienden of anderen van gelijke herkomst. Auteurs: Aslan Zorlu en Jan Latten

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2010. In 1913 wijdde CBS-directeur Henri Methorst een onderzoek aan het probleem van de arbeidersvoeding. Arbeiders aten te eenzijdig: teveel aardappelstamppotten, te weinig eiwitten. In de verspreiding van kennis omtrent de voedzame, smakelijke én goedkope maaltijd zag hij een voortrekkersrol voor de huishoudscholen.

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2010. Op landelijk niveau is er een daling van bijna 20 procent van het aantal opgeleverde nieuwbouwwoningen over de eerste drie kwartalen van 2009 vergeleken met dezelfde periode in 2008. Opgesplitst in huur- en koopwoningen vertoont de huursector nog een lichte stijging van 4 procent.

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2010. In 2007 en 2008 liep de bevolkingsgroei van Nederland sterk op, mede onder invloed van de economische bloei in de voorafgaande periode. In 2009 begonnen de effecten van de economische crisis op de bevolkingsgroei zichtbaar te worden. De (arbeids)immigratie uit andere EU-lidstaten nam af en de stijging van het aantal geboorten sloeg om in een daling. Toch was er nog een beperkte verdere toename van de bevolkingsgroei. In 2010 daalt de groei naar verwachting tot 60 duizend personen. Daarna wordt een geleidelijke verdere afname voorzien, tot iets meer dan 40 duizend personen in 2015. Volgens de nieuwe bevolkingsprognose voor de korte termijn waarover dit artikel rapporteert, telt Nederland in 2016 16,9 miljoen inwoners; 40 duizend meer dan volgens de laatste langetermijnprognose. Auteurs: Coen van Duin en Han Nicolaas

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2010. Jaarlijks verhuizen ongeveer 650 duizend personen naar een andere gemeente, onder wie 96 duizend 18- tot en met 21-jarigen. Het verhuisgedrag van deze jongeren wijkt af van het gemiddelde. De verschillen zitten in de verhuisredenen, de afstand waarover wordt verhuisd en de bestemmingsgemeenten. De meerderheid van de jongeren verhuist voor studie en/of om zelfstandig te gaan wonen. Daarmee hangt samen dat ze vaker over een lange afstand verhuizen. Hun bestemmingsgemeenten zijn vaak de grote(re) gemeenten en gemeenten met een universiteit of HBO-instelling. Auteurs: Mila van Huis en Elma Wobma

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2010. Per 1 januari 2010 woonden er in Nederland ongeveer 75 duizend Chinezen. Van deze groep zijn er 50 duizend in China, Hongkong, Macau of Taiwan geboren. De tweede generatie Chinezen telt 25 duizend personen.

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2009. Het totaal aantal echtscheidingen en flitsscheidingen was de laatste zeven jaar vrij stabiel. In 2008 lag dit aantal op 35 duizend. Zeven op de tien paren die rond de eeuwwisseling zijn getrouwd, hebben daaraan voorafgaand samengewoond. Deze huwelijken houden minder vaak stand dan huwelijken zonder voorafgaand samenwonen. Om inzicht te krijgen in wat er na de scheiding met ex-partners gebeurt, richt dit artikel zich op het verhuisgedrag van ex-partners, op het contact tussen de ex-partners en op de vraag of mannen en vrouwen na een (echt)scheiding opnieuw gaan samenwonen. Auteurs: Elma Wobma en Arie de Graaf

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2009. Een echtscheiding kan niet alleen gepaard gaan met veel emoties, maar ook met ingrijpende financiële gevolgen. Aangezien vrouwen vaak de minst verdienende partner zijn, gaan zij er na de echtscheiding in financiële zin veelal op achteruit. Niet zelden houdt dit tevens in dat vrouwen de lasten van de voormalig echtelijke woning niet alleen kunnen dragen en gedwongen zijn de woning te verlaten. Huidige trends op het gebied van emancipatie zouden dit patroon echter wel eens kunnen afzwakken of doorbreken. Vrouwen zijn immers steeds beter opgeleid en vaker actief op de arbeidsmarkt. Als gevolg hiervan zijn de inkomsten van vrouwen een steeds belangrijker deel gaan uitmaken van de totale huishoudinkomsten, waarmee de zogenaamde bargaining power, oftewel onderhandelingsmacht, van vrouwen binnen et huwelijk is toegenomen. Voor dit artikel is onderzocht welke rol de verhouding tussen de inkomsten van man en vrouw, aangeduid met Gender Balance, speelt in het behouden van de woning na de echtscheiding. Auteurs: Barbara ten Hengel en Jan Latten

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2009. Veronderstellingen over vruchtbaarheid op regionaal niveau worden gedaan door het PBL en het CBS. Demografische, culturele, sociaaleconomische en woningmarktvariabelen spelen een belangrijke rol bij de verklaring van regionale verschillen in vruchtbaarheid. Voor de woningmarktvariabelen geldt dat zowel het aandeel eengezinswoningen als de uitbreiding van de woningvoorraad in de vijf jaar voorafgaand aan de meting van de gemeentelijke vruchtbaarheid een verhogend effect hebben. Daarnaast bieden regionale variabelen een verdere verklaring van gemeentelijke verschillen in vruchtbaarheid. Auteurs: Manon van Middelkoop en Andries de Jong

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2009. Hoogopgeleide mensen leven bijna 7 jaar langer dan laagopgeleiden. Dit verschil is in de periode 1997/2000–2005/2008 even groot gebleven. Ook leven hoogopgeleiden langer in goede gezondheid. De verschillen in gezonde levensverwachting tussen mensen met verschillende opleidingsniveaus zijn groter dan de verschillen in de totale levensverwachting. In de periode 1997/2000– 2005/2008 zijn de gezonde levensverwachtingen voor de verschillende opleidingsniveaus nauwelijks veranderd. Ook zijn de verschillen tussen de hoog- en laagopgeleiden ongeveer gelijk gebleven. Auteur: Jan-Willem Bruggink

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2009. Van 1 april 2001 tot 1 maart 2009 was het mogelijk om een huwelijk om te zetten in een partnerschap. Vervolgens kon dit partnerschap worden ontbonden zonder gang naar de rechter: een zogenaamde flitsscheiding. In de periode 2001–2009 hebben 30 duizend flitsscheidingen plaatsgevonden. Hiermee was de flitsscheiding de afgelopen jaren een serieus alternatief voor een echtscheiding. Auteurs: Mila van Huis en Suzanne Loozen

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2009. De regionale prognose 2009–2040 geeft een toekomstbeeld van de ontwikkeling van de bevolking en het aantal huishoudens per gemeente. Begin oktober 2009 kwam de update van de prognose gereed. Het aandeel ouderen zal de komende jaren naar verwachting in alle gemeenten sterk stijgen. De regio’s aan de randen van Nederland zullen in 2040 het hoogste aandeel hebben, net als nu het geval is. De nu nog jonge provincie Flevoland zal echter het snelst vergrijzen. Na 2025 zal de bevolkingskrimp, die nu al aan de randen van Nederland zichtbaar is, zich gaan uitbreiden naar de meer centrale regio’s. De Randstad blijft echter doorgroeien. De komende jaren is de groei van het aantal huishoudens relatief sterker dan die van het aantal inwoners. Na 2025 zal ook krimp van het aantal huishoudens een wijdverbreid fenomeen worden. Auteurs: Andries de Jong (PBL) en Coen van Duin (CBS)

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2009. Sinds 1996 hebben zich ruim 1,3 miljoen eerste generatie allochtonen in Nederland gevestigd. Van hen bleef lang niet iedereen in Nederland wonen. Na zes jaar was 35 à 45 procent weer vertrokken. Een kwart van de immigranten die in 1996 als alleenstaande naar Nederland kwamen, woonde zes jaar later samen. Voor immigranten die zich zes jaar later in Nederland vestigden was dit aandeel gedaald naar een zesde. Van degenen die in 1996 of 2002 als paar zonder kinderen arriveerden, had een derde na zes jaar één of meer kinderen. Tussen de herkomstgroepen bestaan wat betreft samenwonen en kinderenkrijgen aanzienlijke verschillen. Auteurs: Kim de Bruin en Han Nicolaas

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2009. Gezondheid hangt samen met de positie die mensen innemen op de sociale ladder. Ongezonde mensen hebben een lagere sociaaleconomische status dan gezonde mensen. In dit artikel gaan we na of ziekenhuisopnamegedurende de schoolloopbaan de kans op voortijdig schoolverlaten vergroot. Hiervoor koppelen we de schoolloopbaangegevens van het VOCL’93 aan registratieve data over ziekenhuisopnamen uit de LMR. Uit de analyses blijkt dat er alleen bij vwo-leerlingen sprake is van een vergrote kans op voortijdig schoolverlaten ten gevolge van een ziekenhuisopname. Auteurs: Tanja Traag, Mirjam van Heesch, Hans Bosma en Ferdy Otten

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2009. Het model waarmee het CBS zijn huishoudensprognose maakt, is aangepast. De nieuwe prognose wordt berekend met een macrosimulatiemodel waarin overgangen tussen huishoudensposities en burgerlijke staten worden gesimuleerd. Het model is geïmplementeerd in het softwarepakket LIPRO, dat door het NIDI werd ontwikkeld. De veronderstellingen zijn kwalitatief gelijk aan die van de laatste prognose, maar laten zich nu beter kwantificeren. Auteurs: Coen van Duin en Carel Harmsen

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2009. Het verhuispatroon van en naar studentensteden wijkt af van het landelijke patroon, zowel wat betreft vestiging als vertrek. Het ‘studentenpatroon’ kenmerkt zich aan de instroomkant door een relatief groot aantal 18- en 19-jarige vestigers. Bij de uitstroom zijn de vertrekkansen van 19-jarigen lager en die van 25-jarigen veel hoger dan in de landelijke verhuispatronen te zien is. Auteurs: Mila van Huis en Elma van Agtmaal-Wobma

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2009. De eerste generatie Marokkanen kwam in de jaren zestig en zeventig als ‘gastarbeider’ en als gevolg van de daaropvolgende gezinshereniging en gezinsvorming naar Nederland. Een groot deel van hen woont nog steeds in Nederland. Uit welke delen van Marokko kwamen zij oorspronkelijk en in welke Nederlandse gemeenten wonen zij nu? Recent zijn de geboorteplaatsen van de eerste generatie Marokkanen ingedeeld naar regio en provincie. Koppeling met de huidige woonplaats biedt een meer gedifferentieerde kijk op netwerkgestuurde migratie. Auteurs: Tineke Fokkema, Carel Harmsen en Han Nicolaas

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2009. Sinds de toetreding van Tsjechië en Slowakije tot de EU is het aantal Tsjechen en Slowaken in Nederland sterk toegenomen. De toename van de afgelopen jaren is vooral veroorzaakt door arbeidsmigranten. Eind jaren negentig kwam de helft van de immigranten nog voor gezinsvorming naar Nederland. Dat waren vooral vrouwen. In 2006–2007 hing meer dan de helft van de instroom samen met arbeidsmigratie. Mannen waren daarin oververtegenwoordigd. Auteurs: Lada Mulalic, Carel Harmsen en Ko Oudhof

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2009. Het aantal huishoudens blijft de komende decennia toenemen, van 7,2 miljoen in 2008 tot 8,3 miljoen in 2039. Daarna zal het aantal weer afnemen tot 8,2 miljoen in 2050. De groei van het aantal huishoudens wordt gedeeltelijk verklaard door de bevolkingsgroei. De huishoudenstoename is echter sterker, omdat het aandeel eenpersoonshuishoudens zal groeien. Dit heeft deels te maken met de vergrijzing, deels met een toename van scheidingen. Auteurs: Coen van Duin en Suzanne Loozen

Vier op de tien 55-plussers wonen buiten hun geboorteregio. De komende jaren zullen veel gemeenten vergrijzen en krimpen. Het absolute aantal ouderen zal fors toenemen en een sterker stempel drukken op het leven van alledag, ook op wonen en verhuisgedrag.

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2009. In dit artikel wordt verslag gedaan over onderzoek naar twee vormen van geregistreerd zorggebruik (zorg zonder verblijf en ziekenhuisopnamen) in relatie tot de sociaaleconomische status bij ouderen. Naast opleiding zijn twee operationalisaties van inkomen uit fiscale bronnen onderzocht als indicatoren van sociaaleconomische status. Auteurs: Marleen Wingen en Ferdy Otten

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2009. Allochtonen in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag voelen zich minder thuis in Nederland dan allochtonen elders in Nederland. Marokkanen, Antillianen en Surinamers in de drie grootste Nederlandse steden verschillen zelden in hun opvattingen. De opvattingen van Turkse allochtonen verschillen echter vaak tussen de drie steden. Amsterdamse Turken zijn het meest positief, Haagse Turken het minst. In een aantal gevallen verklaren generatie, gezinsinkomen en leeftijd deze verschillen. Toch blijft ook de stad zelf in sommige gevallen een verklarende factor. Auteur: Jeroen Nieuweboer

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2009. Volgens de nieuwe allochtonenprognose zal Nederland in 2050 bijna 5,0 miljoen allochtonen tellen, 1,8 miljoen meer dan op dit moment. Niet-westerse allochtonen nemen het grootste deel van de toekomstige bevolkingsgroei voor hun rekening. In 2050 zal hun aantal 3,0 miljoen bedragen, tegen 1,8 miljoen in 2009. Het aandeel van de nietwesterse allochtonen in de totale bevolking groeit daarmee van 10,8 naar 17,2 procent. Niettemin daalt het aandeel van de niet-westerse allochtonen in het totaal van de geboorten. Auteurs: Joop Garssen en Coen van Duin

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2009. Het aantal asielverzoeken in Nederland is in 2008 bijna verdubbeld ten opzichte van het jaar ervoor. Deze toename was veel sterker dan die in de gehele Europese Unie, waar het aantal asielverzoeken met 6 procent steeg. De meeste asielzoekers die naar de EU en naar Nederland kwamen, waren afkomstig uit Irak. Auteurs: Arno Sprangers, Han Nicolaas en Joke Korpel

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2009. In 2008 gebruikte 70 procent van de 18–45-jarige vrouwen in Nederland een methode om een zwangerschap te voorkomen, was 7 procent zwanger of wilde zwanger worden, was 9 procent onvruchtbaar en gebruikte 15 procent geen methode. Van de vrouwen die geen vaste partner hadden, paste de helft van de vrouwen een geboorteregelende methode toe. Het aandeel vrouwen dat een spiraaltje heeft laten plaatsen is de laatste jaren verdubbeld. In vergelijking met andere Europese landen was en is Nederland een perfect geboorteregelend land. Auteur: Arie de Graaf

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2009. Dit artikel gaat in op de samenhang tussen burgerlijke staat en verschillende gezondheidsindicatoren bij ouderen. Er bestaan duidelijke verbanden, ook als rekening wordt gehouden met verschillen in leeftijd, geslacht, opleiding en chronische ziekten. Ouderen met een levenspartner rapporteren vaker een goede gezondheid en minder gezondheidsgerelateerde klachten dan gescheiden, verweduwde en nooit gehuwde ouderen. Recent verweduwden hebben bovendien een extra verhoogde kans op een slechte psychische gezondheid. Auteurs: Marleen Wingen en Ferdy Otten

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2009. De langetermijn-bevolkingsprognose van het CBS is gebaseerd op veronderstellingen over het aantal immigranten, de emigratiegeneigdheid, de geboortecijfers en de sterfterisico’s. Bijstelling van deze veronderstellingen is regelmatig nodig. De afgelopen twee jaar is de Nederlandse bevolking veel sneller gegroeid dan in de prognose van 2006 was verwacht. De ontwikkelingen in alle componenten droegen bij aan de extra groei, maar het effect van de gestegen immigratie was het grootst. In de nieuwe prognose zijn de verwachtingen voor de immigratie en de levensverwachting naar boven bijgesteld. Volgens deze prognose groeit de Nederlandse bevolking tot een maximale omvang van 17,5 miljoen in 2038, om daarna te gaan krimpen. Het aantal 65-plussers stijgt van 2,4 miljoen in 2008 naar maximaal 4,5 miljoen in 2040. De potentiële beroepsbevolking krimpt in dezelfde periode van 10,1 naar 9,2 miljoen. Auteur: Coen van Duin

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2009. Evenals in de twee voorgaande prognoses is in het sterftemodel van de CBS-bevolkingsprognose 2008–2050 onderscheid gemaakt tussen voortijdige sterfte en ouderdomssterfte. Auteurs: Anouschka van der Meulen, Coen van Duin en Joop Garssen

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2009. Parkstad-Limburg kampt met een dalend bevolkingsaantal, mede doordat velen uit de regio vertrekken. In vergelijking met het gemiddelde patroon voor de Nederlandse bevolking wonen relatief veel oorspronkelijke ‘Parkstadters’ elders in het land. De uittocht genereert echter ook retourmigratie. Tussen 1999 en 2005 is circa 4 procent van de oorspronkelijke inwoners van Parkstad-Limburg terugverhuisd naar één van de gemeenten van Parkstad-Limburg. Dat is meer dan kan worden waargenomen voor overige inwoners van Nederland. Dit kan een interessante insteek zijn voor regionale beleidsvragen inzake bevolkingsontwikkeling en woningbouw. Auteurs: Elien Smeulders en Jan Latten

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2009. De uitkomsten van de nieuwe bevolkings- en allochtonenprognose, voor de periode 2008–2050, zijn mede gebaseerd op veronderstellingen over het toekomstige aantal immigranten. Op basis van diverse analyses wordt verondersteld dat op termijn jaarlijks 127 duizend immigranten naar Nederland zullen komen, 10 duizend meer dan in de vorige prognose werd verondersteld. Op termijn zullen jaarlijks 46 duizend niet-westerse immigranten naar Nederland komen, veelal gezinsherenigers en gezinsvormers. Ook het aantal arbeidsmigranten zal toenemen. Uit westerse landen worden op termijn jaarlijks 55 duizend immigranten verwacht, voor een groot deel arbeidsmigranten. De grootste groep, 39 duizend personen, betreft immigranten uit de landen van de Europese Unie. Daarnaast zullen jaarlijks 27 duizend in Nederland geboren personen (inclusief tweede generatie allochtonen) naar Nederland terugkeren. Auteur: Han Nicolaas

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2009. De uitkomsten van de nieuwe bevolkings- en allochtonenprognose, voor de periode 2008–2050, zijn mede gebaseerd op veronderstellingen over het toekomstige aantal immigranten. Op basis van diverse analyses wordt verondersteld dat op termijn jaarlijks 127 duizend immigranten naar Nederland zullen komen, 10 duizend meer dan in de vorige prognose werd verondersteld. Op termijn zullen jaarlijks 46 duizend niet-westerse immigranten naar Nederland komen, veelal gezinsherenigers en gezinsvormers. Ook het aantal arbeidsmigranten zal toenemen. Uit westerse landen worden op termijn jaarlijks 55 duizend immigranten verwacht, voor een groot deel arbeidsmigranten. De grootste groep, 39 duizend personen, betreft immigranten uit de landen van de Europese Unie. Daarnaast zullen jaarlijks 27 duizend in Nederland geboren personen (inclusief tweede generatie allochtonen) naar Nederland terugkeren. Auteur: Han Nicolaas

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2008. Voor het beleid wordt de lange termijn steeds belangrijker. De prognosehorizon van de vier bestaande langetermijnscenario’s, die loopt tot 2040/2050, is voor sommige beleidsvraagstukken eigenlijk te kort. Om deze reden zijn in dit artikel de vier scenario’s wat betreft de demografische toekomst doorgetrokken tot 2100. De marges van de verschillende elementen van de scenario’s worden daarmee vaak veel groter. Voor verschillende verschijnselen laat het ene scenario groei zien, en het andere krimp. Bij andere verschijnselen gaan alle scenario’s in dezelfde richting. Ondanks de grote onzekerheid die aan scenario’s voor de zeer lange termijn is verbonden, geven ze wel een indruk van de bandbreedte van bepaalde ontwikkelingen.

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2008. In het Actieplan Krachtwijken dat minister Vogelaar medio 2007 naar de Tweede Kamer stuurde, zijn veertig wijken geïdentificeerd waarin de kwaliteit van de leefomgeving door een cumulatie van problemen achterblijft bij de anderewijken in de stad. In opdracht van het programmaministerie voor Wonen, Wijken en Integratie heeft het CBS een instrument ontwikkeld om de voortgang van het Krachtwijkenbeleid te volgen. De Outcomemonitor Krachtwijken brengt de veertig aandachtswijken in kaart en beantwoordt de vraag of de achterstanden worden ingelopen. Auteur: Luuk Schreven en Maartje Rienstra

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2008. In dit artikel wordt de relatie onderzocht tussen indicatoren van sociaaleconomische status en fysieke beperkingen van ouderen (55 tot 80 jaar). Naast opleiding zijn daarbij drie operationalisaties van inkomen gehanteerd: jaarinkomen, 4-jaarsinkomen en langdurig laag inkomen. Ouderen met een lage sociaaleconomische positie hebben vaker beperkingen dan ouderen met een hogere positie. Dit geldt zowel voor opleiding als voor de drie inkomensoperationalisaties. Auteur: Marleen Wingen en Ferdy Otten

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2008. Sinds 1993 zijn aan de rand van steden veel nieuwbouwwoningen gebouwd op zogenaamde Vinex-locaties. Deze Vinex-wijken blijken geen doorsnee wijken te zijn. De nieuwe inwoners zijn vooral jonge gezinnen uit aangrenzendesteden die in relatief dure huizen wonen. Auteur: Bert Raets

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2008. Dit artikel beschrijft allochtonen uit de voormalige Sovjet-Unie in Nederland op basis van een indeling naar de huidige herkomstlanden. Het gaat om een zeer gemengde groep wat betreft migratiemotieven, samenstelling en sociaaleconomische positie. Mensen uit de Kaukasische regio komen vaker als vluchteling en met hun gezin naar Nederland, enhebben een relatief zwakke sociaaleconomische positie. Deze immigranten zijn vaker afhankelijk van een uitkering en minder vaak actief op de arbeidsmarkt. Personen afkomstig uit Rusland en de westelijke republieken vormen een meer gevarieerde groep met uiteenlopende demografische en sociaaleconomische kenmerken. Deze groep heeft ten opzichte van andere herkomstcategorieën een hoger inkomenen een hogere arbeidsdeelname. Immigranten uit de Baltische staten zijn overwegend vrouwen met gezinsvorming als voornaamste migratiemotief. Auteurs: Katja Chkalova, Lada Mulalic, Rik van der Vliet, Ko Oudhof en Carel Harmsen

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2008. In vijf jaar tijd is het aantal geboorten onder meisjes jonger dan 20 jaar met ruim een kwart gedaald. In 2007 werden in deze jongste leeftijdsgroep 2,5 duizend kinderen geboren, tegen 3,5 duizend in 2002. De daling heeft grotendeels plaatsgevonden onder niet-westers allochtone tieners. Vooral de geboortecijfers van Turkse en Marokkaanse meisjes bewegen zich sterk in de richting van die van autochtone meisjes. Omdat ook het abortuscijfer daalde, is sprake van veel minder zwangerschappen onder tienermeisjes. Ondanks deze gunstige trends blijft preventie van groot belang, met Surinaamse en Antilliaanse meisjes als grootste aandachtsgroepen. Auteur: Joop Garssen

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2008. In juli 2008 is de actualisering van de regionale prognose met het model PEARL door het Planbureau voor de Leefomgeving en het CBS gepubliceerd. Hierin komt de prognose van het aantal huishoudens tot stand door het modelleren van processen in de levensloop. Dit artikel geeft een beeld van vier belangrijke processen, te weten: het uit huis gaan, het gaan samenwonen, het uit elkaar gaan en gaan wonen in een instelling. Deze processen worden vanuit drie invalshoeken geanalyseerd: patronen naar leeftijden geslacht, naar herkomstgroep en naar regio. De uitkomsten van deze analyses worden gebruikt als veronderstellingen voor het onderdeel huishoudens(positie) in de actualisering van de regionale prognose. Auteur: Andries de Jong

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2008. In juli 2008 is de actualisering van de regionale prognose met het model PEARL door het Bureau van de Leefomgeving en het CBS gepubliceerd. De prognose van het aantal huishoudens komt tot stand via de prognose van de bevolkingnaar huishoudenspositie. In dit artikel wordt ingegaan op de methodologie van dit onderdeel van de regionale prognose. Tevens wordt ingegaan op dimensies van huishoudensmodellen en worden PEARL en andere huishoudensmodellen getypeerd. Auteur: Andries de Jong

Bevolkingstrends 3e kwartaal 2008. In 2007 werden 32,6 duizend huwelijken door de Nederlandse rechter ontbonden. Dit is vrijwel gelijk aan het totaal voor 2006, toen 32,5 duizend echtscheidingen werden uitgesproken. Bij ruim zes op de tien echtscheidingen warenminderjarige kinderen betrokken. Het ging in totaal om 34,7 duizend kinderen. Ruim de helft van hen was op het moment van scheiding jonger dan tien jaar. Bij ruim een derde van de in 2007 afgedane scheidingszaken zijn afspraken vastgelegd over kinderalimentatie. In iets meer dan de helft van deze zaken is een maandelijks bedrag van 300 euro of meer vastgesteld. In één op de vijf echtscheidingsbeschikkingen is bepaald dat de man alimentatie aan de vrouw moet betalen. Bij de helft van deze beschikkingen gaat het om een maandelijks bedrag van 600 euro of meer. Alimentatie van de vrouw aan de man komt weinig voor: bij 1 procent van de echtscheidingen is in 2007 deze verplichting opgelegd. Auteurs: Arno Sprangers en Nic Steenbrink

Bevolkingstrends 3e kwartaal 2008. De meeste mensen kiezen ‘ruimtelijk homogame’ partners: ze vinden een partner in hun omgeving. Dit artikel beschrijft in welke mate Nederlanders een samenwoonpartner kiezen die in de buurt woont. Mensen met een hoge sociaaleconomische status vinden hun partners verder weg dan mensen met een lage sociaaleconomische status. Andere kenmerken die samenhangen met een partner op grotere afstand zijn een hogere leeftijd, alleenwonen en gescheiden zijn. Regionale verschillen in ruimtelijke homogamie lijken te duiden op regionale culturele verschillen, waarbij de kortste afstanden worden gevonden in hechte gemeenschappen met een specifieke religie en/of dialect. Auteurs: Karen Haandrikman, Carel Harmsen, Leo van Wissen en Inge Hutter

Bevolkingstrends 3e kwartaal. Met gegevens uit het Onderzoek Gezinsvorming 2003 van het CBS en panelgegevens uit de Netherlands Kinship Panel Study kan worden aangetoond dat duurzame latrelaties vooral een optie zijn voor middelbare tot wat oudere personen die een echtscheiding hebben meegemaakt, in een stedelijke omgeving wonen en al enkele jaren ervaring hebben met een latrelatie. Een fors toenemend aantal ouderen, een toenemend aantal gescheidenen en meer mensen in een stedelijke omgeving zullen een positief effect hebben op het aantal latrelaties in Nederland. Alleenstaande moeders met thuiswonende kinderen die in eerste instantie voor een latrelatie kiezen, zien zo’n relatie vaker als overgangsfase. Auteurs: Jenny de Jong Gierveld en Jan Latten

Bevolkingstrends 3e kwartaal. Immigranten gaan bij aankomst in Nederland vaak wonen in buurten waar landgenoten wonen. Ze komen vaak terecht in de grote steden, waarbij vooral Marokkanen en westerse immigranten zich relatief vaak in Amsterdam vestigen. Niet-westerse immigranten verhuizen in de eerste vier jaar na aankomst eerder naar buurten met meer dan naar buurten met minder niet-westerse allochtonen. Auteurs: Clara H. Mulder en Aslan Zorlu

Bevolkingstrends 3e kwartaal 2008. In 2008 hebben het Planbureau voor de Leefomgeving en het CBS voor de tweede keer de regionale bevolkings- en huishoudensprognose uitgebracht. Deze prognose, met behulp van het model PEARL, geeft een beeld van regionaledemografische ontwikkelingen in de periode van 2007 tot 2025. Dit artikel beschrijft de belangrijkste uitkomsten op het niveau van provincies en gemeenten. Auteurs: Andries de Jong en Elma van Agtmaal-Wobma

Bevolkingstrends 3e kwartaal 2008. In 2006 hebben het RPB en het CBS voor het eerst een regionale demografische prognose uitgebracht. Deze prognose, met behulp van het model PEARL, geeft een beeld van regionale ontwikkelingen in de bevolking, allochtonenen huishoudens in de periode tot 2025. In 2008 is de actualisering van deze prognose gepresenteerd. In de prognose vormt de schatting van het aantal korte-afstandmigranten een belangrijk onderdeel. Deze schatting werd in de eerste prognose verricht met behulp van het ruimtelijk interactiemodel, waarbij het inwonertal van de vestigingsgemeente en de hemelsbrede afstand tussen vertrekenvestigingsgemeente de twee verklarende variabelen vormen. In dit artikel wordt nagegaan in hoeverre het gebruik van reisafstanden een verbetering van de schatting oplevert. Voor alle provincies blijkt sprake te zijn van een forse verbetering van de fit tussen geschatte en waargenomen migratiestromen. Deze is zodanig dat in de actualisering van de regionale prognose gewerkt wordt met reisafstanden in plaats van afstanden hemelsbreed. Auteurs: Pieter Wijngaarden en Andries de Jong

Bevolkingstrends 3e kwartaal. Dit artikel beschrijft de fysieke en psychische gezondheid van ouderen naar opleiding, jaarinkomen, 4-jaarsinkomen en langdurig laag inkomen. Voor de drie operationalisaties van inkomen geldt dat hoe lager het inkomen is, hoe meerouderen een slechte fysieke of psychische gezondheid hebben. Opleiding maakt een overeenkomstig onderscheid in fysieke gezondheid, maar nauwelijks of geen onderscheid in psychische gezondheid als deze wordt gemeten met de zogeheten Short Format-12. De verbanden blijven ook bestaan als rekening wordt gehouden met het vóórkomen van chronische ziekten. Auteurs: Marleen Wingen en Ferdy Otten

Bevolkingstrends 3e kwartaal 2008. In diverse onderzoeken is getracht de subjectieve sociale onveiligheid te verklaren

Hoe lager het inkomen, hoe meer ouderen de huisarts en specialist raadplegen.

Bevolkingstrends 2e kwartaal 2008. Het is bekend dat een volwassene er nadelen van kan ondervinden als hij of zij in een gebroken of arm gezin is opgegroeid. Er is nog maar weinig bekend over de gevolgen die een kind op lange termijn ondervindt als een ouder tijdens de opvoeding van het kind met de politie in aanraking kwam. In het hier gepresenteerde onderzoek wordt met behulp van gegevens uit het Sociaal Statistisch Bestand de samenhang tussen het geregistreerd staan als verdachte van twee opeenvolgende generaties geanalyseerd, rekening houdend met de samenstelling en sociaaleconomische positie van het gezin waarin de kinderen opgroeiden. Auteurs: Gregory Besjes en Ruben van Gaalen

Bevolkingstrends 2e kwartaal 2008. Volwassen kinderen verhuizen niet vaak in de richting van hun ouders. Als ze het doen, is het eerder rondom een eigen relatiebreuk of als ze kinderen krijgen dan bij hoge leeftijd of scheiding van de ouders. Daarnaast is een effect te zien van verweduwing van de moeder, maar niet van de vader. Auteurs: Clara H. Mulder, Francesca Michielin en Jan Latten

Bevolkingstrends 2e kwartaal 2008. Onderzoek naar intergenerationele overdracht van vruchtbaarheidsgedrag heeft zich tot nu toe vooral gericht op het aantal kinderen. Het hier beschreven onderzoek richt zich op de overdracht van de leeftijd bij de geboorte van het eerstekind. Speciale aandacht wordt besteed aan veranderingen van de sterkte van deze overdracht over cohorten heen. Op basis van eerder onderzoek is het onduidelijk of verwacht kan worden dat deze overdracht in de tijd zal toe- of afnemen. Event history analyse op Nederlandse registergegevens toont een forse mate van intergenerationele overdracht van de leeftijd waarop het eerste kind wordt geboren. De overdracht van moeders op kinderen neemt over de cohorten heen toe. De intergenerationele overdracht wordt zwakker naarmate kinderen het ouderschap langer uitstellen. Op jonge leeftijden geldt dat de overdracht van moeders op kinderen sterker is dan die van vaders op kinderen. Auteurs: Liesbeth Steenhof en Aart C. Liefbroer

Bevolkingstrends 2e kwartaal 2008. Door koppeling van integrale registergegevens kan het CBS steeds meer ruimtelijke en laagregionale statistieken samenstellen. Dit artikel gaat in op de wijze waarop de gegevens worden berekend, en presenteert twee praktischetoepassingen: berekening van de afstand tussen woning en basisschool, en berekening van het aantal basisscholen dat (te) dicht bij een vervuilende weg ligt. Auteur: Bert Bunschoten

Bevolkingstrends 2e kwartaal 2008. In het afgelopen decennium is het aantal gezinnen met vier of meer kinderen onder zowel allochtonen als autochtonen snel gedaald. Vooral het aandeel van de allochtonen in de zeer grote gezinnen (met acht of meer kinderen) is forsgeslonken. Momenteel zijn ruim vier op de vijf zeer grote gezinnen autochtoon. Onder Antillianen en Surinamers heeft ongeveer de helft van de grote gezinnen maar één ouder. Niet etnische herkomst, maar het orthodox protestantisme speelt een hoofdrol in de ruimtelijke spreiding van het grote gezin. Dit patroon verandert nauwelijks. Van een duidelijke convergentie in de richting van het landelijk gemiddelde is evenmin sprake. Auteurs: Joop Garssen en Hennie Roovers

Bevolkingstrends 2e kwartaal 2008. Hoogopgeleide vrouwen zijn gemiddeld ouder als ze voor het eerst moeder worden dan laagopgeleide vrouwen. Ook is het aandeel kinderloze vrouwen groter onder hoog opgeleiden. Dit artikel gaat in op de vraag of uitstel van moederschapeffect heeft op de totale vruchtbaarheid. Met behulp van integrale gegevens en de opleidingsvariabele uit het Sociaal Statistisch Bestand wordt voor verschillende generaties de relatie tussen opleidingsniveau en vruchtbaarheid onderzocht. Auteurs: Elma van Agtmaal-Wobma en Mila van Huis

Bevolkingstrends 2e kwartaal 2008. Door toepassing van nieuwe methodieken en de beschikbaarheid van nieuwe bestanden kunnen voorlopige cijfers over Nederlandse bevolkingskernen worden afgeleid. Voor het jaar 2006 zijn 2139 dorpen, steden en agglomeratiesafgebakend. Ruim 7,5 miljoen inwoners wonen in kernen met minimaal 50 duizend inwoners. In de periode 2001–2006 is in 55 procent van de kernen de bevolking toegenomen. In 77 procent van de kernen nam het woningaanbod toe. Stedelijke kerngroepen bevatten in 2006 relatief meer inwoners dan in 2001. Bij binnenlandse verhuizingen trekt 43 procent van het aantal personen weg uit eigen dorp ofstad. Vanuit landelijke kernen wordt daarbij de voorkeur gegeven aan een grotere, stedelijker kern. Auteurs: Niek van Leeuwen en Willem Regeer

Bevolkingstrends 2e kwartaal 2008. De bevolkingsgroei van Noord-Nederland neemt sinds 2001 gestaag af. In 2005 werd het voorlopige dieptepunt bereikt en daalde het aantal inwoners van de noordelijke provincies zelfs licht. Achter deze bevolkingsontwikkeling gaat eeninteressante dynamiek schuil, waarbij de drie noordelijke provincies zeer verschillende verhuispatronen blijken te hebben. Het stadsgewest Groningen functioneert als ‘opwerkfabriek’ voor jongeren die uit alle uithoeken van Noord-Nederland naar het stadsgewest trekken. Na enkele jaren van vergaren van kenniskapitaal stromen de dan wat oudere jongeren weer uit. Ze vertrekken vooral naar West-Nederland, waar ze een grotere kans maken op inkomensstijging. Deze ontwikkelingen zijn een indicatie van de braindrain uit de regio. Auteurs: Jan Latten, Marjolijn Das en Katja Chkalova

Bevolkingstrends 2e kwartaal 2008. Naar aanleiding van een studiemiddag van de Nederlandse Vereniging voor Demografie over de mogelijkheden en problemen van het gebruik van het Sociaal Statistisch Bestand, is het tijd om de stand van zaken op te maken. Het bestand is de laatste jaren flink in omvang toegenomen, vooral op het terrein van gezondheid, integratie van allochtonen, het verband tussen ruimtelijke en sociale mobiliteit, onderwijs en sociale dynamiek. Daarvoor zijn nieuwe registers en enquêtes toegevoegd. Helaas zijn het opleidingsniveau en de inkomens van personen en huishoudens nog niet integraal opgenomen. Hoewel bij het opleidingsniveau hiertoe wel een poging is gedaan, leidt het gebruik van de betreffende gegevens niet in alle gevallen tot plausibele resultaten. Het aantal toepassingen in wetenschappelijk onderzoek is eveneens toegenomen, zoals onder meer blijkt uit drie artikelen die in deze aflevering van Bevolkingstrends zijn opgenomen. Auteur: Bart F.M. Bakker

Bevolkingstrends 1e kwartaal 2008. In 2007 zijn in Nederland 9,7 duizend asielverzoeken ingediend. Dit is het laagste aantal sinds 1988, toen 7,5 duizend mensen een asielverzoek indienden. In 2006 was het aantal asielaanvragen in Nederland, tegen de Europese trend in, nog iets toegenomen. De ontwikkeling van het aantal asielzoekers in Nederland vertoont een grillig patroon. In de eerste helft van de jaren negentig kwam het aantal asielverzoeken in een stroomversnelling. In 1994 werd een recordaantal van bijna 53 duizend verzoekeningediend. Na 1994 liep dit aantal kortstondig weer terug. Tussen 1996 en 1998 verdubbelde het aantal asielzoekers, om na de eeuwwisseling weer te dalen. Auteurs: Arno Sprangers en Han Nicolaas

Bevolkingstrends 1e kwartaal 2008. De emigratie uit Nederland bereikte in 2006 met ruim 130 duizend personen een nieuw record. In dit artikel wordt een beeld geschetst van de emigratie door de jaren heen, het soort mensen dat emigreert en de populairste bestemmingslanden. Tevens worden de belangrijkste redenen voor emigratie in beeld gebracht. De kwaliteit van de publieke ruimte blijkt voor emigranten een van de belangrijkste factoren te zijn in de beslissing om te emigreren. Aangezien het creëren van rust, ruimte en natuur in een land als Nederland een moeilijke en tijdrovende zaak is, zal de druk om te emigreren niet eenvoudig kunnen worden weggenomen. Auteurs: Harry van Dalen, Kène Henkens en Han Nicolaas

Bevolkingstrends 1e kwartaal 2008. In dit artikel wordt onderzocht of eerder verblijf in Nederland en de duur hiervan samenhangen met later migratiegedrag. Reïmmigranten (personen die Nederland vaker dan éénmaal zijn binnengekomen) blijken een aanzienlijk grotere kans te hebben om het land opnieuw te verlaten dan andere immigranten. Tevens blijkt dat bij reëmigranten (personen die Nederland weer hebben verlaten) de kans om opnieuw te immigreren toeneemt met de tijd die in Nederland is doorgebracht. Reëmigranten en reïmmigranten zijn relatief vaak Europeanen. Zij vertonen een dynamischer migratiegedrag dan andere immigrantengroepen. Auteurs: Ruben van Gaalen, Jeroen Ooijevaar en Govert Bijwaard

Bevolkingstrends 1e kwartaal 2008. Door een sterk stijgend migratiesaldo en een dalend aantal sterfgevallen is de bevolking in 2007 twee keer sneller gegroeid dan in de bevolkingsprognose van 2006 was verwacht. Het hogere migratiesaldo hing samen met een forsetoename van de immigratie uit lidstaten van de Europese Unie. Daarnaast nam het aantal eerste generatie allochtonen dat emigreerde sneller af dan verwacht. De nieuwe bevolkingsprognose voor de korte termijn waarover dit artikel rapporteert, beschrijft de verwachte ontwikkelingen in de komende zes jaar. Het is een bijstelling van de langetermijnprognose uit 2006. Voor de komende jaren wordt een groei van 50 duizend personen verwacht, dalend tot 40 duizend in 2013. Volgens de bijgestelde prognose telt Nederland in 2014 16,7 miljoen inwoners, 100 duizend meer dan volgens de laatste langetermijnprognose. Auteur: Coen van Duin

Bevolkingstrends 1e kwartaal 2008. In de periode 1971–2006 is het percentage alleenstaanden in de Nederlandse bevolking verdrievoudigd. Deze toename vond plaats in vrijwel alle fasen van de demografische levensloop. Jongeren wonen tegenwoordig een aantal jaren op zichzelf voordat ze gaan samenwonen. Samenwonenden gaan eerder uit elkaar als de relatie op een dood spoor zit. Meer ouderen blijven, ook na verweduwing, zelfstandig wonen. In dit artikel wordt nagegaan in hoeverre deze veranderingen leiden tot structurele wijzigingen in de huishoudenssamenstelling van de bevolking van Nederland, en welke demografische processen hieraanten grondslag liggen. Auteur: Carel Harmsen

Bevolkingstrends 1e kwartaal 2008. In de vorige eeuw werden in Nederland bijna 20 miljoen kinderen geboren. In dezelfde periode overleden 9,6 miljoen mensen, kwamen 6 miljoen migranten naar Nederland en gingen bijna 5 miljoen emigranten naar het buitenland.De invloed van de vruchtbaarheid op de bevolkingsgroei en -samenstelling is in de twintigste eeuw dan ook beduidend groter geweest dan die van de andere demografische componenten. Dit artikel schetst de ontwikkeling van de geboorte vanaf 1900. Voorts besteedt het aandacht aan nieuwe ontwikkelingen die in de twintigste eeuw hebben plaatsgevonden. Het gaat hierbij vooral om de buitenechtelijkevruchtbaarheid en het uitstel van het eerste kind, die in het laatste kwart van de vorige eeuw een hoge vlucht namen. Auteur: Arie de Graaf

Bevolkingstrends 1e kwartaal 2008. Lange tijd vormde zuigelingensterfte een groot deel van de sterfte in Nederland. Aan het begin van de in dit artikel beschreven periode betrof één op de vijf sterfgevallen een kind in het eerste levensjaar. Er blijkt sprake te zijn van een opmerkelijke continuïteit in de regionale sterfteverschillen. Wel zijn deze verschillen in de loop van de tijd afgenomen. Het zwaartepunt van de gebieden met de hoogste zuigelingensterfte is bovendien geleidelijk verschoven van het westen naar het (zuid-)oosten. Auteurs: Peter Ekamper en Frans van Poppel

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2008. Welke nationale problemen de bevolking naar eigen zeggen als urgent ervaart, varieert nauwelijks tussen stedelijke en plattelandsgebieden. Ook de diversiteit tussen het oosten, westen, zuiden en noorden is beperkt. Dit is verassend, omdat stedelingen met andere problemen kampen dan bewoners van het platteland. Het duidt op een discrepantie tussen de feitelijke problematiek in de directe leefomgeving en de aandacht die men hiervoor vraagt. Auteur: Hans Schmeets

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2007. In dit artikel wordt het huidige aantal stiefgezinnen en hun samenstelling in Nederland in kaart gebracht. Daarnaast wordt de ontwikkeling hierin in de afgelopen jaren gevolgd. Op basis van de adresbewoning volgens de GBA en dedaarop gebaseerde huishoudensstatistiek wordt het aantal stiefgezinnen in 2007 geschat op 149 duizend, met in totaal 282 duizend kinderen. Deze schatting wordt beschouwd als een ondergrens van het aantal stiefgezinnen. Het aantal stiefgezinnen en het aandeel ervan in het totaal aantal twee-oudergezinnen is de afgelopen jaren gestegen. In ruim 80 procent van de stiefgezinnen is een stiefvader aanwezig. Auteur: Liesbeth Steenhof

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2007. Ontwikkelingen op korte termijn, in bepaalde regio’s of in specifieke bevolkingsgroepen vormen vaak interessante nieuwsfeiten. Algemene conclusies mogen we er echter niet aan verbinden. Dit artikel laat, aan de hand van zeven tegenstellingen, zien hoe het demografische beeld verandert als een ander perspectief wordt gekozen. Voor een goed begrip van demografische ontwikkelingen zullen de betreffende cijfers vaak op meerdere manieren moeten worden bekeken. Auteur: Joop Garssen

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2007. In België wonen ruim 111 duizend Nederlanders. Dat zijn er drie keer zoveel als andersom: in Nederland wonen 36 duizend Belgen. Het aantal Belgen in Nederland is stabiel en bevindt zich overwegend in de grensstreek en in(studenten)steden. Het motief om te migreren is voornamelijk relatievorming, studie en werk. Het aantal Nederlanders in België is vooral vanaf 2000 vrij sterk toegenomen. Naast relatievorming is een belangrijk motief om (net) over de grens te gaan wonen de beschikbaarheid van goedkopere woningen of een aantrekkelijker en rustiger woonomgeving, bijvoorbeeld in de Ardennen. Auteurs: Elma van Agtmaal-Wobma, Carel Harmsen, Luc Dal en Michel Poulain

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2007. In 1986 publiceerde de Gezondheidsraad een beleidsadvies met betrekking tot zelfdoding. De in het betreffende rapport beschreven ontwikkelingen rond zelfdoding tot medio jaren tachtig werden als zorgwekkend beschouwd.Niet alleen vertoonden de cijfers een ongunstige trend, maar ook bleek de positie die Nederland ten opzichte van omringende landen bekleedde te verslechteren. Dit artikel beschrijft de relevante ontwikkelingen die zich sinds medio jaren tachtig hebben voorgedaan. De eerdere ongunstige trend blijkt niet te hebben doorgezet, en Nederland bekleedt nog steeds een relatief gunstige positie binnenEuropa. Wel blijven de grote verschillen tussen de bevolkingsgroepen in ons land om speciale aandacht vragen. Auteurs: Joop Garssen en Jan Hoogenboezem

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2007. Jaarlijks maken in Nederland tussen de 50 en 60 duizend kinderen een scheiding van hun ouders mee.Ruim 40 procent van hen krijgt te maken met een stiefouder. Omdat de meeste kinderen bij de moeder blijven wonen, is er vaak sprake van een stiefvader. Kinderen die opgroeien met een stiefmoeder krijgen vaker te maken met stiefbroers of stiefzussen dan kinderen die opgroeien met een stiefvader. De thuissituatie bij een stiefmoeder wordt negatiever ervaren dan die bij een stiefvader. Auteur: Arie de Graaf

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2007. Dit artikel gaat in op de verschillen in sterfterisico tussen autochtonen en de belangrijkste niet-westerse herkomstgroepen in Nederland. De gegevens hebben betrekking op de periode 2002–2006 en laten een vergelijking toe met de resultaten zoals gerapporteerd voor de periode 1996–2001. Auteurs: Joop Garssen en Anouschka van der Meulen

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2007. Het merendeel van de Turken en Marokkanen in Nederland kiest een partner uit de eigen herkomstgroep. Een deel van deze partners komt hierbij over uit het land van herkomst. Anders dan bij Surinamers en Antillianen komen huwelijken met een autochtoon bij Turken en Marokkanen nauwelijks voor. Bijna de helft van de Antilliaanse vrouwen heeft een autochtone huwelijkspartner. Auteur: Mila van Huis

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2007. Onlangs meldden de media dat de Tweede Wereldoorlog 280 duizend in plaats van 210 duizend Nederlandse oorlogsslachtoffers zou hebben geëist. Het onderzoek waarop de berichtgeving was gebaseerd, hield echter geen rekening met het onderscheid tussen extra sterfgevallen en directe oorlogsslachtoffers. Verder werd het verschil tussen beide cijfers abusievelijk in verband gebracht met de wijze waarop (vooral) gedeporteerde Joden in de bevolkingsboekhouding werden geregistreerd. De conclusie van eerder CBS-onderzoek blijft overeind: het aantal oorlogsslachtoffers bedraagt circa 210 duizend. Auteurs: Joop Garssen en Carel Harmsen

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2007. De migratie in de afgelopen twee eeuwen heeft een belangrijke invloed gehad op de samenstelling van de bevolking in Nederland. Rond 1800 was naar schatting ongeveer 5 procent van de bevolking van Nederland in het buitenland geboren. Ruim twee eeuwen later is dit aandeel meer dan verdubbeld, tot bijna 11 procent. Dit artikel schetst een beeld van de bevolkingssamenstelling in de afgelopen twee eeuwen en beschrijft de invloed die de buitenlandse migratie op deze samenstelling heeft gehad. Auteurs: Han Nicolaas en Arno Sprangers

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2007. De huishoudensprognose 2006–2050 bevat voor het eerst een deelprognose waarin onderscheid wordt gemaakt naar herkomstgroep. Deze deelprognose heeft betrekking op de huishoudensposities van allochtonen en autochtonen, en ophet aantal huishoudens (naar type) met een allochtone of autochtone referentiepersoon. Auteur: Coen van Duin

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2007. Overlevingstafels beschrijven het sterfte- en overlevingspatroon in een bevolking. Op basis van sterftequotiënten geven de overlevingstafels per leeftijd(sgroep) informatie over grootheden zoals het aantal nog levenden, het aantaloverledenen en de levensverwachting. Auteurs: Anouschka van der Meulen en Fanny Janssen

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2007. In dit artikel wordt op basis van het Woononderzoek Nederland 2006 gekeken naar de karakteristieken van mensen die aangeven een nieuwe woning te zoeken. De intentie om te verhuizen hangt sterk samen met de levensfase: jonge mensenen alleenstaanden overwegen vaker een verhuizing. Verder spelen ook kenmerken van de huidige woonsituatie een rol. Auteurs: Lia van den Broek en Andries de Jong

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2007. Driekwart van de kinderen die in de jaren zeventig zijn geboren, is opgegroeid bij twee ouders. Een op de zeven heeft een scheiding van de ouders meegemaakt. Voor de generatie die in de jaren veertig is geboren, was dit aandeel slechts een op de dertig. Het aandeel kinderen dat gedurende de gehele jeugd is opgegroeid in een gezin met twee ouders, is de afgelopen decennia vrijwel constant gebleven. Auteur: Arie de Graaf

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2007.In de huidige statistische overzichten van het CBS zijn nog geen goede gegevens beschikbaar over personen die zijn geboren in de afzonderlijke staten van het voormalig Joegoslavië. Op basis van het kenmerk ‘geboorteland’ is dit ookniet mogelijk. Met behulp van informatie over de geboorteplaats kunnen personen van Joegoslavische herkomst echter toch naar de huidige herkomstgebieden worden ingedeeld. Auteurs: Lada Mulalic, Carel Harmsen en Ko Oudhof

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2007. Tot en met 2004 raamde het CBS het aantal islamieten in Nederland door per herkomstgroep het aandeel islamieten te schatten op basis van extern onderzoek en het percentage islamieten in het herkomstland. In dit artikelwordt een methode gepresenteerd om het aantal islamieten in Nederland te schatten op basis van enquêtegegevens uit het Permanent Onderzoek Leefsituatie (POLS). Auteurs: Marieke van Herten en Ferdy Otten

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2007. Elke grote stad kent wijken met veel en weinig bevolkingsdynamiek. Nieuwkomers in de stad brengen meestal een lager inkomen mee dan stedelingen die de stad verlaten. Dit wordt ook wel het ‘roltrapeffect’ genoemd. Doet dit effect zich ook voor bij verhuizingen binnen de stad, tussen gewilde en minder gewilde wijken? Maken kansrijken plaats voor kansarmen, waarmee een wijk in een negatieve spiraal terechtkomt, en een andere wijk in welvaart groeit? Dit artikel gaat in op de vraag in hoeverre verhuisstromen en daaraan gerelateerde inkomsten van bewoners, leiden tot een grotere kloof tussen arme en rijke wijken in Amsterdam en Rotterdam. Auteurs: Aldert de Vries, Bas Hamers, Dorien Manting en Jan Latten

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2007. In 2005 zijn 2 297 personen overleden bij wie sprake was van euthanasie. Dit is 1,7 procent van het totale aantal overledenen in dat jaar. Dit blijkt uit het Sterfgevallenonderzoek 2005 dat het CBS in samenwerking met het VU Medisch Centrum en het Erasmus MC heeft gehouden. In 1990 was het euthanasiepercentage met 1,7 procent even hoog als in 2005. In 1995 en in 2001 werden hogere percentages gemeten, namelijk 2,2 en 2,5 procent. Auteurs: Kees Prins, Ingeborg Deerenberg, Bregje Onwuteaka-Philipsen en Agnes van der Heide

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2007. Na twee eerdere artikelen over Antillianen en Arubanen, waarin onderscheid werd gemaakt naar herkomsteiland, wordt in deze bijdrage aandacht geschonken aan het aantal verdachten van misdrijven in deze bevolkingsgroep. Eerste generatie Arubanen en Antillianen afkomstig van de Bovenwindse eilanden worden minder vaak verdacht van een misdrijf dan de eerste generatie Curaçaoenaren en Bonairianen. De verschillen tussen de eilanden zijn bij detweede generatie Antillianen en Arubanen veel kleiner danbij de eerste generatie. Auteurs: Gregory Besjes en Ko Oudhof

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2007. Rond de eeuwwisseling was het aantal asielverzoeken in de EU stabiel op een niveau van ruim 400 duizend per jaar. Vanaf 2003 begon dit aantal te dalen, tot in 2006 een niveau werd bereikt van minder dan 200 duizend, het laagste aantal sinds twintig jaar. In Nederland begon de afname van het aantal asielzoekers al direct na de eeuwwisseling. In 2006 is het aantal asielzoekers in Nederland, tegengesteld aan de Europese trend, weer licht gestegen. Auteurs: Han Nicolaas, Arno Sprangers en Joke Korpel

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2007. Dit artikel beschrijft de belangrijkste uitkomsten van de nieuwe allochtonenprognose 2006–2050 van het CBS. Het aantal niet-westerse allochtonen zal in 2050 naar verwachting bijna 2,7 miljoen zijn, tegen 1,7 miljoen in 2007. Het aantal westerse allochtonen zal 2,1 miljoen bedragen in 2050, tegen 1,4 miljoen in 2007. Auteurs: Suzanne Loozen en Coen van Duin

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2007. De huishoudensprognose beschrijft de ontwikkeling van de huishoudenssamenstelling van de bevolking van Nederland voor de jaren tot 2050. Basis van de prognose zijn veronderstellingen over de toekomstige ontwikkelingen van (her)trouw- en scheidingskansen en over de kansen voor mensen om, gegeven hun geslacht en burgerlijke staat, op een bepaalde leeftijd een bepaalde huishoudenspositie te hebben. Verwacht wordt dat in de toekomst nog 60 procent van de mannen en 65 procent van de vrouwen ooit zaltrouwen. Auteur: Coen van Duin

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2007. Het aantal huishoudens blijft de komende decennia toenemen, van 7,2 miljoen in 2006 tot 8,1 miljoen in 2035. Daarna zal het aantal huishoudens weer afnemen tot 8,0 miljoen in 2050. De groei van het aantal huishoudens valt gedeeltelijk te verklaren uit de bevolkingsgroei. De huishoudenstoename is echter sterker, omdat er relatief meer eenpersoonshuishoudens zullen komen. Dit heeft voor een deel te maken met de vergrijzing, voor een deel met de toenemende individualisering. Auteurs: Elma van Agtmaal-Wobma en Coen van Duin

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2007. Veel studies hebben aangetoond dat gezondheid in Nederland ongelijk is verdeeld tussen sociaal-economische groepen. Verkleining van deze verschillen vormt een belangrijk doel van de openbare gezondheidszorg in Nederland. Hetis daarom van belang de gezondheidsverschillen in Nederland nauwkeurig en gedetailleerd te beschrijven. Dit artikel geeft een overzicht van recente vorderingen in beschrijvend onderzoek naar sociaal-economische verschillen in Nederland. Auteur: Anton Kunst

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2007. De uitkomsten van de nieuwe bevolkings- en allochtonenprognose zijn mede gebaseerd op veronderstellingen over het toekomstige aantal immigranten. Op basis van diverse analyses wordt verondersteld dat op termijn jaarlijks 117duizend immigranten naar Nederland zullen komen. Verwacht wordt dat uit zowel Turkije als Marokko op termijn jaarlijks 3 duizend immigranten komen, onder wie veel gezinsvormers. Auteurr: Han Nicolaas

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2007. In de nieuwe bevolkingsprognose van het CBS wordt verondersteld dat jonge generaties vrouwen gemiddeld 1,75 kind per vrouw zullen krijgen. Sinds de bevolkingsprognose van 2000 zijn geen aanwijzingen gevonden om het toekomstiggemiddeld kindertal bij te stellen. Naar verwachting zal het uitstel van het eerste kind voor een groot deel worden ingehaald. Auteurs: Arie de Graaf en Coen van Duin

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2006

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2006

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2006

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2006

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2006

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2006

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2005

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2005

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2005

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2005

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2005

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2005

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2005

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2005

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2005

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2005

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2005

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2004

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2004

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2004

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2004

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2004

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2004

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2004

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2004

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2004

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2004

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2004

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2004

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2003

Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2003

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2003

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2003

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2003

Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2003

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2003

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2003

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2003

Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2003

Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2003