Het persoonlijke netwerk en de keuze voor zonnepanelen

3. Resultaten

3.1 Welke huishoudens namen zonnepanelen?

In 2019 nam 7 procent van de huishoudens in de populatie zonnepanelen. In 2012 was dit nog 2,1 procent. Er is een duidelijke scheiding te zien tussen de periode vóór 2016, waarin het aandeel rond de 2 procent schommelt, en na 2016, waarna het aandeel van de populatie dat zonnepanelen neemt ieder jaar stijgt.

3.1.1 Huishoudens die zonnepanelen namen
 Huishoudens die zonnepanelen namen (%)
20122,1
20131,8
20142,2
20151,8
20162,4
20173,6
20185,6
20197,0

46- tot 65-jarigen nemen het vaakst zonnepanelen

Het aandeel huishoudens dat zonnepanelen nam, was elk jaar, behalve in 2019, het hoogst onder huishoudens met een referentiepersoon van 46 tot en met 65 jaar. In 2019 was dit aandeel iets hoger onder huishoudens van 31 tot en met 45 jaar. Het aandeel huishoudens dat zonnepanelen nam was tot 2016 het laagst onder de jongste huishoudens, met een referentiepersoon van 18 tot 30 jaar, en het op één na laagst onder de oudste huishoudens, met een referentiepersoon ouder dan 65 jaar. Vanaf 2016 namen de oudste huishoudens nog minder vaak zonnepanelen dan de jongste huishoudens.

Door de jaren heen worden de relatieve verschillen tussen de leeftijdscategorieën kleiner. In 2012 namen huishoudens met een referentiepersoon van 46 tot en met 65 jaar nog meer dan 3 keer zo vaak zonnepanelen als de jongste huishoudens, een verschil van ongeveer 200 procent. In 2019 was het verschil tussen deze leeftijdscategorieën nog maar 15 procent.

3.1.2 Huishoudens die zonnepanelen namen, naar leeftijd referentiepersoon
 18 t/m 30 jaar (%)31 t/m 45 jaar (%)46 t/m 65 jaar (%)Ouder dan 65 jaar (%)
20120,91,92,81,2
20130,81,52,41,2
20141,31,92,81,6
20151,31,72,31,3
20162,02,32,91,6
20172,93,44,32,7
20184,85,76,54,0
20196,98,07,94,5

Hbo- en wo-gediplomeerden nemen het vaakst zonnepanelen

Het aandeel huishoudens dat zonnepanelen nam, is ieder jaar het laagst voor huishoudens waarvan de referentiepersoon ten hoogste een mbo1-diploma had, en het hoogst voor huishoudens waarvan de referentiepersoon een hbo- of wo-diploma had.

Net als bij leeftijd zijn de relatieve verschillen in recentere jaren kleiner dan in eerdere jaren. In 2012 namen huishoudens met een referentiepersoon met een hbo- of wo-diploma meer dan 2 keer zo vaak zonnepanelen als huishoudens met een referentiepersoon met een mbo1-diploma of vergelijkbaar. In 2019 was dit 1,6 keer zo vaak.

3.1.3 Huishoudens die zonnepanelen namen, naar onderwijsniveau1)
 Basisonderwijs, vmbo, mbo1 (%)Havo, vwo, mbo2-4 (%)Hbo, wo (%)Onbekend (%)
20121,41,92,92,0
20131,21,72,51,8
20141,62,22,92,1
20151,41,82,31,7
20161,92,53,12,2
20173,13,74,43,4
20184,55,67,15,1
20195,67,39,06,2
1)Hoogst behaald onderwijsniveau van de referentiepersoon van het huishouden

Vaker zonnepanelen bij hogere welvaart

Hoe financieel welvarender huishoudens zijn, hoe groter de kans dat zij zonnepanelen nemen. Dat geldt voor elk jaar in de analyse. Net als bij leeftijd en onderwijsniveau zijn de relatieve verschillen tussen de groepen kleiner in recentere jaren. In 2012 namen huishoudens in het hoogste welvaartskwintiel 6,3 keer zo vaak zonnepanelen als huishoudens in het laagste kwintiel. In 2019 namen huishoudens met de hoogste financiële welvaart nog 2,2 keer zo vaak zonnepanelen als huishoudens met de laagste financiële welvaart.

3.1.4 Huishoudens die zonnepanelen namen, naar financiële welvaart
 1e kwintiel (laagste financiële welvaart) (%)2e kwintiel (%)3e kwintiel (%)4e kwintiel (%)5e kwintiel (hoogste financiële welvaart) (%)
20120,50,81,21,93,4
20130,50,71,11,72,9
20140,91,31,72,23,1
20150,91,21,41,82,5
20161,41,71,92,43,1
20172,02,52,93,64,6
20182,93,94,55,77,1
20193,85,15,97,38,5

Vaker zonnepanelen op nieuwere woningen

Huishoudens die wonen in een woning met een recenter bouwjaar namen vaker zonnepanelen dan huishoudens in woningen met eerdere bouwjaren. Vooral huishoudens in woningen met bouwjaar 1981 of later namen relatief vaak zonnepanelen vergeleken met eerdere bouwjaren. In tegenstelling tot de hierboven besproken kenmerken, worden de verschillen tussen bouwjaarcategorieën niet kleiner in recentere jaren, maar iets groter. In 2012 was het aandeel huishoudens dat zonnepanelen nam 40 procent hoger onder huishoudens in een woning met bouwjaar 1981 of later dan onder huishoudens met een bouwjaar vóór 1950. In 2019 was dit aandeel 74 procent hoger onder huishoudens in woningen met bouwjaar 1981 of later, vergeleken met vóór 1950.

3.1.5 Huishoudens die zonnepanelen namen, naar bouwjaar woning
 1700 t/m 1950 (%)1951 t/m 1980 (%)1981 of later (%)
20121,81,82,5
20131,51,62,2
20141,92,02,6
20151,51,72,1
20162,02,32,8
20172,83,44,3
20184,05,26,8
20195,06,68,6

Bewoners stedelijk gebied nemen minder vaak zonnepanelen

Hoe minder stedelijk de woonplaats, hoe groter het aandeel huishoudens dat zonnepanelen nam. Dat geldt voor ieder jaar in de analyse. De relatieve verschillen tussen het aandeel huishoudens dat zonnepanelen nam in niet of weinig stedelijk gebied tegenover matig, sterk of zeer sterk stedelijk gebied blijven min of meer gelijk over de jaren.

3.1.6 Huishoudens die zonnepanelen namen, naar stedelijkheid woonplaats
 Niet of weinig stedelijk (%)Matig stedelijk (%)Sterk stedelijk (%)Zeer sterk stedelijk (%)
20122,52,01,81,8
20132,11,81,71,4
20142,72,21,91,6
20152,11,81,61,6
20162,72,42,42
20174,23,93,42,5
20186,35,95,24,4
20197,97,36,65,6

Bewoners Noord-Nederland nemen vaakst zonnepanelen

Voor ieder jaar geldt dat in Noord-Nederland (Groningen, Fryslân en Drenthe) relatief de meeste huishoudens zonnepanelen namen. In welke regio’s na Noord-Nederland de meeste huishoudens zonnepanelen namen verschilt per jaar. In de meeste jaren was het aandeel huishoudens dat zonnepanelen nam het laagst in West-Nederland (Utrecht, Noord-Holland, Zuid-Holland en Zeeland).

3.1.7 Huishoudens die zonnepanelen namen, naar regio
 Noord (Groningen, Fryslan, Drenthe) (%)Oost (Overijssel, Flevoland, Gelderland) (%)West (Utrecht, Noord-Holland, Zuid-Holland, Zeeland) (%)Zuid (Noord-Brabant, Limburg) (%)
20122,62,22,01,9
20132,22,01,91,5
20144,02,41,72
20153,01,91,51,8
20163,22,42,12,7
20174,24,13,13,8
20186,45,94,96,2
20198,67,46,07,7

De kaarten hieronder tonen het aandeel huishoudens dat per peiljaar zonnepanelen nam uitgesplitst naar provincie. De stijgende trend over de tijd is duidelijk zichtbaar. In de meeste jaren staat Groningen, Zeeland of Limburg bovenaan. Dat in Groningen relatief veel huishoudens zonnepanelen namen komt waarschijnlijk door de subsidies voor aardbevingsschade. Via de Subsidie Waardevermeerdering kunnen bewoners van gebouwen met aardbevingsschade subsidie krijgen om hun woning te verduurzamen, onder andere met zonnepanelen (SNN, 2025).

3.1.8 Huishoudens die zonnepanelen namen
Provincies2012 (%)2013 (%)2014 (%)2015 (%)2016 (%)2017 (%)2018 (%)2019 (%)
Groningen2,42,07,44,33,43,86,010,0
Fryslan2,92,32,31,92,74,26,67,9
Drenthe2,52,22,83,23,94,66,58,3
Overijssel2,12,23,11,51,93,14,77,1
Flevoland2,12,32,61,63,03,85,86,9
Gelderland2,31,81,92,12,64,86,67,7
Utrecht2,01,62,01,62,43,25,26,6
Noord-Holland2,41,71,61,42,03,55,06,0
Zuid-Holland1,61,81,61,41,82,74,65,9
Zeeland2,73,32,42,42,83,94,95,5
Noord-Brabant1,91,41,51,42,03,35,97,6
Limburg2,01,53,12,84,34,97,07,8

3.2 Wat is de rol van het netwerk?

Jaarlijkse toename zonnepanelen in netwerken

Het percentage huishoudens met zonnepanelen in de netwerken van de populatie neemt ieder jaar toe. In 2019 had gemiddeld 16,7 procent van het netwerk zonnepanelen. In 2012 was dit maar 1,5 procent.

3.2.1 Huishoudens in het netwerk met zonnepanelen
 Hele netwerk (gemiddeld % van het netwerk)Familie (gemiddeld % van het netwerk)Buren (gemiddeld % van het netwerk)Collega's (gemiddeld % van het netwerk)
20121,51,41,51,6
20133,22,83,13,3
20144,544,54,7
20156,25,46,26,4
20167,66,77,67,8
20179,68,59,69,8
201812,511,312,512,7
201916,715,316,617,1

Huishoudens nemen vaker zonnepanelen bij meer zonnepanelen in netwerk

Naarmate het aandeel huishoudens in het netwerk met zonnepanelen toeneemt, neemt de kans toe dat een huishouden zelf ook zonnepanelen neemt. Er is dus een positief verband tussen zonnepanelen in het netwerk en de kans om zonnepanelen te nemen.

3.2.2 Huishoudens die zonnepanelen namen, 2012-2019
 Hele netwerk (%)Familie (%)Buren (%)Collega's (%)
0 - 51,82,22,02,1
6 - 103,03,73,33,3
10 - 154,84,84,55,1
15 - 206,65,75,56,9
20 - 257,96,56,68,3
25 - 308,16,27,68,8

Ook na correctie voor achtergrondkenmerken netwerkeffecten

In een regressieanalyse is voor zover mogelijk gecorrigeerd voor kenmerken die mensen in een netwerk mogelijk met elkaar delen, die ook verband houden met het nemen van zonnepanelen. Ter vergelijking zijn de modellen ook geschat zonder correctie voor achtergrondkenmerken.

Er zijn twee analyses gedaan: één waarbij het aandeel huishoudens met zonnepanelen in het netwerk als geheel is meegenomen, en één waarbij het aandeel huishoudens met zonnepanelen in het familie-, buren- en colleganetwerk als aparte onderdelen in het model zaten. De uitgebreide resultaten van de regressie zijn te vinden zijn in de bijlage.

Uit deze analyses blijkt dat, ook na correctie voor achtergrondkenmerken, het aandeel huishoudens met zonnepanelen in het netwerk positief samenhangt met de kans dat een huishouden zelf zonnepanelen neemt. Gecorrigeerd voor achtergrondkenmerken neemt de kans dat een huishouden zonnepanelen neemt met 0,17 procentpunt toe voor elke toename van 1 procentpunt van het percentage huishoudens met zonnepanelen in het netwerk.

Wanneer niet gecorrigeerd wordt voor achtergrondkenmerken lijkt het netwerkeffect iets groter: voor elke toename van 1 procentpunt van het percentage huishoudens met zonnepanelen in het netwerk neemt de kans op het nemen van zonnepanelen toe met 0,29 procentpunt. Een deel van dit effect wordt dus verklaard door de gedeelde achtergrondkenmerken.

3.2.3 Voorspelde kans1) op het nemen van zonnepanelen
% huishoudens in het netwerk met zonnepanelenOngecorrigeerd (kans (%))Gecorrigeerd voor achtergrondkenmerken (kans (%))
01,10,1
11,40,2
21,70,4
32,00,6
42,30,7
52,50,9
62,81,1
73,11,2
83,41,4
93,71,6
104,01,7
114,31,9
124,62,1
134,92,2
145,22,4
155,52,6
165,82,8
176,12,9
186,33,1
196,63,3
206,93,4
217,23,6
227,53,8
237,83,9
248,14,1
258,44,3
268,74,4
279,04,6
289,34,8
299,64,9
309,95,1
1) In het regressiemodel. In het gecorrigeerde model zijn de achtergrondkenmerken vastgezet op de referentiewaarden (zie bijlage).

Wanneer het effect van de verschillende netwerken apart wordt geschat blijkt dat de kans op het nemen van zonnepanelen, gecorrigeerd voor achtergrondkenmerken, 0,08 procentpunt toeneemt voor elke extra procentpunt zonnepanelen in het buren- of familienetwerk. Voor het colleganetwerk is de toename 0,09 procentpunt. De individuele netwerken hebben dus elk een kleiner effect dan het totale netwerk. Ook hier geldt dat in de modellen waarin geen achtergrondkenmerken zijn meegenomen de netwerkeffecten groter zijn, en dat een deel van het waargenomen effect dus verklaard kan worden door deze gedeelde kenmerken.

3.2.4 Voorspelde kans1) op het nemen van zonnepanelen, losse netwerkeffecten
 Familie, ongecorrigeerd (kans (%))Familie, gecorrigeerd voor achtergrondkenmerken (kans (%))Buren, ongecorrigeerd (kans (%))Buren, gecorrigeerd voor achtergrondkenmerken (kans (%))Collega's, ongecorrigeerd (kans (%))Collega's, gecorrigeerd voor achtergrondkenmerken (kans (%))
00,9-0,10,9-0,10,9-0,1
11,00,01,00,01,00,0
21,10,11,10,11,20,1
31,20,21,30,21,30,2
41,30,21,40,21,50,3
51,40,31,50,31,60,4
61,50,41,70,41,80,5
71,60,51,80,51,90,6
81,80,61,90,62,10,6
91,90,72,10,72,20,7
102,00,72,20,72,40,8
112,10,82,30,82,50,9
122,20,92,50,92,71,0
132,31,02,61,02,91,1
142,41,12,71,13,01,2
152,51,22,81,23,21,3
162,61,33,01,23,31,4
172,71,33,11,33,51,5
182,81,43,21,43,61,6
193,01,53,41,53,81,7
203,11,63,51,63,91,8
213,21,73,61,64,11,9
223,31,83,81,74,21,9
233,41,83,91,84,42,0
243,51,94,01,94,52,1
253,62,04,22,04,72,2
263,72,14,32,14,82,3
273,82,24,42,15,02,4
283,92,34,52,25,12,5
294,02,34,72,35,32,6
304,22,44,82,45,42,7
1) In het regressiemodel. In het gecorrigeerde model zijn de achtergrondkenmerken vastgezet op de referentiewaarden (zie bijlage). In zowel het gecorrigeerde als het ongecorrigeerde model zijn de netwerkeffecten van familie, buren en collega’s tegelijk geschat. Doordat de netwerken met elkaar correleren zijn de voorspelde effecten van de individuele netwerkdimensies kleiner dan de waargenomen samenhang met de losse netwerkdimensies in figuur 3.2.2.

Beperkte verklarende kracht

De modellen (met achtergrondkenmerken) verklaren ongeveer 2 procent van de spreiding in de data. Dit betekent dat een groot deel van de spreiding in de data niet verklaard kan worden door de modellen. Dit is een aanwijzing dat er andere factoren meespelen bij het nemen van zonnepanelen, dan de variabelen die zijn opgenomen in de modellen. Dit zijn bijvoorbeeld factoren waarover geen data beschikbaar is, zoals interesses of normen en waarden. Omdat menselijk gedrag niet altijd makkelijk in modellen te vatten is, komt een lage verklarende kracht bij sociaalwetenschappelijk onderzoek vaak voor (Ozili, 2023).