Inkomen en belastingdruk van een- en tweeverdieners
Over deze publicatie
De belastingdruk die een huishouden ondervindt hangt af van de samenstelling. Gaat het bijvoorbeeld om een eenpersoonshuishouden, een eenoudergezin, een alleenverdieners of een tweeverdienershuishouden? In het artikel wordt de belastingdruk die deze groepen ondervinden onderzocht voor de periode 2014-2024.
1. Inleiding
Twee huishoudens met hetzelfde inkomen en dezelfde samenstelling moeten in Nederland soms een verschillende belastingheffing betalen. Een reden hiervoor ligt bij de verdeling van het inkomen tussen de partners. In de heffingssystematiek van de inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen zitten verschillende prikkels die het hebben van een eigen (arbeids)inkomen stimuleren. Eenverdienerhuishoudens – met een (echt)paar waarvan één partner het volledige primaire huishoudensinkomen verdient - betalen daardoor meer belasting dan tweeverdieners die samen hetzelfde inkomen verdienen.
Deze fiscale ongelijkheid op huishoudensniveau hangt samen met beleid over arbeidsmarktkrapte en de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt. Volgens Jongen, de Boer, en Koot (2018) hebben fiscale veranderingen werken aantrekkelijker gemaakt en niet-werken juist onaantrekkelijker, wat geleid heeft tot een groter verschil in belastingdruk tussen eenverdieners en tweeverdieners. Verder concluderen zij dat Nederland ook internationaal gezien een groot verschil in belastingdruk kent tussen een- en tweeverdieners. De financiële positie van tweeverdieners is er ook flink op vooruit gegaan de afgelopen jaren, mede door een toegenomen arbeidsparticipatie van vrouwen in deze huishoudens (Van den Brakel, Gidding, en Huynen, 2018). Van den Brakel (2023) constateerde overigens dat financiële motieven om meer te gaan werken slechts een beperkte rol spelen voor vrouwen in een tweeverdienerhuishouden. Zorgtaken voor het huishouden en eventuele kinderen spelen ook een belangrijke rol in deze beslissing.
In dit onderzoek wordt de financiële positie van een- en tweeverdieners opnieuw belicht, op basis van nieuwe cijfers. Ook wordt dieper ingegaan op de belastingdruk van verschillende soorten huishoudens. Daarnaast wordt inzicht geboden in de verschillen in belastingdruk in samenhang met de bijdrage aan het huishoudensinkomen van de minstverdienende partner. Dit laat zien hoe de totale systematiek uitwerkt in het netto-inkomen van het huishouden, hoeveel huishoudens in verschillende situaties zitten, en hoe zich dat in de tijd heeft ontwikkeld in samenhang met de ontwikkeling van het systeem. Indirect beantwoordt het onderzoek ook de vraag naar de empirische marginale belastingdruk bij specifieke overgangen, bijvoorbeeld door meer te gaan werken of het inkomen anders te verdelen.
Het huidige onderzoek draagt bij aan de kwantificering van zowel de fiscale verschillen als de omvang van de verschillende beleidsgroepen. Het gaat hier ook om het spanningsveld tussen prikkels voor de arbeidsmarkt (economische zelfstandigheid) en het voorkomen van armoede.
In dit artikel worden de onderstaande onderzoeksvragen beantwoord:
- Wat is het mediane inkomen van verschillende soorten huishoudens en waar zitten ze in de inkomensverdeling?
- Hoe heeft de belastingdruk en de verschillen hierin tussen soorten huishoudens zich ontwikkeld tussen 2014 en 2024?
- Wat is de mediane belastingdruk voor een- en tweeverdieners per inkomensgroep en wat is het verschil in belastingdruk tussen deze groepen? En hoe beïnvloedt de mate waarin de partner aan het inkomen bijdraagt de belastingdruk van het huishouden?
- Hoe hangt eigenwoningbezit en het hebben van (jonge) kinderen samen met de belastingdruk van verschillende soorten huishoudens?
2. Data en methode
Voor dit onderzoek zijn gegevens gebruikt uit het Integrale inkomens- en vermogensonderzoek (IIV). Het IIV loopt van 2011 tot en met 2024 en bevat complete gegevens over het inkomen en vermogen van alle huishoudens(leden) woonachtig in Nederland. De data komen voornamelijk van de Belastingdienst. In de analyse zijn alleen huishoudens onder de AOW-leeftijd meegenomen. Studentenhuishoudens zijn niet meegenomen, omdat zij niet voornamelijk afhankelijk zijn van arbeidsinkomen. Ook zijn alleen die huishoudens meegenomen waarbij de hoofdkostwinner werkzaam is als werknemer en/of als zelfstandige. Deze populatie heet in het vervolg van dit artikel de ‘werkzame huishoudens’.
Een- en tweeverdieners
Een- en tweeverdieners worden op dezelfde manier afgeleid als in Van den Brakel, Gidding, en Huynen (2018). Om te bepalen welke huishoudens een- of tweeverdieners zijn, wordt gebruikgemaakt van het persoonlijke primaire inkomen. Dit bestaat uit het inkomen verdiend als loon, winst uit een eigen onderneming of overige inkomsten uit arbeid. Wanneer de hoofdkostwinner en de partner beide primair inkomen hebben, wordt het huishouden aangemerkt als tweeverdiener. Eenpersoonshuishoudens en eenoudergezinnen worden in dit artikel als aparte categorieën geclassificeerd.
Belastingdruk
Voor deze analyse zijn alleen het inkomen en de belastingen van de kern van het huishouden meegenomen, dus van de hoofdkostwinner en een eventuele partner. De belastingdruk wordt berekend door de gezamenlijke betaalde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen (AOW, Anw en Wlz) te delen door het bruto-inkomen van de huishoudenskern. Het bruto-inkomen bevat naast het inomen uit arbeid en eigen onderneming ook inkomen uit vermogen, uitkeringen en toeslagen, en is inclusief werkgeversheffingen.
Verschillen in belastingdruk tussen een- en tweeverdieners worden direct veroorzaakt door kenmerken van het belastingstelsel. In de eerste plaats kent het stelsel op individueel niveau belastingschijven met een toenemend heffingspercentage. In 2024 betaalde een persoon 36,97 procent over de eerste 75 518 euro aan inkomen, en 49,50 procent over het inkomen daarboven. Het aantal schijven en de bijbehorende tarieven variëren overigens met de jaren. Zo waren er in 2014 nog vier schijven met een toptarief van 52,00 procent voor inkomens boven de 56 532 euro. Door het inkomen te spreiden over de partners kan het inkomen onder het hoogste tarief worden beperkt.
Heffingskortingen worden afgetrokken van de inkomstenbelasting en premies en verlagen zo de belastingdruk. Dit kan als doel hebben om bepaald gedrag te stimuleren en/of te ondersteunen. Heffingskortingen worden anders toegepast dan andere fiscale aftrekregelingen, zoals de hypotheekrenteaftrek en de zelfstandigenaftrek. Bij deze twee regelingen wordt een bedrag afgetrokken van het belastbaar inkomen/winst in plaats van de te betalen belasting.
Er zijn verschillende heffingskortingen en de toepasbaarheid en hoogte ervan zijn afhankelijk van de persoonlijke situatie. De hoogtes en voorwaarden van de kortingen kunnen ook van jaar op jaar verschillen. Heffingskortingen voor AOW-gerechtigden, de jonggehandicaptenkorting en de heffingskorting voor groene beleggingen worden buiten de analyse gelaten, ook al hebben sommige hiervan wel een invloed op de uiteindelijke belastingdruk. In dit artikel gaat het voornamelijk over het effect van de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting:
- De algemene heffingskorting: dit is een korting die ieder inkomstenbelasting betalende persoon ontvangt. De hoogte hiervan hangt af van het belastbaar inkomen en of een persoon de AOW-leeftijd bereikt. Iedere persoon met belastbaar inkomen ontvangt deze korting, maar de heffingskorting neemt wel af naarmate het inkomen toeneemt.
- Arbeidskorting: deze korting geldt voor elke persoon met arbeidsinkomen. Onder arbeidsinkomen valt onder andere winst uit onderneming, loon, ziektewetuitkering en andere inkomsten uit loondienst waarop de werkgever loonheffing moet inhouden. De korting wordt in eerste instantie hoger naarmate het arbeidsinkomen toeneemt, maar vanaf ongeveer 40 duizend euro neemt de korting af totdat die helemaal verdwijnt. Deze structuur stimuleert zowel het hebben van een eigen arbeidsinkomen als een gelijkmatige verdeling van dat inkomen tussen partners
- Inkomensafhankelijke combinatiekorting: werkende huishoudens met jonge kinderen kunnen hiervan gebruik maken. De korting is afhankelijk van het arbeidsinkomen van de ouder(s). Alleen personen met een arbeidsinkomen van hoger dan 6 duizend euro kunnen hiervan gebruik maken. Voorwaarde is dat het jongste kind van het huishouden jonger dan twaalf jaar is. Alleen een alleenstaande ouder of de partner met het laagste arbeidsinkomen kan de korting toepassen.
Hieronder worden de hoogtes van de drie opgenomen heffingskortingen getoond voor het jaar 2024 en voor personen die nog niet de AOW-leeftijd bereikt hadden in dat jaar.
| Inkomen | Algemene.heffingskorting (euro) | Arbeidskorting (euro) | Combinatiekorting (euro) |
|---|---|---|---|
| 0 | 3362 | 0 | 0 |
| 1 | 3362 | 85 | 0 |
| 2 | 3362 | 169 | 0 |
| 3 | 3362 | 254 | 0 |
| 4 | 3362 | 338 | 0 |
| 5 | 3362 | 423 | 0 |
| 6 | 3362 | 507 | 0 |
| 7 | 3362 | 592 | 55 |
| 8 | 3362 | 676 | 114 |
| 9 | 3362 | 761 | 173 |
| 10 | 3362 | 845 | 232 |
| 11 | 3362 | 930 | 291 |
| 12 | 3362 | 1128 | 350 |
| 13 | 3362 | 1443 | 409 |
| 14 | 3362 | 1757 | 468 |
| 15 | 3362 | 2071 | 527 |
| 16 | 3362 | 2386 | 586 |
| 17 | 3362 | 2700 | 645 |
| 18 | 3362 | 3014 | 704 |
| 19 | 3362 | 3329 | 763 |
| 20 | 3362 | 3643 | 822 |
| 21 | 3362 | 3957 | 881 |
| 22 | 3362 | 4272 | 940 |
| 23 | 3362 | 4586 | 999 |
| 24 | 3362 | 4900 | 1058 |
| 25 | 3350 | 5162 | 1117 |
| 26 | 3283 | 5187 | 1176 |
| 27 | 3217 | 5212 | 1235 |
| 28 | 3151 | 5237 | 1294 |
| 29 | 3084 | 5261 | 1353 |
| 30 | 3018 | 5286 | 1412 |
| 31 | 2952 | 5311 | 1471 |
| 32 | 2885 | 5335 | 1521 |
| 33 | 2819 | 5360 | 1521 |
| 34 | 2753 | 5385 | 1521 |
| 35 | 2687 | 5410 | 1521 |
| 36 | 2620 | 5434 | 1521 |
| 37 | 2554 | 5459 | 1521 |
| 38 | 2488 | 5484 | 1521 |
| 39 | 2421 | 5508 | 1521 |
| 40 | 2355 | 5529 | 1521 |
| 41 | 2289 | 5464 | 1521 |
| 42 | 2222 | 5399 | 1521 |
| 43 | 2156 | 5334 | 1521 |
| 44 | 2090 | 5269 | 1521 |
| 45 | 2024 | 5204 | 1521 |
| 46 | 1957 | 5139 | 1521 |
| 47 | 1891 | 5074 | 1521 |
| 48 | 1825 | 5008 | 1521 |
| 49 | 1758 | 4943 | 1521 |
| 50 | 1692 | 4878 | 1521 |
| 51 | 1626 | 4813 | 1521 |
| 52 | 1559 | 4748 | 1521 |
| 53 | 1493 | 4683 | 1521 |
| 54 | 1427 | 4618 | 1521 |
| 55 | 1361 | 4553 | 1521 |
| 56 | 1294 | 4488 | 1521 |
| 57 | 1228 | 4423 | 1521 |
| 58 | 1162 | 4357 | 1521 |
| 59 | 1095 | 4292 | 1521 |
| 60 | 1029 | 4227 | 1521 |
| 61 | 963 | 4162 | 1521 |
| 62 | 896 | 4097 | 1521 |
| 63 | 830 | 4032 | 1521 |
| 64 | 764 | 3967 | 1521 |
| 65 | 698 | 3902 | 1521 |
| 66 | 631 | 3837 | 1521 |
| 67 | 565 | 3772 | 1521 |
| 68 | 499 | 3706 | 1521 |
| 69 | 432 | 3641 | 1521 |
| 70 | 366 | 3576 | 1521 |
| 71 | 300 | 3511 | 1521 |
| 72 | 233 | 3446 | 1521 |
| 73 | 167 | 3381 | 1521 |
| 74 | 101 | 3316 | 1521 |
| 75 | 35 | 3251 | 1521 |
| 76 | 0 | 3186 | 1521 |
| 77 | 0 | 3121 | 1521 |
| 78 | 0 | 3055 | 1521 |
| 79 | 0 | 2990 | 1521 |
| 80 | 0 | 2925 | 1521 |
| 81 | 0 | 2860 | 1521 |
| 82 | 0 | 2795 | 1521 |
| 83 | 0 | 2730 | 1521 |
| 84 | 0 | 2665 | 1521 |
| 85 | 0 | 2600 | 1521 |
| 86 | 0 | 2535 | 1521 |
| 87 | 0 | 2470 | 1521 |
| 88 | 0 | 2404 | 1521 |
| 89 | 0 | 2339 | 1521 |
| 90 | 0 | 2274 | 1521 |
| 91 | 0 | 2209 | 1521 |
| 92 | 0 | 2144 | 1521 |
| 93 | 0 | 2079 | 1521 |
| 94 | 0 | 2014 | 1521 |
| 95 | 0 | 1949 | 1521 |
| 96 | 0 | 1884 | 1521 |
| 97 | 0 | 1819 | 1521 |
| 98 | 0 | 1753 | 1521 |
| 99 | 0 | 1688 | 1521 |
| 100 | 0 | 1623 | 1521 |
| 101 | 0 | 1558 | 1521 |
| 102 | 0 | 1493 | 1521 |
| 103 | 0 | 1428 | 1521 |
| 104 | 0 | 1363 | 1521 |
| 105 | 0 | 1298 | 1521 |
| 106 | 0 | 1233 | 1521 |
| 107 | 0 | 1168 | 1521 |
| 108 | 0 | 1102 | 1521 |
| 109 | 0 | 1037 | 1521 |
| 110 | 0 | 972 | 1521 |
| 111 | 0 | 907 | 1521 |
| 112 | 0 | 842 | 1521 |
| 113 | 0 | 777 | 1521 |
| 114 | 0 | 712 | 1521 |
| 115 | 0 | 647 | 1521 |
| 116 | 0 | 582 | 1521 |
| 117 | 0 | 517 | 1521 |
| 118 | 0 | 451 | 1521 |
| 119 | 0 | 386 | 1521 |
| 120 | 0 | 321 | 1521 |
| 121 | 0 | 256 | 1521 |
| 122 | 0 | 191 | 1521 |
| 123 | 0 | 126 | 1521 |
| 124 | 0 | 61 | 1521 |
| 125 | 0 | 0 | 1521 |
| 126 | 0 | 0 | 1521 |
| 127 | 0 | 0 | 1521 |
| 128 | 0 | 0 | 1521 |
| 129 | 0 | 0 | 1521 |
| 130 | 0 | 0 | 1521 |
| *Voor de hoogte van de algemene heffingskorting geldt het belastbaar inkomen uit werk en woning. Voor de hoogte van de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting geldt het arbeidsinkomen. De inkomensgrenzen die bepalend zijn voor de hoogte van de heffingskorting, zijn afgerond op duizendtallen. | |||
Alle kortingen hebben in de jaren 2011-2024 allerlei wijzigingen ondergaan met uiteenlopende effecten op de belastingdruk per huishoudenstype. Zo is de mogelijkheid om de algemene heffingskorting via de partner te verzilveren tussen 2008 en 2023 stapsgewijs afgebouwd en bestaat deze nu alleen nog voor de generatie geboren vóór 1963. Hierdoor is het steeds gunstiger geworden om inkomens gelijkmatiger te verdelen tussen partners, zie ook Jongen, de Boer, en Koot (2018).
Naast de belastingdruk komt ook de belasting- en premiedruk aan de orde. Hierbij worden ook de betaalde werknemerspremies, pensioenpremies, inkomensafhankelijke Zvw-premies en nettokosten van de basisverzekering (inclusief eigen risico en met mindering van zorgtoeslag) meegeteld bij de inkomstenbelasting en de premies volksverzekeringen. In andere CBS-publicaties wordt met de belasting- en premiedruk wel het percentage op het bruto binnenlands product bedoeld.
3. Resultaten
3.1 Ontwikkelingen een- en tweeverdieners
Minder eenverdieners dan tien jaar geleden
Bij de analyse van inkomen en belastingen worden de volgende huishoudenstypen onderscheiden. Allereerst huishoudens met twee volwassenen en één, respectievelijk twee inkomens uit werk: dit zijn de een- en de tweeverdieners. Huishoudens met één volwassene, zonder kinderen en met kinderen: respectievelijk eenpersoonshuishoudens en eenoudergezinnen. Ten slotte de overige meerpersoonshuishoudens. Bij deze vrij kleine huishoudensgroep gaat het om meerdere personen die samen een huishouden vormen, maar die niet elkaars partner of familie zijn. Vanwege de omvang en niet eenduidige kadering van deze huishoudens worden ze niet apart weergegeven.
Het aantal eenverdieners is het afgelopen decennium afgenomen, terwijl het aantal tweeverdieners juist is toegenomen. In 2014 was 13 procent van de huishoudens met primair inkomen eenverdiener. Tien jaar later was dit nog maar 9 procent. In deze periode was sprake van een inperking van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting van 40 naar 100 procent, wat niet-werken minder aantrekkelijk maakte (Jongen, de Boer, en Koot, 2018), maar ook andere fiscale wijzigingen spelen hierin mee.
De minst- of niet-verdienende partners in een- en tweeverdienershuishoudens zijn relatief vaak vrouwen. Dat het aantal tweeverdieners vanaf 2011 is toegenomen, heeft vooral te maken met de gestegen arbeidsparticipatie van vrouwen (CBS, 2024a). De arbeidsparticipatie van vrouwen neemt vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw toe, met sterke stijgingen in de jaren tachtig en negentig (CBS, 2024b). In 2024 waren er 10 procent meer tweeverdieners dan in 2014. Tweeverdieners waren in 2024 ook de grootste groep onder de werkzame huishoudens: ongeveer een op de twee huishoudens behoort hiertoe.
Eenpersoonshuishoudens zijn de grootste huishoudensgroep na de tweeverdieners; ongeveer een op de drie huishoudens behoort hiertoe. De afgelopen tien jaar groeide hun aantal met 28 procent, het meest van alle huishoudensgroepen. Gemiddeld zijn zij ook het jongst van alle (werkzame) huishoudensgroepen.
| Huishoudenstype | 2014 (x 1 000) | 2024* (x 1 000) |
|---|---|---|
| Eenpersoonshuishouden | 1223,9 | 1562,2 |
| Eenverdiener | 569,7 | 445,3 |
| Tweeverdiener | 2297,1 | 2525,4 |
| Eenoudergezin | 339,4 | 424,4 |
| Overig meerpersoonshuishouden | 41,7 | 56,0 |
| *voorlopige cijfers | ||
Sterke groei inkomen tweeverdieners
Tweeverdieners hadden in 2024 een mediaan bruto-inkomen van 128,1 duizend euro, het hoogst van alle onderscheiden groepen werkzame huishoudens. Daarna volgden de eenverdieners met 84,7 duizend euro. Het mediane inkomen van werkzame eenpersoonshuishoudens was het laagst met 55,5 duizend euro. Paren (een- en tweeverdieners) zijn vaak ouder dan eenpersoonshuishoudens, wat bijdraagt aan het inkomensverschil. De inkomens van tweeverdieners zijn het hoogst en ze zijn harder gegroeid dan die van eenverdieners. Sinds 2011 is het reële inkomen van tweeverdieners gegroeid met 14 procent. In diezelfde periode groeide de inkomens van eenverdieners met 6 procent en die van eenpersoonshuishoudens met slechts 2 procent.
De sterkste inkomensgroei was bij de eenoudergezinnen met 20 procent ten opzichte van 2011. Toen hadden zij nog het laagste inkomen van alle huishoudensgroepen, maar in 2024 was hun doorsnee inkomen hoger dan die van eenpersoonshuishoudens. Ook hier spelen de toegenomen arbeidsparticipatie van vrouwen en de verhoogde arbeidsafhankelijke heffingskortingen een rol (CBS, 2024; Jongen, de Boer, en Koot, 2018).
| Jaar | Eenpersoonshuishouden (1 000 euro) | Eenverdiener (1 000 euro) | Tweeverdiener (1 000 euro) | Eenoudergezin (1 000 euro) |
|---|---|---|---|---|
| 2011 | 54,4 | 79,8 | 110,3 | 48,0 |
| 2012 | 53,6 | 79,3 | 110,4 | 47,7 |
| 2013 | 53,1 | 78,7 | 109,9 | 48 |
| 2014 | 53,4 | 79,7 | 111,6 | 48,8 |
| 2015 | 52,9 | 79,2 | 111,4 | 50,9 |
| 2016 | 53,4 | 80,9 | 114,5 | 51,6 |
| 2017 | 53,7 | 82 | 116,7 | 52,5 |
| 2018 | 53,9 | 82,6 | 118,4 | 52,7 |
| 2019 | 54,3 | 83,2 | 120,5 | 53,3 |
| 2020 | 55,7 | 84,6 | 123,4 | 55,0 |
| 2021 | 55,9 | 84,8 | 124,9 | 55,4 |
| 2022 | 55,7 | 83,9 | 125,4 | 55,5 |
| 2023 | 54,1 | 82,7 | 124 | 55,1 |
| 2024 | 55,5 | 84,7 | 128,1 | 57,4 |
| *voorlopige cijfers | ||||
Verschil tussen inkomen hoofdkostwinner en partner kleiner geworden
Wanneer het inkomen van de hoofdkostwinner en van de partner in een tweeverdienershuishouden apart worden bekeken, dan valt te zien dat voornamelijk het inkomen van de partners sterk is gestegen. Vanaf 2011 is hun reële mediaan inkomen gegroeid met 42,4 procent, van 27,4 duizend euro naar 39 duizend euro in 2024. Het inkomen van de hoofdkostwinner is in diezelfde periode toegenomen met 9 procent. Dit hangt samen met de ontwikkeling dat de partners in tweeverdienershuishoudens in 2024 gemiddeld meer werkten dan in 2011 (CBS, 2024).
| Jaar | Hoofdkostwinner (1 000 euro ) | Partner (1 000 euro ) |
|---|---|---|
| 2011 | 74,4 | 27,4 |
| 2012 | 74,3 | 27,3 |
| 2013 | 73,7 | 27,5 |
| 2014 | 74,7 | 28,1 |
| 2015 | 74,3 | 28,6 |
| 2016 | 76,2 | 29,7 |
| 2017 | 77,6 | 30,9 |
| 2018 | 77,3 | 32,9 |
| 2019 | 78,3 | 33,9 |
| 2020 | 79,8 | 35,2 |
| 2021 | 80,5 | 35,9 |
| 2022 | 80,5 | 36,5 |
| 2023 | 79,0 | 37,0 |
| 2024* | 80,8 | 39,0 |
| *voorlopige cijfers | ||
Tweeverdieners vaak hoog inkomen
Tweeverdieners zijn vaker aanwezig in de hogere inkomensgroepen dan de andere huishoudenstypes. In de hoogste vijf decielgroepen is een ruime meerderheid van de werkzame huishoudens een tweeverdiener. Bij de hoogste twintig procent van de inkomens is zelfs 87 procent van de werkzame huishoudens tweeverdiener. Zij hebben een inkomen van 126,7 duizend euro of meer. Daarentegen hebben werkzame eenpersoonshuishoudens vaker een lager inkomen. Vooral bij de laagste dertig procent inkomen (tot ongeveer 64 duizend euro) zijn zij oververtegenwoordigd. Eenverdieners komen het vaakst voor in het vierde en vijfde inkomensdeciel, maar zijn van alle groepen het meest gelijkmatig verdeeld over de inkomensdecielen.
| Decielgroep | Eenpersoonshuishouden (%) | Eenverdiener (%) | Tweeverdiener (%) | Eenoudergezin (%) | Overig meerpersoonshuishouden (%) |
|---|---|---|---|---|---|
| 1 (laagste inkomens) | 70,1 | 7,6 | 4,9 | 15,2 | 2,2 |
| 2 | 63,0 | 8,6 | 7,7 | 18,5 | 2,3 |
| 3 | 57,0 | 10,4 | 14,6 | 15,7 | 2,3 |
| 4 | 44,5 | 12,6 | 29,3 | 11,9 | 1,7 |
| 5 | 28,7 | 12,2 | 49,8 | 8,2 | 1,1 |
| 6 | 18,4 | 10,2 | 65,2 | 5,6 | 0,7 |
| 7 | 12,2 | 8,4 | 75,0 | 4,0 | 0,4 |
| 8 | 7,8 | 7,0 | 82,5 | 2,5 | 0,3 |
| 9 | 5,3 | 5,7 | 87,2 | 1,6 | 0,2 |
| 10 (hoogste inkomens) | 4,6 | 6,3 | 87,5 | 1,4 | 0,2 |
| *voorlopige cijfers | |||||
3.2 Belastingdruk
Belastingdruk lager dan in 2014
Voor bijna alle inkomensgroepen is de belastingdruk lager dan tien jaar eerder. In 2024 was de mediane belastingdruk voor werkzame huishoudens 15,1 procent en de belasting- en premiedruk 40,3 procent van het bruto-inkomen. Tien jaar eerder bedroeg dit respectievelijk 17,0 en 43,4 procent. Vooral voor lagere inkomens is de belastingdruk verminderd, terwijl die voor inkomens vanaf 250 duizend euro ongeveer gelijk is gebleven.
Sinds 2014 zijn er fiscale veranderingen geweest die deze ontwikkeling deels verklaren. Zo is het aantal belastingschijven voor box 1 verminderd, waardoor het inkomen boven de premiegrens voor de volksverzekeringen minder zwaar wordt belast. De arbeidskorting is in deze periode vooral voor lagere inkomens flink verhoogd. Van de combinatiekorting bedroeg het minimumbedrag in 2014 €1.024. Dit bedrag is verlaagd, zodat het in 2024 €0 bedroeg. De korting neemt in 2024 echter wel sneller toe bij een stijging van het arbeidsinkomen dan in 2014.
| Inkomensklasse | Belastingdruk 2014 (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | Belastingdruk 2024* (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | Belasting- en premiedruk 2014 (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | Belasting en premiedruk 2024* (% van bruto-inkomen huishoudenskern) |
|---|---|---|---|---|
| 20 | 10,2 | 1,4 | 26,1 | 20,1 |
| 30 | 10,7 | 3,6 | 30,2 | 23,8 |
| 40 | 12,3 | 8,0 | 35,9 | 31,4 |
| 50 | 14,2 | 11,5 | 40,2 | 36,1 |
| 60 | 15,5 | 13,8 | 42,0 | 39,1 |
| 70 | 15,8 | 15,2 | 42,3 | 39,9 |
| 80 | 16,3 | 15,0 | 42,7 | 38,8 |
| 90 | 17,0 | 14,3 | 43,5 | 38,8 |
| 100 | 17,5 | 14,2 | 44,6 | 39,7 |
| 110 | 18,2 | 14,9 | 45,8 | 40,9 |
| 120 | 18,9 | 15,9 | 46,8 | 42,3 |
| 130 | 19,7 | 16,9 | 47,7 | 43,6 |
| 140 | 20,6 | 18,0 | 48,6 | 44,8 |
| 150 | 21,5 | 19,2 | 49,4 | 45,9 |
| 160 | 22,4 | 20,2 | 50,0 | 46,9 |
| 170 | 23,2 | 21,3 | 50,7 | 47,8 |
| 180 | 24,0 | 22,2 | 51,2 | 48,6 |
| 190 | 24,8 | 23,2 | 51,7 | 49,3 |
| 200 | 25,6 | 24,1 | 52,1 | 49,9 |
| 210 | 26,2 | 24,9 | 52,5 | 50,5 |
| 220 | 26,8 | 25,8 | 52,8 | 50,9 |
| 230 | 27,4 | 26,6 | 53,1 | 51,2 |
| 240 | 27,9 | 27,3 | 53,4 | 51,5 |
| 250 | 28,4 | 27,9 | 53,5 | 51,7 |
| 260 | 29,0 | 28,6 | 53,7 | 51,7 |
| 270 | 29,3 | 29,2 | 53,9 | 51,7 |
| 280 | 29,7 | 29,8 | 54 | 51,6 |
| 290 | 30,1 | 30,3 | 54,1 | 51,6 |
| *voorlopige cijfers | ||||
Hoogste belastingdruk voor eenverdieners
De mediane belastingdruk van eenverdieners was het hoogst van alle werkzame huishoudensgroepen in 2014 en in 2024. Tweeverdieners hebben een lagere doorsnee belastingdruk dan eenverdieners, ondanks een hoger huishoudensinkomen. Voor alle huishoudensgroepen is de mediane belastingdruk in 2024 lager dan in 2014. Vooral die van eenpersoonshuishoudens is afgenomen. Zij hebben vaker een inkomen onder de 40 duizend euro en voor deze inkomensgroep is de belastingdruk het meest afgenomen. De belastingdruk voor een- en tweeverdieners is daarentegen slechts beperkt afgenomen. Hun inkomen is vaak juist hoger dan die van andere huishoudgroepen en juist bij hogere inkomens is de belastingdruk het minst afgenomen. Dit mede door de voor hogere inkomens sterkere afbouw van arbeidskorting en algemene heffingskorting.
| Huishoudenstype | 2014 (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | 2024* (% van bruto-inkomen huishoudenskern) |
|---|---|---|
| Eenpersoonshuishouden | 17,6 | 14,0 |
| Eenverdiener | 17,6 | 16,7 |
| Tweeverdiener | 17,2 | 15,9 |
| Eenoudergezin | 12,4 | 10,9 |
| *voorlopige cijfers | ||
Zoals hierboven bleek hebben de verschillen in belastingdruk alles te maken met verschillen in de inkomens van de diverse huishoudenstypen. Om deze verschillen te neutraliseren, moet er per inkomensgroep worden vergeleken. Hieruit valt te zien dat eenpersoonshuishoudens bij elk inkomen de hoogste belastingdruk hebben en tweeverdieners de laagste. Deze verschillen nemen toe naar mate het inkomen hoger wordt. Bij een huishoudensinkomen van 100 duizend euro is het verschil al ruim 10 procentpunt.
Deze verschillen hebben fiscale oorzaken. De voornaamste is het progressieve belastingsysteem voor de inkomsten in box 1. Belastingdruk wordt in dit onderzoek berekend per huishouden, maar iemands inkomsten uit bijvoorbeeld loon worden belast op persoonsniveau via een progressief schijvensysteem in combinatie met inkomensafhankelijke heffingskortingen. Dat houdt in dat een hoger persoonlijk inkomen kan leiden tot een hoger gemiddeld belastingtarief voor die persoon. Eenpersoonshuishouden hebben daarnaast minder vaak een eigen woning en gebruiken daardoor minder vaak de hypotheekrenteaftrek. Ook hebben ze geen kinderen onder de twaalf waardoor ze minder vaak de combinatiekorting inzetten. Eenoudergezinnen kunnen in tegenstelling tot eenpersoonshuishoudens wel vaker gebruik maken van de combinatiekorting.
| Inkomensklasse | Eenpersoonshuishouden (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | Eenverdiener (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | Tweeverdiener (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | Eenoudergezin (% van bruto-inkomen huishoudenskern) |
|---|---|---|---|---|
| 20 | 1,6 | 0 | 0 | 0,4 |
| 30 | 4,3 | 3,7 | 0,3 | 1,7 |
| 40 | 9,1 | 5,8 | 1,4 | 3,4 |
| 50 | 12,7 | 9,4 | 4,2 | 8,1 |
| 60 | 15,8 | 12,2 | 6,3 | 12,3 |
| 70 | 17,9 | 14,4 | 7,7 | 15,3 |
| 80 | 19,4 | 16,2 | 9,0 | 17,6 |
| 90 | 20,8 | 17,8 | 10,4 | 19,4 |
| 100 | 22,5 | 19,4 | 11,9 | 21 |
| 110 | 24,4 | 21,1 | 13,4 | 23,3 |
| 120 | 26,1 | 22,8 | 14,8 | 25,1 |
| 130 | 27,5 | 24,2 | 16,2 | 26,7 |
| 140 | 28,8 | 25,8 | 17,4 | 28,1 |
| 150 | 29,9 | 26,8 | 18,6 | 29,3 |
| 160 | 30,9 | 28,3 | 19,7 | 30,3 |
| 170 | 31,7 | 29,5 | 20,8 | 31,2 |
| 180 | 32,5 | 30,5 | 21,8 | 31,8 |
| 190 | 33,3 | 31,4 | 22,8 | 32,8 |
| 200 | 34,0 | 32,2 | 23,7 | |
| 210 | 34,5 | 32,7 | 24,6 | |
| 220 | 35,2 | 33,6 | 25,4 | |
| 230 | 35,9 | 34,4 | 26,2 | |
| 240 | 36,4 | 34,8 | 26,9 | |
| 250 | 36,8 | 35,6 | 27,6 | |
| 260 | 36,0 | 28,3 | ||
| 270 | 36,5 | 28,9 | ||
| 280 | 29,5 | |||
| 290 | 30,0 | |||
| *voorlopige cijfers | ||||
Verschil in belastingdruk een- en tweeverdieners groter geworden
Zowel de meeste een- als tweeverdieners hebben een lagere belastingdruk dan in 2014. Maar de belastingdruk voor tweeverdieners is wel sterker afgenomen dan bij eenverdieners. Hierdoor is het verschil in belastingdruk groter geworden. Hetzelfde effect was voor de periode 2005-2017 gevonden door Jongen, de Boer, en Koot (2018). Als oorzaak geven zij een veranderend fiscaal beleid, gericht op een hogere arbeidsparticipatie.
| Inkomensklasse | Eenverdiener 2014 (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | Eenverdiener 2024* (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | Tweeverdiener 2014 (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | Tweeverdiener 2024* (% van bruto-inkomen huishoudenskern) |
|---|---|---|---|---|
| 20 | 0,4 | 0 | 0 | 0 |
| 30 | 7 | 3,7 | 3,4 | 0,3 |
| 40 | 9,7 | 5,8 | 6,5 | 1,4 |
| 50 | 12,9 | 9,4 | 8,9 | 4,2 |
| 60 | 14,3 | 12,2 | 10,8 | 6,3 |
| 70 | 16 | 14,4 | 12,2 | 7,7 |
| 80 | 17,6 | 16,2 | 13,5 | 9 |
| 90 | 19,2 | 17,8 | 14,7 | 10,4 |
| 100 | 20,6 | 19,4 | 15,9 | 11,9 |
| 110 | 22 | 21,1 | 17,1 | 13,4 |
| 120 | 23,5 | 22,8 | 18,1 | 14,8 |
| 130 | 24,9 | 24,2 | 19,1 | 16,2 |
| 140 | 26,2 | 25,8 | 20 | 17,4 |
| 150 | 27,3 | 26,8 | 21 | 18,6 |
| 160 | 28,2 | 28,3 | 21,8 | 19,7 |
| 170 | 29 | 29,5 | 22,7 | 20,8 |
| 180 | 29,7 | 30,5 | 23,5 | 21,8 |
| 190 | 30,3 | 31,4 | 24,3 | 22,8 |
| 200 | 31 | 32,2 | 25,1 | 23,7 |
| 210 | 31,4 | 32,7 | 25,7 | 24,6 |
| 220 | 31,7 | 33,6 | 26,3 | 25,4 |
| 230 | 32,2 | 34,4 | 26,9 | 26,2 |
| 240 | 32,6 | 34,8 | 27,5 | 26,9 |
| 250 | 32,9 | 35,6 | 28 | 27,6 |
| 260 | 33,2 | 36 | 28,5 | 28,3 |
| 270 | 33,4 | 36,5 | 28,9 | 28,9 |
| 280 | 33,7 | 29,3 | 29,5 | |
| 290 | 33,8 | 29,7 | 30 | |
| *voorlopige cijfers | ||||
Hoger inkomensaandeel partner leidt tot lagere belastingdruk
Hoe gelijker het inkomen verdeeld is tussen de twee partners in een tweeverdienershuishouden, des te lager de belastingdruk. Dit geldt vooral voor huishoudens waar het inkomen van de minst verdienende lager of gelijk is aan het minimumloon (tot ongeveer 150 procent economische zelfstandigheid). Bij hogere economische zelfstandigheid van de partner nemen de extra belastingvoordelen af. Het aandeel economisch zelfstandige vrouwen is de afgelopen jaren toegenomen (CBS, 2025). Of dit komt door fiscale prikkels valt niet te zeggen uit dit onderzoek.
| Inkomensklasse | Eenverdiener (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | 0 tot 25% (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | 25 tot 50% (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | 50 tot 75% (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | 75 tot 100% (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | 100 tot 125% (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | 125 tot 150% (% van bruto-inkomen huishoudenskern) |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 20 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | |||
| 30 | 3,5 | 1,4 | 0,4 | 0,0 | 0,0 | ||
| 40 | 5,8 | 5,2 | 2,5 | 1,1 | 0,6 | 0,4 | |
| 50 | 9,3 | 8,8 | 6,6 | 5,0 | 3,1 | 1,4 | 0,9 |
| 60 | 12,2 | 11,9 | 10,0 | 8,3 | 6,6 | 4,7 | 3,0 |
| 70 | 14,4 | 14,4 | 12,7 | 11,2 | 9,4 | 7,5 | 5,6 |
| 80 | 16,2 | 16,5 | 15,0 | 13,7 | 11,9 | 10,1 | 8,1 |
| 90 | 17,8 | 18,3 | 16,9 | 15,6 | 14,1 | 12,3 | 10,5 |
| 100 | 19,4 | 19,9 | 18,7 | 17,4 | 16,0 | 14,4 | 12,7 |
| 110 | 21,1 | 22,0 | 20,4 | 19,2 | 17,7 | 16,2 | 14,6 |
| 120 | 22,8 | 23,7 | 22,5 | 21,2 | 19,6 | 17,9 | 16,3 |
| 130 | 24,2 | 25,3 | 24,0 | 22,9 | 21,6 | 20,0 | 18,2 |
| 140 | 25,8 | 26,7 | 25,5 | 24,5 | 23,1 | 21,8 | 20,1 |
| 150 | 26,9 | 27,9 | 26,8 | 25,8 | 24,7 | 23,2 | 21,8 |
| 160 | 28,3 | 29,0 | 28,1 | 27,1 | 25,9 | 24,7 | 23,2 |
| 170 | 29,5 | 30,0 | 28,1 | 27,0 | 25,8 | 24,5 | |
| 180 | 30,6 | 31,0 | 29,0 | 27,9 | 26,9 | 25,6 | |
| 190 | 31,5 | 28,8 | 27,9 | 26,7 | |||
| 200 | 32,3 | 28,6 | 27,6 | ||||
| 210 | 32,8 | 28,5 | |||||
| 220 | 33,6 | ||||||
| 230 | 34,4 | ||||||
| 240 | 34,8 | ||||||
| 250 | 35,6 | ||||||
| 260 | 36,0 | ||||||
| 270 | 36,5 | ||||||
| *voorlopige cijfers | |||||||
| Inkomensklasse | Eenverdiener (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | 125 tot 150% (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | 150 tot 175% (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | 175 tot 200% (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | 200 tot 225% (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | 225 tot 250% (% van bruto-inkomen huishoudenskern) |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 20 | 0,0 | |||||
| 30 | 3,5 | |||||
| 40 | 5,8 | |||||
| 50 | 9,3 | 0,9 | ||||
| 60 | 12,2 | 3,0 | 2,4 | 0,3 | ||
| 70 | 14,4 | 5,6 | 4,7 | 3,7 | 3,1 | |
| 80 | 16,2 | 8,1 | 6,6 | 6,8 | 5,8 | 6,0 |
| 90 | 17,8 | 10,5 | 8,9 | 8,6 | 8,5 | 8,2 |
| 100 | 19,4 | 12,7 | 11,1 | 10,5 | 10,7 | 10,6 |
| 110 | 21,1 | 14,6 | 13,1 | 12,4 | 12,3 | 12,7 |
| 120 | 22,8 | 16,3 | 14,8 | 14,1 | 13,8 | 14,2 |
| 130 | 24,2 | 18,2 | 16,5 | 15,7 | 15,3 | 15,5 |
| 140 | 25,8 | 20,1 | 18,3 | 17,2 | 16,6 | 16,7 |
| 150 | 26,9 | 21,8 | 20,1 | 18,8 | 17,9 | 17,8 |
| 160 | 28,3 | 23,2 | 21,6 | 20,4 | 19,4 | 18,9 |
| 170 | 29,5 | 24,5 | 23,0 | 21,8 | 20,8 | 20,2 |
| 180 | 30,6 | 25,6 | 24,2 | 23,1 | 22,1 | 21,5 |
| 190 | 31,5 | 26,7 | 25,3 | 24,3 | 23,3 | 22,7 |
| 200 | 32,3 | 27,6 | 26,3 | 25,3 | 24,5 | 23,9 |
| 210 | 32,8 | 28,5 | 27,1 | 26,2 | 25,4 | 24,8 |
| 220 | 33,6 | 28,0 | 27,0 | 26,2 | 25,8 | |
| 230 | 34,4 | 28,8 | 27,8 | 27,1 | 26,6 | |
| 240 | 34,8 | 29,5 | 28,6 | 27,9 | 27,4 | |
| 250 | 35,6 | 29,3 | 28,7 | 28,0 | ||
| 260 | 36,0 | 29,3 | 28,9 | |||
| 270 | 36,5 | 29,9 | 29,3 | |||
| 280 | 30,0 | |||||
| *voorlopige cijfers | ||||||
Extra belastingvoordeel voor werkzame ouders met jonge kinderen
Verschillen in belastingdruk tussen één- respectievelijk tweeverdieners en huishoudens met een alleenstaande hangen niet alleen samen met de verdeling van het (arbeids)inkomen. Ook persoonlijke omstandigheden en eigen keuzes kunnen hierbij een rol spelen. Een voorbeeld hiervan is de aanwezigheid van jonge kinderen. Via de inkomensafhankelijke combinatiekorting krijgt de minstverdienende werkende partner of de werkende alleenstaande ouder een extra heffingskorting als ze zorgen voor een kind onder de twaalf jaar. De korting werd in 2024 evenredig opgebouwd over het eigen arbeidsinkomen tussen 6.073 en 31.837 euro en was maximaal 2.950 euro. Bij paren wordt de korting toegepast op de partner met het laagste arbeidsinkomen.
Het effect van de korting op de belastingdruk zie je bij alleenstaande ouders het sterkst bij de inkomens tot 32 duizend euro. Vanaf een arbeidsinkomen van ongeveer 32 duizend euro is de korting namelijk een vast bedrag, en neemt het relatieve belang af. Bij tweeverdieners wordt de korting altijd toegepast op het inkomen van de minst verdienende partner. Omdat de andere partner een minstens even hoog inkomen heeft, is de heffingskorting effectief bij een hoger huishoudensinkomen (minimaal twee keer de drempel van de regeling) en afhankelijk van de verdeling van het inkomen tussen de partners. Het belastingeffect van combinatiekorting is hierdoor bij tweeverdieners effectief bij een hoger huishoudensinkomen en meer gespreid zichtbaar in de mediane belastingdruk.
| Inkomensklasse | Eenverdiener (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | Tweeverdiener: kind jonger dan 12 (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | Tweeverdiener: geen kind jonger dan 12 (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | Eenoudergezin: kind jonger dan 12 (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | Eenoudergezin: geen kind jonger dan 12 (% van bruto-inkomen huishoudenskern) |
|---|---|---|---|---|---|
| 20 | 0 | 0 | 0 | 0 | 1,5 |
| 30 | 3,7 | 0 | 0,5 | 0 | 3,1 |
| 40 | 5,8 | 1,1 | 1,5 | 0 | 6,7 |
| 50 | 9,4 | 3,4 | 4,6 | 2,5 | 10,7 |
| 60 | 12,2 | 5,6 | 6,7 | 7,2 | 13,9 |
| 70 | 14,4 | 6,8 | 8,0 | 11,0 | 16,5 |
| 80 | 16,2 | 7,7 | 9,5 | 13,7 | 18,4 |
| 90 | 17,8 | 8,9 | 11,0 | 15,8 | 20,1 |
| 100 | 19,4 | 10,2 | 12,5 | 18,0 | 21,6 |
| 110 | 21,1 | 11,6 | 13,9 | 20,6 | 23,8 |
| 120 | 22,8 | 13,1 | 15,4 | 22,8 | 25,6 |
| 130 | 24,2 | 14,4 | 16,7 | 24,6 | 27,0 |
| 140 | 25,8 | 15,8 | 17,9 | 28,4 | |
| 150 | 26,8 | 17,1 | 19,1 | 29,7 | |
| 160 | 28,3 | 18,4 | 20,3 | 30,6 | |
| 170 | 29,5 | 19,5 | 21,3 | 31,5 | |
| 180 | 30,5 | 20,6 | 22,3 | 32,1 | |
| 190 | 31,4 | 21,7 | 23,3 | ||
| 200 | 32,2 | 22,7 | 24,2 | ||
| 210 | 32,7 | 23,6 | 25 | ||
| 220 | 33,6 | 24,5 | 25,9 | ||
| 230 | 34,4 | 25,3 | 26,6 | ||
| 240 | 34,8 | 26,0 | 27,3 | ||
| 250 | 35,6 | 26,7 | 28,0 | ||
| 260 | 36,0 | 27,5 | 28,7 | ||
| 270 | 36,5 | 28,1 | 29,3 | ||
| 280 | 28,8 | 29,9 | |||
| 290 | 29,2 | 30,4 | |||
| *voorlopige cijfers | |||||
Fiscaal voordeel eigenwoning verlaagt belastingdruk
Andere kenmerken van het huishouden hebben ook een invloed op de uiteindelijke inkomensheffing, zoals het zelfstandig ondernemerschap en het hebben van een eigen woning. Zo kunnen zelfstandigen onder voorwaarden gebruik maken van de zelfstandigenaftrek en de mkb-vrijstelling. En woningeigenaren kunnen gebruik maken van de hypotheekrenteaftrek, waarbij hun eigenwoningschuld leidt tot een lagere belastingheffing. Ook woningeigenaren met geen of een geringe hypotheekschuld kunnen gebruik maken van een fiscale aftrek onder de zogenoemde ‘Wet Hillen’. Aangezien huurders dit fiscaal voordeel missen, is hun belastingdruk hoger dan die van woningeigenaren, al kan er voor lagere inkomens wel weer sprake zijn van huurtoeslag. Eenverdieners met een eigenwoning betalen ongeveer twee procentpunt minder inkomstenbelasting dan eenverdieners in een huurwoning, al varieert dit met het inkomen. Voor tweeverdieners is dit verschil lager. Die verschillen kunnen weer samenhangen met de prevalentie van andere kenmerken zoals ondernemerschap.
| Inkomensklasse | Eenverdiener: huurder (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | Eenverdiener: woningeigenaar (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | Tweeverdiener: huurder (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | Tweeverdiener: woningeigenaar (% van bruto-inkomen huishoudenskern) |
|---|---|---|---|---|
| 20 | 0,3 | 0,0 | 0,0 | 0,0 |
| 30 | 4,4 | 0,3 | 0,7 | 0,0 |
| 40 | 6,3 | 4,3 | 2,0 | 0,3 |
| 50 | 9,9 | 8,4 | 5,0 | 2,8 |
| 60 | 12,8 | 11,3 | 7,0 | 5,6 |
| 70 | 15,1 | 13,5 | 8,1 | 7,1 |
| 80 | 17,0 | 15,2 | 9,6 | 8,4 |
| 90 | 18,8 | 16,8 | 11,4 | 9,8 |
| 100 | 20,8 | 18,6 | 13,2 | 11,4 |
| 110 | 23,0 | 20,6 | 14,8 | 13,0 |
| 120 | 25,0 | 22,4 | 16,3 | 14,6 |
| 130 | 27,4 | 23,9 | 17,5 | 16,0 |
| 140 | 28,7 | 25,5 | 18,7 | 17,2 |
| 150 | 26,6 | 19,8 | 18,4 | |
| 160 | 27,9 | 20,8 | 19,6 | |
| 170 | 29,2 | 21,8 | 20,7 | |
| 180 | 30,2 | 22,8 | 21,7 | |
| 190 | 31,1 | 23,8 | 22,7 | |
| 200 | 32 | 24,8 | 23,6 | |
| 210 | 32,5 | 25,6 | 24,5 | |
| 220 | 33,4 | 26,6 | 25,3 | |
| 230 | 34,1 | 27,3 | 26,1 | |
| 240 | 34,5 | 28,0 | 26,8 | |
| 250 | 35,2 | 28,7 | 27,5 | |
| 260 | 35,8 | 28,2 | ||
| 270 | 28,8 | |||
| 280 | 29,4 | |||
| 290 | 30,0 | |||
| *voorlopige cijfers | ||||
Conclusie
Tweeverdieners hebben het hoogste mediane inkomen van alle werkende huishoudenstypes. Huishoudens met een (echt)paar van wie slechts één partner verdiener is (eenverdieners) hebben daarentegen vaker juist een lager inkomen, maar betalen wel een groter gedeelte van hun inkomen als belastingheffing dan tweeverdieners. Ook bij een gelijk huishoudensinkomen hebben eenverdieners een hogere belastingdruk dan tweeverdieners. Het progressieve schijvensysteem in box 1 en de inkomensafhankelijke heffingskortingen per persoon leiden tot een hogere belastingvoet voor hogere persoonlijke inkomens. Tweeverdieners profiteren doordat zij een lager persoonlijk inkomen kunnen hebben bij een vergelijkbaar huishoudensinkomen als een eenverdienershuishouden.
Het inkomen van tweeverdieners is ook het hardst gestegen sinds 2014, wat voornamelijk toegeschreven kan worden aan een hoger inkomen van de minstverdienende partner. Minstverdienende partners zijn vaker vrouwen en zij zijn sinds 2014 gemiddeld meer uren gaan werken. Het inkomen van de partner is dus een steeds belangrijkere rol gaan spelen in het huishoudensinkomen, wat de belastingdruk van tweeverdieners-huishoudens heeft verlaagd. Het inkomen van werkzame eenpersoonshuishoudens aan de andere kant is juist vrij stabiel gebleven en het inkomen van eenverdieners ondervond slechts een lichte groei.
Het aantal eenverdieners is afgenomen tussen 2014 en 2024. Ook hier speelt de toegenomen arbeidsparticipatie van vrouwen een rol. In hoeverre de veranderende fiscale behandeling aan deze ontwikkeling heeft bijgedragen kan dit onderzoek niet uitwijzen. Net zoals in 2014 zijn tweeverdieners de meest voorkomende werkzame huishoudensgroep in Nederland, gevolgd door eenpersoonshuishoudens. Het aantal eenpersoonshuishoudens is het meest toegenomen van alle werkzame huishoudenstypen. Hun belastingheffing komt in de basis overeen met die van eenverdieners, alleen hebben zij geen partner die mogelijk meer zou kunnen werken en daarmee de belastingdruk zou kunnen verlagen.
Het belastingvoordeel van het hebben van een eigen arbeidsinkomen loopt snel op met het arbeidsinkomen van de minstverdienende partner. Dit wordt met name veroorzaakt door de arbeidskorting en eventueel de combinatiekorting. Zulke kortingen verlagen de te betalen inkomstenbelasting en bieden zo een financiële ondersteuning voor bepaalde huishoudens. Zo helpt de combinatiekorting werkende ouders met jonge kinderen in het huishouden. Dit voordeel neemt relatief weer af naarmate het inkomen van de partner hoger wordt en er sprake is van een hoge economische zelfstandigheid. Deze opzet stimuleert partners om meer te gaan werken en doet daarmee hun risico op armoede bij het wegvallen van hun partner afnemen.
De feitelijke belastingdruk wordt daarnaast beïnvloed door verschillende andere kenmerken van huishoudens die niet noodzakelijk samenhangen met de verdeling van het inkomen binnen het huishouden. Een voorbeeld hiervan is de hypotheekrenteaftrek, die een fiscaal voordeel geeft aan woningeigenaren. Doordat tweeverdieners vaker een eigen woning bezitten, profiteren zij relatief meer van de hieraan verbonden fiscale voordelen. Dit leidt ertoe dat de aftrekregelingen voor eigenwoningbezit, hoewel niet specifiek gericht op het stimuleren van arbeidsparticipatie of de verdeling van het inkomen binnen het huishouden, in de praktijk bijdragen aan een lagere belastingdruk voor tweeverdieners.
Het aantal heffingskortingen, toeslagen, en de algehele complexiteit van het Nederlandse belastingsysteem kan tot onduidelijkheden leiden voor huishoudens over het precieze inkomenseffect van bijvoorbeeld meer werken of het krijgen van kinderen (Van de Ven en Van Dijk, 2023). In het voorliggende onderzoek wordt weliswaar geprobeerd een globaal statistisch inzicht te geven, maar de veelheid aan fiscale regelingen maakt het lastig om exacte cijfers te geven over de effecten van afzonderlijke regelingen en levenskeuzen. Verder onderzoek zou hier meer duidelijkheid over kunnen verschaffen, bijvoorbeeld over de marginale individuele belastingvoordelen van de verschillende heffingskortingen.
Referenties
Brakel, M. van den, Gidding, K., & Huynen, B. (2018). Financiële situatie van een- en tweeverdieners. Statistische Trends.
Brakel, M. van den (2023). Inkomen van tweeverdieners: hoeveel partners (willen) bijdragen. Statistische Trends.
CBS (2024a). Emancipatiemonitor 2024.
CBS(2024b). Van 20 naar 70 procent economisch zelfstandige vrouwen in 45 jaar. CBS-nieuwsbericht.
CBS (2025). Economische zelfstandigheid vrouwen minder hard gegroeid. CBS-nieuwsbericht.
Jongen, E., Boer, H. de, & Koot, P. (2018). Eenverdieners onder druk. CPB Policy Brief 2018/03.
Ven, Y. van de, & Dijk, J. van (2023). De belastingen op arbeid zijn complex, onrechtvaardig en belemmeren méér werken. ESB, 108(4821).
Bijlagen
| Aantal (x 1 000) | Man (%)* | Vrouw (%)* | Sociaal- econ. positie1) werk- nemer (%) | Sociaal- econ. positie 1)zelf- standige (%) | Gem. leeftijd (jaar) | Mediaan bruto-inkomen (x 1 000 euro) | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Eenpersoons- huishouden | 1562,2 | 59,1 | 40,9 | 81,2 | 13,2 | 40,9 | 55,5 |
| Eenverdiener | 445,3 | 80,5 | 19,5 | 75,9 | 17,8 | 49,4 | 84,7 |
| Twee- verdieners | 2525,4 | 77,0 | 23,0 | 79,4 | 18,7 | 44,7 | 128,1 |
| Eenouder- gezin | 424,4 | 20,7 | 79,3 | 79,4 | 12,9 | 46,7 | 57,4 |
| Overig meerpersoons- huishouden | 56,0 | 64,5 | 35,5 | 77,7 | 17,3 | 37,3 | 56,8 |
| Totaal | 5013,3 | 66,8 | 33,2 | 79,6 | 16,4 | 44,0 | 93,4 |
| 1) Hoofdkostwinner. | |||||||
| Bruto- inkomen huishoudens- kern (x 1000 euro) | Een- verdiener | EZP1) 0 tot 25% | EZP1) 25 tot 50% | EZP1) 50 tot 75% | EZP1) 75 tot 100% | EZP1) 100 tot 125% | EZP1) 125 tot 150% | EZP1) 150 tot 175% | EZP1) 175 tot 200% | EZP1) 200 tot 225% | EZP1) 225 tot 250% |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 20 tot 40 | 36,5 | 9,1 | 6,3 | 5,5 | 3,2 | 0,8 | |||||
| 40 tot 60 | 68,2 | 15,6 | 13,1 | 14 | 13,8 | 11,6 | 6 | 1,8 | 0,3 | ||
| 60 tot 80 | 86 | 18,1 | 17,9 | 23,1 | 28,6 | 32,6 | 31,1 | 31,3 | 7,4 | 2,8 | 0,3 |
| 80 tot 100 | 78,4 | 14,6 | 15 | 21,8 | 32 | 44,5 | 53,1 | 89,5 | 71,8 | 14,9 | 5,9 |
| 100 tot 120 | 55,6 | 10,7 | 9,9 | 14 | 20,6 | 30,5 | 41,6 | 81,6 | 110,3 | 85,5 | 16,7 |
| 120 tot 140 | 35,6 | 7 | 6,3 | 8,6 | 12,7 | 18,6 | 25,2 | 49,7 | 70,2 | 94,2 | 69,5 |
| 140 tot 160 | 22 | 4,3 | 3,7 | 4,9 | 7,1 | 10,4 | 14 | 29,5 | 41,7 | 56,7 | 71,9 |
| 160 tot 180 | 13,8 | 2,7 | 2,2 | 2,9 | 4 | 5,7 | 7,5 | 15,2 | 22,5 | 32,1 | 42,7 |
| 180 tot 200 | 8,9 | 1,9 | 1,4 | 1,9 | 2,5 | 3,2 | 4,2 | 8 | 11,6 | 16,7 | 22,6 |
| 200 tot 220 | 5,8 | 1,2 | 0,9 | 1,3 | 1,5 | 2 | 2,5 | 4,9 | 6,4 | 8,7 | 11,7 |
| 220 tot 240 | 4,2 | 0,9 | 0,7 | 0,8 | 1,1 | 1,3 | 1,8 | 3,1 | 4,1 | 5,3 | 6,8 |
| 240 tot 260 | 3,1 | 0,6 | 0,5 | 0,5 | 0,7 | 0,9 | 1,1 | 2,1 | 2,7 | 3,4 | 4,3 |
| 260 tot 280 | 2,2 | 0,5 | 0,4 | 0,4 | 0,5 | 0,7 | 0,8 | 1,3 | 1,7 | 2,3 | 2,7 |
| 280 tot 300 | 1,7 | 0,4 | 0,3 | 0,3 | 0,4 | 0,5 | 0,6 | 1 | 1,2 | 1,5 | 1,9 |
| 1) Economische zelfstandigheid partner. | |||||||||||
| Bruto- inkomen huis- houdens kern (x 1 000 euro) | Een-verdiener | EZP2) 0 tot 25% | EZP2) 25 tot 50% | EZP1) 50 tot 75% | EZP2) 75 tot 100% | EZP2) 100 tot 125% | EZP2) 125 tot 150% | EZP2) 150 tot 175% | EZP2) 175 tot 200% | EZP2) 200 tot 225% | EZP2) 225 tot 250% |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 20 tot 40 | 1,8 | 0,8 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | ||||||
| 40 tot 60 | 7,8 | 7,3 | 5,2 | 3,5 | 1,8 | 1,1 | 0,8 | 0,0 | |||
| 60 tot 80 | 13,3 | 13,3 | 11,6 | 10,1 | 8,4 | 6,6 | 4,9 | 4,2 | 3,1 | 2,5 | |
| 80 tot 100 | 16,9 | 17,4 | 16,0 | 14,7 | 13,1 | 11,4 | 9,6 | 8,0 | 8,2 | 7,9 | 7,5 |
| 100 tot 120 | 20,1 | 20,8 | 19,5 | 18,3 | 16,9 | 15,3 | 13,7 | 12,1 | 11,4 | 11,8 | 12,5 |
| 120 tot 140 | 23,5 | 24,4 | 23,2 | 22,0 | 20,6 | 18,9 | 17,2 | 15,6 | 14,8 | 14,4 | 15,1 |
| 140 tot 160 | 26,3 | 27,2 | 26,0 | 25,1 | 23,8 | 22,4 | 20,9 | 19,1 | 17,9 | 17,2 | 17,1 |
| 160 tot 180 | 28,8 | 29,4 | 28,5 | 27,5 | 26,4 | 25,2 | 23,7 | 22,2 | 21,0 | 20,0 | 19,5 |
| 180 tot 200 | 30,9 | 31,3 | 30,3 | 29,3 | 28,4 | 27,4 | 26,1 | 24,7 | 23,6 | 22,6 | 22,0 |
| 200 tot 220 | 32,5 | 32,6 | 30,9 | 30,1 | 29,0 | 28,0 | 26,7 | 25,8 | 24,9 | 24,3 | |
| 220 tot 240 | 33,9 | 31,5 | 30,5 | 29,5 | 28,4 | 27,4 | 26,6 | 26,2 | |||
| 240 tot 260 | 35,1 | 30,9 | 29,7 | 29,0 | 28,2 | 27,7 | |||||
| 260 tot 280 | 36,2 | 31,1 | 30,3 | 29,5 | 29,1 | ||||||
| 280 tot 300 | 37,1 | 31,5 | 30,7 | 30,2 | |||||||
| 1) % van bruto-inkomen huishoudenskern. 2) Economische zelfstandigheid partner. | |||||||||||
| Bruto-inkomen huishoudenskern (x 1 000 euro) | Aantal huishoudens (x 1 000) | Persoonlijk primair inkomen partner (mediaan) (x 1 000 euro) | Kind onder de 12 jaar (%) | Inkomen partner hoger dan 6 duizend euro (%) | Kind onder de 12 jaar en inkomen partner hoger dan 6 duizend euro (%) |
|---|---|---|---|---|---|
| 20 tot 30 | 8,6 | 5176 | 26,7 | 44,0 | 10,5 |
| 30 tot 40 | 17,4 | 7201 | 28,7 | 55,7 | 14,1 |
| 40 tot 50 | 29,9 | 9791 | 30,4 | 65,9 | 18,3 |
| 50 tot 60 | 47,8 | 12924 | 31,3 | 75,2 | 22,3 |
| 60 tot 70 | 76,2 | 16818 | 32,1 | 83,1 | 26,0 |
| 70 tot 80 | 118,3 | 21473 | 33,5 | 89,4 | 29,7 |
| 80 tot 90 | 164,6 | 26523 | 34,9 | 93,2 | 32,5 |
| 90 tot 100 | 200,5 | 31705 | 36,0 | 95,3 | 34,3 |
| 100 tot 110 | 216,2 | 36173 | 36,4 | 96,3 | 35,1 |
| 110 tot 120 | 214,0 | 40269 | 36,1 | 96,9 | 35,0 |
| Bruto-inkomen huishoudens- kern (x 1 000 euro) | Een- verdiener Aantal huishoudens (x 1 000) | Een- verdiener Eigenwoning (%) | Een- verdiener Zelfstandige 1) (%) | Twee- verdieners Aantal huishoudens (x 1 000) | Twee- verdieners Eigenwoning (%) | Twee- verdieners Zelfstandige 1) (%) |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 20 tot 48 | 61,6 | 23,1 | 28,1 | 48,7 | 34,7 | 43,5 |
| 48 tot 76 | 111,6 | 44,3 | 18,2 | 196,3 | 47,3 | 29,0 |
| 76 tot 104 | 108,8 | 69,0 | 12,6 | 503,9 | 69,6 | 19,5 |
| 104 tot 132 | 66,0 | 82,8 | 11,0 | 582,9 | 82,6 | 15,8 |
| 132 tot 160 | 34,4 | 88,4 | 12,1 | 438,8 | 88,5 | 14,2 |
| 160 tot 188 | 17,8 | 90,1 | 14,6 | 280,4 | 91,7 | 14,5 |
| 188 tot 216 | 9,6 | 90,7 | 17,9 | 166,9 | 93,5 | 16,1 |
| 216 tot 244 | 5,9 | 91,8 | 20,2 | 99,8 | 94,6 | 18,4 |
| 244 tot 272 | 3,7 | 91,6 | 20,8 | 61,2 | 95,4 | 21,0 |
| 272 tot 300 | 2,5 | 90,9 | 21,7 | 39,0 | 95,6 | 23,3 |
| 1) Hoofdkostwinner. | ||||||