3. Resultaten
3.1 Ontwikkelingen een- en tweeverdieners
Minder eenverdieners dan tien jaar geleden
Bij de analyse van inkomen en belastingen worden de volgende huishoudenstypen onderscheiden. Allereerst huishoudens met twee volwassenen en één, respectievelijk twee inkomens uit werk: dit zijn de een- en de tweeverdieners. Huishoudens met één volwassene, zonder kinderen en met kinderen: respectievelijk eenpersoonshuishoudens en eenoudergezinnen. Ten slotte de overige meerpersoonshuishoudens. Bij deze vrij kleine huishoudensgroep gaat het om meerdere personen die samen een huishouden vormen, maar die niet elkaars partner of familie zijn. Vanwege de omvang en niet eenduidige kadering van deze huishoudens worden ze niet apart weergegeven.
Het aantal eenverdieners is het afgelopen decennium afgenomen, terwijl het aantal tweeverdieners juist is toegenomen. In 2014 was 13 procent van de huishoudens met primair inkomen eenverdiener. Tien jaar later was dit nog maar 9 procent. In deze periode was sprake van een inperking van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting van 40 naar 100 procent, wat niet-werken minder aantrekkelijk maakte (Jongen, de Boer, en Koot, 2018), maar ook andere fiscale wijzigingen spelen hierin mee.
De minst- of niet-verdienende partners in een- en tweeverdienershuishoudens zijn relatief vaak vrouwen. Dat het aantal tweeverdieners vanaf 2011 is toegenomen, heeft vooral te maken met de gestegen arbeidsparticipatie van vrouwen (CBS, 2024a). De arbeidsparticipatie van vrouwen neemt vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw toe, met sterke stijgingen in de jaren tachtig en negentig (CBS, 2024b). In 2024 waren er 10 procent meer tweeverdieners dan in 2014. Tweeverdieners waren in 2024 ook de grootste groep onder de werkzame huishoudens: ongeveer een op de twee huishoudens behoort hiertoe.
Eenpersoonshuishoudens zijn de grootste huishoudensgroep na de tweeverdieners; ongeveer een op de drie huishoudens behoort hiertoe. De afgelopen tien jaar groeide hun aantal met 28 procent, het meest van alle huishoudensgroepen. Gemiddeld zijn zij ook het jongst van alle (werkzame) huishoudensgroepen.
| Huishoudenstype | 2014 (x 1 000) | 2024* (x 1 000) |
|---|---|---|
| Eenpersoonshuishouden | 1223,9 | 1562,2 |
| Eenverdiener | 569,7 | 445,3 |
| Tweeverdiener | 2297,1 | 2525,4 |
| Eenoudergezin | 339,4 | 424,4 |
| Overig meerpersoonshuishouden | 41,7 | 56,0 |
| *voorlopige cijfers | ||
Sterke groei inkomen tweeverdieners
Tweeverdieners hadden in 2024 een mediaan bruto-inkomen van 128,1 duizend euro, het hoogst van alle onderscheiden groepen werkzame huishoudens. Daarna volgden de eenverdieners met 84,7 duizend euro. Het mediane inkomen van werkzame eenpersoonshuishoudens was het laagst met 55,5 duizend euro. Paren (een- en tweeverdieners) zijn vaak ouder dan eenpersoonshuishoudens, wat bijdraagt aan het inkomensverschil. De inkomens van tweeverdieners zijn het hoogst en ze zijn harder gegroeid dan die van eenverdieners. Sinds 2011 is het reële inkomen van tweeverdieners gegroeid met 14 procent. In diezelfde periode groeide de inkomens van eenverdieners met 6 procent en die van eenpersoonshuishoudens met slechts 2 procent.
De sterkste inkomensgroei was bij de eenoudergezinnen met 20 procent ten opzichte van 2011. Toen hadden zij nog het laagste inkomen van alle huishoudensgroepen, maar in 2024 was hun doorsnee inkomen hoger dan die van eenpersoonshuishoudens. Ook hier spelen de toegenomen arbeidsparticipatie van vrouwen en de verhoogde arbeidsafhankelijke heffingskortingen een rol (CBS, 2024; Jongen, de Boer, en Koot, 2018).
| Jaar | Eenpersoonshuishouden (1 000 euro) | Eenverdiener (1 000 euro) | Tweeverdiener (1 000 euro) | Eenoudergezin (1 000 euro) |
|---|---|---|---|---|
| 2011 | 54,4 | 79,8 | 110,3 | 48,0 |
| 2012 | 53,6 | 79,3 | 110,4 | 47,7 |
| 2013 | 53,1 | 78,7 | 109,9 | 48 |
| 2014 | 53,4 | 79,7 | 111,6 | 48,8 |
| 2015 | 52,9 | 79,2 | 111,4 | 50,9 |
| 2016 | 53,4 | 80,9 | 114,5 | 51,6 |
| 2017 | 53,7 | 82 | 116,7 | 52,5 |
| 2018 | 53,9 | 82,6 | 118,4 | 52,7 |
| 2019 | 54,3 | 83,2 | 120,5 | 53,3 |
| 2020 | 55,7 | 84,6 | 123,4 | 55,0 |
| 2021 | 55,9 | 84,8 | 124,9 | 55,4 |
| 2022 | 55,7 | 83,9 | 125,4 | 55,5 |
| 2023 | 54,1 | 82,7 | 124 | 55,1 |
| 2024 | 55,5 | 84,7 | 128,1 | 57,4 |
| *voorlopige cijfers | ||||
Verschil tussen inkomen hoofdkostwinner en partner kleiner geworden
Wanneer het inkomen van de hoofdkostwinner en van de partner in een tweeverdienershuishouden apart worden bekeken, dan valt te zien dat voornamelijk het inkomen van de partners sterk is gestegen. Vanaf 2011 is hun reële mediaan inkomen gegroeid met 42,4 procent, van 27,4 duizend euro naar 39 duizend euro in 2024. Het inkomen van de hoofdkostwinner is in diezelfde periode toegenomen met 9 procent. Dit hangt samen met de ontwikkeling dat de partners in tweeverdienershuishoudens in 2024 gemiddeld meer werkten dan in 2011 (CBS, 2024).
| Jaar | Hoofdkostwinner (1 000 euro ) | Partner (1 000 euro ) |
|---|---|---|
| 2011 | 74,4 | 27,4 |
| 2012 | 74,3 | 27,3 |
| 2013 | 73,7 | 27,5 |
| 2014 | 74,7 | 28,1 |
| 2015 | 74,3 | 28,6 |
| 2016 | 76,2 | 29,7 |
| 2017 | 77,6 | 30,9 |
| 2018 | 77,3 | 32,9 |
| 2019 | 78,3 | 33,9 |
| 2020 | 79,8 | 35,2 |
| 2021 | 80,5 | 35,9 |
| 2022 | 80,5 | 36,5 |
| 2023 | 79,0 | 37,0 |
| 2024* | 80,8 | 39,0 |
| *voorlopige cijfers | ||
Tweeverdieners vaak hoog inkomen
Tweeverdieners zijn vaker aanwezig in de hogere inkomensgroepen dan de andere huishoudenstypes. In de hoogste vijf decielgroepen is een ruime meerderheid van de werkzame huishoudens een tweeverdiener. Bij de hoogste twintig procent van de inkomens is zelfs 87 procent van de werkzame huishoudens tweeverdiener. Zij hebben een inkomen van 126,7 duizend euro of meer. Daarentegen hebben werkzame eenpersoonshuishoudens vaker een lager inkomen. Vooral bij de laagste dertig procent inkomen (tot ongeveer 64 duizend euro) zijn zij oververtegenwoordigd. Eenverdieners komen het vaakst voor in het vierde en vijfde inkomensdeciel, maar zijn van alle groepen het meest gelijkmatig verdeeld over de inkomensdecielen.
| Decielgroep | Eenpersoonshuishouden (%) | Eenverdiener (%) | Tweeverdiener (%) | Eenoudergezin (%) | Overig meerpersoonshuishouden (%) |
|---|---|---|---|---|---|
| 1 (laagste inkomens) | 70,1 | 7,6 | 4,9 | 15,2 | 2,2 |
| 2 | 63,0 | 8,6 | 7,7 | 18,5 | 2,3 |
| 3 | 57,0 | 10,4 | 14,6 | 15,7 | 2,3 |
| 4 | 44,5 | 12,6 | 29,3 | 11,9 | 1,7 |
| 5 | 28,7 | 12,2 | 49,8 | 8,2 | 1,1 |
| 6 | 18,4 | 10,2 | 65,2 | 5,6 | 0,7 |
| 7 | 12,2 | 8,4 | 75,0 | 4,0 | 0,4 |
| 8 | 7,8 | 7,0 | 82,5 | 2,5 | 0,3 |
| 9 | 5,3 | 5,7 | 87,2 | 1,6 | 0,2 |
| 10 (hoogste inkomens) | 4,6 | 6,3 | 87,5 | 1,4 | 0,2 |
| *voorlopige cijfers | |||||
3.2 Belastingdruk
Belastingdruk lager dan in 2014
Voor bijna alle inkomensgroepen is de belastingdruk lager dan tien jaar eerder. In 2024 was de mediane belastingdruk voor werkzame huishoudens 15,1 procent en de belasting- en premiedruk 40,3 procent van het bruto-inkomen. Tien jaar eerder bedroeg dit respectievelijk 17,0 en 43,4 procent. Vooral voor lagere inkomens is de belastingdruk verminderd, terwijl die voor inkomens vanaf 250 duizend euro ongeveer gelijk is gebleven.
Sinds 2014 zijn er fiscale veranderingen geweest die deze ontwikkeling deels verklaren. Zo is het aantal belastingschijven voor box 1 verminderd, waardoor het inkomen boven de premiegrens voor de volksverzekeringen minder zwaar wordt belast. De arbeidskorting is in deze periode vooral voor lagere inkomens flink verhoogd. Van de combinatiekorting bedroeg het minimumbedrag in 2014 €1.024. Dit bedrag is verlaagd, zodat het in 2024 €0 bedroeg. De korting neemt in 2024 echter wel sneller toe bij een stijging van het arbeidsinkomen dan in 2014.
| Inkomensklasse | Belastingdruk 2014 (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | Belastingdruk 2024* (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | Belasting- en premiedruk 2014 (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | Belasting en premiedruk 2024* (% van bruto-inkomen huishoudenskern) |
|---|---|---|---|---|
| 20 | 10,2 | 1,4 | 26,1 | 20,1 |
| 30 | 10,7 | 3,6 | 30,2 | 23,8 |
| 40 | 12,3 | 8,0 | 35,9 | 31,4 |
| 50 | 14,2 | 11,5 | 40,2 | 36,1 |
| 60 | 15,5 | 13,8 | 42,0 | 39,1 |
| 70 | 15,8 | 15,2 | 42,3 | 39,9 |
| 80 | 16,3 | 15,0 | 42,7 | 38,8 |
| 90 | 17,0 | 14,3 | 43,5 | 38,8 |
| 100 | 17,5 | 14,2 | 44,6 | 39,7 |
| 110 | 18,2 | 14,9 | 45,8 | 40,9 |
| 120 | 18,9 | 15,9 | 46,8 | 42,3 |
| 130 | 19,7 | 16,9 | 47,7 | 43,6 |
| 140 | 20,6 | 18,0 | 48,6 | 44,8 |
| 150 | 21,5 | 19,2 | 49,4 | 45,9 |
| 160 | 22,4 | 20,2 | 50,0 | 46,9 |
| 170 | 23,2 | 21,3 | 50,7 | 47,8 |
| 180 | 24,0 | 22,2 | 51,2 | 48,6 |
| 190 | 24,8 | 23,2 | 51,7 | 49,3 |
| 200 | 25,6 | 24,1 | 52,1 | 49,9 |
| 210 | 26,2 | 24,9 | 52,5 | 50,5 |
| 220 | 26,8 | 25,8 | 52,8 | 50,9 |
| 230 | 27,4 | 26,6 | 53,1 | 51,2 |
| 240 | 27,9 | 27,3 | 53,4 | 51,5 |
| 250 | 28,4 | 27,9 | 53,5 | 51,7 |
| 260 | 29,0 | 28,6 | 53,7 | 51,7 |
| 270 | 29,3 | 29,2 | 53,9 | 51,7 |
| 280 | 29,7 | 29,8 | 54 | 51,6 |
| 290 | 30,1 | 30,3 | 54,1 | 51,6 |
| *voorlopige cijfers | ||||
Hoogste belastingdruk voor eenverdieners
De mediane belastingdruk van eenverdieners was het hoogst van alle werkzame huishoudensgroepen in 2014 en in 2024. Tweeverdieners hebben een lagere doorsnee belastingdruk dan eenverdieners, ondanks een hoger huishoudensinkomen. Voor alle huishoudensgroepen is de mediane belastingdruk in 2024 lager dan in 2014. Vooral die van eenpersoonshuishoudens is afgenomen. Zij hebben vaker een inkomen onder de 40 duizend euro en voor deze inkomensgroep is de belastingdruk het meest afgenomen. De belastingdruk voor een- en tweeverdieners is daarentegen slechts beperkt afgenomen. Hun inkomen is vaak juist hoger dan die van andere huishoudgroepen en juist bij hogere inkomens is de belastingdruk het minst afgenomen. Dit mede door de voor hogere inkomens sterkere afbouw van arbeidskorting en algemene heffingskorting.
| Huishoudenstype | 2014 (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | 2024* (% van bruto-inkomen huishoudenskern) |
|---|---|---|
| Eenpersoonshuishouden | 17,6 | 14,0 |
| Eenverdiener | 17,6 | 16,7 |
| Tweeverdiener | 17,2 | 15,9 |
| Eenoudergezin | 12,4 | 10,9 |
| *voorlopige cijfers | ||
Zoals hierboven bleek hebben de verschillen in belastingdruk alles te maken met verschillen in de inkomens van de diverse huishoudenstypen. Om deze verschillen te neutraliseren, moet er per inkomensgroep worden vergeleken. Hieruit valt te zien dat eenpersoonshuishoudens bij elk inkomen de hoogste belastingdruk hebben en tweeverdieners de laagste. Deze verschillen nemen toe naar mate het inkomen hoger wordt. Bij een huishoudensinkomen van 100 duizend euro is het verschil al ruim 10 procentpunt.
Deze verschillen hebben fiscale oorzaken. De voornaamste is het progressieve belastingsysteem voor de inkomsten in box 1. Belastingdruk wordt in dit onderzoek berekend per huishouden, maar iemands inkomsten uit bijvoorbeeld loon worden belast op persoonsniveau via een progressief schijvensysteem in combinatie met inkomensafhankelijke heffingskortingen. Dat houdt in dat een hoger persoonlijk inkomen kan leiden tot een hoger gemiddeld belastingtarief voor die persoon. Eenpersoonshuishouden hebben daarnaast minder vaak een eigen woning en gebruiken daardoor minder vaak de hypotheekrenteaftrek. Ook hebben ze geen kinderen onder de twaalf waardoor ze minder vaak de combinatiekorting inzetten. Eenoudergezinnen kunnen in tegenstelling tot eenpersoonshuishoudens wel vaker gebruik maken van de combinatiekorting.
| Inkomensklasse | Eenpersoonshuishouden (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | Eenverdiener (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | Tweeverdiener (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | Eenoudergezin (% van bruto-inkomen huishoudenskern) |
|---|---|---|---|---|
| 20 | 1,6 | 0 | 0 | 0,4 |
| 30 | 4,3 | 3,7 | 0,3 | 1,7 |
| 40 | 9,1 | 5,8 | 1,4 | 3,4 |
| 50 | 12,7 | 9,4 | 4,2 | 8,1 |
| 60 | 15,8 | 12,2 | 6,3 | 12,3 |
| 70 | 17,9 | 14,4 | 7,7 | 15,3 |
| 80 | 19,4 | 16,2 | 9,0 | 17,6 |
| 90 | 20,8 | 17,8 | 10,4 | 19,4 |
| 100 | 22,5 | 19,4 | 11,9 | 21 |
| 110 | 24,4 | 21,1 | 13,4 | 23,3 |
| 120 | 26,1 | 22,8 | 14,8 | 25,1 |
| 130 | 27,5 | 24,2 | 16,2 | 26,7 |
| 140 | 28,8 | 25,8 | 17,4 | 28,1 |
| 150 | 29,9 | 26,8 | 18,6 | 29,3 |
| 160 | 30,9 | 28,3 | 19,7 | 30,3 |
| 170 | 31,7 | 29,5 | 20,8 | 31,2 |
| 180 | 32,5 | 30,5 | 21,8 | 31,8 |
| 190 | 33,3 | 31,4 | 22,8 | 32,8 |
| 200 | 34,0 | 32,2 | 23,7 | |
| 210 | 34,5 | 32,7 | 24,6 | |
| 220 | 35,2 | 33,6 | 25,4 | |
| 230 | 35,9 | 34,4 | 26,2 | |
| 240 | 36,4 | 34,8 | 26,9 | |
| 250 | 36,8 | 35,6 | 27,6 | |
| 260 | 36,0 | 28,3 | ||
| 270 | 36,5 | 28,9 | ||
| 280 | 29,5 | |||
| 290 | 30,0 | |||
| *voorlopige cijfers | ||||
Verschil in belastingdruk een- en tweeverdieners groter geworden
Zowel de meeste een- als tweeverdieners hebben een lagere belastingdruk dan in 2014. Maar de belastingdruk voor tweeverdieners is wel sterker afgenomen dan bij eenverdieners. Hierdoor is het verschil in belastingdruk groter geworden. Hetzelfde effect was voor de periode 2005-2017 gevonden door Jongen, de Boer, en Koot (2018). Als oorzaak geven zij een veranderend fiscaal beleid, gericht op een hogere arbeidsparticipatie.
| Inkomensklasse | Eenverdiener 2014 (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | Eenverdiener 2024* (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | Tweeverdiener 2014 (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | Tweeverdiener 2024* (% van bruto-inkomen huishoudenskern) |
|---|---|---|---|---|
| 20 | 0,4 | 0 | 0 | 0 |
| 30 | 7 | 3,7 | 3,4 | 0,3 |
| 40 | 9,7 | 5,8 | 6,5 | 1,4 |
| 50 | 12,9 | 9,4 | 8,9 | 4,2 |
| 60 | 14,3 | 12,2 | 10,8 | 6,3 |
| 70 | 16 | 14,4 | 12,2 | 7,7 |
| 80 | 17,6 | 16,2 | 13,5 | 9 |
| 90 | 19,2 | 17,8 | 14,7 | 10,4 |
| 100 | 20,6 | 19,4 | 15,9 | 11,9 |
| 110 | 22 | 21,1 | 17,1 | 13,4 |
| 120 | 23,5 | 22,8 | 18,1 | 14,8 |
| 130 | 24,9 | 24,2 | 19,1 | 16,2 |
| 140 | 26,2 | 25,8 | 20 | 17,4 |
| 150 | 27,3 | 26,8 | 21 | 18,6 |
| 160 | 28,2 | 28,3 | 21,8 | 19,7 |
| 170 | 29 | 29,5 | 22,7 | 20,8 |
| 180 | 29,7 | 30,5 | 23,5 | 21,8 |
| 190 | 30,3 | 31,4 | 24,3 | 22,8 |
| 200 | 31 | 32,2 | 25,1 | 23,7 |
| 210 | 31,4 | 32,7 | 25,7 | 24,6 |
| 220 | 31,7 | 33,6 | 26,3 | 25,4 |
| 230 | 32,2 | 34,4 | 26,9 | 26,2 |
| 240 | 32,6 | 34,8 | 27,5 | 26,9 |
| 250 | 32,9 | 35,6 | 28 | 27,6 |
| 260 | 33,2 | 36 | 28,5 | 28,3 |
| 270 | 33,4 | 36,5 | 28,9 | 28,9 |
| 280 | 33,7 | 29,3 | 29,5 | |
| 290 | 33,8 | 29,7 | 30 | |
| *voorlopige cijfers | ||||
Hoger inkomensaandeel partner leidt tot lagere belastingdruk
Hoe gelijker het inkomen verdeeld is tussen de twee partners in een tweeverdienershuishouden, des te lager de belastingdruk. Dit geldt vooral voor huishoudens waar het inkomen van de minst verdienende lager of gelijk is aan het minimumloon (tot ongeveer 150 procent economische zelfstandigheid). Bij hogere economische zelfstandigheid van de partner nemen de extra belastingvoordelen af. Het aandeel economisch zelfstandige vrouwen is de afgelopen jaren toegenomen (CBS, 2025). Of dit komt door fiscale prikkels valt niet te zeggen uit dit onderzoek.
| Inkomensklasse | Eenverdiener (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | 0 tot 25% (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | 25 tot 50% (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | 50 tot 75% (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | 75 tot 100% (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | 100 tot 125% (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | 125 tot 150% (% van bruto-inkomen huishoudenskern) |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 20 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | |||
| 30 | 3,5 | 1,4 | 0,4 | 0,0 | 0,0 | ||
| 40 | 5,8 | 5,2 | 2,5 | 1,1 | 0,6 | 0,4 | |
| 50 | 9,3 | 8,8 | 6,6 | 5,0 | 3,1 | 1,4 | 0,9 |
| 60 | 12,2 | 11,9 | 10,0 | 8,3 | 6,6 | 4,7 | 3,0 |
| 70 | 14,4 | 14,4 | 12,7 | 11,2 | 9,4 | 7,5 | 5,6 |
| 80 | 16,2 | 16,5 | 15,0 | 13,7 | 11,9 | 10,1 | 8,1 |
| 90 | 17,8 | 18,3 | 16,9 | 15,6 | 14,1 | 12,3 | 10,5 |
| 100 | 19,4 | 19,9 | 18,7 | 17,4 | 16,0 | 14,4 | 12,7 |
| 110 | 21,1 | 22,0 | 20,4 | 19,2 | 17,7 | 16,2 | 14,6 |
| 120 | 22,8 | 23,7 | 22,5 | 21,2 | 19,6 | 17,9 | 16,3 |
| 130 | 24,2 | 25,3 | 24,0 | 22,9 | 21,6 | 20,0 | 18,2 |
| 140 | 25,8 | 26,7 | 25,5 | 24,5 | 23,1 | 21,8 | 20,1 |
| 150 | 26,9 | 27,9 | 26,8 | 25,8 | 24,7 | 23,2 | 21,8 |
| 160 | 28,3 | 29,0 | 28,1 | 27,1 | 25,9 | 24,7 | 23,2 |
| 170 | 29,5 | 30,0 | 28,1 | 27,0 | 25,8 | 24,5 | |
| 180 | 30,6 | 31,0 | 29,0 | 27,9 | 26,9 | 25,6 | |
| 190 | 31,5 | 28,8 | 27,9 | 26,7 | |||
| 200 | 32,3 | 28,6 | 27,6 | ||||
| 210 | 32,8 | 28,5 | |||||
| 220 | 33,6 | ||||||
| 230 | 34,4 | ||||||
| 240 | 34,8 | ||||||
| 250 | 35,6 | ||||||
| 260 | 36,0 | ||||||
| 270 | 36,5 | ||||||
| *voorlopige cijfers | |||||||
| Inkomensklasse | Eenverdiener (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | 125 tot 150% (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | 150 tot 175% (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | 175 tot 200% (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | 200 tot 225% (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | 225 tot 250% (% van bruto-inkomen huishoudenskern) |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 20 | 0,0 | |||||
| 30 | 3,5 | |||||
| 40 | 5,8 | |||||
| 50 | 9,3 | 0,9 | ||||
| 60 | 12,2 | 3,0 | 2,4 | 0,3 | ||
| 70 | 14,4 | 5,6 | 4,7 | 3,7 | 3,1 | |
| 80 | 16,2 | 8,1 | 6,6 | 6,8 | 5,8 | 6,0 |
| 90 | 17,8 | 10,5 | 8,9 | 8,6 | 8,5 | 8,2 |
| 100 | 19,4 | 12,7 | 11,1 | 10,5 | 10,7 | 10,6 |
| 110 | 21,1 | 14,6 | 13,1 | 12,4 | 12,3 | 12,7 |
| 120 | 22,8 | 16,3 | 14,8 | 14,1 | 13,8 | 14,2 |
| 130 | 24,2 | 18,2 | 16,5 | 15,7 | 15,3 | 15,5 |
| 140 | 25,8 | 20,1 | 18,3 | 17,2 | 16,6 | 16,7 |
| 150 | 26,9 | 21,8 | 20,1 | 18,8 | 17,9 | 17,8 |
| 160 | 28,3 | 23,2 | 21,6 | 20,4 | 19,4 | 18,9 |
| 170 | 29,5 | 24,5 | 23,0 | 21,8 | 20,8 | 20,2 |
| 180 | 30,6 | 25,6 | 24,2 | 23,1 | 22,1 | 21,5 |
| 190 | 31,5 | 26,7 | 25,3 | 24,3 | 23,3 | 22,7 |
| 200 | 32,3 | 27,6 | 26,3 | 25,3 | 24,5 | 23,9 |
| 210 | 32,8 | 28,5 | 27,1 | 26,2 | 25,4 | 24,8 |
| 220 | 33,6 | 28,0 | 27,0 | 26,2 | 25,8 | |
| 230 | 34,4 | 28,8 | 27,8 | 27,1 | 26,6 | |
| 240 | 34,8 | 29,5 | 28,6 | 27,9 | 27,4 | |
| 250 | 35,6 | 29,3 | 28,7 | 28,0 | ||
| 260 | 36,0 | 29,3 | 28,9 | |||
| 270 | 36,5 | 29,9 | 29,3 | |||
| 280 | 30,0 | |||||
| *voorlopige cijfers | ||||||
Extra belastingvoordeel voor werkzame ouders met jonge kinderen
Verschillen in belastingdruk tussen één- respectievelijk tweeverdieners en huishoudens met een alleenstaande hangen niet alleen samen met de verdeling van het (arbeids)inkomen. Ook persoonlijke omstandigheden en eigen keuzes kunnen hierbij een rol spelen. Een voorbeeld hiervan is de aanwezigheid van jonge kinderen. Via de inkomensafhankelijke combinatiekorting krijgt de minstverdienende werkende partner of de werkende alleenstaande ouder een extra heffingskorting als ze zorgen voor een kind onder de twaalf jaar. De korting werd in 2024 evenredig opgebouwd over het eigen arbeidsinkomen tussen 6.073 en 31.837 euro en was maximaal 2.950 euro. Bij paren wordt de korting toegepast op de partner met het laagste arbeidsinkomen.
Het effect van de korting op de belastingdruk zie je bij alleenstaande ouders het sterkst bij de inkomens tot 32 duizend euro. Vanaf een arbeidsinkomen van ongeveer 32 duizend euro is de korting namelijk een vast bedrag, en neemt het relatieve belang af. Bij tweeverdieners wordt de korting altijd toegepast op het inkomen van de minst verdienende partner. Omdat de andere partner een minstens even hoog inkomen heeft, is de heffingskorting effectief bij een hoger huishoudensinkomen (minimaal twee keer de drempel van de regeling) en afhankelijk van de verdeling van het inkomen tussen de partners. Het belastingeffect van combinatiekorting is hierdoor bij tweeverdieners effectief bij een hoger huishoudensinkomen en meer gespreid zichtbaar in de mediane belastingdruk.
| Inkomensklasse | Eenverdiener (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | Tweeverdiener: kind jonger dan 12 (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | Tweeverdiener: geen kind jonger dan 12 (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | Eenoudergezin: kind jonger dan 12 (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | Eenoudergezin: geen kind jonger dan 12 (% van bruto-inkomen huishoudenskern) |
|---|---|---|---|---|---|
| 20 | 0 | 0 | 0 | 0 | 1,5 |
| 30 | 3,7 | 0 | 0,5 | 0 | 3,1 |
| 40 | 5,8 | 1,1 | 1,5 | 0 | 6,7 |
| 50 | 9,4 | 3,4 | 4,6 | 2,5 | 10,7 |
| 60 | 12,2 | 5,6 | 6,7 | 7,2 | 13,9 |
| 70 | 14,4 | 6,8 | 8,0 | 11,0 | 16,5 |
| 80 | 16,2 | 7,7 | 9,5 | 13,7 | 18,4 |
| 90 | 17,8 | 8,9 | 11,0 | 15,8 | 20,1 |
| 100 | 19,4 | 10,2 | 12,5 | 18,0 | 21,6 |
| 110 | 21,1 | 11,6 | 13,9 | 20,6 | 23,8 |
| 120 | 22,8 | 13,1 | 15,4 | 22,8 | 25,6 |
| 130 | 24,2 | 14,4 | 16,7 | 24,6 | 27,0 |
| 140 | 25,8 | 15,8 | 17,9 | 28,4 | |
| 150 | 26,8 | 17,1 | 19,1 | 29,7 | |
| 160 | 28,3 | 18,4 | 20,3 | 30,6 | |
| 170 | 29,5 | 19,5 | 21,3 | 31,5 | |
| 180 | 30,5 | 20,6 | 22,3 | 32,1 | |
| 190 | 31,4 | 21,7 | 23,3 | ||
| 200 | 32,2 | 22,7 | 24,2 | ||
| 210 | 32,7 | 23,6 | 25 | ||
| 220 | 33,6 | 24,5 | 25,9 | ||
| 230 | 34,4 | 25,3 | 26,6 | ||
| 240 | 34,8 | 26,0 | 27,3 | ||
| 250 | 35,6 | 26,7 | 28,0 | ||
| 260 | 36,0 | 27,5 | 28,7 | ||
| 270 | 36,5 | 28,1 | 29,3 | ||
| 280 | 28,8 | 29,9 | |||
| 290 | 29,2 | 30,4 | |||
| *voorlopige cijfers | |||||
Fiscaal voordeel eigenwoning verlaagt belastingdruk
Andere kenmerken van het huishouden hebben ook een invloed op de uiteindelijke inkomensheffing, zoals het zelfstandig ondernemerschap en het hebben van een eigen woning. Zo kunnen zelfstandigen onder voorwaarden gebruik maken van de zelfstandigenaftrek en de mkb-vrijstelling. En woningeigenaren kunnen gebruik maken van de hypotheekrenteaftrek, waarbij hun eigenwoningschuld leidt tot een lagere belastingheffing. Ook woningeigenaren met geen of een geringe hypotheekschuld kunnen gebruik maken van een fiscale aftrek onder de zogenoemde ‘Wet Hillen’. Aangezien huurders dit fiscaal voordeel missen, is hun belastingdruk hoger dan die van woningeigenaren, al kan er voor lagere inkomens wel weer sprake zijn van huurtoeslag. Eenverdieners met een eigenwoning betalen ongeveer twee procentpunt minder inkomstenbelasting dan eenverdieners in een huurwoning, al varieert dit met het inkomen. Voor tweeverdieners is dit verschil lager. Die verschillen kunnen weer samenhangen met de prevalentie van andere kenmerken zoals ondernemerschap.
| Inkomensklasse | Eenverdiener: huurder (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | Eenverdiener: woningeigenaar (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | Tweeverdiener: huurder (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | Tweeverdiener: woningeigenaar (% van bruto-inkomen huishoudenskern) |
|---|---|---|---|---|
| 20 | 0,3 | 0,0 | 0,0 | 0,0 |
| 30 | 4,4 | 0,3 | 0,7 | 0,0 |
| 40 | 6,3 | 4,3 | 2,0 | 0,3 |
| 50 | 9,9 | 8,4 | 5,0 | 2,8 |
| 60 | 12,8 | 11,3 | 7,0 | 5,6 |
| 70 | 15,1 | 13,5 | 8,1 | 7,1 |
| 80 | 17,0 | 15,2 | 9,6 | 8,4 |
| 90 | 18,8 | 16,8 | 11,4 | 9,8 |
| 100 | 20,8 | 18,6 | 13,2 | 11,4 |
| 110 | 23,0 | 20,6 | 14,8 | 13,0 |
| 120 | 25,0 | 22,4 | 16,3 | 14,6 |
| 130 | 27,4 | 23,9 | 17,5 | 16,0 |
| 140 | 28,7 | 25,5 | 18,7 | 17,2 |
| 150 | 26,6 | 19,8 | 18,4 | |
| 160 | 27,9 | 20,8 | 19,6 | |
| 170 | 29,2 | 21,8 | 20,7 | |
| 180 | 30,2 | 22,8 | 21,7 | |
| 190 | 31,1 | 23,8 | 22,7 | |
| 200 | 32 | 24,8 | 23,6 | |
| 210 | 32,5 | 25,6 | 24,5 | |
| 220 | 33,4 | 26,6 | 25,3 | |
| 230 | 34,1 | 27,3 | 26,1 | |
| 240 | 34,5 | 28,0 | 26,8 | |
| 250 | 35,2 | 28,7 | 27,5 | |
| 260 | 35,8 | 28,2 | ||
| 270 | 28,8 | |||
| 280 | 29,4 | |||
| 290 | 30,0 | |||
| *voorlopige cijfers | ||||