1. Inleiding
Nederland maakt de overstap naar hernieuwbare energie. Zonnestroom is hier een belangrijk onderdeel van. In 2024 was het verbruik van zonne-energie 22 procent van het totale eindverbruik van hernieuwbare energie in Nederland (CBS, 2025a). Het aantal installaties van zonnepanelen op of rond woningen is tussen 2012 en 2020 onafgebroken gestegen, van ongeveer 70 duizend tot bijna 3 miljoen in 2024 (CBS StatLine, 2021, 2025). Wie hebben die zonnepanelen en waarom?
Mensen kunnen verschillende redenen hebben om te kiezen voor zonnepanelen. Eerder onderzoek uit andere landen wijst uit dat er tussen 2010 en 2022 een verschuiving was van de belangrijkste reden die mensen noemden (Sigrin, Pless en Drury, 2015, Simpson en Clifton, 2017, Palm, 2018). De eersten die zonnepanelen namen waren vaker geïnteresseerd in de technologie en milieuvoordelen. De mensen die recenter zonnepanelen namen waren relatief vaker gemotiveerd door financiële prikkels. De groei van zonnestroom is mede mogelijk geweest door verschillende subsidies en regelingen, zoals de salderingsregeling waarmee gebruikers geld terugkrijgen voor hun opgewekte elektriciteit (CBS, 2024).
De keuze voor zonnepanelen maken mensen niet op zichzelf: de keuzes van familie en bekenden spelen mogelijk ook een rol (Simpson en Clifton, 2017, Palm, 2018, He, Lovo en Veronesi, 2022). Eerder is aangetoond dat mensen elkaar beïnvloeden en dat bepaald gedrag in de sociale omgeving ‘besmettelijk’ is, zoals echtscheiding (De Vuijst et al., 2017), het krijgen van kinderen (Buyukkececi et al., 2020), obesitas (Christakis en Fowler, 2007), antisociaal gedrag en criminaliteit (Monahan, Steinberg en Cauffman, 2009), en prosociaal gedrag bij jongeren (Barry en Wentzel, 2006; Van Hoorn, Crone en Leijenhorst, 2016).
Er zijn verschillende manieren waarop sociale beïnvloeding kan plaatsvinden. Ten eerste kunnen mensen sociaal leren via observatie en rolmodellen. Bij het nemen van zonnepanelen gebeurt dat bijvoorbeeld wanneer mensen zien dat (veel) anderen in hun omgeving zonnepanelen nemen. Ten tweede kan sociale beïnvloeding ook indirecter werken, via het overbrengen van normen en waarden, zoals duurzaamheid. Tenslotte kan het netwerk ook gelegenheid bieden, zoals toegang tot informatie en hulpbronnen. In het geval van zonnepanelen kan dit bijvoorbeeld door te praten met een bekende over diens ervaringen met de installatie van zonnepanelen en kennis over het aanvragen van subsidie.
In dit artikel staat de rol van het netwerk in de keuze voor zonnepanelen centraal. De onderzoeksvragen luiden:
- Welke kenmerken hebben huishoudens die zonnepanelen nemen?
- In hoeverre is er een verband tussen de keuze voor zonnepanelen en het aandeel huishoudens met zonnepanelen in het netwerk?
- Verschilt dit verband tussen verschillende typen netwerken (familie, buren of collega’s)?
Een kanttekening bij dit onderzoek is dat een samenhang tussen zonnepanelen in het netwerk en de kans om zelf zonnepanelen te nemen geen direct bewijs is dat er sociale beïnvloeding plaatsvindt. Mensen met dezelfde eigenschappen zijn namelijk vaak geclusterd in netwerken. Zo hebben collega’s en buren vaak een vergelijkbare sociaaleconomische positie. Collega’s hebben vaak ook vergelijkbaar werk. Als die eigenschappen zelf samenhangen met het nemen van zonnepanelen (bijvoorbeeld: werkzaam zijn in de duurzaamheidssector), zal je in het netwerk ook een clustering zien van mensen die zonnepanelen hebben, maar dat is dan geen sociale beïnvloeding.
Voor een deel van deze gedeelde achtergrondkenmerken wordt gecorrigeerd in de analyse, zoals financiële welvaart, regio, en bouwjaar van het huis. Maar niet voor alles kan gecorrigeerd worden met de beschikbare data. Denk bijvoorbeeld aan gedeelde interesses of gedeelde normen en waarden. Wanneer werknemers van een IT-bedrijf allemaal zonnepanelen nemen, zou dit kunnen komen door sociale beïnvloeding tussen collega’s, maar ook door hun gemeenschappelijke interesse in moderne technologie, waardoor ze individueel tot hun besluit zijn gekomen. Een gevonden samenhang tussen netwerkleden suggereert dus wel sociale beïnvloeding, maar met dit type onderzoek kan dat niet met zekerheid bewezen worden.