Opleiding en werk: twee generaties vrouwen vergeleken

2. In het onderwijs

Het onderwijsniveau van vrouwen overstijgt dat van mannen

Sinds 1950, en met name bij de invoering van de Mammoetwet in 1968, is het onderwijs steeds toegankelijker geworden. Het aantal leerlingen in het onderwijs nam in rap tempo toe. Enerzijds door de naoorlogse geboortegolf maar ook door overheidsmaatregelen zoals het stapsgewijs verhogen van de leerplicht en de komst van opleidingen met een langere studieduur. 

2.1 Aandeel jongens en meisjes op vwo-niveau
JaarMeisjes (%)Jongens (%)
1950/'5130,669,3
1951/'5230,769,3
1952/'5331,069,2
1953/'5430,669,2
1954/'5530,869,2
1955/'5630,669,3
1956/'5730,869,3
1957/'5830,469,5
1958/'5930,769,3
1959/'6031,069,0
1960/'6131,168,9
1961/'6231,268,8
1962/'6330,969,0
1963/'6431,069,0
1964/'6531,468,6
1965/'6632,068,1
1966/'6732,667,5
1967/'6833,566,5
1968/'6932,167,9
1969/'7033,766,3
1970/'7136,463,6
1971/'7239,061,0
1972/'7342,257,9
1973/'7443,156,9
1974/'7543,956,1
1975/'7644,655,4
1976/'7745,254,8
1977/'7845,854,2
1978/'7946,553,5
1979/'8047,152,9
1980/'8147,952,1
1981/'8248,551,5
1982/'8348,951,1
1983/'8449,350,6
1984/'8549,550,5
1985/'8649,650,4
1986/'8749,850,2
1987/'8849,950,3
1988/'8949,950,1
1989/'9050,050,0
1990/'9149,750,3
1991/'9249,950,1
1992/'9350,349,7
1993/'9450,749,3
1994/'9551,148,9
1995/'9651,348,6
1996/'9751,748,4
1997/'9851,948,1
1998/'9952,347,6
1999/'0052,947,1
2000/'0153,646,4
2001/'0253,946,2
2002/'0353,646,4
2003/'0453,646,4
2004/'0553,446,6
2005/'0653,546,4
2006/'0753,646,4
2007/'0853,846,2
2008/'0953,946,1
2009/'1053,746,2
2010/'1153,446,6
2011/'1253,047,0
2012/'1352,847,2
2013/'1452,647,4
2014/'1552,847,2
2015/'1653,146,9
2016/'1753,146,9
2017/'1853,446,6
2018/'19*53,646,4
* Voorlopige cijfers

Deze veranderingen leidden tot een toenemend aantal meisjes in het voortgezet onderwijs, en ook tot een toenemend aandeel meisjes in het huidige vwo-niveau. Eind jaren ‘60, toen de oudste generatie naar de middelbare school ging, maakten meisjes ongeveer een derde van alle vwo-leerlingen uit, maar het aandeel nam daarna toe. Vanaf het begin van de jaren ’80 oversteeg het aandeel meisjes het aandeel jongens en dat was dus ook zo in de jongste generatie. Daarmee nam de toegankelijkheid en daarmee ook de onderwijsdeelname van vrouwen in het hbo en wo in rap tempo toe. Tot aan het begin van de jaren ‘70 was een universitaire studie vooral aan mannen voorbehouden en was hoogstens 1 op de 5 studenten een vrouw. Sindsdien nam het aandeel studentes snel toe.Eind jaren ’70, toen de oudste generatie instroomde in het hoger onderwijs, was ruim een kwart van de universitaire studenten vrouw. Binnen het hoger beroepsonderwijs was dat net iets minder dan de helft. Aan het einde van de jaren ’90, toen de jongste generatie aan het hoger onderwijs ging deelnemen, was vooral het aandeel universitaire studentes verder toegenomen tot net onder de 50 procent. Sinds het schooljaar 2006/’07 ligt het aandeel vrouwen boven 50 procent. Binnen het hoger beroepsonderwijs stonden in de jaren ‘50 tegenover elke vrouw drie mannen. Sinds 1997/’98 is het aandeel vrouwen groter dan het aandeel mannen.

2.2 Aandeel vrouwelijke studenten in het hoger onderwijs
SchooljaarHbo (%)Wo (%)
1950/'5136,615,5
1951/'5238,016,1
1952/'5338,416,7
1953/'5437,317,1
1954/'5537,517,4
1955/'5639,117,6
1956/'5739,617,8
1957/'5838,118,1
1958/'5936,518,2
1959/'6035,118,0
1960/'6135,217,9
1961/'6234,517,8
1962/'6335,218,0
1963/'6436,117,9
1964/'6537,418,0
1965/'6638,618,0
1966/'6740,118,4
1967/'6840,318,6
1968/'6939,818,6
1969/'7039,019,1
1970/'7138,819,7
1971/'7239,720,8
1972/'7341,3
1973/'7441,3
1974/'7542,123,4
1975/'7642,925,0
1976/'7743,726,3
1977/'7844,327,5
1978/'7946,228,7
1979/'8047,229,6
1980/'8148,330,9
1981/'8249,532,0
1982/'8350,033,1
1983/'8449,634,4
1984/'8548,035,6
1985/'8646,936,8
1986/'8746,538,1
1987/'8846,439,2
1988/'8946,540,6
1989/'9046,841,7
1990/'9146,942,6
1991/'9247,443,9
1992/'9347,944,6
1993/'9448,545,2
1994/'9549,145,7
1995/'9649,046,0
1996/'9749,946,2
1997/'9850,546,4
1998/'9951,047,0
1999/'0051,647,5
2000/'0152,148,2
2001/'0252,148,5
2002/'0352,249,4
2003/'0452,149,4
2004/'0552,049,7
2005/'0652,149,9
2006/'0752,250,4
2007/'0852,350,8
2008/'0952,451,1
2009/'1052,351,2
2010/'1152,351,6
2011/'1251,951,5
2012/'1351,751,4
2013/'1451,551,4
2014/'1551,351,4
2015/'1651,351,1
2016/'1751,351,3
2017/'1851,151,5
2018/'19*51,251,9
* Voorlopige cijfers


Het onderwijsniveau van de gehele Nederlandse bevolking en voor vrouwen in het bijzonder is mede hierdoor de afgelopen decennia toegenomen. Van het oudste cohortvrouwen geboren aan het einde van de jaren ‘50 had ongeveer een kwart op 30- tot 35-jarige leeftijd een diploma op hbo- of universitair niveau. Van degenen geboren tussen 1975 en 1980 had 43 procent een diploma gehaald binnen het hoger onderwijs. Het aandeel vrouwen dat nauwelijks enige scholing had gehad, nam tussen deze generaties sterk af. Het aandeel vrouwen op het niveau van het huidige middelbaar beroepsonderwijs is tussen beide generaties vrijwel gelijk gebleven. Ook onder mannen steeg het onderwijsniveau, maar minder snel dan onder vrouwen.

2.3 Hoogst behaald onderwijsniveau in leeftijd van 30 tot 35 jaar
Categories 1Categories 2Hoogstens Vmbo-niveau (%)Havo, Vwo, Mbo (%)Hbo, wo (%)
VrouwenCohort 1955 tot 196035,54123,3
VrouwenCohort 1975 tot 198014,841,342,8
MannenCohort 1955 tot 196031,84126,9
MannenCohort 1975 tot 198019,241,837,8

Veranderingen in onderwijsrichting

Niet alleen veranderde het niveau van het diploma dat vrouwen behaalden, zij volgen ook andere studierichtingen. Het aandeel vrouwen met een diploma in de richting zorg en maatschappij (gezondheidszorg, journalistiek en gedrag en maatschappij) is van oudsher het grootst. Dat aandeel is voor het jongste geboortecohort weliswaar kleiner, maar het is nog steeds de populairste onderwijsrichting onder vrouwen. Economische en juridische opleidingen (bedrijfskunde, administratie, informatica en recht) zijn populairder geworden.Dat geldt voor vrouwen, maar ook voor mannen. Ook is het aandeel vrouwen met een technisch diploma (techniek, industrie, bouwkunde, wiskunde en informatica)toegenomen, maar met 6 procent is het nog altijd het laagst. Het aandeel mannen met een technisch diploma ligt met 31 procent duidelijk hoger dan onder vrouwen, maar het aandeel is in de jongste generatie mannen lager dan in de oudste.

2.4 Onderwijsrichting van de hoogst behaalde opleiding van 30- tot 35-jarigen
Categories 1Categories 2Landbouw, diergeneeskunde en -verzorging (%)Technisch (%)Overige onderwijsrichtingen (%)Algemeen (%)Economisch en juridisch (%)Zorg en maatschappij (%)
VrouwenCohort 1955 tot 19600,8310,726,117,241,4
VrouwenCohort 1975 tot 19801,7613,114,82635,1
MannenCohort 1955 tot 19604,434,112,520,118,49,9
MannenCohort 1975 tot 19803,831,29,416,725,210,5