4. Conclusies en discussie
In Nederland hebben mensen vaak contact met hun naasten, ze helpen elkaar zowel buiten als binnen organisaties en zijn actief bij verenigingen. Dat er veel sociale en maatschappelijke participatie is, betekent echter niet automatisch dat mensen zich er ook helemaal bij voelen horen.
De bevindingen laten zien dat het merendeel van de mensen in Nederland zich sociaal en maatschappelijk verbonden voelt en zich dus niet buitengesloten voelt. Wel zijn er bepaalde bevolkingsgroepen die zich relatief vaak buitengesloten voelen. Dat geldt voor vrouwen, mensen met basisonderwijs, een middelbare schooldiploma of mbo-opleiding, migranten, mensen met een lager inkomen en mensen met een sociale uitkering.
Dat juist deze groepen zich vaker buitengesloten voelen, komt grotendeels overeen met de bevindingen uit ander onderzoek naar de daadwerkelijke deelname van deze groepen op het gebied van sociale contacten, vrijwilligerswerk en deelname aan het verenigingsleven (CBS StatLine, 2025; Groffen & Schmeets, 2025; Groffen & Coumans, 2025). Een uitzondering daarop zijn vrouwen: zij onderhouden juist vaker sociale contacten en helpen vaker anderen in hun vrije tijd dan mannen (CBS StatLine, 2025), en op het gebied van vrijwilligerswerk en de actieve deelname aan verenigingen is er geen verschil tussen mannen en vrouwen (Groffen & Schmeets, 2025; Groffen & Coumans, 2025). Ook uit ander onderzoek blijkt dat vrouwen minder vaak sociaal in de marge leven dan mannen (Coumans & Janssen, 2025). Ook dat komt niet overeen met de bevinding dat vrouwen zich vaker buitengesloten voelen.
Een mogelijke verklaring voor de bevinding dat vrouwen zich vaker buitengesloten voelen dan mannen maar tegelijk vaker sociaal contact hebben, is dat vrouwen over het algemeen minder vertrouwen in andere mensen, oftewel sociaal vertrouwen, hebben (Schmeets, in druk). Sociaal vertrouwen kan van invloed zijn op het buitengesloten voelen, omdat vertrouwen een belangrijk onderdeel is van sociale binding. Zelfs als vrouwen vaker sociaal contact hebben, kan een laag niveau van vertrouwen leiden tot het gevoel dat ze niet echt verbonden zijn met anderen of de samenleving. In tegenstelling tot het eerder genoemde onderzoek naar ‘in de marge leven’ (Coumans & Janssen, 2025) wordt in het voorliggende onderzoek echter alleen naar participatie gekeken en niet naar vertrouwen. Mogelijk is voor vrouwen juist die sociale component van vertrouwen het belangrijkste bij het al dan niet buitengesloten voelen. Om hier meer zicht op te krijgen is ander onderzoek nodig dat dieper ingaat op de subjectieve beleving van binding met de samenleving, en de rol van vertrouwen daarin.
Ook is ingegaan op de vraag of het gevoel van buitengesloten zijn in het sociale leven, op het werk en in de maatschappij, samenhangt met een daadwerkelijk lagere sociale en maatschappelijke deelname. Het antwoord daarop is grotendeels bevestigend. Minder vaak sociale contacten hebben, zowel binnen als buiten de eigen groep, geen actieve deelname aan verenigingen, en geen betaald werk hebben, gaan vaker gepaard met buitengesloten voelen. Het geven van onbetaalde hulp aan anderen en het doen van vrijwilligerswerk hebben daarentegen, na correctie voor achtergrondkenmerken, niet aanvullend een verband met het ervaren van buitensluiting.
Vanuit de theorie over segregatie (Musterd & Ostendorf, 2009; Klingeren, 2024) is de verwachting dat regelmatig contact met mensen die anders zijn qua leeftijd, herkomst en onderwijsniveau belangrijker is voor het gevoel erbij te horen dan frequent contact met familie en vrienden. Als groepen die niet op elkaar lijken gescheiden van elkaar leven, is namelijk de verwachting dat er ‘sociale bubbels’ kunnen ontstaan waardoor mensen zich sneller buitengesloten kunnen voelen. Dit is echter niet in de bevindingen terug te zien. Het percentage mensen dat zich buitengesloten voelt verschilt nauwelijks tussen degenen die niet regelmatig contact hebben met mensen die anders zijn en de mensen die niet regelmatig contact hebben met familie, vrienden en buren.
De bevinding strookt ook niet met de theorie waarin vooral ‘overbruggend’ sociaal kapitaal, zoals contacten tussen verschillende groepen, wordt gezien als bevorderlijk voor de binding van burgers met de samenleving, oftewel de sociale cohesie (Putnam, 2000). Blijkbaar zijn naast deze overbruggende contacten ook de banden met familie en vrienden belangrijk voor het gevoel van saamhorigheid en het gevoel erbij te horen.
Een kanttekening bij dergelijke conclusies is de manier waarop in dit onderzoek is gemeten hoe vaak er contact is met mensen die anders zijn of met de eigen kring van familie en vrienden. Er kan tussen beide contactvormen een overlap zijn. Zo kunnen contacten met mensen die anders zijn qua leeftijd, herkomst en onderwijsniveau ook plaatsvinden binnen de eigen familie- en vriendenkring. Gezien de hoge percentages van beide contactvormen, respectievelijk 95 en 93 procent, zullen veel mensen contact hebben met zowel mensen die anders zijn als met familie en vrienden. Bovendien zijn er nog andere kenmerken denkbaar waarop mensen van elkaar kunnen verschillen en die mogelijk relevant zijn voor het verband tussen divers sociaal contact en het gevoel van buitengesloten zijn. Daarom is meer diepgaand onderzoek nodig om beter vast te stellen hoe verschillende contactvormen, binnen en buiten de eigen sociale kring, en al dan niet met mensen die anders zijn, samenhangen met binding in de samenleving en het gevoel van buitengesloten zijn.