Inkomen en belastingdruk van een- en tweeverdieners

2. Data en methode

Voor dit onderzoek zijn gegevens gebruikt uit het Integrale inkomens- en vermogensonderzoek (IIV). Het IIV loopt van 2011 tot en met 2024 en bevat complete gegevens over het inkomen en vermogen van alle huishoudens(leden) woonachtig in Nederland. De data komen voornamelijk van de Belastingdienst. In de analyse zijn alleen huishoudens onder de AOW-leeftijd meegenomen. Studentenhuishoudens zijn niet meegenomen, omdat zij niet voornamelijk afhankelijk zijn van arbeidsinkomen. Ook zijn alleen die huishoudens meegenomen waarbij de hoofdkostwinner werkzaam is als werknemer en/of als zelfstandige. Deze populatie heet in het vervolg van dit artikel de ‘werkzame huishoudens’.

Een- en tweeverdieners

Een- en tweeverdieners worden op dezelfde manier afgeleid als in Van den Brakel, Gidding, en Huynen (2018). Om te bepalen welke huishoudens een- of tweeverdieners zijn, wordt gebruikgemaakt van het persoonlijke primaire inkomen. Dit bestaat uit het inkomen verdiend als loon, winst uit een eigen onderneming of overige inkomsten uit arbeid. Wanneer de hoofdkostwinner en de partner beide primair inkomen hebben, wordt het huishouden aangemerkt als tweeverdiener. Eenpersoonshuishoudens en eenoudergezinnen worden in dit artikel als aparte categorieën geclassificeerd.

Belastingdruk

Voor deze analyse zijn alleen het inkomen en de belastingen van de kern van het huishouden meegenomen, dus van de hoofdkostwinner en een eventuele partner. De belastingdruk wordt berekend door de gezamenlijke betaalde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen (AOW, Anw en Wlz) te delen door het bruto-inkomen van de huishoudenskern. Het bruto-inkomen bevat naast het inomen uit arbeid en eigen onderneming ook inkomen uit vermogen, uitkeringen en toeslagen, en is inclusief werkgeversheffingen.

Verschillen in belastingdruk tussen een- en tweeverdieners worden direct veroorzaakt door kenmerken van het belastingstelsel. In de eerste plaats kent het stelsel op individueel niveau belastingschijven met een toenemend heffingspercentage. In 2024 betaalde een persoon 36,97 procent over de eerste 75 518 euro aan inkomen, en 49,50 procent over het inkomen daarboven. Het aantal schijven en de bijbehorende tarieven variëren overigens met de jaren. Zo waren er in 2014 nog vier schijven met een toptarief van 52,00 procent voor inkomens boven de 56 532 euro. Door het inkomen te spreiden over de partners kan het inkomen onder het hoogste tarief worden beperkt.

Heffingskortingen worden afgetrokken van de inkomstenbelasting en premies en verlagen zo de belastingdruk. Dit kan als doel hebben om bepaald gedrag te stimuleren en/of te ondersteunen. Heffingskortingen worden anders toegepast dan andere fiscale aftrekregelingen, zoals de hypotheekrenteaftrek en de zelfstandigenaftrek. Bij deze twee regelingen wordt een bedrag afgetrokken van het belastbaar inkomen/winst in plaats van de te betalen belasting.

Er zijn verschillende heffingskortingen en de toepasbaarheid en hoogte ervan zijn afhankelijk van de persoonlijke situatie. De hoogtes en voorwaarden van de kortingen kunnen ook van jaar op jaar verschillen. Heffingskortingen voor AOW-gerechtigden, de jonggehandicaptenkorting en de heffingskorting voor groene beleggingen worden buiten de analyse gelaten, ook al hebben sommige hiervan wel een invloed op de uiteindelijke belastingdruk.  In dit artikel gaat het voornamelijk over het effect van de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting:

  • De algemene heffingskorting: dit is een korting die ieder inkomstenbelasting betalende persoon ontvangt. De hoogte hiervan hangt af van het belastbaar inkomen en of een persoon de AOW-leeftijd bereikt. Iedere persoon met belastbaar inkomen ontvangt deze korting, maar de heffingskorting neemt wel af naarmate het inkomen toeneemt.
  • Arbeidskorting: deze korting geldt voor elke persoon met arbeidsinkomen. Onder arbeidsinkomen valt onder andere winst uit onderneming, loon, ziektewetuitkering en andere inkomsten uit loondienst waarop de werkgever loonheffing moet inhouden. De korting wordt in eerste instantie hoger naarmate het arbeidsinkomen toeneemt, maar vanaf ongeveer 40 duizend euro neemt de korting af totdat die helemaal verdwijnt. Deze structuur stimuleert zowel het hebben van een eigen arbeidsinkomen als een gelijkmatige verdeling van dat inkomen tussen partners
  • Inkomensafhankelijke combinatiekorting: werkende huishoudens met jonge kinderen kunnen hiervan gebruik maken. De korting is afhankelijk van het arbeidsinkomen van de ouder(s). Alleen personen met een arbeidsinkomen van hoger dan 6 duizend euro kunnen hiervan gebruik maken. Voorwaarde is dat het jongste kind van het huishouden jonger dan twaalf jaar is. Alleen een alleenstaande ouder of de partner met het laagste arbeidsinkomen kan de korting toepassen.

Hieronder worden de hoogtes van de drie opgenomen heffingskortingen getoond voor het jaar 2024 en voor personen die nog niet de AOW-leeftijd bereikt hadden in dat jaar.

2.1 Heffingskortingen, 2024*
InkomenAlgemene.heffingskorting (euro)Arbeidskorting (euro)Combinatiekorting (euro)
0336200
13362850
233621690
333622540
433623380
533624230
633625070
7336259255
83362676114
93362761173
103362845232
113362930291
1233621128350
1333621443409
1433621757468
1533622071527
1633622386586
1733622700645
1833623014704
1933623329763
2033623643822
2133623957881
2233624272940
2333624586999
24336249001058
25335051621117
26328351871176
27321752121235
28315152371294
29308452611353
30301852861412
31295253111471
32288553351521
33281953601521
34275353851521
35268754101521
36262054341521
37255454591521
38248854841521
39242155081521
40235555291521
41228954641521
42222253991521
43215653341521
44209052691521
45202452041521
46195751391521
47189150741521
48182550081521
49175849431521
50169248781521
51162648131521
52155947481521
53149346831521
54142746181521
55136145531521
56129444881521
57122844231521
58116243571521
59109542921521
60102942271521
6196341621521
6289640971521
6383040321521
6476439671521
6569839021521
6663138371521
6756537721521
6849937061521
6943236411521
7036635761521
7130035111521
7223334461521
7316733811521
7410133161521
753532511521
76031861521
77031211521
78030551521
79029901521
80029251521
81028601521
82027951521
83027301521
84026651521
85026001521
86025351521
87024701521
88024041521
89023391521
90022741521
91022091521
92021441521
93020791521
94020141521
95019491521
96018841521
97018191521
98017531521
99016881521
100016231521
101015581521
102014931521
103014281521
104013631521
105012981521
106012331521
107011681521
108011021521
109010371521
11009721521
11109071521
11208421521
11307771521
11407121521
11506471521
11605821521
11705171521
11804511521
11903861521
12003211521
12102561521
12201911521
12301261521
1240611521
125001521
126001521
127001521
128001521
129001521
130001521
*Voor de hoogte van de algemene heffingskorting geldt het belastbaar inkomen uit werk en woning. Voor de hoogte van de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting geldt het arbeidsinkomen. De inkomensgrenzen die bepalend zijn voor de hoogte van de heffingskorting, zijn afgerond op duizendtallen.

Alle kortingen hebben in de jaren 2011-2024 allerlei wijzigingen ondergaan met uiteenlopende effecten op de belastingdruk per huishoudenstype. Zo is de mogelijkheid om de algemene heffingskorting via de partner te verzilveren tussen 2008 en 2023 stapsgewijs afgebouwd en bestaat deze nu alleen nog voor de generatie geboren vóór 1963. Hierdoor is het steeds gunstiger geworden om inkomens gelijkmatiger te verdelen tussen partners, zie ook Jongen, de Boer, en Koot (2018).

Naast de belastingdruk komt ook de belasting- en premiedruk aan de orde. Hierbij worden ook de betaalde werknemerspremies, pensioenpremies, inkomensafhankelijke Zvw-premies en nettokosten van de basisverzekering (inclusief eigen risico en met mindering van zorgtoeslag) meegeteld bij de inkomstenbelasting en de premies volksverzekeringen. In andere CBS-publicaties wordt met de belasting- en premiedruk wel het percentage op het bruto binnenlands product bedoeld.